Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2018:7533 ECLI:NL:RBAMS:2018:7533 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:7533 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2018:7533
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 september 2016 tot en met 26 januari 2017 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Emmeloord en/of Wormerveer en/of Dronten en/of Dordrecht en/of Lelystad en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen: - op of omstreeks 29 september 2016, vijf stuks, althans een of meerdere stuks (elektrisch) gereedschap van het merk Bosch, waaronder 3, althans een of meerdere, boormachine(s), in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan de Gamma (te Wormerveer), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of - op of omstreeks 20 december 2016, negen stuks, althans een of meerdere stuks (elektrisch) gereedschap van het merk Bosch en/of De Walt en/of Worx, in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan de Praxis (te Emmeloord), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of - op of omstreeks 28 december 2016, een of meerdere stuks (elektrisch) gereedschap en/of een of meerdere (andere) goederen van zijn/ hun gading, in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan de Gamma (te Amstelveen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of - op of omstreeks 28 december 2016, acht stuks, althans een of meerdere stuks (elektrisch) gereedschap, te weten (een) accuschroefboormachine(s) van het merk Bosch, in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan de Gamma (te Amsterdam), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of - op of omstreeks 4 januari 2017, 16 stuks, althans een of meerdere stuks (elektrisch) gereedschap, waaronder zeven, althans een of meerdere, accuschroefboormachine(s) van het merk Metabo, in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan de Gamma (te Dronten), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of - op of omstreeks 8 januari 2017, 25 stuks, althans een of meerdere stuks (elektrisch) gereedschap van het merk Bosch en/of Makita, in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan de Praxis (te Lelystad), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of - op of omstreeks 26 januari 2017, vier stuks, althans een of meerdere stuks (elektrisch) gereedschap, waaronder een accuboormachine en/of een breekhamer van het merk Bosch, in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan de Gamma (te Dordrecht), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

Legislator headnote

AI generated

artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:RBAMS:2018:7533 · Rechtbank Amsterdam: Er bestaan geen aanwijzingen dat de vele door verdachte en zijn broer aangeboden artikelen een legale herkomst hebben. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat deze van misdrijf afkomstig zijn, zodat gewoontewitwassen bewezen verklaard kan worden. De rechtbank merkt in dit verband nog op, mede ten aanzien van feit 1, dat zij de verklaring van verdachte, dat hij de – voor een groot deel nieuwe – gereedschappen op een kofferbakmarkt in Beverwijk heeft gekocht, niet aannemelijk acht. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van 24 februari 2017 (blz. 422), waarin de wijkagent van de Beverwijkse Bazaar verklaart dat op de kofferbakmarkt voornamelijk tweedehands goederen worden verkocht.

Keywords

AI generated
damage to electrical installations electrical and radio equipment electronic waste electromagnetic interference commercial fraud products concerned

Cited Legislation

AI generated
artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering
De tenlastelegging voldoet daarmee niet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt, aldus de raadsman.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHARL:2015:8980
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006023-14 Uitspraak d.d.: 26 oktober 2015 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 3 oktober 2014 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-910000-14 en 08-900004-12, 08-910029-14, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [1988] , wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
ECLI:NL:GHAMS:2018:1632
afdeling strafrecht parketnummer: 23-003036-17 datum uitspraak: 6 februari 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-650322-16 (hierna: zaak A) en 13-659313-16 (hierna: zaak B) tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, adres: [adres] . Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak A onder 2 en 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat: Zaak A: 1 primair:hij een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 mei 2016 tot en met 11 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (Range Rover, kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte zich met zijn mededader(s) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutels; Zaak B (met parketnummer 13-659313-16, gevoegd): 1 primair:hij in of omstreeks de periode van 7 april 2016 tot en met 8 april 2016 te Volendam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (personen)auto (met kenteken [kenteken 2] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen voornoemde (personen)auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking; 1 subsidiair:hij in of omstreeks de periode van 7 april 2016 tot en met 8 april 2016 te Volendam en/of Amsterdam en/of Diemen, in elk geval in Nederland, een goed, te weten een (personen)auto (met kenteken [kenteken 2] ) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; 2:hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Amsterdam op/aan de Bert Haanstrakade, op of omstreeks 8 april 2016 te 09.30 uur de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [benadeelde 7] , zijnde de eigenaar van het voertuig met kenteken [kenteken 3] ) letsel en/of schade was toegebracht; 3:hij op of omstreeks 8 april 2016 te Amsterdam en/of Diemen, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto met kenteken [kenteken 2] ), daarmee rijdende op de weg, de Diemerpolderweg (komende uit de richting van IJburg en gaande in de richting van Diemen), zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen aldaar, op een zodanige wijze en/of met te hoge snelheid voor die verkeers-/wegsituatie, in elk geval met een snelheid, welke (veel) te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse heeft gereden en/of op gelijkwaardige kruisingen geen snelheid heeft verminderd en/of (vervolgens) meerdere malen, althans eenmaal een (verhoogde) busbaan is opgereden en/of (vervolgens) via deze busbaan een politievoertuig heeft ingehaald; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Vrijspraak Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte in de zaak B onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer De raadsman heeft bepleit dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte de in zaak A onder 1 ten laste gelegde diefstal heeft begaan. De twee herkenningen zijn gedaan op basis van een printscreen en de beelden die ter terechtzitting in hoger beroep zijn getoond. Daarop is enkel een deel van een zijaanzicht van het gelaat van een mogelijke dader te zien. Het zou weliswaar kunnen dat de verdachte de persoon op de beelden is, maar dit is niet met zekerheid vast te stellen. De verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken, aldus de raadsman. Het hof overweegt, met de rechtbank, als volgt. Aangever [benadeelde 1] heeft verklaard dat zijn Range Rover tussen 10 mei 2016 om 22:30 uur en 11 mei 2016 om 09:00 uur is weggenomen uit de parkeergarage aan de Daguerrestraat in Amsterdam. Er lag glas op de plek waar de auto stond en er was een gat geknipt in het hek waarmee de parkeerplek was afgesloten. Het wegnemen van deze auto is op camerabeelden van de parkeergarage vastgelegd. Op de beelden is te zien dat om 04:42 uur drie personen, NN1, NN2 en NN3, de parkeergarage inlopen. NN1 staat vervolgens bij de automaat naast de slagboom en verricht vervolgens enige handelingen bij de automaat. Om 04:50 uur komt een grijze Range Rover aanrijden die voor de slagboom stopt. NN3 voegt zich bij NN1 om te helpen bij de slagboomautomaat. Het vervolg van de beelden is verloren gegaan, maar de huismeester Nunes van de parkeergarage heeft de beelden eerder wel bekeken. Hij heeft verklaard dat NN1 en NN3 nadat de slagboom open ging in de auto zijn gestapt waarna de auto is weggereden. De huismeester heeft bevestigd dat de auto op de camerabeelden de Range Rover van aangever [benadeelde 1] is. Het hof stelt op grond van deze bewijsmiddelen vast dat NN1, NN2 en NN3 de Range Rover van [benadeelde 1] gezamenlijk hebben gestolen. De verdenking dat de verdachte één van de daders is geweest van de diefstal, is geheel gebaseerd op twee processen-verbaal van herkenning, waarbij de betreffende verbalisanten NN1 vanaf de camerabeelden van de parkeergarage hebben herkend als de verdachte. Andere aanwijzingen dat de verdachte bij de diefstal betrokken is geweest zijn niet aanwezig. Bij de beoordeling van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Dit geldt temeer indien de herkenning het voornaamste bewijsmiddel vormt. Het hof ziet zich dan ook gesteld voor de vraag welke waarde aan de herkenningen moet worden gehecht. De herkenning van een persoon op beeld kan plaatsvinden, in het algemeen gesproken, op basis van diens gezicht, kleding en accessoires en/of postuur, houding en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Hiervan heeft de gezichtsherkenning onmiskenbaar de hoogste diagnostische waarde. Het gezicht is immers uit zijn aard uniek en de meeste mensen zijn uitstekend in staat gezichten te herkennen. Wetenschappers als [wetenschapper 1] en [wetenschapper 2] hebben ons geleerd dat gezichten als één geheel, dat wil zeggen holistisch in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat het heel lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en goed kan herkennen. Ook heeft het vanwege de holistische herinnering aan gezichten weinig zin om aan een getuige te vragen waaraan hij precies het gezicht van de verdachte heeft herkend. Dit zal niet meer kunnen opleveren dan een in woorden gegoten rationalisatie achteraf van een niet-rationeel proces. Het hof stelt vast dat op de in kleur afgebeelde still van NN1 het gezicht van NN1 goed zichtbaar is. Hoewel het camerabeeld van opzij komt en de persoon een capuchon draagt, zijn voorhoofd, neus, bovenlip, mond en kin duidelijk in beeld gebracht. Het hof heeft ter zitting kennis genomen van de bewegende beelden en vastgesteld dat deze van goede kwaliteit zijn. Anders dan door de verdediging is gesteld, acht het hof de still en de bewegende beelden van voldoende kwaliteit om daar een herkenning op te kunnen baseren. Voorts is van belang hoe goed de herkenner de verdachte kent. Hoe beter men de verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de visuele kennis waardevoller is als deze is ontstaan uit ontmoetingen in levenden lijve dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Verbalisant [verbalisant 1] had de verdachte een paar weken voor het ten laste gelegde verhoord waarbij hij de verdachte goed heeft kunnen bekijken. Verbalisant [verbalisant 2] heeft de verdachte niet in levenden lijve ontmoet, maar herkende hem van foto’s en beelden van briefings en aandachtvestigingen. Zijn herkenning ondersteunt de herkenning van verbalisant [verbalisant 1] . Van feiten en omstandigheden die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden maken, is het hof niet gebleken. Het hof vindt de herkenning van [verbalisant 1] betrouwbaar, gezien de kwaliteit van de foto en van de beelden en gezien de ontmoeting die hij kort tevoren met de verdachte had gehad en ziet daarnaast zijn herkenning ondersteund door de herkenning van [verbalisant 2] . Aan de herkenningen komt dan ook voldoende bewijskracht toe om vast te kunnen stellen dat NN1 op de beelden de verdachte is. Het hof acht daarom bewezen dat de verdachte zich op 11 mei 2016 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de diefstal van de Range Rover van [benadeelde 1] . Het hof verwerpt het verweer van de raadsman. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-650322-16 onder 1 en in de zaak met parketnummer 13-659313-16 onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak A: 1:in de periode van 10 mei 2016 tot en met 11 mei 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen een personenauto (Range Rover, kenteken [kenteken 1] ) toebehorende aan [benadeelde 1] waarbij verdachte zich met zijn mededaders de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak; Zaak B: 1 subsidiair:in de periode van 7 april 2016 tot en met 8 april 2016 te Amsterdam een goed, te weten een personenauto met kenteken [kenteken 2] , voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; 2:als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Amsterdam op de Bert Haanstrakade, op 8 april 2016 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander, te weten [benadeelde 7] , zijnde de eigenaar van het voertuig met kenteken [kenteken 3] , schade was toegebracht; 3:hij op 8 april 2016 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, personenauto met kenteken [kenteken 2] , daarmee rijdende op de weg, komende uit de richting van IJburg en gaande in de richting van Diemen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen aldaar met te hoge snelheid voor die verkeerssituatie heeft gereden en meerdere malen een verhoogde busbaan is opgereden en vervolgens via deze busbaan een politievoertuig heeft ingehaald. Hetgeen in de zaak A onder 1 en in de zaak B onder 1 subsidiair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A onder 1 en in de zaak B onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in de zaak met parketnummer 13-650322-16 onder 1 bewezen verklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. Het in de zaak met parketnummer 13-659313-16 onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op: opzetheling. Het in de zaak met parketnummer 13-659313-16 onder 2 bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het in de zaak met parketnummer 13-659313-16 onder 3 bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak A onder 1 en in de zaak B onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte met toepassing van het jeugdstrafrecht voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 30 dagen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting en meewerken aan het verkrijgen van dagbesteding met een proeftijd van twee jaar. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft een Range Rover voorhanden gehad, waarvan hij wist dat deze kort daarvoor was gestolen. Door het helen van deze auto blijft de markt voor handel in en verspreiding van gestolen auto’s in stand. Vervolgens is de verdachte in deze auto met hoge snelheid weggereden om aan de politie te ontkomen. Tijdens de daarop volgende achtervolging heeft hij een heleboel verkeersregels aan zijn laars gelapt, waarbij hij de veiligheid van zijn medeweggebruikers ernstig in gevaar heeft gebracht. Uit het dossier blijkt dat hij onder andere met hoge snelheid langs een kinderdagverblijf is gereden waar op dat moment meerdere kinderen op de stoep stonden. De verdachte heeft daarmee een levensgevaarlijke situatie gecreëerd. Hij en de onschuldige omstanders mogen van geluk spreken dat niemand gewond is geraakt. De verdachte heeft een ongeluk veroorzaakt door tegen een langs de kant van de weg geparkeerde auto aan te rijden die daardoor aan de gehele linkerzijde schade heeft opgelopen. In plaats van te stoppen om zijn gegevens achter te laten, is de verdachte doorgereden en heeft hij de eigenaar van de auto met de schade laten zitten. Daarnaast heeft de verdachte ongeveer een maand later samen met anderen een auto, ook een Range Rover, gestolen. Door het stelen van een kostbare auto wordt grote schade toegebracht aan een eigenaar, nog afgezien van de hinder die het stelen van goederen met zich mee brengt. De verdachte heeft kort achter elkaar vele verkeerde keuzes gemaakt, waarbij hij geen rekening heeft gehouden met de potentieel grote gevolgen voor anderen. Uit het reclasseringsrapport van 23 januari 2017 komt naar voren dat de verdachte een verstandelijke beperking heeft. Hij is daardoor gemakkelijk te beïnvloeden en is minder weerbaar tegen sociale druk. Ook zijn grote moeite om zelf praktische zaken te regelen kan hierdoor worden verklaard. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de William Schrikker Jeugdreclassering en Jeugdbescherming (hierna: WSSJrJb) verklaard dat de verdachte de afgelopen periode goed heeft meegewerkt aan begeleiding. Hij is gestart met een opleiding en de school is erg positief over hem. De verdachte heeft echter nog steeds begeleiding nodig, omdat hij nog moeite heeft met maken van de juiste keuzes. De vriendenkeuze en vrijetijdsbesteding van de verdachte blijft een aandachtspunt, aldus de WSSJrJb. Het hof ziet in de persoonlijkheid van de verdachte aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Een intensieve en op het niveau van de verdachte afgestemde begeleiding blijft van groot belang om recidive te voorkomen. Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur en met na te melden bijzondere voorwaarden passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 39.200,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 37.850,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Het hof stelt vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Zoals blijkt uit een bij de vordering gevoegde koopovereenkomst heeft de benadeelde partij de gestolen auto acht dagen voor de diefstal gekocht voor een bedrag van € 37.850,-. De benadeelde partij is door de diefstal van zijn auto dus voor dit bedrag benadeeld. Het hof zal de vordering tot materiële schadevergoeding daarom toewijzen tot een bedrag van € 37.850,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Omdat de verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd, zal het hof bepalen dat verdachte voor het toegewezen bedrag hoofdelijk aansprakelijk is. De benadeelde partij wordt voor de andere schadeposten niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Voor die schadepost dient nader bewijs te worden aangeleverd door de benadeelde partij. De behandeling van de vordering levert ten aanzien van die post een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 915,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Het hof stelt vast staat dat aan de benadeelde partij door de diefstal van zijn auto materiële schade is toegebracht. De auto was beschadigd en er zijn goederen uit ontvreemd. De benadeelde partij heeft van de verzekering een geldbedrag ontvangen van € 7.500,- ter vergoeding van de door hem geleden schade. Bij de vordering zijn geen stukken gevoegd waaruit blijkt op welke goederen deze vergoeding betrekking heeft en welke bedragen daarvoor zijn uitgekeerd. Het is het hof dan ook niet duidelijk op welke goederen de vordering van de benadeelde partij in dit geding nog ziet. Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 62, 63, 77a, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 7, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak A (met parketnummer 13-650322-16) onder 2 en 3 ten laste gelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak B (met parketnummer 13-659313-16) onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A (met parketnummer 13-650322-16) onder 1 en in zaak B (met parketnummer 13-659313-16) onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in zaak A (met parketnummer 13-650322-16) onder 1 en in de zaak B (met parketnummer 13-659313-16) onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 30 (dertig) dagen. Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich te melden bij de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde meewerkt aan het verkrijgen en behouden van dagbesteding en zich houdt aan de afspraken die in dat kader worden gemaakt. Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde meewerkt aan begeleiding dan wel behandeling door Indaad (Integrale zorg- en dienstverlening aan jongeren, onder meer met een verstandelijke beperking en/of andere problematiek). Geeft opdracht aan William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 2016102243 1.00 STK Zaktelefoon; Kl:wit; IPHONE 5; 5248063. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-650322-16 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 37.850,00 (zevenendertigduizend achthonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-650322-16 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 37.850,00 (zevenendertigduizend achthonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 mei 2016. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 6] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. P.F.E. Geerlings en mr. F.G. Hijink, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 februari 2018. Mr. P.F.E. Geerlings en mr. F.G. Hijink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen. ========================================================================= […]
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummer: 13/665627-16 (A) + 13/732016-17 (B) Datum uitspraak: 23 oktober 2018 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 oktober 2018. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. K.H.T. van Gijssel, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat: ten aanzien van zaak A:

1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 september 2016 tot en met 26 januari 2017 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Emmeloord en/of Wormerveer en/of Dronten en/of Dordrecht en/of Lelystad en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen: - op of omstreeks 29 september 2016, vijf stuks, althans een of meerdere stuks (elektrisch) gereedschap van het merk Bosch, waaronder 3, althans een of meerdere, boormachine(s), in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan de Gamma (te Wormerveer), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of - op of omstreeks 20 december 2016, negen stuks, althans een of meerdere stuks (elektrisch) gereedschap van het merk Bosch en/of De Walt en/of Worx, in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan de Praxis (te Emmeloord), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of - op of omstreeks 28 december 2016, een of meerdere stuks (elektrisch) gereedschap en/of een of meerdere (andere) goederen van zijn/ hun gading, in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan de Gamma (te Amstelveen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of - op of omstreeks 28 december 2016, acht stuks, althans een of meerdere stuks (elektrisch) gereedschap, te weten (een) accuschroefboormachine(s) van het merk Bosch, in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan de Gamma (te Amsterdam), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of - op of omstreeks 4 januari 2017, 16 stuks, althans een of meerdere stuks (elektrisch) gereedschap, waaronder zeven, althans een of meerdere, accuschroefboormachine(s) van het merk Metabo, in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan de Gamma (te Dronten), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of - op of omstreeks 8 januari 2017, 25 stuks, althans een of meerdere stuks (elektrisch) gereedschap van het merk Bosch en/of Makita, in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan de Praxis (te Lelystad), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of - op of omstreeks 26 januari 2017, vier stuks, althans een of meerdere stuks (elektrisch) gereedschap, waaronder een accuboormachine en/of een breekhamer van het merk Bosch, in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan de Gamma (te Dordrecht), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 september 2016 tot en met 22 februari 2017, te Amsterdam en/of Arnhem en/of Almere en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) een of meerdere stuk(s) (elektrisch) gereedschap, waaronder (een) boormachine(s), in elk geval enig€ goed(eren) overgedragen en/of omgezet bij een of meerdere filia(a)l(en) van Used Products, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat (elektrische) gereedschap geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit diefstal, in elk geval afkomstig was uit enig misdrijf; ten aanzien van zaak B: hij in of omstreeks de periode vanaf 17 mei 2016 tot en met 22 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift (te weten artikel 17 van de Participatiewet), opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de gemeente Amsterdam en/of de afdeling Werk, Participatie en Inkomen, immers heeft hij (in die periode(n) en op die plaats) geheel of gedeeltelijk niet aan genoemde dienst(en) medegedeeld of kenbaar gemaakt dat hij - werkzaamheden verrichtte en/of had verricht en/of - ( oncontroleerbare) inkomsten en/of tegoeden ontving en/of had ontvangen en/of - niet op het uitkeringsadres verbleef en/of had verbleven, althans niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had en/of heeft gehad en/of - een gezamenlijke huishouding voerde en/of had gevoerd en/of samenwoonde en/of had samengewoond; zijnde dit (een) gegeven(s) waarvan hij wist, of redelijkerwijze moest vermoeden dat dit/deze gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming, namelijk een uitkering krachtens de Participatiewet, dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken en/of had kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander. 3Voorvragen 3.1.

De geldigheid van de dagvaarding. Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 in zaak A nietig dient te worden verklaard, nu de tenlastelegging van dit feit onvoldoende feitelijk is, zodat onduidelijk is waartegen verdachte zich dient te verdedigen. De tenlastelegging voldoet daarmee niet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt, aldus de raadsman. De rechtbank overweegt als volgt. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie verduidelijkt dat de tenlastelegging onder feit 2 in zaak A gaat over de periode en goederen, genoemd in het proces-verbaal van 14 februari 2017, bladzijde 302 en verder.

Met deze toelichting van de officier van justitie is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk waartegen verdachte zich dient te verdedigen, zodat de dagvaarding ook op dit punt voldoende feitelijk bepaald en derhalve geldig is. 3.2. De dagvaarding is ook overigens geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Medeplegen. De rechtbank overweegt met betrekking tot het medeplegen het volgende.

Gebleken is dat verdachte en zijn broer veelvuldig gezamenlijk bouwmarkten bezoeken. Zij maken daarbij gebruik van de Ford Ka van de ex-vrouw van zijn broer en zijn broer is daarbij bestuurder. Zij betreden de bouwmarkten telkens afzonderlijk. Verdachte verlaat vervolgens met goederen de bouwmarkt via de achterzijde door de leveranciers in- en uitgang. Vervolgens vertrekken zij weer gezamenlijk in genoemde Ford Ka. Bij het bezoek aan de Gamma aan de Spaklerweg te Amsterdam is op camerabeelden te zien dat verdachte goederen aan de achterzijde van de bouwmarkt de goederenopslag in draagt en daar een roldeur van de leveranciers in- en uitgang opent, voorts het buitenterrein opgaat en daar de goederen tussen de spijlen van een hekwerk door aan de andere kant van dat hekwerk plaatst.

Vervolgens plaatsen verdachte en zijn broer gezamenlijk aan de andere kant van het hekwerk de weggenomen goederen in een winkelwagen, hetgeen als wegnemingshandeling is te kwalificeren (proces-verbaal d.d. 25 januari 2017, blz. 66 e.v.). In dit geval is dus sowieso gezamenlijke uitvoering waargenomen. Die dag hebben verdachte en zijn broer meerdere bouwmarkten bezocht. Gelet op voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat telkens sprake is van een samen opgevat en vast plan dat tevens gezamenlijk wordt uitgevoerd. De nauwe en bewuste samenwerking volgt onder meer uit de hiervoor weergegeven zichtbare rolverdeling tussen beiden.

Zij is daarom van oordeel dat met betrekking tot de diefstallen die zijn gepleegd wanneer verdachte zich met zijn broer in een bouwmarkt bevond, bewezen kan worden dat die diefstallen tezamen en in vereniging zijn gepleegd. 4.2. De weggenomen goederen. Van iedere diefstal uit bouwmarkten bevinden zich een aangifte en stills van camerabeelden in het dossier. Uit die stills blijkt echter niet telkens dat alle goederen genoemd in de aangifte ook daadwerkelijk allemaal door verdachte en zijn broer zijn weggenomen. Niet valt uit te sluiten dat meerdere mensen die dag in die bouwmarkt diefstal hebben geleegd.

De rechtbank zal in alle gevallen waarin niet duidelijk is of verdachte en zijn broer alle in de aangifte genoemde goederen hebben weggenomen het impliciet subsidiair ten laste gelegde, te weten ‘goederen’, bewezen verklaren. 4.3. Herkenning op camerabeelden. De raadsman heeft de verschillende herkenningen door verbalisanten vanaf stills in twijfel getrokken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de stills van slechte kwaliteit zijn en heeft gewezen op een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 oktober 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:8980).

Volgens de raadsman mag een verbalisant bij zijn herkenning niet volstaan met het benoemen van algemene kenmerken, zoals een postuur of gelaat, maar moeten voldoende duidelijke specifieke en onderscheidende persoonskenmerken worden benoemd op grond waarvan tot een herkenning wordt gekomen. De rechtbank stelt voorop dat met herkenning op camerabeelden behoedzaam dient te worden omgegaan. De rechtbank is echter van oordeel dat de raadsman te hoge eisen stelt aan herkenningen door verbalisanten. Zij sluit zich aan bij het arrest van 6 augustus 2018 van het gerechtshof te Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2018:1632), waarin wordt overwogen:

“Wetenschappers als [wetenschapper 1] en [wetenschapper 2] hebben ons geleerd dat gezichten als één geheel, dat wil zeggen holistisch in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat het heel lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en goed kan herkennen. Ook heeft het vanwege de holistische herinnering aan gezichten weinig zin om aan een getuige te vragen waaraan hij precies het gezicht van de verdachte heeft herkend.

Dit zal niet meer kunnen opleveren dan een in woorden gegoten rationalisatie achteraf van een niet-rationeel proces.” Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat zich in het dossier stills bevinden die van slechte kwaliteit zijn. Echter zitten er ook stills bij, die naar het oordeel van de rechtbank herkenning goed mogelijk maken. In het dossier bevinden zich daarbij ook ambtsedige processen-verbaal waarin verbalisanten relateren dat verdachte hen ambtshalve bekend is. Voorts relateren zij dat ze verdachte hebben herkend op bewegende beelden die van betere kwaliteit zijn.

De rechtbank ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen. De herkenningen worden bovendien gesteund door de aanwezigheid van de hiervoor genoemde Ford Ka en de mitella die verdachte draagt, een specifiek kenmerk. 4.4. Nadere overweging met betrekking tot het witwassen. Mede door gebrekkige registratie van goederen door de Praxis en de Gamma valt uit het dossier niet op te maken dat de bij Used Products aangeboden gereedschappen afkomstig zijn van de onder feit 1 genoemde diefstallen. Zoals ook uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt is echter wel duidelijk geworden dat verdachte en zijn broer veelvuldig diefstal plegen bij bouwmarkten.

Er bestaan geen aanwijzingen dat de vele door verdachte en zijn broer aangeboden artikelen een legale herkomst hebben. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat deze van misdrijf afkomstig zijn, zodat gewoontewitwassen bewezen verklaard kan worden. De rechtbank merkt in dit verband nog op, mede ten aanzien van feit 1, dat zij de verklaring van verdachte, dat hij de – voor een groot deel nieuwe – gereedschappen op een kofferbakmarkt in Beverwijk heeft gekocht, niet aannemelijk acht. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van 24 februari 2017 (blz. 422), waarin de wijkagent van de Beverwijkse Bazaar verklaart dat op de kofferbakmarkt voornamelijk tweedehands goederen worden verkocht.

Hij heeft nog nooit meegemaakt dat er al dan niet in grote getale duur elektrisch gereedschap werd aangeboden. De door de broer van verdachte genoemde verkopers [verkoper 1] en [verkoper 2] komen hem niet bekend voor. Voorts bevindt zich in het dossier (blz. 423 e.v.) een proces-verbaal van 24 februari 2017 waarin wordt gerelateerd dat de Ford Ka waarvan verdachte en zijn broer gebruik maakten in de periode van een kleine twee maanden waarin dit voertuig voorzien was van een baken, niet in Beverwijk is gestopt. ten aanzien van zaak B: Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij in de tenlastegelegde periode een gezamenlijke huishouding voerde, samenwoonde en dat hij wist dat hij verplicht was om daarvan melding te maken.

Gelet hierop en op het feit dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte in deze periode een inkomen genereerde uit de handel op grond van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, heeft verdachte gehandeld in strijd met artikel 17 van de Participatiewet. 4.5. De rechtbank acht bewezen dat verdachte: ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde: op 5 december 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een luchtspiraalslang, toebehorende aan de Gamma en in de periode van 20 december 2016 tot en met 26 januari 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen: - op 20 december 2016 goederen, toebehorende aan de Praxis te Emmeloord en - op 28 december 2016 goederen, toebehorende aan de Gamma te Amstelveen en - op 28 december 2016 acht stuks elektrisch gereedschap, te weten accuschroefboormachines van het merk Bosch, toebehorende aan de Gamma te Amsterdam en - op 4 januari 2017 goederen, toebehorende aan de Gamma te Dronten en - op 26 januari 2017 goederen, toebehorende aan de Gamma te Dordrecht; ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde: in de periode van 3 december 2016 tot en met 10 februari 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben zij, verdachte en zijn mededader, gereedschap, waaronder boormachines, overgedragen aan en omgezet bij filialen van Used Products, terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat gereedschap afkomstig was uit enig misdrijf; ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde: in de periode vanaf 17 mei 2016 tot en met 22 februari 2017 te Amsterdam in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift, te weten artikel 17 van de Participatiewet, opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de gemeente Amsterdam en de afdeling Werk, Participatie en Inkomen, immers heeft hij in die periode en op die plaats niet aan genoemde diensten medegedeeld of kenbaar gemaakt dat hij - inkomsten ontving en - een gezamenlijke huishouding voerde en samenwoonde, zijnde dit gegevens waarvan hij wist dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming, namelijk een uitkering krachtens de Participatiewet, dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf.

5Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende een ruime periode tezamen met zijn broer schuldig gemaakt aan een groot aantal diefstallen, gepleegd op doortrapte wijze door heel Nederland. Zij gingen daarbij op professionele wijze te werk. Er lijkt zelfs sprake van bedrijfsmatig handelen. Feiten als de onderhavige veroorzaken naast schade tevens hinder en overlast voor de getroffen bedrijven. Een en ander heeft verdachte ondergeschikt gemaakt aan zijn drang naar geldelijk gewin. Verdachte heeft zich door het doorverkopen van de gestolen goederen tevens schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de integriteit van het financiële en economische verkeer. Het zorgt ervoor dat criminelen met hun illegaal en dus oneerlijk verdiende geld een maatschappelijke en financiële status kunnen verwerven die zij niet behoren te hebben. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude. Daarmee heeft hij het vertrouwen dat de uitkeringsinstanties moeten hebben in de juistheid van de beschikbare gegevens geschonden. Bovendien ondermijnt verdachte door zijn handelen het systeem van steun aan mensen die van een uitkering afhankelijk zijn.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 mei 2018 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte eerder terzake een vermogensdelict is veroordeeld. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd in die zin dat zij de gevorderde straf zal matigen. De officier van justitie heeft niets aangevoerd dat een hogere straf zou rechtvaardigen. Teneinde verdachte ervan te weerhouden zich wederom aan (soortgelijke) misdrijven schuldig te maken zal de rechtbank de op te leggen straf deels in voorwaardelijke vorm opleggen.

9Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 227b, 310, 311 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde: diefstal en diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd; ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde: medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken; ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde: in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Beveelt dat een gedeelte, groot 4 maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt. Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Brunner, voorzitter, mrs. E. van den Brink en F.A.N.J. Goudappel, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 oktober 2018. De jongste rechter is buiten staat te tekenen.