Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2018:7390 ECLI:NL:RBAMS:2018:7390 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:7390 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2018:7390
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 6913652 CV EXPL 18-10768 vonnis van: 8 oktober 2018 fno.: 438 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap Bouwinvest Dutch Institutional Residential Fund N.V. gevestigd te Amsterdam eiseres nader te noemen: Bouwinvest gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde nader te noemen: [gedaagde] gemachtigde: mr. J.W.C. Bruins VERLOOP VAN DE PROCEDURE De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier: - dagvaarding van 26 april 2018 met producties;- conclusie van antwoord met producties;- instructievonnis;- dagbepaling comparitie. De comparitie heeft plaatsgevonden op 5 september 2018. Daaraan voorafgaande heeft Bouwinvest een akte ingediend, onder meer houdende wijziging van eis en het overleggen van producties. Voor Bouwinvest is verschenen [naam 1] , vergezeld door mr. S.J. Houweling als gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Vonnis is bepaald op heden. GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast: 1.1. Met ingang van 16 september 2017 heeft Bouwinvest aan [gedaagde] verhuurd de woning aan de [het gehuurde] , hierna: het gehuurde. De huurprijs bedraagt thans € 1.540,00 per maand. 1.2. De schriftelijke huurovereenkomst en de daarbij behorende Algemene Bepalingen (AB) bevatten bedingen houdende een verbod om zonder schriftelijke toestemming van de verhuurder het gehuurde een andere bestemming te geven, dit in gebruik te geven aan derden en/of het gehuurde te gebruiken voor bedrijfsmatige activiteiten. 1.3. Artikel 14.3 van de bij huurovereenkomst behorende Algemene Bepalingen bepaalt onder meer: “14.3 Het is huurder niet toegestaan: (…) 1.4. c. in het gehuurde, in de gemeenschappelijke ruimten en/of delen daarvan dan wei in de directe omgeving van het gehuurde hennep te (doen) kweken of te verhandelen en/of het gehuurde in te richten als hennepkwekerij, hennepdrogerij of hennepknipperij dan wel andere activiteiten te verrichten die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld. Tevens is het huurder verboden hennep of soortgelijke gewassen in het gehuurde en/of gemeenschappelijke ruimten voorhanden te hebben, dan wel op te slaan of te houden voor een ander. Het is huurder evenmin toegestaan om in het gehuurde. in de gemeenschappelijke ruimten en/of delen daarvan dan wel in de directe omgeving van het gehuurde qat, soft drugs, hard drugs of andere verboden middelen te verhandelen te produceren of in groepsverband te gebruiken, te laten gebruiken of aanwezig te hebben, Huurder erkent dat het handelen in strijd met de hiervoor genoemde verboden leidt tot schade aan het gehuurde, alsmede tot gevaarzetting en overlast (zoals vervuiling, vandalisme, aantrekken van criminaliteit e.d.) voor de omgeving. Het handelen in strijd met dit verbod is dermate ernstig dat dit ontbinding van de huurovereenkomst op de kortst mogelijke termijn rechtvaardigt, Huurder is gehouden tot afdracht van de winst aan verhuurder die hij (naar schatting) heeft genoten door het handelen in strijd met dit verbod, onverminderd verhuurders recht op (aanvullende) schadevergoeding.” 1.5. Artikel 11.1 van de huurovereenkomst bepaalt onder meer: “Huurder en verhuurder komen overeen dat indien huurder tekortschiet in de nakoming van zijn verplichting(en) uit hoofde van de nagenoemde bepaling(en), hij aan verhuurder een direct opeisbare boete verbeurt zoals hieronder vermeld: (…) e. een boete van € 5000,00 per overtreding, te vermeerderen met een aanvullende boete van € 100,00 voor iedere kalenderdag dat de overtreding voortduurt, bij overtreding van artikel 14.3 sub c (hennep en dergelijke) van de algemene bepalingen, met een maximum van € 25.000,00 onverminderd (i) zijn gehoudenheid om alsnog aan deze verplichting te voldoen en (ii) verhuurders recht op (aanvullende) schadevergoeding, en (iii) de verplichting tot afdracht van de winst die hij (naar schatting) heeft genoten door het handelen in strijd met dit verbod;” 1.6. Op 24 januari 2018 heeft de politie een hennepkwekerij aangetroffen in de woning, met 548 hennepplanten. De politie heeft de kwekerij ontmanteld en de toegangsdeur(en) van het gehuurde voorzien van een ander slot. 1.7. Bij brief van 2 februari, verzonden 5 februari 2018 heeft de burgemeester van [plaats] medegedeeld dat het gehuurde met ingang van 25 januari 2018 voor de duur van drie maanden is gesloten. 1.8. Bouwinvest heeft een afschrift van bovengenoemde brief ontvangen. 1.9. Bij brief van 19 februari 2018 heeft (de beheerder van) Bouwinvest medegedeeld dat, onder verwijzing naar artikel 7:231 BW, een beroep wordt gedaan op de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst ingaande 25 januari 2018. Tevens heeft zij [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de in verband hiermee door haar geleden schade, en heeft zij aanspraak gemaakt op de boete als hiervoor onder 1.5 bedoeld. 1.10. Vanaf medio mei 2018 heeft Bouwinvest getracht in contact te komen met [gedaagde] via het door hem opgegeven e-mailadres. Bij e-mailbericht van 5 juni 2018 aan de gemachtigde van [gedaagde] heeft de gemachtigde van Bouwinvest verzocht om [gedaagde] contact met hem te laten opnemen. Bij e-mail van 7 juni 2018 heeft de gemachtigde van Bouwinvest bericht dat de (nieuwe) sleutels van het gehuurde door [gedaagde] kunnen worden opgehaald op haar kantoor. Vervolgens heeft [gedaagde] de sleutels van het gehuurde ontvangen. Vervolgens hebben partijen gecorrespondeerd over de (staat van) oplevering door [gedaagde] . 1.11. [gedaagde] heeft op 2 juli 2018 de sleutels van het gehuurde ingeleverd bij de gemachtigde van Bouwinvest. Vordering en verweer 2. Bouwinvest vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, zoals geformuleerd in de conclusie houdende wijziging van eis: “1. te verklaren voor recht, dat de huurovereenkomst betreffende de woning met verdere aanhorigheden staande en gelegen [het gehuurde] , buitengerechtelijk is ontbonden per 25 januari 2018, dan wel per deze datum als ontbonden te verklaren; 2. [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Bouwinvest Residential te voldoen een bedrag van € 14725,67 ten titel van huur, gebruiks-vergoeding, boete, schadevergoeding berekend tot en met juni 2018, inclusief rente en incassokosten berekend tot en met 28 augustus 2018, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 augustus 2018 tot aan de dag der voldoening; 3. met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.” 3. Aan deze vordering legt Bouwinvest ten grondslag – kort samengevat – dat [gedaagde] op verschillende manieren tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst door in het gehuurde een hennepplantage te houden, althans door het gehuurde aan derden in gebruik te geven die dit hebben gedaan. Gelet op de sluiting door de burgemeester was Bouwinvest bevoegd de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Er is ook voldoende grond voor ontbinding. [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. [gedaagde] is in elk geval gehouden de huurtermijnen tot 25 januari 2018 te voldoen. Over de periode vanaf 25 januari 2018 tot en met 2 juli 2018 dient [gedaagde] een gebruiksvergoeding dan wel een schadevergoeding gelijk aan de huurtermijn per maand te betalen. Daarnaast is [gedaagde] op grond van de onder 1.4 en 1.5 bedoelde bedingen aansprakelijk voor de boete van € 5.000,-. Bouwinvest was genoodzaakt tot het maken van buitengerechtelijke kosten en [gedaagde] is aansprakelijk voor die kosten. Bouwinvest maakt aanspraak op € 9.240,- wegens huur dan wel gebruiksvergoeding dan wel schadevergoeding over de periode januari tot en met juni 2018, € 5.000,- wegens boete, € 433,- wegens buitengerechtelijke kosten en € 52,67 wegens rente. 4. [gedaagde] heeft de vorderingen gemotiveerd betwist en daarbij – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Hij kan zich verenigen met een ontbinding per 25 januari 2018. Hij spreekt en begrijpt geen Nederlands en heeft de overeenkomst (in het Nederlands) getekend zonder de Engelse vertaling te ontvangen. Aan hem werd slechts medegedeeld dat het een standaardcontract betrof. Als gevolg van een benarde privésituatie (verbroken relatie, werk beëindigd) is [gedaagde] akkoord gegaan met een voorstel van een derde om geld te verdienen. [gedaagde] betwist na 25 januari 2018 iets verschuldigd te zijn voor het gehuurde. Daarover had hij niet meer de beschikking. Hij heeft herhaaldelijk getracht om in contact te komen met (de beheerder van) Bouwinvest om afspraken te maken over lege oplevering van het gehuurde, maar deze was voor hem onbereikbaar. Door de passiviteit van Bouwinvest is het gehuurde op een later moment opgeleverd dan mogelijk was geweest. De vordering van huur, gebruiksvergoeding dan wel schadevergoeding moet worden afgewezen bij gebrek aan gronden daarvoor, omdat een en ander niet aan [gedaagde] toerekenbaar is dan wel op gronden van redelijkheid en billijkheid. Het boetebeding is oneerlijk als bedoeld in de Richtlijn consumenten-bescherming, reden waarom de boete moet worden afgewezen, aldus [gedaagde] . De situatie is Voor zover relevant zal hierna op dit verweer nader worden ingegaan. Beoordeling 5. Waar nodig zal hierna nader worden ingegaan op de stellingen en verweren van partijen. Geoordeeld wordt als volgt. 6. Nu partijen het erover eens zijn dat de huurovereenkomst op 25 januari 2018 is ontbonden is de daarop betrekking hebbende vordering van een verklaring voor recht toewijsbaar. 7. Dat [gedaagde] de Nederlandse taal niet beheerst brengt in dit geval niet mee dat hij niet gebonden zou zijn aan de door hem ondertekende huurovereenkomst met bijbehorende Algemene Bepalingen. Volgens [gedaagde] is hem bij het aangaan van de huurovereenkomst namens Bouwinvest medegedeeld dat er sprake is van een standaard huurovereenkomst. Bedingen betreffende een verbod op (onder meer) het telen van hennep in het gehuurde en het verschuldigd zijn een (hoge) boete wanneer dit wel gebeurt plegen tegenwoordig standaard te worden opgenomen in huurcontracten voor woonruimte zoals die door professionele verhuurders worden gebruikt. De mededeling dat er sprake was van een standaardcontract was derhalve niet onjuist. [gedaagde] kan zijn (eventuele) onbekendheid met de hiervoor bedoelde bedingen niet aan Bouwinvest tegenwerpen. 8. Dat hij tot de datum van ontbinding van de huurovereenkomst huur verschuldigd is, heeft [gedaagde] niet betwist. Evenmin heeft hij betwist dat de huurtermijn voor januari 2018 onbetaald is gebleven. 9. Dat [gedaagde] het gehuurde na 25 januari 2018 niet meer in gebruik heeft gehad (anders dan om te voldoen aan zijn verplichting om het gehuurde na beëindiging van de huurovereenkomst leeg op te leveren) staat vast. Op welke grond hij na genoemde datum een gebruiksvergoeding verschuldigd zou zijn heeft Bouwinvest onvoldoende uiteengezet. 10. Bouwinvest vordert daarnaast ook schadevergoeding, gelijk aan het bedrag aan huurtermijnen over de periode 25 januari 2018 tot 1 juli 2018, daarbij stellende dat zij huur derft over deze periode waarin zij niet over het gehuurde kon beschikken. [gedaagde] betwist een dergelijke vergoeding verschuldigd te zijn, omdat Bouwinvest volgens hem wel over het gehuurde had kunnen beschikken tijdens (een belangrijk deel van) genoemde periode, omdat deze schade niet aan hem toerekenbaar is dan wel omdat deze vordering in strijd is met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Daarover wordt geoordeeld als volgt. 11. Bouwinvest heeft pas over het gehuurde kunnen beschikken nadat dit door [gedaagde] leeg is opgeleverd. Daarvoor was het noodzakelijk dat Bouwinvest en [gedaagde] met elkaar in contact kwamen en daarover afspraken maakten. Niet betwist is dat Bouwinvest niet eerder op de hoogte kwamen van de sluiting van het gehuurde dan door ontvangst van het onder 1.8 bedoelde afschrift van de op 5 februari 2018 verzonden brief van de gemeente [plaats] . Bij brief van 19 februari 2018 heeft Bouwinvest te kennen gegeven dat zij een beroep doet op de ontbinding van de huurovereenkomst. Evenmin is betwist dat Bouwinvest deze brief heeft verzonden naar het door [gedaagde] bij het aangaan van de huurovereenkomst verstrekte e-mailadres, maar dat dit niet langer bij [gedaagde] in gebruik was. [gedaagde] was op grond van de huurovereenkomst gehouden om adreswijzigingen door te geven aan Bouwinvest, althans om door te geven op welke (e-mail)adres hij bereikbaar was, hetgeen hij niet heeft gedaan. Dit laatste vormt een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] . Het beroep van [gedaagde] op het niet bereikbaar zijn van de beheerder van Bouwinvest (onder meer als gevolg van een gewijzigde naam en gewijzigd telefoonnummer), wat Bouwinvest overigens betwist, doet niet af aan het feit dat Bouwinvest zelf bereikbaar is gebleven en doet evenmin af aan het feit dat [gedaagde] het als gevolg van laatstbedoelde tekortkoming voor Bouwinvest onmogelijk heeft gemaakt om met hem in contact te treden vóórdat zijn gemachtigde zich stelde in de onderhavige procedure. Dat Bouwinvest mogelijk eerder dan medio mei 2018 over de (nieuwe) sleutels van het gehuurde heeft beschikt of had kunnen beschikken doet aan het voorgaande niet af. 12. Nadat [gedaagde] de sleutels op 10 of 11 juni 2018 had ontvangen heeft hij het gehuurde geschikt heeft gemaakt voor oplevering. Met het retour ontvangen van de sleutels had Bouwinvest het gehuurde op 2 juli 2018 weer tot haar beschikking. Uit het voorgaande volgt dat de vertraging in de oplevering als gevolg van het feit dat partijen voordien niet met elkaar in contact waren getreden toerekenbaar is aan [gedaagde] . Dat betekent dat de schade, bestaande uit huurderving als gevolg van de ontbinding van de huur wegens de hennepkweek in het gehuurde, over de periode tussen de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde toerekenbaar is aan [gedaagde] . 13. Dat betekent dat de vordering van een bedrag gelijk aan de huurtermijnen over de maanden januari tot en met juni 2018, zijnde in totaal € 9.240,- , toewijsbaar is, evenals de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf 29 augustus 2018. Voorts is ook de wettelijke rente over de periode tot 29 augustus 2018 als overigens onbetwist toewijsbaar. 14. Door Bouwinvest wordt tevens een boete gevorderd van € 5.000,-. Zij legt daaraan de onder 1.4 en 1.5 bedoelde bedingen ten grondslag, evenals de onder 1.1 en volgende vermelde feiten en omstandigheden. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van de boete omdat er volgens hem sprake is van bedingen die op grond van de Richtlijn consumentenbescherming buiten toepassing moeten blijven. Hierover wordt geoordeeld als volgt. 15. Ten aanzien van de gevorderde boete wordt het volgende overwogen. Volgens artikel 3, lid 1, van de richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG, oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, hierna: de Richtlijn) wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Het boetebeding behoort tot de bedingen die op de bij de richtlijn behorende indicatieve lijst staan. Op grond van vaste jurisprudentie dient ambtshalve te worden getoetst of het boetebeding eerlijk is. Bij die toetsing dient niet te worden beoordeeld hoe het boetebeding uiteindelijk uitwerkt en door de gebruiker ervan wordt toegepast, maar moet in ogenschouw worden genomen hoe het kan uitwerken. Daarbij moet het tijdstip van de totstandkoming van de overeenkomst als beoordelingsmoment worden genomen. 16. Naar het oordeel van de kantonrechter is het boetebeding als opgenomen in artikel 11.1 onder e. van de huurovereenkomst in combinatie met artikel 14.3 onder c. van de Algemene Bepalingen wel een oneerlijk beding als hiervoor bedoeld, zodat het buiten toepassing moet blijven. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen: Gelet op de grote negatieve gevolgen van hennepteelt in woningen voor zowel de verhuurder als omwonenden en op de grote winsten die daarbij kunnen worden behaald, heeft de verhuurder bij aanvang van de huurovereenkomst voldoende zwaarwegend belang om ter afschrikking een boetebeding op te nemen. Daaraan doet niet af dat de verhuurder (op grond van de wet en op grond van de overeenkomst) tevens aanspraak kan maken op ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, en verder op afgifte van de door de huurder behaalde (geschatte) winst uit de hennepteelt. Wel dient bij de beoordeling van de redelijkheid van het boetebeding rekening te worden gehouden met de afschrikwekkende werking die reeds voortvloeit uit laatstbedoelde mogelijkheden van de verhuurder. De hoogte van de vaste boete ad € 5.000,- is gelijk aan ruim drie huurtermijnen, wat op zichzelf niet disproportioneel moet worden geacht. Daarnaast geeft het boetebeding de verhuurder echter ook aanspraak op een boete van € 100,- per kalenderdag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 25.000,-. Daardoor bedraagt de boete die de huurder op grond van het beding verschuldigd kan zijn € 30.000,-. Dat is – ook in verhouding tot de huurprijs – een zeer hoog bedrag voor een consument die een woning huurt. De feiten en gedragingen waarop de boete betrekking beperken zich grotendeels tot bedrijfsmatige vormen van hennepteelt en aanverwante activiteiten. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat het verbod op gebruiken, laten gebruiken of aanwezig hebben van drugs wordt beperkt tot activiteiten in groepsverband. In zoverre verschilt dit beding van het beding dat oneerlijk werd geacht in de zin van de Richtlijn in het vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 7 februari 2018 (WR 2018/84, ECLI:NL:RBAMS:2018:572) waar [gedaagde] naar heeft verwezen. Echter, de tekst van het beding in r.o. 1.4 geeft de verhuurder ook aanspraak op een boete voor elke activiteit ‘… die op grond van de Opiumwet strafbaar is gesteld.’ Dat betekent dat ook relatief geringe overtredingen van de Opiumwet (zoals het voorhanden hebben van enkele grammen drugs, een paar pillen of een paar hennepplanten voor eigen gebruik) de verhuurder aanspraak verlenen op een boete van (maximaal) € 30.000,-. Het zal partijen vrij staan om dergelijke geringe overtredingen in de huurovereenkomst wel aan te merken als tekortkomingen. Maar een boete van € 30.000,- op dergelijke tekortkomingen moet als disproportioneel worden aangemerkt, omdat deze in geen enkele verhouding staat tot de mate waarin de belangen van de verhuurder door die tekortkomingen worden geschaad. Nogmaals wordt opgemerkt dat bij deze beoordeling niet van belang is of de verhuurder thans aanspraak maakt op een dergelijke boete voor een dergelijke geringe overtreding, maar of hij – bezien op het moment van aangaan van de overeenkomst – op grond van het beding mogelijk in de toekomst daarop aanspraak kan maken. Om een afschrikwekkende werking te hebben voor bedrijfsmatige hennepteelt in woningen zal het, gelet op de bij hennepteelt mogelijke winsten, nodig zijn om daarop een relatief (zeer) hoge boete te stellen. Een dergelijk boetebeding kan echter eenvoudig zo worden geredigeerd dat relatief geringe tekortkomingen, met geringe gevolgen voor de belangen van de verhuurder (en omwonenden), niet leiden tot een onevenredig hoge boete. 17. Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde boete niet toewijsbaar is. 17. De vordering betreffende de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, nu niet nader is onderbouwd op welke wijze [gedaagde] kennis heeft gekregen van de zogenoemde 14-dagenbrief gedateerd 20 februari 2018, kennelijk op die datum of kort daarna verzonden aan het adres van het gehuurde. Op dat moment was het Bouwinvest bekend dat de woning door de burgemeester was gesloten en dat deze brief [gedaagde] mogelijk niet zou bereiken. 17. Omdat de gevorderde rente ook over de boete is berekend en een nadere specificatie ontbreekt, is deze niet toewijsbaar. 17. Dat betekent dat de vorderingen toewijsbaar zijn zoals hierna zal worden bepaald. 17. [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten aan de zijde van Bouwinvest belast. BESLISSING De kantonrechter: verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woning met verdere aanhorigheden staande en gelegen te [het gehuurde] , buitengerechtelijk is ontbonden per 25 januari 2018; veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting te betalen aan Bouwinvest: € 9.240,00 wegens huur en schadevergoeding; de wettelijke rente over € 9.240,00 met ingang van 29 augustus 2018 tot aan de dag der voldoening; veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Bouwinvest tot op heden begroot op: -griffierecht: € 476,00 -kosten dagvaarding: € 99,91 -salaris gemachtigde: € 600,00 -------------- Totaal: € 1.175,91 inclusief eventueel verschuldigde BTW; veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, alsmede tot betaling van een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving tot nakoming volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis eerst na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden, een en ander, voor zover van toepassing, inclusief BTW; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:231 BW; ECLI:NL:RBAMS:2018:7390 · Rechtbank Amsterdam: gevestigd te Amsterdam eiseres nader te noemen: Bouwinvest gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde nader te noemen: [gedaagde] gemachtigde: mr. J.W.C. Bruins VERLOOP VAN DE PROCEDURE De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier: - dagvaarding van 26 april 2018 met producties;- conclusie van antwoord met producties;- instructievonnis;- dagbepaling comparitie. De comparitie heeft plaatsgevonden op 5 september 2018. Daaraan voorafgaande heeft Bouwinvest een akte ingediend, onder meer houdende wijziging van eis en het overleggen van producties. Voor Bouwinvest is verschenen [naam 1] , vergezeld door mr. S.J. Houweling als gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Vonnis is bepaald op heden. GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast: 1.1. Met ingang van 16 september 2017 heeft Bouwinvest aan [gedaagde] verhuurd de woning aan de [het gehuurde] , hierna: het gehuurde. De huurprijs bedraagt thans € 1.540,00 per maand. 1.2. De schriftelijke huurovereenkomst en de daarbij behorende Algemene Bepalingen (AB) bevatten bedingen houdende een verbod om zonder schriftelijke toestemming van de verhuurder het gehuurde een andere bestemming te geven, dit in gebruik te geven aan derden en/of het gehuurde te gebruiken voor bedrijfsmatige activiteiten. 1.3. Artikel 14.3 van de bij huurovereenkomst behorende Algemene Bepalingen bepaalt onder meer: “14.3 Het is huurder niet toegestaan: (…) 1.4. c. in het gehuurde, in de gemeenschappelijke ruimten en/of delen daarvan dan wei in de directe omgeving van het gehuurde hennep te (doen) kweken of te verhandelen en/of het gehuurde in te richten als hennepkwekerij, hennepdrogerij of hennepknipperij dan wel andere activiteiten te verrichten die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld. Tevens is het huurder verboden hennep of soortgelijke gewassen in het gehuurde en/of gemeenschappelijke ruimten voorhanden te hebben, dan wel op te slaan of te houden voor een ander. Het is huurder evenmin toegestaan om in het gehuurde. in de gemeenschappelijke ruimten en/of delen daarvan dan wel in de directe omgeving van het gehuurde qat, soft drugs, hard drugs of andere verboden middelen te verhandelen te produceren of in groepsverband te gebruiken, te laten gebruiken of aanwezig te hebben, Huurder erkent dat het handelen in strijd met de hiervoor genoemde verboden leidt tot schade aan het gehuurde, alsmede tot gevaarzetting en overlast (zoals vervuiling, vandalisme, aantrekken van criminaliteit e.d.) voor de omgeving. Het handelen in strijd met dit verbod is dermate ernstig dat dit ontbinding van de huurovereenkomst op de kortst mogelijke termijn rechtvaardigt, Huurder is gehouden tot afdracht van de winst aan verhuurder die hij (naar schatting) heeft genoten door het handelen in strijd met dit verbod, onverminderd verhuurders recht op (aanvullende) schadevergoeding.” 1.5. Artikel 11.1 van de huurovereenkomst bepaalt onder meer: “Huurder en verhuurder komen overeen dat indien huurder tekortschiet in de nakoming van zijn verplichting(en) uit hoofde van de nagenoemde bepaling(en), hij aan verhuurder een direct opeisbare boete verbeurt zoals hieronder vermeld: (…) e. een boete van € 5000,00 per overtreding, te vermeerderen met een aanvullende boete van € 100,00 voor iedere kalenderdag dat de overtreding voortduurt, bij overtreding van artikel 14.3 sub c (hennep en dergelijke) van de algemene bepalingen, met een maximum van € 25.000,00 onverminderd (i) zijn gehoudenheid om alsnog aan deze verplichting te voldoen en (ii) verhuurders recht op (aanvullende) schadevergoeding, en (iii) de verplichting tot afdracht van de winst die hij (naar schatting) heeft genoten door het handelen in strijd met dit verbod;” 1.6. Op 24 januari 2018 heeft de politie een hennepkwekerij aangetroffen in de woning, met 548 hennepplanten. De politie heeft de kwekerij ontmanteld en de toegangsdeur(en) van het gehuurde voorzien van een ander slot. 1.7. Bij brief van 2 februari, verzonden 5 februari 2018 heeft de burgemeester van [plaats] medegedeeld dat het gehuurde met ingang van 25 januari 2018 voor de duur van drie maanden is gesloten. 1.8. Bouwinvest heeft een afschrift van bovengenoemde brief ontvangen. 1.9. Bij brief van 19 februari 2018 heeft (de beheerder van) Bouwinvest medegedeeld dat, onder verwijzing naar artikel 7:231 BW, een beroep wordt gedaan op de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst ingaande 25 januari 2018. Tevens heeft zij [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de in verband hiermee door haar geleden schade, en heeft zij aanspraak gemaakt op de boete als hiervoor onder 1.5 bedoeld. 1.10. Vanaf medio mei 2018 heeft Bouwinvest getracht in contact te komen met [gedaagde] via het door hem opgegeven e-mailadres. Bij e-mailbericht van 5 juni 2018 aan de gemachtigde van [gedaagde] heeft de gemachtigde van Bouwinvest verzocht om [gedaagde] contact met hem te laten opnemen. Bij e-mail van 7 juni 2018 heeft de gemachtigde van Bouwinvest bericht dat de (nieuwe) sleutels van het gehuurde door [gedaagde] kunnen worden opgehaald op haar kantoor. Vervolgens heeft [gedaagde] de sleutels van het gehuurde ontvangen. Vervolgens hebben partijen gecorrespondeerd over de (staat van) oplevering door [gedaagde] . 1.11. [gedaagde] heeft op 2 juli 2018 de sleutels van het gehuurde ingeleverd bij de gemachtigde van Bouwinvest. Vordering en verweer 2. Bouwinvest vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, zoals geformuleerd in de conclusie houdende wijziging van eis: “1. te verklaren voor recht, dat de huurovereenkomst betreffende de woning met verdere aanhorigheden staande en gelegen [het gehuurde] , buitengerechtelijk is ontbonden per 25 januari 2018, dan wel per deze datum als ontbonden te verklaren; 2. [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Bouwinvest Residential te voldoen een bedrag van € 14725,67 ten titel van huur, gebruiks-vergoeding, boete, schadevergoeding berekend tot en met juni 2018, inclusief rente en incassokosten berekend tot en met 28 augustus 2018, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 augustus 2018 tot aan de dag der voldoening; 3. met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.” 3. Aan deze vordering legt Bouwinvest ten grondslag – kort samengevat – dat [gedaagde] op verschillende manieren tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst door in het gehuurde een hennepplantage te houden, althans door het gehuurde aan derden in gebruik te geven die dit hebben gedaan. Gelet op de sluiting door de burgemeester was Bouwinvest bevoegd de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Er is ook voldoende grond voor ontbinding. [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. [gedaagde] is in elk geval gehouden de huurtermijnen tot 25 januari 2018 te voldoen. Over de periode vanaf 25 januari 2018 tot en met 2 juli 2018 dient [gedaagde] een gebruiksvergoeding dan wel een schadevergoeding gelijk aan de huurtermijn per maand te betalen. Daarnaast is [gedaagde] op grond van de onder 1.4 en 1.5 bedoelde bedingen aansprakelijk voor de boete van € 5.000,-. Bouwinvest was genoodzaakt tot het maken van buitengerechtelijke kosten en [gedaagde] is aansprakelijk voor die kosten. Bouwinvest maakt aanspraak op € 9.240,- wegens huur dan wel gebruiksvergoeding dan wel schadevergoeding over de periode januari tot en met juni 2018, € 5.000,- wegens boete, € 433,- wegens buitengerechtelijke kosten en € 52,67 wegens rente. 4. [gedaagde] heeft de vorderingen gemotiveerd betwist en daarbij – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Hij kan zich verenigen met een ontbinding per 25 januari 2018. Hij spreekt en begrijpt geen Nederlands en heeft de overeenkomst (in het Nederlands) getekend zonder de Engelse vertaling te ontvangen. Aan hem werd slechts medegedeeld dat het een standaardcontract betrof. Als gevolg van een benarde privésituatie (verbroken relatie, werk beëindigd) is [gedaagde] akkoord gegaan met een voorstel van een derde om geld te verdienen. [gedaagde] betwist na 25 januari 2018 iets verschuldigd te zijn voor het gehuurde. Daarover had hij niet meer de beschikking. Hij heeft herhaaldelijk getracht om in contact te komen met (de beheerder van) Bouwinvest om afspraken te maken over lege oplevering van het gehuurde, maar deze was voor hem onbereikbaar. Door de passiviteit van Bouwinvest is het gehuurde op een later moment opgeleverd dan mogelijk was geweest. De vordering van huur, gebruiksvergoeding dan wel schadevergoeding moet worden afgewezen bij gebrek aan gronden daarvoor, omdat een en ander niet aan [gedaagde] toerekenbaar is dan wel op gronden van redelijkheid en billijkheid. Het boetebeding is oneerlijk als bedoeld in de Richtlijn consumenten-bescherming, reden waarom de boete moet worden afgewezen, aldus [gedaagde] . De situatie is Voor zover relevant zal hierna op dit verweer nader worden ingegaan. Beoordeling 5. Waar nodig zal hierna nader worden ingegaan op de stellingen en verweren van partijen. Geoordeeld wordt als volgt. 6. Nu partijen het erover eens zijn dat de huurovereenkomst op 25 januari 2018 is ontbonden is de daarop betrekking hebbende vordering van een verklaring voor recht toewijsbaar. 7. Dat [gedaagde] de Nederlandse taal niet beheerst brengt in dit geval niet mee dat hij niet gebonden zou zijn aan de door hem ondertekende huurovereenkomst met bijbehorende Algemene Bepalingen. Volgens [gedaagde] is hem bij het aangaan van de huurovereenkomst namens Bouwinvest medegedeeld dat er sprake is van een standaard huurovereenkomst. Bedingen betreffende een verbod op (onder meer) het telen van hennep in het gehuurde en het verschuldigd zijn een (hoge) boete wanneer dit wel gebeurt plegen tegenwoordig standaard te worden opgenomen in huurcontracten voor woonruimte zoals die door professionele verhuurders worden gebruikt. De mededeling dat er sprake was van een standaardcontract was derhalve niet onjuist. [gedaagde] kan zijn (eventuele) onbekendheid met de hiervoor bedoelde bedingen niet aan Bouwinvest tegenwerpen. 8. Dat hij tot de datum van ontbinding van de huurovereenkomst huur verschuldigd is, heeft [gedaagde] niet betwist. Evenmin heeft hij betwist dat de huurtermijn voor januari 2018 onbetaald is gebleven. 9. Dat [gedaagde] het gehuurde na 25 januari 2018 niet meer in gebruik heeft gehad (anders dan om te voldoen aan zijn verplichting om het gehuurde na beëindiging van de huurovereenkomst leeg op te leveren) staat vast. Op welke grond hij na genoemde datum een gebruiksvergoeding verschuldigd zou zijn heeft Bouwinvest onvoldoende uiteengezet. 10. Bouwinvest vordert daarnaast ook schadevergoeding, gelijk aan het bedrag aan huurtermijnen over de periode 25 januari 2018 tot 1 juli 2018, daarbij stellende dat zij huur derft over deze periode waarin zij niet over het gehuurde kon beschikken. [gedaagde] betwist een dergelijke vergoeding verschuldigd te zijn, omdat Bouwinvest volgens hem wel over het gehuurde had kunnen beschikken tijdens (een belangrijk deel van) genoemde periode, omdat deze schade niet aan hem toerekenbaar is dan wel omdat deze vordering in strijd is met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Daarover wordt geoordeeld als volgt. 11. Bouwinvest heeft pas over het gehuurde kunnen beschikken nadat dit door [gedaagde] leeg is opgeleverd. Daarvoor was het noodzakelijk dat Bouwinvest en [gedaagde] met elkaar in contact kwamen en daarover afspraken maakten. Niet betwist is dat Bouwinvest niet eerder op de hoogte kwamen van de sluiting van het gehuurde dan door ontvangst van het onder 1.8 bedoelde afschrift van de op 5 februari 2018 verzonden brief van de gemeente [plaats] . Bij brief van 19 februari 2018 heeft Bouwinvest te kennen gegeven dat zij een beroep doet op de ontbinding van de huurovereenkomst. Evenmin is betwist dat Bouwinvest deze brief heeft verzonden naar het door [gedaagde] bij het aangaan van de huurovereenkomst verstrekte e-mailadres, maar dat dit niet langer bij [gedaagde] in gebruik was. [gedaagde] was op grond van de huurovereenkomst gehouden om adreswijzigingen door te geven aan Bouwinvest, althans om door te geven op welke (e-mail)adres hij bereikbaar was, hetgeen hij niet heeft gedaan. Dit laatste vormt een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] . Het beroep van [gedaagde] op het niet bereikbaar zijn van de beheerder van Bouwinvest (onder meer als gevolg van een gewijzigde naam en gewijzigd telefoonnummer), wat Bouwinvest overigens betwist, doet niet af aan het feit dat Bouwinvest zelf bereikbaar is gebleven en doet evenmin af aan het feit dat [gedaagde] het als gevolg van laatstbedoelde tekortkoming voor Bouwinvest onmogelijk heeft gemaakt om met hem in contact te treden vóórdat zijn gemachtigde zich stelde in de onderhavige procedure. Dat Bouwinvest mogelijk eerder dan medio mei 2018 over de (nieuwe) sleutels van het gehuurde heeft beschikt of had kunnen beschikken doet aan het voorgaande niet af. 12. Nadat [gedaagde] de sleutels op 10 of 11 juni 2018 had ontvangen heeft hij het gehuurde geschikt heeft gemaakt voor oplevering. Met het retour ontvangen van de sleutels had Bouwinvest het gehuurde op 2 juli 2018 weer tot haar beschikking. Uit het voorgaande volgt dat de vertraging in de oplevering als gevolg van het feit dat partijen voordien niet met elkaar in contact waren getreden toerekenbaar is aan [gedaagde] . Dat betekent dat de schade, bestaande uit huurderving als gevolg van de ontbinding van de huur wegens de hennepkweek in het gehuurde, over de periode tussen de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde toerekenbaar is aan [gedaagde] . 13. Dat betekent dat de vordering van een bedrag gelijk aan de huurtermijnen over de maanden januari tot en met juni 2018, zijnde in totaal € 9.240,- , toewijsbaar is, evenals de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf 29 augustus 2018. Voorts is ook de wettelijke rente over de periode tot 29 augustus 2018 als overigens onbetwist toewijsbaar. 14. Door Bouwinvest wordt tevens een boete gevorderd van € 5.000,-. Zij legt daaraan de onder 1.4 en 1.5 bedoelde bedingen ten grondslag, evenals de onder 1.1 en volgende vermelde feiten en omstandigheden. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van de boete omdat er volgens hem sprake is van bedingen die op grond van de Richtlijn consumentenbescherming buiten toepassing moeten blijven. Hierover wordt geoordeeld als volgt. 15. Ten aanzien van de gevorderde boete wordt het volgende overwogen. Volgens artikel 3, lid 1, van de richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG, oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, hierna: de Richtlijn) wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Het boetebeding behoort tot de bedingen die op de bij de richtlijn behorende indicatieve lijst staan. Op grond van vaste jurisprudentie dient ambtshalve te worden getoetst of het boetebeding eerlijk is. Bij die toetsing dient niet te worden beoordeeld hoe het boetebeding uiteindelijk uitwerkt en door de gebruiker ervan wordt toegepast, maar moet in ogenschouw worden genomen hoe het kan uitwerken. Daarbij moet het tijdstip van de totstandkoming van de overeenkomst als beoordelingsmoment worden genomen. 16. Naar het oordeel van de kantonrechter is het boetebeding als opgenomen in artikel 11.1 onder e. van de huurovereenkomst in combinatie met artikel 14.3 onder c. van de Algemene Bepalingen wel een oneerlijk beding als hiervoor bedoeld, zodat het buiten toepassing moet blijven. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen: Gelet op de grote negatieve gevolgen van hennepteelt in woningen voor zowel de verhuurder als omwonenden en op de grote winsten die daarbij kunnen worden behaald, heeft de verhuurder bij aanvang van de huurovereenkomst voldoende zwaarwegend belang om ter afschrikking een boetebeding op te nemen. Daaraan doet niet af dat de verhuurder (op grond van de wet en op grond van de overeenkomst) tevens aanspraak kan maken op ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, en verder op afgifte van de door de huurder behaalde (geschatte) winst uit de hennepteelt. Wel dient bij de beoordeling van de redelijkheid van het boetebeding rekening te worden gehouden met de afschrikwekkende werking die reeds voortvloeit uit laatstbedoelde mogelijkheden van de verhuurder. De hoogte van de vaste boete ad € 5.000,- is gelijk aan ruim drie huurtermijnen, wat op zichzelf niet disproportioneel moet worden geacht. Daarnaast geeft het boetebeding de verhuurder echter ook aanspraak op een boete van € 100,- per kalenderdag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 25.000,-. Daardoor bedraagt de boete die de huurder op grond van het beding verschuldigd kan zijn € 30.000,-. Dat is – ook in verhouding tot de huurprijs – een zeer hoog bedrag voor een consument die een woning huurt. De feiten en gedragingen waarop de boete betrekking beperken zich grotendeels tot bedrijfsmatige vormen van hennepteelt en aanverwante activiteiten. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat het verbod op gebruiken, laten gebruiken of aanwezig hebben van drugs wordt beperkt tot activiteiten in groepsverband. In zoverre verschilt dit beding van het beding dat oneerlijk werd geacht in de zin van de Richtlijn in het vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 7 februari 2018 (WR 2018/84, ECLI:NL:RBAMS:2018:572) waar [gedaagde] naar heeft verwezen. Echter, de tekst van het beding in r.o. 1.4 geeft de verhuurder ook aanspraak op een boete voor elke activiteit ‘… die op grond van de Opiumwet strafbaar is gesteld.’ Dat betekent dat ook relatief geringe overtredingen van de Opiumwet (zoals het voorhanden hebben van enkele grammen drugs, een paar pillen of een paar hennepplanten voor eigen gebruik) de verhuurder aanspraak verlenen op een boete van (maximaal) € 30.000,-. Het zal partijen vrij staan om dergelijke geringe overtredingen in de huurovereenkomst wel aan te merken als tekortkomingen. Maar een boete van € 30.000,- op dergelijke tekortkomingen moet als disproportioneel worden aangemerkt, omdat deze in geen enkele verhouding staat tot de mate waarin de belangen van de verhuurder door die tekortkomingen worden geschaad. Nogmaals wordt opgemerkt dat bij deze beoordeling niet van belang is of de verhuurder thans aanspraak maakt op een dergelijke boete voor een dergelijke geringe overtreding, maar of hij – bezien op het moment van aangaan van de overeenkomst – op grond van het beding mogelijk in de toekomst daarop aanspraak kan maken. Om een afschrikwekkende werking te hebben voor bedrijfsmatige hennepteelt in woningen zal het, gelet op de bij hennepteelt mogelijke winsten, nodig zijn om daarop een relatief (zeer) hoge boete te stellen. Een dergelijk boetebeding kan echter eenvoudig zo worden geredigeerd dat relatief geringe tekortkomingen, met geringe gevolgen voor de belangen van de verhuurder (en omwonenden), niet leiden tot een onevenredig hoge boete. 17. Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde boete niet toewijsbaar is. 17. De vordering betreffende de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, nu niet nader is onderbouwd op welke wijze [gedaagde] kennis heeft gekregen van de zogenoemde 14-dagenbrief gedateerd 20 februari 2018, kennelijk op die datum of kort daarna verzonden aan het adres van het gehuurde. Op dat moment was het Bouwinvest bekend dat de woning door de burgemeester was gesloten en dat deze brief [gedaagde] mogelijk niet zou bereiken. 17. Omdat de gevorderde rente ook over de boete is berekend en een nadere specificatie ontbreekt, is deze niet toewijsbaar. 17. Dat betekent dat de vorderingen toewijsbaar zijn zoals hierna zal worden bepaald. 17. [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten aan de zijde van Bouwinvest belast. BESLISSING De kantonrechter: verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woning met verdere aanhorigheden staande en gelegen te [het gehuurde] , buitengerechtelijk is ontbonden per 25 januari 2018; veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting te betalen aan Bouwinvest: € 9.240,00 wegens huur en schadevergoeding; de wettelijke rente over € 9.240,00 met ingang van 29 augustus 2018 tot aan de dag der voldoening; veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Bouwinvest tot op heden begroot op: -griffierecht: € 476,00 -kosten dagvaarding: € 99,91 -salaris gemachtigde: € 600,00 -------------- Totaal: € 1.175,91 inclusief eventueel verschuldigde BTW; veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, alsmede tot betaling van een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving tot nakoming volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis eerst na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden, een en ander, voor zover van toepassing, inclusief BTW; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Keywords

AI generated
abusive claim by landlord housing costs vendor's statutory lien building lease rent violations of tenant protection provisions renovation costs

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:231 BW

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2018:572
RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 6545639 KK EXPL 17-1368 vonnis van: 7 februari 2018 vonnis van de kantonrechterkort geding I n z a k e de stichting WONINGSTICHTING EIGEN HAARD, gevestigd te Amsterdam, eiseres, nader te noemen: Eigen Haard, gemachtigde: mr. K.M.E. Ritzen, t e g e n [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, nader te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. F. Bogaerts. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Bij dagvaarding van 29 december 2017, met producties, heeft Eigen Haard een voorziening gevorderd. Ter zitting van 31 januari 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Eigen Haard is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde] is verschenen in persoon, vergezeld door de gemachtigde. Partijen hebben op voorhand stukken in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, namens [gedaagde] mede aan de hand van een overgelegde pleitnota. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING Uitgangspunten 1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van de overgelegde bewijsstukken, wordt in dit geding het volgende tot uitgangspunt genomen. 1.1. Eigen Haard heeft de woning aan de [adres] te [plaats] , hierna de woning, in de periode van 15 oktober 2013 tot en met 31 maart 2017 aan HVO-Querido verhuurd. HVO-Querido heeft de woning aan [gedaagde] ter beschikking gesteld op basis van een zorgverleningsovereenkomst. 1.2. Met ingang van 1 april 2017 huurt [gedaagde] de woning van Eigen Haard. De huur bedraagt € 602,29 per maand. Het betreft een driekamerwoning. 1.3. In de Algemene Voorwaarden Sociale Woonruimte van 1 november 2016, die op de huurovereenkomst tussen partijen van toepassing is verklaard, is opgenomen, voor zover hier van belang: “7.19 verdovende middelen Het is huurder niet toegestaan in, op en/of aan het gehuurde (inclusief aanhorigheden) hennep te (doen) of laten kweken, drogen, knippen dan wel andere activiteiten te (doen) verrichten die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld. Als huurder in strijd handelt met deze bepaling, dan zal verhuurder een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst starten. Daarnaast is huurder aan verhuurder een direct opeisbare boete verschuldigd van € 10.000,00, onverminderd het recht van verhuurder om naast de boete volledige schadevergoeding te vorderen.” 1.4. Op 12 augustus 2017 heeft Eigen Haard een melding ontvangen van woonfraude in de woning. 1.5. Op 21 november 2017 hebben medewerkers van Eigen Haard een onaangekondigd bezoek aan de woning gebracht. Naar aanleiding van een vermoeden van de aanwezigheid van een hennepplantage is de politie gebeld. 1.6. In het proces-verbaal van de politie van 22 november 2017 is opgenomen, voor zover hier van belang: “Op dinsdag 21 november 2017 om 20:35 uur constateerde ik bij de woning op de locatie de [adres] het volgende: er bevond zich een henneptent met daarin 32 met aarde gevulde plantenpotten. Deze tent bevond zich in 1 van de slaapkamers in de woning. De henneptent was vermoedelijk vlak daarvoor nog in werking en waargenomen door stichting Eigenhaard. In afwachting van de politie zijn vermoedelijk de hennepplanten geruimd en over het balkon gegooid. Er werd niet geconstateerd of er illegale stroom is afgetapt. Wel is geconstateerd dat er extra stroompunten en assimilatielampen hingen in de henneptent. Alle daarbij behorende apparaturen waren ook aanwezig (ventilatoren, slakkenhuis, lampen, etc) In de woning lagen ook nog restanten van de hennepkwekerij. Denk hierbij aan bladen van de planten in de henneptent zelf alsmede op het balkon. (..) Ik zag eveneens dat de woning wel als woning in gebruik was. Dit bleek uit: - anders, nl. 1 kamer werd als hennepkwekerij gebruikt. De andere kamers waren wel in gebruik als woning Verdachte verklaarde de kamer te hebben “verhuurd” aan iemand die hij heeft ontmoet in de kroeg. Deze persoon zou hem 1500 euro geven hiervoor. Verdachte zegt niet te hebben meegeholpen aan het opbouwen van de kwekerij of er in te hebben gewerkt. (..)” 1.7. Bij brief van 28 november 2017 heeft Eigen Haard [gedaagde] verzocht vóór vrijdag 8 december 2017 de huur op te zeggen en de woning te verlaten. In de brief is ook aangekondigd dat indien [gedaagde] de huur niet opzegt Eigen Haard een juridische procedure zal starten en dat [gedaagde] een boete kan krijgen van € 11.000,00 overeenkomstig hetgeen is vermeld in de huurovereenkomst. 1.8. [gedaagde] heeft de huur niet opgezegd en heeft het gehuurde niet ontruimd. Vordering 2. Eigen Haard vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de woning te ontruimen. Verder vordert Eigen Haard veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de contractuele boete van € 10.000,00, alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding. Eigen Haard stelt hiertoe, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang het volgende. In de woning is een hennepplantage aangetroffen. Er is gelet op het aantal planten, te weten méér dan vijf planten, sprake van bedrijfsmatige hennepkweek. In de algemene voorwaarden behorend bij de huurovereenkomst is hennepteelt uitdrukkelijk verboden. Bovendien is de bestemming van de woning veranderd door de woning deels voor de hennepkwekerij te gebruiken. Deze tekortkomingen rechtvaardigen de ontbinding en het vooruitlopen daarop in kort geding door de ontruiming te vorderen. Eigen Haard heeft een groot belang bij het tegengaan van het kweken van hennep in haar woningen en zij voert dan ook een duidelijk zerotolerance beleid met betrekking hiertoe. Met betrekking tot de contractuele boete stelt Eigen Haard dat in de algemene voorwaarden een expliciete verbodsbepaling op hennepkweek dan wel andere gedragingen die in het kader van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld, is opgenomen. De boete is zo hoog omdat een preventieve en punitieve werking alleen kan bestaan indien de boete hoog genoeg is en daardoor een afschrikwekkend effect heeft. Er is geen sprake van een zogenaamde eenheidsboete, maar van een boete die specifiek geredigeerd is voor de hennepteelt. Ook is sprake van een vast bedrag. Het boetebeding kan dan ook niet als oneerlijk in de zin van de Richtlijn met betrekking tot oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten worden aangemerkt. Eigen Haard heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming en het spoedeisende belang van de nevenvordering is gegeven omdat de proces-economie erbij gebaat is dat ook deze kan worden toegewezen. Verweer 3. [gedaagde] voert het volgende aan, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang. Hij erkent dat hij in de woning een hennepplantage heeft gehad. Hij huurt de woning nadat hij 15 jaar dakloos is geweest. Hij heeft een vorm van budgetbeheer waarbij hij € 65,00 leefgeld per week krijgt. Hij woont samen met zijn zoon in de woning. Deze heeft een laag IQ, kampt met een verstandelijke beperking en heeft zijn jeugd in een internaat doorgebracht. Zijn zoon is zeer kwetsbaar, aldus [gedaagde] en heeft geen inkomen, maar levert wel extra lasten voor [gedaagde] op, waardoor hij in de financiële problemen is gekomen. De hennep betrof een soort wanhoopspoging, aldus [gedaagde] . Als [gedaagde] zijn woning kwijtraakt is hij opnieuw dakloos en ook zijn zoon zal op straat komen te staan. [gedaagde] meent dat de tekortkoming de ontruiming in beginsel wel rechtvaardigt, maar dat de belangenafweging in het nadeel van Eigen Haard dient uit te vallen. Er is geen sprake geweest van brandgevaar of vochtoverlast en er is dus geen gevaarlijke situatie ontstaan, zodat niet kan worden gesteld dat hij zich niet als goed huurder heeft gedragen. Hij heeft een zeer zwaarwegend belang bij het behoud van zijn woning, ook al omdat hij kampt met een slechte gezondheid. Beoordeling 4. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van Eigen Haard in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. De ontruiming 5. In dit geding staat als door [gedaagde] erkend vast dat hij in de woning een hennepkwekerij heeft gehad met 32 planten. Ook is voldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een professionele kwekerij, nu gebruik is gemaakt van een tent waarin de hennep werd gekweekt, terwijl ook alle overige apparatuur, ventilatoren, lampen en dergelijke aanwezig waren. Uit de overgelegde foto’s is ook voldoende aannemelijk geworden dat weliswaar geen sprake is geweest van diefstal van energie, maar de wijze waarop de stroomvoorziening was geregeld een brandgevaarlijke situatie kon opleveren. Een dergelijke gedraging van [gedaagde] levert een ernstige tekortkoming op en het is begrijpelijk dat door Eigen Haard op dit gebied een zerotolerance beleid wordt gevoerd. Het houden van een hennepplantage in de woonomgeving kan zeer gevaarlijke situaties opleveren en draagt bij aan het gevoel van onveiligheid in de woonomgeving. Bovendien kan het op deze wijze gebruiken van de woning schadelijk zijn voor de woning met alle mogelijke financiële gevolgen voor Eigen Haard van dien. 6. Op basis van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is in dit geding voldoende aannemelijk geworden dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat sprake is geweest van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] . Iedere tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het is aan de tekortschietende partij, [gedaagde] , om feiten en omstandigheden te stellen – en bij betwisting – in dit geding aannemelijk te maken die aanleiding kunnen geven deze uitzondering op de zojuist geschetste hoofdregel toe te passen. 7. Daarin is [gedaagde] niet geslaagd. De omstandigheid dat, zoals hij zelf stelt, hij niet zelf de hennepkwekerij heeft aangelegd maar dit door een derde is gedaan, is – voor zover al juist - niet een dergelijke omstandigheid. [gedaagde] is volledig verantwoordelijk voor hetgeen er zich in de woning heeft afgespeeld. Ook het gegeven dat [gedaagde] pas sinds kort zelfstandig de woning huurt en daarvoor langdurig dakloos is geweest, maakt niet dat sprake is van een tekortkoming van geringe betekenis of bijzondere aard en dat geldt ook voor de aanwezigheid van de zoon van [gedaagde] in het gehuurde. Deze bijzondere omstandigheden hadden [gedaagde] er juist van moeten weerhouden om aldus te handelen en kan niet als excuus gebruikt worden om de tekortkoming haar ernstige karakter te ontnemen. Ook overigens zijn door [gedaagde] geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aannemelijk maken dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat ontbinding niet op zijn plaats zal zijn. 8. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vordering van Eigen Haard tot ontruiming wordt toegewezen. Wel wordt in hetgeen door [gedaagde] in verband met zijn persoonlijke omstandigheden en die van zijn zoon is aangevoerd aanleiding gezien een langere ontruimingstermijn te bepalen. In die tussentijd heeft [gedaagde] de gelegenheid, mogelijk met behulp van hulpverlening, voor hem en zijn zoon alternatieve woonruimte te zoeken. Dat dit, mede gelet op zijn inkomen en verleden niet eenvoudig zal zijn, is bij de beoordeling meegenomen, maar leidt niet tot een ander oordeel. De boete 9. Ten aanzien van de boete wordt het volgende overwogen. Volgens artikel 3, lid 1, van de richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG) wordt een beding in een overeenkomst als het onderhavige waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Het boetebeding behoort tot de bedingen die op de bij de richtlijn behorende indicatieve lijst staan, in bijzonder het boetebeding dat tot doel of tot gevolg heeft ‘de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen’. Op grond van vaste jurisprudentie dient ambtshalve te worden getoetst of het boetebeding eerlijk is. Bij die toetsing dient niet te worden beoordeeld hoe het boetebeding uiteindelijk uitwerkt en door de gebruiker ervan wordt toegepast, maar moet in ogenschouw worden genomen hoe het kan uitwerken. Daarbij moet het tijdstip van de totstandkoming van de overeenkomst als beoordelingsmoment worden genomen. 10. Bij de beantwoording van de vraag of het boetebeding oneerlijk is, wordt vooropgesteld dat hennepteelt in de woning zeer ongewenst is en het dus zeer voorstelbaar is dat Eigen Haard als verhuurder, mede via een boetebeding, wil voorkomen dat haar huurders in de van haar gehuurde woning hennep telen. Naar het oordeel van de kantonrechter is het in artikel 7.19 opgenomen beding zoals hiervoor weergegeven, echter als een oneerlijk beding in de zin van voornoemde richtlijn te beschouwen. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. 11. Allereerst stelt artikel 7.19 van de algemene voorwaarden een boete op het telen van hennep in algemene zin, zonder daarbij enig onderscheid aan te brengen. Dat wil zeggen, op basis van het beding levert het telen van één enkele plant de verschuldigdheid van de boete van € 10.000,00 op. Uit de in de dagvaarding gegeven toelichting zou kunnen worden afgeleid dat Eigen Haard het telen tot vijf planten (voor eigen gebruik) zou gedogen, maar een dergelijk onderscheid is in het beding niet opgenomen, zodat daar bij de beoordeling van de eerlijkheid van het beding geen rekening mee kan worden gehouden. Daarnaast geldt het beding voor alle overtredingen van de Opiumwet, hetgeen tot gevolg heeft dat een zeer geringe hoeveelheid van een bij die wet verboden stof, de verschuldigdheid van de boete met zich zou brengen. Voor zover in de in de dagvaarding gegeven toelichting terecht wordt gewezen op het gevaarzettende karakter van het telen van hennep en de noodzaak om daarop een afschrikwekkende sanctie te zetten, geldt dit niet zonder meer voor het in bezit hebben van andere bij de Opiumwet verboden stoffen. 12. Terecht is door Eigen Haard in de dagvaarding en op de zitting de noodzaak van een afschrikkende werking van het boetebeding opgenomen, zeker voor het geval van de hennepteelt, maar daarbij dient het volgende in ogenschouw te worden genomen. Naast de in het beding opgenomen boete is in artikel 7.19 ook opgenomen dat gestreefd zal worden naar ontbinding van de huurovereenkomst. Gelet op het feit dat daarmee aan huurder het woonrecht wordt ontnomen, kan dit als een zeer sterk afschrikwekkend element worden aangemerkt, zeker tegen de achtergrond van het gehanteerde zerotolerance beleid en de in dat kader door Eigen Haard naar voren gebrachte uitspraken. Daarnaast wordt in hetzelfde beding de mogelijkheid gegeven een volledige schadevergoeding te vorderen, hetgeen op grond van het wettelijk stelsel ook de mogelijkheid van volledige winstafdracht op grond van het bepaalde in artikel 6:104 van het Burgerlijk Wetboek inhoudt. Daarmee wordt reeds in belangrijke mate tegemoetgekomen aan de gewenste afschrikwekkende werking, zeker in combinatie met de beëindiging van de huurovereenkomst. In het kader van de afschrikkende werking van de boete in het beding heeft de kantonrechter zich er ook nog rekenschap van gegeven dat in het geval van overtreding van de Opiumwet bij het in bezit hebben van 50 tot 100 planten volgens de Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten die de rechtbanken en gerechtshoven hanteren bij het opleggen van een straf, gestraft kan worden met een geldboete van € 1.000,00. Ook als rekening gehouden wordt met het feit dat het boetebeding in de huurovereenkomst bedoeld is om hennepteelt te voorkomen, is de discrepantie tussen deze boete en die op grond van de LOVS oriëntatiepunten te groot, althans Eigen Haard heeft, hoewel daartoe ter terechtzitting in de gelegenheid gesteld, ook niet toegelicht waarom deze discrepantie bestaat. Dit geldt temeer nu diezelfde oriëntatiepunten voor het in bezit hebben van harddrugs tot 10 gram – hetgeen op grond van artikel 7.19 eveneens een tekortkoming oplevert - een boete noemt van € 750,00. 13. In de afweging dient ook nog te worden betrokken dat voornoemd artikel 7.19 is opgenomen in de Algemene Voorwaarden Sociale Woonruimte. De verdeling van sociale woonruimte vindt plaats ten behoeve van huurders met een relatief laag inkomen. Om die reden is ook de huur op het lagere inkomen aangepast. Dat heeft wel tot gevolg dat een boete van € 10.000,00 al snel een disproportioneel karakter krijgt. Slechts ter voorbeeld: in het onderhavige geval betekent deze boete dat deze gelijk staat aan 16,5 maanden huur en gelet op het weekinkomen van [gedaagde] van € 65,00, dat door Eigen Haard niet is bestreden, leidt dit ertoe dat [gedaagde] bijna 154 weken zonder inkomen zou zitten. 14. Al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, en met name het feit dat het beding ook diezelfde zeer hoge boete stelt op tekortkomingen van relatief geringe omvang, leiden tot het oordeel dat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat de bodemrechter de op artikel 7.19 gebaseerde boete in een bodemprocedure zal toewijzen. Bij vorenstaande beoordeling heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat in eerdere beslissingen van deze rechtbank, maar ook door andere colleges, anders is geoordeeld over dit beding, dan wel over vergelijkbare bedingen. Verder wordt in ogenschouw genomen dat het telen van hennep als in dit geding aan de orde maatschappelijk zeer ongewenst is en verdergaande gevolgen heeft voor de woonomgeving, maar met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, maken die omstandigheden dit beding nog niet eerlijk. 15. Gelet op het oordeel dat artikel 7.19 oneerlijk is, behoeft geen beoordeling meer plaats te vinden of de cumulatie van de overige in de algemene voorwaarden opgenomen boetebedingen als oneerlijk zijn te beschouwen op grond van het Radlingerarrest (Hof van Justitie van 21 april 2016, zaaknr. C-377/14, ECLI:EU:C:2016:283). 16. [gedaagde] dient als de in belangrijke mate in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten te worden belast, waarbij het door hem te betalen deel van het griffierecht wordt gebaseerd op de toegewezen ontruiming en het overige op grond van de gevorderde boete in rekening gebrachte vastrecht ten laste van Eigen Haard dient te blijven. BESLISSING De kantonrechter: veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde aan de [adres] te [plaats] binnen drie maanden na betekening van dit vonnis te ontruimen en ter beschikking van Eigen Haard te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde; veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Eigen Haard begroot op:exploot € 99,58salaris € 400,00griffierecht € 119,00 -----------------totaal € 618,58voor zover van toepassing, inclusief btw; veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, alsmede tot betaling van een bedrag van € 68,00 aan kosten voor betekening onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Aldus gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text