Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2018:6931 ECLI:NL:RBAMS:2018:6931 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:6931 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2018:6931
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummer: 13/730035-16 Onderzoek: 13 Imin Datum uitspraak: 28 september 2018 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] , voormalig [geboorteland] , thans [geboorteland] , op [geboortedag] 1969,niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen, maar verblijvend op het adres [adres 1] .

Legislator headnote

AI generated

artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 68 Sr, artikel 2 Sr, artikel 86b Sr, artikel 266g Sr, artikel 273f Sr; ECLI:NL:RBAMS:2018:6931 · Rechtbank Amsterdam: Oordeel rechtbank - Rechtsmacht Hoofdregel op grond van artikel 2 Sr is dat de Nederlandse strafwet van toepassing is op ieder die zich in Nederland schuldig maakt aan enig strafbaar feit. Zoals de officieren van justitie juist hebben betoogd kunnen volgens vaste jurisprudentie gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden op grond van artikel 2 Sr ook in Nederland worden vervolgd, mits deze gedragingen deel uitmaken van een strafbaar feit dat zowel in Nederland als in het buitenland is gepleegd. De rechtsmacht geldt dan voor het hele feitencomplex, los van het feit dat de in Nederland begane gedraging (ook) als een zelfstandig delict kan worden gezien.

Keywords

AI generated
criminal responsibility of minors organized crime sexual offences against children misdemeanour professional organized fraud possession of child pornography

Cited Legislation

AI generated
artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht
artikel 68 Sr
- Ne bis in idem beginsel In dit geval kan niet worden gesproken van een situatie als bedoeld in artikel 68 Sr.
artikel 2 Sr
Oordeel rechtbank - Rechtsmacht Hoofdregel op grond van artikel 2 Sr is dat de Nederlandse strafwet van toepassing is op ieder die zich in Nederland schuldig maakt aan enig strafbaar feit.
artikel 86b Sr
Verdachte is in het licht van artikel 86b Sr evenmin een vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft.
artikel 266g Sr
Zij heeft daarbij geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 266g Sr.
artikel 273f Sr
artikel 348 Wetboek van Strafvordering
Ten aanzien van de vragen ex artikel 348 Wetboek van Strafvordering: verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van feit 4 voor zover het betreft de feiten die buiten Nederland zouden hebben plaatsgehad.
artikel 350 Wetboek van Strafvordering
Ten aanzien van de vragen ex artikel 350 Wetboek van Strafvordering: Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5, en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2018:1618
afdeling strafrecht parketnummer: 23-001840-17 datum uitspraak: 17 mei 2018 TEGENSPRAAK (raadsman gemachtigd) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-693002-12 (zaak A) en 13-706118-17 (zaak B) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, adres: [adres 1] zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 en 6 april 2018 en 7 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep De raadsman van verdachte heeft het hof verzocht het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, nu diens appelschriftuur te laat is ingediend. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de officier van justitie op 24 mei 2017 hoger beroep heeft ingesteld tegen voormeld vonnis. Een voorlopige, zeer summiere appelschriftuur, waarin een nadere toelichting wordt aangekondigd, is eerst op 26 juni 2017, twee en een halve week later dan de daarvoor in de wet gestelde termijn, ingediend. Een nadere appelschriftuur is gedateerd 13 maart 2018 en door het hof per e-mail ontvangen op 15 maart 2018, drie weken voor de aanvang van de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. De advocaat-generaal heeft verklaard dat de reden voor de te late indiening was gelegen in intensief overleg over deze zaak tussen de officier van justitie en de politie dat na de uitspraak in eerste aanleg is gevoerd. De advocaat-generaal heeft, verwijzend naar het belang van behandeling van het appèl in deze ernstige zaak, geconcludeerd dat het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De regeling met betrekking tot het instellen van appel en het indienen van een appelschriftuur door het openbaar ministerie luidt, voor zover van belang, als volgt: Artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv): De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. Artikel 410, tweede lid, Sv: De schriftuur wordt onverwijld bij de processtukken gevoegd. Artikel 416, eerste lid, Sv: Ingeval hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie, geeft de advocaat-generaal bij gelegenheid van de voordracht der zaak mondeling een toelichting op de bezwaren tegen het vonnis. De advocaat-generaal geeft in voorkomende gevallen tevens op waarom door de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven is ingediend. Artikel 416, derde lid, Sv.: Indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard. In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer 2005-2006, 30320, nr. 3) wordt omtrent vorenstaande het volgende opgemerkt: p. 11-12: Van de verdachte kan niet zonder meer gevergd worden een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Wel acht ik het redelijk en haalbaar om de officier van justitie die appèl instelt te verplichten een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Artikel 410 van het Sv wordt hiertoe dwingender geformuleerd, zoals ook is geopperd door de Werkgroep hoger beroep en verzet. Door de verplichting tot het afleggen van verantwoording ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de redenen voor het eventueel achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie wordt daarnaast duidelijk gemaakt, dat het indienen van een appèlmemorie is aangewezen (artikel 416, eerste lid, nieuw). (...) p. 12:Indien geen schriftuur wordt ingediend kan de beslissing tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep volgen (artikel 416, derde lid). Er is in een dergelijk geval sprake van een vormverzuim. Een automatisch volgende niet-ontvankelijkheid verdient naar mijn oordeel geen voorkeur. Hoezeer het achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie ook mag worden betreurd, het belang van het appèl kan, ook maatschappelijk bezien, van groter belang zijn dan de scherpe sanctionering van een in beginsel herstelbare tekortkoming. p. 51: Het derde lid (van artikel 416 Sv) schept de mogelijkheid een door het openbaar ministerie ingesteld hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk te verklaren op de enkele grond dat geen schriftuur, houdende grieven tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis, is ingediend. Indien door de officier van justitie geen appelschriftuur is ingediend is er sprake van een vormverzuim. In zijn arrest van 2 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK0910) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het bepaalde in artikel 416 lid 3 Sv mede van toepassing is op een geval als het onderhavige, waarin de schriftuur niet tijdig is ingediend. De rechter dient dan een belangenafweging te maken, waarbij moet worden bezien of het belang van het appel zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie tijdig een appelschriftuur in te dienen. In de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat dit het geval is, ondanks dat de advocaat-generaal naar het oordeel van het hof geen toereikende opgave van redenen voor de te late indiening heeft gedaan. Overleg van de officier van justitie met de politie ná de uitspraak in eerste aanleg kan immers bezwaarlijk als zodanig worden aangemerkt. Bovendien is de aanvullende appelschriftuur in een nauwelijks aanvaardbaar laat stadium ingediend. Deze gang van zaken valt ten zeerste te betreuren, nu het in deze zaak gaat om de verdenking van een levensdelict en de belangen, in het bijzonder die van de nabestaanden, buitengewoon groot zijn. Het is daarom dat het hof van oordeel is dat het belang van de strafrechtelijke rechtshandhaving in het algemeen, en van de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep in het bijzonder, in casu boven het belang van sanctionering van het verzuim dient te worden gesteld. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in het hoger beroep. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte in zaak B Standpunt van de verdediging De verdediging heeft bij pleidooi – samengevat weergegeven – verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte voor het in zaak B ten laste gelegde feit. Volgens de raadsman heeft het openbaar ministerie gehandeld in strijd met het specialiteitsbeginsel, neergelegd in artikel 27 van het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ, hierna: het Kaderbesluit). De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat, anders dan het geval was ten tijde van de behandeling van de zaak tegen verdachte bij de rechtbank in eerste aanleg, de Ierse autoriteiten inmiddels onherroepelijk toestemming hebben geweigerd voor de vervolging van verdachte ter zake van feit B. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gesteld dat hij niet heeft kunnen verifiëren of de weigering van de Ierse autoriteiten om aanvullende toestemming te verlenen inmiddels onherroepelijk is. Maar ook al zou dat het geval zijn, dan staat dit niet in de weg aan de vervolging en berechting van verdachte voor feit B. In geval van een veroordeling voor dit feit zal voor de executie van een eventuele daarvoor op te leggen vrijheidsstraf opnieuw aanvullende toestemming moeten worden verkregen, aldus de advocaat-generaal. Overwegingen van het hof Het hof stelt, voor zover van belang voor de bespreking en de beoordeling van het verweer, de volgende feiten vast. Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) feit A (moord/doodslag op [slachtoffer] ) op 11 juni 2011 is door de officier van justitie een EAB uitgevaardigd betreffende de verdachte ter zake van de moord/doodslag op [slachtoffer] in februari 2009 (feit A); verdachte is voor dit feit op 3 oktober 2011 in Ierland aangehouden en heeft daar overleveringsdetentie ondergaan; verdachte is op 3 juli 2015 aan Nederland overgeleverd en in verzekering gesteld. Op 6 juli 2015 heeft de raadkamer van de rechtbank Amsterdam de gevangenneming van verdachte bevolen. Overwogen is dat er ernstige bezwaren tegen hem waren gerezen en dat op het vermoedelijk begane feit een gevangenisstraf van meer dan 12 jaar is gesteld en de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt; met ingang van 18 juli 2016 heeft de rechtbank Amsterdam de voorlopige hechtenis van verdachte – onder voorwaarden – geschorst; bij vonnis van 15 mei 2017 is verdachte door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van feit A en het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven. Aanvullend EAB inzake feit B (medeplegen van het onttrekken van een lijk aan nasporing) op 5 januari 2016 is door de officier van justitie een aanvullend Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd “Voor het medeplegen van het onttrekken van een lijk aan nasporing”. Hierbij is aan de Ierse autoriteiten aanvullende toestemming verzocht om verdachte ook ten aanzien van dit feit te mogen vervolgen; bij voornoemd vonnis van 15 mei 2017 is verdachte door de rechtbank Amsterdam ter zake van feit B veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren met aftrek van, kort gezegd, voorarrest en overleveringsdetentie; tegen het vonnis van 15 mei 2017 is zowel door verdachte als door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld; verdachte is gedagvaard voor de behandeling van het hoger beroep op 5 en 6 april 2018 ter zake van de feiten A en B; in een schrijven van het Ierse Department of Justice and Equality, Central Authority for the European Arrest Warrant van 29 november 2017 is meegedeeld dat toestemming voor de vervolging - naar het Hof begrijpt ter zake van feit B - op 26 oktober 2017 is geweigerd door het Ierse Hooggerechtshof “on the basis that mr. [verdachte] , having been prosecuted and convicted, did not have a sentence to serve”, maar dat de Ierse staat voornemens is tegen dit oordeel beroep in te stellen; ter terechtzitting in hoger beroep op 6 april 2018 heeft de raadsman van verdachte een brief overgelegd afkomstig van mrs. [naam 1] , Chief State Solicitor, gedateerd 4 april 2018 waaruit blijkt dat tegen de beslissing van het Ierse Hooggerechtshof van 26 oktober 2017 geen rechtsmiddel is aangewend. Toetsingskader Artikel 27 van het Kaderbesluit houdt, voor zover hier van belang, in: Eventuele vervolging voor andere strafbare feiten 2. Behoudens in de in lid 1 en lid 3 bedoelde gevallen wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest. 3. Lid 2 is niet van toepassing in gevallen waarin: … b) de feiten niet strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel. c) de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die zijn persoonlijke vrijheid beperkt; … g) de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de gezochte persoon overgeleverd heeft, overeenkomstig lid 4 daartoe toestemming geeft. 4. Een verzoek tot toestemming wordt bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit ingediend, bevat de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, en gaat vergezeld van een vertaling als bedoeld in artikel 8, lid 2. De toestemming wordt verleend indien het strafbaar feit waarvoor zij wordt verzocht op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit meebrengt. Toestemming wordt geweigerd op de in artikel 3 genoemde gronden en kan in de overige gevallen alleen op de in artikel 4 genoemde gronden worden geweigerd. De beslissing wordt uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek genomen. …. Beoordeling van het verweer Uit het in artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit neergelegde specialiteitsbeginsel vloeit voort dat de opgeëiste persoon het recht toekomt om niet te worden vervolgd, bestraft of anderszins van zijn vrijheid te worden beroofd wegens een ander vóór de overlevering gepleegd feit dan dat waarvoor de overlevering is toegestaan. Het derde lid van voornoemde bepaling bevat een aantal uitzonderingen op dat specialiteitsbeginsel. In de voorliggende zaak is verdachte door de Ierse autoriteiten overgeleverd naar Nederland ter zake van de vervolging van feit A. Verdachte heeft in verband met dit feit overleveringsdetentie en voorlopige hechtenis ondergaan. Bij vonnis van 15 mei 2017 is verdachte van dit feit vrijgesproken en is het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Dit ligt anders ter zake van feit B. Uit de stukken maakt het hof op dat een Ierse uitvoerende rechterlijke autoriteit op 26 oktober 2017 toestemming heeft geweigerd voor de vervolging van verdachte voor dit feit. Voor zover de advocaat-generaal ter zitting naar voren heeft willen brengen dat deze weigering niet vaststaat omdat ze niet kon worden geverifieerd, merkt het hof op dat het primair aan het openbaar ministerie is de bewilliging in een zelfuitgevaardigd aanvullend Europees aanhoudingsbevel te bewaken en de uitkomst aan het procesdossier toe te voegen. Gelet op voornoemde brief van het Department of Justice and Equality van 29 november 2017 en bij gebrek aan aanwijzingen dat de door de raadsman overgelegde brief van de Ierse Chief State Solicitor van 4 april 2018 niet authentiek is, houdt het hof het er voor dat de toestemming om verdachte ook te mogen vervolgen ter zake van het medeplegen van het onttrekken van een lijk aan nasporing, inmiddels onherroepelijk is geweigerd. Nu verdachte voor dit feit, ondanks de geweigerde toestemming, toch is vervolgd, ligt de vraag voor of dat van belang is voor de onderhavige zaak en, zo ja, wat daarvan de consequentie is. Het hof overweegt daartoe het volgende. In het arrest van het Europees Hof van Justitie van 1 december 2008 (Zaak C-388/08 inzake [naam 2] en [naam 3] ), heeft het Hof, voor zover hier van belang, ten aanzien van de uitzonderingsgrond in artikel 27, lid 3, aanhef en onder c van het Kaderbesluit het volgende overwogen. 71 Wanneer tijdens de procedure is vastgesteld dat sprake is van een „ander feit” dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, kan wegens dit strafbare feit slechts een vervolging worden ingesteld indien toestemming is verkregen, behoudens indien de uitzonderingen van artikel 27, lid 3, sub a tot en met f, van het kaderbesluit van toepassing zijn. 72 De uitzondering van artikel 27, lid 3, sub c, van het kaderbesluit betreft een situatie waarin de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid van de betrokkene beperkt. 73 In het kader van die uitzondering kan een persoon dus worden vervolgd en berecht voor „enig ander feit” dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest, dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Indien die persoon echter wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestemming is verleend. 74 Die uitlegging sluit overigens aan bij de bepalingen van artikel 10, lid 1, sub b, van de Overeenkomst van 1996, zoals blijkt uit het toelichtend rapport bij die overeenkomst, goedgekeurd door de Raad op 26 mei 1997 (PB 1997, C 191, blz. 13). Volgens dit rapport kan een verzoekende lidstaat zelfs indien het strafbare feit kan worden gestraft met een straf die de persoonlijke vrijheid beperkt, een strafvervolging instellen of voortzetten, dan wel een persoon berechten, voor andere feiten dan die welke tot het uitleveringsverzoek hebben geleid, voor zover de persoon tijdens de vervolging, dan wel ten gevolge daarvan, niet in zijn persoonlijke vrijheid wordt beperkt. Zo luidt het in het rapport dat indien de betrokkene veroordeeld wordt tot een straf of maatregel die vrijheidsbeneming meebrengt, dit vonnis alleen ten uitvoer wordt gelegd indien de verzoekende lidstaat daartoe de toestemming verkrijgt van hetzij de betrokkene, hetzij de aangezochte staat. In dit geval is weliswaar door de Ierse autoriteiten toestemming geweigerd voor de vervolging van verdachte voor een ander feit, te weten feit B, maar verdachte heeft voor dit feit geen voorlopige hechtenis of overleveringsdetentie ondergaan, ook niet ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep. De overleveringsdetentie en voorlopige hechtenis had betrekking op feit A. Anders dan de raadsman heeft bepleit leidt de vervolging van verdachte, ondanks die weigering, gelet op voornoemd toetsingskader dan ook niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Immers, ook in geval van een weigering kan een persoon worden vervolgd en berecht voor ‘enig ander feit dat voor de overlevering is begaan’, mits dat niet gepaard gaat met vrijheidsbeneming van die persoon. Een dergelijk geval is hier aan de orde. Gegeven de weigering van de Ierse autoriteiten, vloeit uit het in artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit neergelegde specialiteitsbeginsel en de in het derde lid van deze bepaling opgenomen uitzonderingen, voort dat aan verdachte voor dat andere feit B geen straf of maatregel kan worden opgelegd die zijn persoonlijke vrijheid beperkt. Mocht het hof niettemin bij arrest wel tot oplegging van een vrijheidsbenemende straf of vrijheidsbenemende maatregel overgaan, dan zal deze vrijheidsstraf pas kunnen worden geëxecuteerd als daarvoor, op basis van artikel 27, vierde lid van het Kaderbesluit, toestemming wordt verleend door de Ierse autoriteiten. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. Tenlasteleggingen Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Zaak A hij op een tijdstip in de periode van 17 februari 2009 tot en met 24 februari 2009 te Rotterdam en/of te Mijdrecht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en /of puntig voorwerp, een of meermalen in de romp gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; Zaak B hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 februari 2009 tot en met 24 februari 2009 te Rotterdam en/of Mijdrecht en/of Amsterdam en/of Diemen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van voornoemde [slachtoffer] te verhelen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), - het lijk van voornoemde [slachtoffer] in één of meer stukken gedeeld en/of - het lijk, althans een of meer delen van het lijk, van voornoemde [slachtoffer] in plastic en/of een sprei en/of een (hoes)laken en/of een dekbedovertrek en/of een handdoek gewikkeld en/of - het lijk, althans een of meer delen van het lijk, van voornoemde [slachtoffer] in een koffer en/of (plastic) tas(sen) en/of vuilniszak(ken) gestopt en/of - voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) verplaatst en/of in (de achterbak van) een motorvoertuig gelegd en/of - voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) naar Amsterdam en/of Diemen vervoerd en/of - voornoemde koffer en/of (plastic) tas en/of vuilniszak (met daarin een of meer delen van het lijk van voornoemde [slachtoffer] ) in het water gelaten. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. Verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van zaak A tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Standpunten openbaar ministerie en verdediging Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft bij requisitoir, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Het feit zoals in zaak A tenlastegelegd, kan worden bewezen. Bij de beoordeling van de bewijsmiddelen kan worden uitgegaan van de verklaringen die [medeverdachte 2] heeft afgelegd. Zijn verklaringen zijn betrouwbaar en geloofwaardig, doordat ze worden ondersteund door meerdere onderzoeksbevindingen van de politie. Genoemd kan onder meer worden het benoemen van het steekletsel van het slachtoffer dat overeenkomt met de bevindingen van zowel de Nederlandse als de Ierse patholoog, het benoemen van de woning aan de [adres 2] als de plaats delict, de aanwezigheid van de kettingzaag aldaar met daarop DNA-sporen van het slachtoffer en een DNA-spoor van [medeverdachte] , de plaats waar de Volkswagen Polo van het slachtoffer is achtergelaten en de locatie bij het IJ-meer waar het stoffelijk overschot van het slachtoffer is gevonden. De aanwezigheid van de drie verdachten op genoemde locaties wordt ondersteund door de historische verkeersgegevens van de telefoons die bij de verdachten in gebruik waren. Op grond van deze bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, kan worden vastgesteld dat verdachte en [medeverdachte] tezamen en in vereniging verantwoordelijk zijn voor de dood van het slachtoffer door hem een aantal keren met een mes te steken. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachten met voorbedachte rade hebben gehandeld, zodat zij van moord dienen te worden vrijgesproken. Bewezen kan worden dat sprake is van medeplegen van doodslag. Op grond van diezelfde bewijsmiddelen kan ook worden bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde in zaak B. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft bij pleidooi, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Verdachte dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Hij ontkent betrokken te zijn geweest bij beide feiten, sterker nog: hij ontkent het slachtoffer ooit te hebben ontmoet. Het bewijs tegen verdachte bestaat uit zeer onbetrouwbare verklaringen van [medeverdachte 2] , die tegenstrijdigheden en onjuistheden bevatten. Bovendien zijn deze verklaringen pas afgelegd nadat [medeverdachte 2] het dossier met zijn advocaat heeft kunnen bestuderen. Op de belangrijkste punten worden de verklaringen van [medeverdachte 2] ontkracht door andere verklaringen en het resultaat van de analyse van de historische verkeersgegevens. Verdachte heeft daarentegen een volstrekt logische verklaring gegeven voor het mogelijke gebruik van de telefoon die [medeverdachte 2] hem verstrekte en voor zijn aangetroffen DNA- en vingerspoor in de woningen in Rotterdam en Mijdrecht. Verdachte lijkt op het verkeerde moment op de verkeerde plek te zijn geweest, waardoor [medeverdachte 2] hem de schuld van de dood van [slachtoffer] in de schoenen heeft kunnen en durven schuiven. Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak A Inleiding Op 24 februari 2009 is in het water van het IJ-meer ter hoogte van de Diemerzeedijk in Amsterdam, het zwaar verminkte lichaam aangetroffen van een jongeman. Zijn hoofd en onderlichaam waren van de romp gescheiden. De afzonderlijke lichaamsdelen waren verpakt in een koffer en in plastic boodschappentassen en vuilniszakken. In het rapport forensisch pathologisch onderzoek van 8 mei 2009 is geconcludeerd dat het een in drie separate delen aangeleverd lichaam betreft van een 29 jaar oud geworden man met zeker twee bij leven opgelopen steekletsels, op grond waarvan het overlijden kan worden verklaard. Uit dit rapport blijkt verder het navolgende. Het delen van het lichaam heeft plaatsgevonden door scherprandig mechanisch geweld, passend bij het doorsnijden met een of meer messen voor wat betreft de weke delen en voor de harde delen passend bij doorzagen met een of meer zagen. De volgende letsels zijn, voor zover hier van belang, geconstateerd: In het gezicht, op de kin en in de behaarde hoofdhuid circa twaalf letsels, met scherprandige klieving van de ondergelegen weke delen. De letsels hadden het aspect van steek- en snijletsels. Maximale lengte van de gevonden steekkanalen was circa drie centimeter; Links aan de rug twee scherprandige huidperforaties van respectievelijk vijf en vier centimeter lang, beide met het aspect van steekletsels. In relatie hiermee waren er steekkanalen tot in de borsthalte te herleiden naar binnen en iets naar rechts. Er was veel gerelateerde bloeduitstorting in de rugspieren; Aan de buigzijde van de vingers van de linkerhand vijf scherprandige huidletsels met een perforatie van weke delen en doorsnijding van pezen; Op de rechterbil een scherprandig huidletsel van drie centimeter met het aspect van een steekwond en een daaronder gelegen steekkanaal in de weke delen van de bil. De lengte van het steekkanaal was circa 16 centimeter. In relatie met de letsels beschreven onder het tweede gedachtestreepje waren er in de romp twee steekkanalen te herleiden. Beide verliepen van linksachter naar rechtsvoor en iets voetwaarts. In relatie met het bovenste letsel van vijf centimeter was er een steekkanaal van circa 15 centimeter lengte met perforatie van de rugspieren, de borstkas en het longvlies van de linkerlong, zonder perforatie van de long. In relatie met het onderste letsel van vier centimeter was er een steekkanaal van circa 20 centimeter lang met perforatie van de rugspieren, de borstkas, het middenrif, de milt, de maag, de linkerlong onderkwab, de linkerlong bovenkwab en het hartzakje links zijwaarts. (…) Indien de deling van het lichaam postmortaal heeft plaatsgevonden (…) kan het overlijden worden verklaard door bloedverlies in combinatie met functieverlies van de linkerlong. De lichaamsdelen toonden postmortale veranderingen die passen bij een postmortaal interval van enkele dagen. Aan de buigzijde van de vingers van de linkerhand waren er scherprandige huiddefecten met het aspect van snijwonden. De letsels kunnen, indien deze bij leven zijn opgelopen, passen bij afweerletsels. De vondst van het lichaam op 24 februari 2009 vormde de start van een langdurig en uitvoerig rechercheonderzoek. Relatief snel kwam de recherche erachter dat de dode man [slachtoffer] was. [slachtoffer] bleek bij leven actief te zijn geweest in het criminele milieu en was vanuit Ierland naar Nederland gekomen. Hij gebruikte de identiteit [naam 4] en beschikte over een paspoort en rijbewijs op die naam. Hij werd in Ierland gezocht door de politie. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] in diens voormalige appartement aan de [adres 2] (hierna: het appartement in Rotterdam) om het leven is gebracht. In dat appartement is op diverse plaatsen bloed van [slachtoffer] , al dan niet in de vorm van bloedspatten, aangetroffen. Bovendien was een deel van het lichaam van [slachtoffer] gewikkeld in een weinig verkochte zwarte sprei, terwijl de verhuurster van het appartement een soortgelijke sprei uit dit appartement miste. Verder is in de meterkast in de hal van het appartement een incomplete kettingzaag aangetroffen. Daarvan miste onder andere het zaagblad. Op onder meer de onderzijde van de kettingzaag, het snoer, de stekker en een tandwiel van de kettingzaag, evenals op een vezeldraadje dat achter het tandwiel was gewikkeld, is lichaamsmateriaal van [slachtoffer] aangetroffen, waaronder bloed en, vermoedelijk, vetweefsel. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] gebruik maakte van onder andere het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1] ). Daarmee stuurde hij op 17 februari 2009, nadat hij in de middag zijn vriendin [naam 5] naar Schiphol heeft gebracht, om 20.15 uur een laatste sms naar een Iers telefoonnummer. Daarna hoorden zijn vriendin en familie niets meer van [slachtoffer]. Genoemd telefoonnummer werd vanaf dat tijdstip kennelijk niet meer gebruikt door [slachtoffer] , noch werden oproepen door hem beantwoord. Tijdens de gerechtelijke sectie op 25 februari 2009 is bevonden dat [slachtoffer] toen enkele dagen dood was. In zijn nader te bespreken verklaringen noemt medeverdachte [medeverdachte 2] 17 februari 2009 als overlijdensdatum en voorts verklaart hij dat het lichaam van [slachtoffer] in de avond van 23 februari 2009 in het water is achtergelaten. Dit alles in onderlinge samenhang beschouwd rechtvaardigt de conclusie dat [slachtoffer] in de avond van 17 februari 2009 om het leven is gebracht. Hoewel [slachtoffer] (op naam van [naam 4] ) in februari 2009 formeel nog huurder was van voornoemd appartement in Rotterdam verbleef hij daar niet meer. Hij huurde op naam van [naam 4] al sinds oktober 2008 een appartement aan de [adres 3] (hierna: het appartement in Mijdrecht). Uit het dossier blijkt dat een vriend van [slachtoffer] in het appartement in Rotterdam verbleef. Die vriend is de (mede)verdachte [medeverdachte 2] . Net als [slachtoffer] was hij actief in het criminele milieu. Op grond van hierna te bespreken telecomgegevens werd [medeverdachte 2] door de recherche en het openbaar ministerie als verdachte aangemerkt. Verklaringen verdachten [medeverdachte 2] is vervolgens in Ierland aangehouden en overgeleverd aan Nederland waar hij meermalen is verhoord. Aanvankelijk heeft [medeverdachte 2] zich (voornamelijk) op zijn zwijgrecht beroepen. Bij gelegenheid van de raadkamer gevangenhouding op 2 mei 2011 en daarna op 9 mei 2011 bij de recherche verklaarde [medeverdachte 2] , die op dat moment uiteraard met zijn raadsvrouw beschikte over een dossier, wie er volgens hem verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer] : [verdachte] en [medeverdachte] . In nadere verhoren heeft [medeverdachte 2] , meer in detail, hetzelfde verklaard en heeft hij – geconfronteerd met telecomgegevens – uiteindelijk toegegeven dat hijzelf ook een rol heeft gehad bij het wegmaken van het lichaam van [slachtoffer] . Tijdens de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak in eerste aanleg, noch tijdens het hoger beroep, is verdachte [medeverdachte 2] verschenen. Bij de pro-formazittingen in eerste aanleg in de periode juli 2011 tot juni 2012 heeft [medeverdachte 2] steeds verwezen naar zijn verklaringen vanaf 2 mei 2011. In zijn verhoor bij de rechter-commissaris als getuige in de zaken tegen [medeverdachte] en [verdachte] op 10 december 2015 is hij onder ede gesteld en heeft hij zijn eerder afgelegde gedetailleerde verklaringen bevestigd. De door [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen houden samengevat het volgende in: [verdachte] en [medeverdachte] werden gezocht door de Ierse politie en zijn daarom naar Nederland gekomen. Voordat ze naar Nederland zijn gekomen kende [medeverdachte 2] [medeverdachte] wel en [verdachte] niet. [medeverdachte] heeft [medeverdachte 2] telefonisch gevraagd of [verdachte] bij [medeverdachte 2] kon verblijven. Daarna is [verdachte] als eerste naar Nederland gekomen. Enkele dagen later arriveerde [medeverdachte] . Ze verbleven bij [medeverdachte 2] in het appartement in Rotterdam. Dat appartement was eerder door [slachtoffer] bewoond. [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte] en [verdachte] één van zijn telefoons in gebruik gegeven. In het begin van de avond van 17 februari 2009 zijn [verdachte] , [medeverdachte] en [medeverdachte 2] vanaf het appartement in Rotterdam naar Amsterdam gegaan en hebben daar de oom en tante van [medeverdachte] ontmoet met wie ze wat hebben gedronken. Ondertussen werd [medeverdachte 2] gebeld door [slachtoffer] met de vraag wat ze aan het doen waren. Vervolgens is afgesproken dat de drie naar Rotterdam zouden komen en ze [slachtoffer] zouden ontmoeten bij het appartement in Rotterdam om daar wat te drinken en computerspelletjes te spelen. Kort na aankomst in het appartement in Rotterdam is [medeverdachte 2] weggegaan om drank te kopen. Ongeveer twintig à vijfentwintig minuten later kwam hij terug en trof hij [medeverdachte] huilend aan de keukentafel aan. [medeverdachte] vertelde [medeverdachte 2] dat er ruzie was ontstaan tussen hem en [slachtoffer] . [slachtoffer] zou hem hebben gepest met zijn vriendin, waarop [medeverdachte] tegen [slachtoffer] had gezegd dat hij tenminste geen kinderporno keek. Dit was een verwijzing naar de kinderporno die bij een eerdere aanhouding van [slachtoffer] op zijn computer zou zijn aangetroffen. [medeverdachte] vertelde [medeverdachte 2] dat [slachtoffer] toen heel boos werd en hij een mes pakte waarmee hij [medeverdachte] heeft aangevallen. [verdachte] vulde dit verhaal van [medeverdachte] als volgt aan. [verdachte] zag dat [slachtoffer] stak richting [medeverdachte] . Om [medeverdachte] te beschermen heeft [verdachte] ook een mes gepakt en in de rug van [slachtoffer] gestoken. Vervolgens liet [slachtoffer] zijn mes vallen dat is opgepakt door [medeverdachte] die daarmee [slachtoffer] in de nek stak. [medeverdachte 2] heeft het lichaam van [slachtoffer] zien liggen in de badkamer en het afgedekt met een laken. [medeverdachte 2] heeft een steekwond aan de hals van [slachtoffer] gezien Later die avond zijn de drie mannen naar het appartement van [slachtoffer] in Mijdrecht vertrokken in twee auto’s: de Audi van [medeverdachte 2] en de door [slachtoffer] gehuurde en bij hem in gebruik zijnde VW Polo. [medeverdachte] en [verdachte] hadden onder meer de nog werkende telefoon van [slachtoffer] meegenomen naar Mijdrecht. [medeverdachte 2] wist dat die telefoon nog werkte omdat hij deze in het appartement in Rotterdam bij het lichaam van [slachtoffer] heeft horen overgaan. De volgende dag heeft [medeverdachte 2] gezegd dat het lichaam van [slachtoffer] niet in Rotterdam kon blijven. [verdachte] en [medeverdachte] hebben [medeverdachte 2] verteld dat [medeverdachte] het lichaam met een kettingzaag heeft gedeeld. Het lichaam is vervolgens in de VW Polo gelegd. Die werd geparkeerd in Mijdrecht. Op 23 februari 2009 zijn [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte] naar het appartement in Rotterdam gegaan. Ze hebben het schoongemaakt en daarna hebben ze enkele spullen van [slachtoffer] meegenomen en verkocht aan een autohandelaar. Vervolgens is het drietal teruggegaan naar Mijdrecht. In de late avond zijn ze met twee auto’s naar Amsterdam gereden. [medeverdachte] en [verdachte] reden in de VW Polo en zij hebben het lichaam in het water achtergelaten. [medeverdachte 2] zelf stond op de uitkijk en moest de anderen waarschuwen als er politie aankwam. Daarna is de VW Polo door [verdachte] en [medeverdachte] ergens geparkeerd in de buurt van een station, zijn [verdachte] en [medeverdachte] bij [medeverdachte 2] in de Audi gestapt en zijn ze met elkaar naar Calais, Frankrijk gereden. Daar zijn de drie mannen in de nacht van 23 op 24 februari 2009 op een ferry naar Engeland gestapt. [medeverdachte 2] heeft aan de recherche de plek aangewezen waar de lichaamsdelen te water zijn gelaten. Voor de recherche waren deze verklaringen van [medeverdachte 2] aanleiding [verdachte] en [medeverdachte] als verdachten aan te merken. Na hun aanhouding in Ierland hebben deze verdachten daar een eerste verklaring afgelegd in oktober 2014. Na hun overlevering aan Nederland hebben zij zich bij de politie (voornamelijk) op hun zwijgrecht beroepen. Tijdens de inhoudelijke behandeling van hun strafzaken in eerste aanleg hebben zij wel verklaard. Hun verklaringen, afgelegd in Ierland als (verdachte) getuige in de Nederlandse strafzaak tegen [medeverdachte 2] , houden samengevat het volgende in: [verdachte] en [medeverdachte] bevestigen hun komst naar Nederland en het verblijf bij [medeverdachte 2] en dat [verdachte] vóór [medeverdachte] naar Nederland is gekomen. Zij hebben aanvankelijk bij [medeverdachte 2] verbleven in het appartement in Rotterdam. Beide verdachten verklaren echter niets met de dood van [slachtoffer] te maken te hebben. Sterker nog: zij hebben hem nooit ontmoet. Het is volgens [verdachte] en [medeverdachte] juist dat zij op 17 februari 2009 met [medeverdachte 2] vanaf het appartement in Rotterdam naar Amsterdam zijn gereden en daar de tante van [medeverdachte] hebben ontmoet. [verdachte] verklaart dat hij denkt dat hij vervolgens met [medeverdachte] naar een kroeg in Rotterdam is geweest en dat hij niet weet waar [medeverdachte 2] toen was en of de laatste wel uit Amsterdam was weggegaan. [medeverdachte] heeft aanvankelijk gezegd dat hij niet weet of ook [medeverdachte 2] en [verdachte] met hem naar zijn tante in Amsterdam waren en dat hij evenmin weet wat hij na die ontmoeting met zijn tante heeft gedaan. Na geconfronteerd te zijn met de verklaring van [verdachte] op dit punt verklaart [medeverdachte] dat hij zich herinnert een aantal keren met [verdachte] naar een bar in Rotterdam te zijn geweest en dat dat mogelijk ook die avond is gebeurd. Zowel [verdachte] als [medeverdachte] verklaren dat ze op enig moment van [medeverdachte 2] hebben gehoord dat ze niet meer in het appartement in Rotterdam konden verblijven en dat ze daarna door hem naar een ander appartement zijn gebracht. [verdachte] verklaart daarbij dat [medeverdachte 2] als reden daarvoor gaf dat vrienden van hem daar met iets bezig waren. Volgens [verdachte] heeft [medeverdachte 2] dit tegen hen gezegd buiten een ‘drinking-strip club’ in Rotterdam, toen hij hen daar kwam ophalen nadat hij hen er uren eerder had afgezet. [medeverdachte 2] had hun kleren meegenomen (verklaren zowel [medeverdachte] als [verdachte] ) en ook hun paspoort (verklaart [verdachte] ) en ze zijn gedrieën in de Audi van [medeverdachte 2] naar een appartement in Mijdrecht gereden. Dat appartement was van een vriend van [medeverdachte 2] en zij konden daar verblijven. Gedurende enkele dagen werd hen de auto, een VW Polo, van diezelfde vriend ter beschikking gesteld, Tijdens zijn politieverhoor in Nederland op 24 mei 2016 heeft [medeverdachte] verklaard dat hij destijds in het appartement te Mijdrecht heeft verbleven omdat [medeverdachte 2] hem en [verdachte] , op de avond dat hij zijn tante in Amsterdam had ontmoet, had afgezet bij een stripclub en hen daar uren later weer kwam ophalen. Daarbij had [medeverdachte 2] gezegd dat ze niet terug konden naar het appartement in Rotterdam omdat hij daar met iets bezig was. Ter terechtzitting in eerste aanleg hebben [verdachte] en [medeverdachte] hun verklaring over dit afzetten en ophalen bij de stripclub door [medeverdachte 2] herhaald, en daar nog aan toegevoegd dat op enig moment de VW Polo door [medeverdachte 2] moest worden teruggegeven, op de dag voor of van vertrek naar Engeland via Frankrijk. [medeverdachte 2] is met de VW Polo weggereden en [verdachte] en [medeverdachte] hebben hem later, met [medeverdachte 2] ’s eigen Audi, ergens opgepikt. Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 2] Doorslaggevend technisch bewijs is in deze zaak niet voorhanden. Het komt voornamelijk aan op de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen en de geloofwaardigheid van (de verklaringen van) [verdachte] en [medeverdachte] . Daarbij geldt ten aanzien van de voor [verdachte] en [medeverdachte] belastende verklaringen van [medeverdachte 2] , inhoudende dat zij verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer] , dat hij deze pas heeft afgelegd nadat hij van de tot dan toe bekende bevindingen van de Nederlandse politie op de hoogte was gekomen. Om die reden dient terughoudend te worden omgegaan met die verklaringen en moet worden bezien of deze in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. In dat licht is het volgende van belang. Gebruik telefoonnummers Van [medeverdachte 2] kan worden vastgesteld dat hij in de periode waarin hij in Nederland verbleef gebruik maakte van een aantal telefoonnummers. Daarvan waren de nummers [telefoonnummer 2] (hierna: *[telefoonnummer 2]) en [telefoonnummer 3] (hierna: *[telefoonnummer 3]) intensief in gebruik in de maand februari 2009. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij aan [verdachte] en [medeverdachte] een telefoon heeft uitgeleend waarover beide verdachten volledig de beschikking hadden. [medeverdachte 2] kan zich het bijbehorende telefoonnummer niet meer herinneren. Zowel [verdachte] als [medeverdachte] heeft verklaard dat zij wel eens een telefoon van [medeverdachte 2] hebben gebruikt. Het hof komt met de rechtbank tot de conclusie dat dit moet gaan om het nummer *[telefoonnummer 2]. De simkaart met dit 06-nummer is van 28 januari 2009 tot en met 24 februari 2009 geplaatst geweest in hetzelfde toestel, met IMEI-nummer *[nummer]. Uit de vluchtgegevens van Air Lingus/KLM blijkt dat [verdachte] op 7 februari 2009 van Dublin naar Schiphol is gevlogen. Daar werd hij opgehaald door [medeverdachte 2] . Diezelfde avond laat (8 februari 2009 om 00.19 uur) belde *[telefoonnummer 2] uit naar het Ierse nummer [telefoonnummer 4] (hierna: [telefoonnummer 4]). Dat nummer is van [naam 6] , destijds de (ex)vriendin van [verdachte]. In de periode daarna is tussen beide nummers meer dan 200 maal sms- en belcontact, onder meer in de middag en avond van 17 februari en in de nacht en ochtend van 18 februari 2009. [naam 6] heeft verklaard dat 35*8019 destijds waarschijnlijk haar nummer was omdat zij zich de laatste vier cijfers kan herinneren en dat zij in die periode maar met één persoon die in het buitenland verbleef telefonisch contact had, te weten [verdachte]. Het hof concludeert dat [verdachte] vrijwel onmiddellijk na aankomst in Nederland op 7 februari 2009 de beschikking heeft gekregen over de telefoon waarin sinds 28 januari 2009 een simkaart met het telefoonnummer *[telefoonnummer 2] was geplaatst. Deze gevolgtrekking ondersteunt de verklaringen van [medeverdachte 2] . Ook [medeverdachte] heeft van deze telefoon gebruik gemaakt. De tante van [medeverdachte] , [naam 7], belde op 17 februari 2009 om 11.39 uur met het Ierse nummer [telefoonnummer 5] naar hetzelfde nummer *[telefoonnummer 2] om met haar neef in Amsterdam af te spreken. Later die dag en de volgende nacht hebben zij met dezelfde nummers vaker contact met elkaar gehad. [medeverdachte] heeft verklaard dat zijn tante hem gebeld heeft op het nummer waarmee hij, [medeverdachte] , eerder naar zijn vader had gebeld en dat hij die telefoon van [medeverdachte 2] in gebruik had gekregen. Hoewel [verdachte] en [medeverdachte] stellen zich niet meer te kunnen herinneren dat zij deze verschillende telefoongesprekken of -berichten hebben gevoerd of uitgewisseld, staat dat voor het hof op grond van het voorgaande vast, mede gelet op de momenten dat die contacten werden gelegd en omdat de belcontacten niet zelden meerdere seconden besloegen. De conclusie is dan ook dat deze telefoon in de periode 17 tot 24 februari 2009 door beiden, en met name door [verdachte], werd gebruikt. Van het nummer [telefoonnummer 3] (hierna: *[telefoonnummer 3]) stelt het hof vast dat dit nummer in gebruik was bij [medeverdachte 2]. Eveneens staat vast dat [slachtoffer] de gebruiker was van telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1] ). Met dit telefoonnummer, dat zich op dat moment bevindt in de nabijheid van het appartement in Rotterdam, werd op 17 februari 2009 om 20.15 uur een laatste uitgaande beweging gemaakt (sms-bericht). De zendmast die dan aangestraald wordt, staat aan de [adres 4], op circa 255 meter afstand van het appartement aan de [adres 2]. Aanwezigheid plaats delict Op basis van de gedetailleerde peilgegevens van de nummers *[telefoonnummer 2] en *[telefoonnummer 3] komt het hof tot de conclusie dat de gebruikers daarvan, zijnde respectievelijk [verdachte] en [medeverdachte] (*[telefoonnummer 2]) en [medeverdachte 2] (*[telefoonnummer 3]), in de avond van 17 februari 2009 uitpeilen op een zendmast aan de [adres 4], welke locatie zoals vermeld is gelegen in de omgeving van het appartement aan de [adres 2] waar [slachtoffer] om het leven is gebracht. Deze peilgegevens bevestigen de verklaring van [medeverdachte 2] dat zij na het bezoek aan de tante van [medeverdachte] in Amsterdam die avond alle drie naar het appartement in Rotterdam zijn gegaan. De peilgegevens bevestigen eveneens dat de drie mannen in de late avond/nacht daarna naar het appartement in Mijdrecht zijn gereden en dat zij onderweg niet bij elkaar in één auto zaten; tussen de beide nummers is onderweg naar Mijdrecht contact geweest, hetgeen bevestigt dat men met twee auto’s (de Audi van [medeverdachte 2] en de VW Polo van [slachtoffer] ) heeft gereden, zoals [medeverdachte 2] heeft verklaard, en weerspreekt dat men gedrieën in één auto reed, zoals [verdachte] en [medeverdachte] hebben verklaard. De verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte], inhoudende dat beiden, direct na het bezoek aan [medeverdachte] ’s tante en oom in Amsterdam, door [medeverdachte 2] zijn afgezet bij een stripclub in Rotterdam zijn niet aannemelijk gelet op diezelfde peilgegevens. Daaruit volgt immers dat de telefoon met nummer *[telefoonnummer 2], in gebruik bij [verdachte] en [medeverdachte] , wel degelijk vanaf ongeveer 20.30 uur dezelfde zendmast aanstraalt als de bij [slachtoffer] in gebruik zijnde telefoon, terwijl van laatstgenoemde is vastgesteld dat hij via die zendmast om 20.15 uur een laatste teken van leven (een uitgaande sms) gaf voordat hij in het appartement is gedood. Het door [medeverdachte] en [verdachte] genoemde bezoek aan een stripclub is niet aannemelijk geworden. Daarbij komt dat die avond rond 22:07 uur telefooncontacten van respectievelijk 7 en 133 seconden hebben plaatsgevonden tussen het nummer *[telefoonnummer 2] ([verdachte]) en het nummer van diens ex-vriendin [naam 6]. De peillocatie van de *[telefoonnummer 2] is dan respectievelijk Rotterdam en Delft. Ook dit weerspreekt een urenlang verblijf in een stripclub die avond. Om 08.01 uur op 18 februari 2009, toen de drie verdachten de nacht hadden doorgebracht in het appartement in Mijdrecht, is met het telefoonnummer van [slachtoffer] [telefoonnummer 1] , dat op dat moment aanstraalde op een zendmast daar in de buurt, ruim zeven minuten gebeld naar het nummer van [naam 6]. Vanaf diezelfde locatie belt [telefoonnummer 1] binnen een uur daarna driemaal een tot vijf minuten met het Ierse telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 6] en zendt daaraan ook een sms-bericht. Dat Ierse nummer [telefoonnummer 6] was toentertijd op naam gesteld van [naam 8], net als [naam 6] een ex-vriendin van [verdachte]. Ten slotte belt [telefoonnummer 1] op 18 februari 2009 om 08.57 (30 seconden) en 08.58 uur (7 seconden) met twee andere Ierse nummers, toebehorende aan de gebroeders [naam 9]. [naam 10] verklaart dat hij een bekende is van [verdachte] en [medeverdachte]. [verdachte] heeft voor deze telefonische contacten geen plausibele verklaring gegeven. Het hof stelt dan ook vast dat deze door [verdachte] zijn verricht. Zo stelt het hof vast dat [verdachte] vóór de dood van [slachtoffer] zeer frequent telefonisch of sms-contact met [naam 6] had, terwijl hij daarbij het nummer [telefoonnummer 2] gebruikte. Daags na de dood van [slachtoffer] belde [verdachte] in korte tijd viermaal minutenlang met zijn ex-vriendinnen [verdachte] en [naam 8], gebruikmakend van de telefoon van de dan al gedode [slachtoffer]. Deze vaststelling bevestigt voorts de verklaring van [medeverdachte 2] omtrent het meenemen van de nog werkende telefoon van [slachtoffer] naar Mijdrecht door [medeverdachte] en [verdachte]. De nummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] peilden op 23 februari 2009, in de late avond, uit nabij de locatie waar het lichaam van [slachtoffer] is achtergelaten. En het nummer [telefoonnummer 2], in gebruik bij [verdachte] en [medeverdachte] , peilde later op diezelfde avond tevens uit in de buurt van de Bertrand Russelstraat te Amsterdam. In deze straat is de door [slachtoffer] gehuurde VW Polo aangetroffen. De auto heeft vanaf 24 februari 2009 verschillende parkeerboetes gekregen. De verklaring van [medeverdachte] en [verdachte] dat zij [medeverdachte 2] die dag ergens in Amsterdam moesten ophalen in zijn Audi, omdat [medeverdachte 2] toen de VW Polo aan iemand moest teruggegeven, acht het hof niet aannemelijk. Deze verklaring hebben zij voor het eerst ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegd en is op geen enkele wijze onderbouwd, noch wordt zij ondersteund door resultaten van het opsporingsonderzoek. Overige onderzoeksresultaten Niet alleen wordt de verklaring van [medeverdachte 2] betreffende de aanwezigheid van de verdachten op de plaats delict (zowel in Rotterdam als in Amsterdam) bevestigd door de peilgegevens, ook andere onderzoeksbevindingen bevestigen op onderdelen zijn verklaring. Zo worden de reisbewegingen – na de dood van [slachtoffer] – die door [medeverdachte 2] zijn geschetst ondersteund door de telefoonverplaatsingen (van Rotterdam naar Mijdrecht en omgekeerd, van Mijdrecht naar Amsterdam en van Amsterdam naar Frankrijk (Calais), bevestigt getuige [getuige 1] het bezoek van Engelse mannen (in een Audi) aan zijn bedrijf van wie hij elektronische apparatuur heeft gekocht en bevat de stekker van de aangetroffen kettingzaag DNA-materiaal van [medeverdachte] . Het verslag van het NFI dat betrekking heeft op deze match met het DNA profiel van [medeverdachte] dateert bovendien van 13 mei 2015. Die datum is dus gelegen ver na de eerste voor [medeverdachte] en [verdachte] afgelegde belastende verklaring van [medeverdachte 2] . Er zijn sporen van [slachtoffer] op de kettingzaag aangetroffen. Ook zijn er op de kettingzaag sporen van textiel aangetroffen die overeenkomen met de stoffen waarin de lichaamsdelen van [slachtoffer] waren gewikkeld. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte] heeft gehoord dat de laatste het lichaam van [slachtoffer] met een kettingzaag heeft gedeeld en dat die kettingzaag na de dood van [slachtoffer] met dat doel is aangeschaft. Die verklaring van [medeverdachte 2] wordt (deels) ondersteund door de aangetroffen sporen, alsmede door de vaststelling van de patholoog-anatoom dat het botletsel van [slachtoffer] op de plaatsen waar diens lichaam is gedeeld, past bij zaagsneden. Gelet op dit alles kan het niet anders dan dat de aangetroffen kettingzaag is gebruikt bij het in stukken delen van het lichaam van [slachtoffer] , bij welke gelegenheid [medeverdachte] zijn DNA op de stekker heeft achtergelaten. Bovendien maakt het aantreffen van DNA van zowel [slachtoffer] als [medeverdachte] op deze kettingzaag volstrekt onaannemelijk en zelfs ongeloofwaardig dat de laatste, zoals hij steeds heeft verklaard, [slachtoffer] nooit heeft ontmoet noch iets met diens dood, diens stoffelijk overschot of het wegmaken daarvan te maken heeft gehad. De verklaringen van [medeverdachte 2] dat [medeverdachte] en [verdachte] verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer] worden, zoals hiervoor uiteengezet, op vele belangrijke punten ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] daarentegen, vinden in overige bewijsmiddelen juist weerlegging. Voor de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij het appartement in Rotterdam in de avond van 17 februari 2009 ongeveer 20 à 25 minuten heeft verlaten om drank en sigaretten te kopen, om bij terugkomst [medeverdachte] en [verdachte] bij de zieltogende [slachtoffer] aan te treffen is geen objectieve bevestiging gevonden. Van de telefoon die [medeverdachte 2] destijds in gebruik had (*[telefoonnummer 3]) zijn tussen 19.10 uur en 23.40 uur op 17 februari 2009 geen locatiegegevens bekend. Dit zou kunnen betekenen dat [medeverdachte 2] ’s telefoon gedurende deze periode niet ingeschakeld is geweest, maar het kan ook betekenen dat hij toen eenvoudigweg niet gebeld heeft of is. Het ontbreken van peilgegevens levert dan ook noch een ontkrachting noch een ondersteuning op voor de verklaring van [medeverdachte 2] op dit punt. Het hof verbindt aan het gebrek aan steun voor dit onderdeel van de verklaring van [medeverdachte 2] dan ook niet de gevolgtrekking dat daarmee de verklaring in haar geheel onbetrouwbaar is. Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaringen die [medeverdachte 2] heeft afgelegd, die zoals hiervoor overwogen op belangrijke punten ondersteuning vinden in andere objectieve bewijsmiddelen, als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Het hof zal om die reden deze voor de verdachten belastende verklaringen bezigen tot het bewijs. De door [verdachte] en [medeverdachte] afgelegde verklaringen omtrent hun afwezigheid in het appartement in Rotterdam die avond, overtuigen bepaald niet. De telefoon die bij [verdachte] en [medeverdachte] in gebruik was (*[telefoonnummer 2]), bevond zich op 17 februari 2009 vanaf ongeveer 20.29 uur tot ongeveer 01.24 uur (op 18 februari 2009), met uitzondering van de tijdsperioden tussen 21.59 en 22.31 (32 minuten), tussen 22.37 en 22.58 (21 minuten) en tussen 23.50 en 00.53 uur (op 18 februari 2009, 63 minuten), steeds in of nabij het appartement in Rotterdam. In die tijdsspannen is via nummer *[telefoonnummer 2] telefonisch contact geweest met [naam 6] en met [naam 7], [medeverdachte] ’s tante. Dit alles maakt volstrekt onaannemelijk dat [medeverdachte] en [verdachte], zoals zij hebben verklaard, niet alleen niet meer bij dat appartement zijn geweest na terugkomst van de ontmoeting met [medeverdachte] tante in Amsterdam, maar ook dat zij gezamenlijk uren in een stripclub elders in Rotterdam hebben doorgebracht. Het hof acht op grond van al het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] en [verdachte] zich op 17 februari 2009 te Rotterdam samen schuldig hebben gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] . [slachtoffer] is daarbij meermalen met een mes in de rug gestoken en ter hoogte van de hals gestoken en hij heeft (afweer)letsels opgelopen aan de binnenzijde van de linkerhand. Ten aanzien van de steekwond die [medeverdachte 2] stelt te hebben gezien ter hoogte van [slachtoffer] ’ hals merkt het hof nog op dat de sectiebevindingen deze geenszins uitsluiten, gelet op het gegeven dat de romp en het hoofd ten tijde van de sectie van elkaar gescheiden waren en de hals zich in het klievingsvlak bevond. Het dossier bevat geen bewijs voor voorbedachte raad, zodat verdachten van dat onderdeel van de tenlastelegging moeten worden vrijgesproken Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak B Voor het hof staat vast dat verdachte samen met de medeverdachten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] met een kettingzaag in stukken heeft gedeeld, het in de auto heeft vervoerd naar Mijdrecht en uiteindelijk naar Amsterdam en het daar heeft weggemaakt in het IJ-meer, zodat het in zaak B tenlastegelegde feit kan worden bewezen. Hiervoor is het volgende van belang. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat het lichaam van [slachtoffer] door [medeverdachte] met een kettingzaag in stukken is gedeeld en op enig moment daarna naar Mijdrecht en uiteindelijk naar Amsterdam is vervoerd door [verdachte] en [medeverdachte] in de VW Polo. [medeverdachte 2] reed achter de beide mannen aan in de Audi. [verdachte] en [medeverdachte] hebben het lichaam van [slachtoffer] in het water gelaten. [medeverdachte 2] stond op de uitkijk. Daarna hebben ze de VW Polo geparkeerd en zijn ze met z’n drieën in de Audi naar Frankrijk gereden. Deze verklaring van [medeverdachte 2] wordt ondersteund door de peilgegevens van de bij de verdachten in gebruik zijnde telefoons en de – op grond daarvan vast te stellen – onderlinge telefonische contacten en telefoonverplaatsingen. Dat maakt dit onderdeel van zijn verklaring betrouwbaar. Hierbij weegt mee dat [medeverdachte 2] heeft erkend bij dit feit betrokken te zijn geweest. De nummers *[telefoonnummer 3] en *[telefoonnummer 2] peilden op 23 februari 2009 tussen 23:17 uur en 23:46 uur uit in de omgeving van de Zuider IJdijk en de Ooster Ringdijk te Amsterdam. Het nummer *[telefoonnummer 2] belde tussen die tijdstippen drie maal naar het nummer *[telefoonnummer 3]. Het nummer *[telefoonnummer 2] peilde vervolgens om 23.52 uur uit in de omgeving waar de VW Polo is achtergelaten. Direct daarna verplaatste het nummer zich in de richting van België/Frankrijk. Daaruit leidt het hof af dat degenen die de telefoons met de nummers *[telefoonnummer 3] en *[telefoonnummer 2] in hun bezit hadden op het moment dat ze richting Frankrijk reden, dezelfde personen waren als degenen die de telefoons op de Zuider IJdijk en de Ooster Ringdijk in hun bezit hadden, namelijk [verdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte 2] . Dat strookt ook met de bewegingen van die telefoons eerder op de avond, te weten van Mijdrecht, waar de verdachten met z’n drieën verbleven, naar Amsterdam. Uit het voorgaande leidt het hof af dat [medeverdachte] , [verdachte] en [medeverdachte 2] alle drie op 23 februari 2009 tussen 23.17 uur en 23.46 uur aanwezig waren op de plaats waar het lichaam van [slachtoffer] is weggemaakt. Daaraan is, zoals reeds bij de bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak A is overwogen, het volgende voorafgegaan. [slachtoffer] is zes dagen eerder, op 17 februari 2009, door [verdachte] en [medeverdachte] om het leven gebracht in het appartement in Rotterdam. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] tegen [verdachte] en [medeverdachte] gezegd dat het lichaam van [slachtoffer] niet in het appartement Rotterdam kon blijven. In de dagen tussen 17 februari 2009 en 24 februari 2009 zijn de verdachten vervolgens vaak bij elkaar geweest. Ze zijn gezamenlijk naar Rotterdam gegaan om het appartement in Rotterdam schoon te maken en om spullen van [slachtoffer] te verkopen en ze hebben met elkaar het lichaam van [slachtoffer] verborgen gehouden en weggemaakt. Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten in de periode van 17 tot en met 23 februari 2009 erop gericht waren gezamenlijk het lichaam van [slachtoffer] te verbergen, weg te voeren en weg te maken, dit alles met het oogmerk om het overlijden van [slachtoffer] en/of de gewelddadige doodsoorzaak te verhelen en om aan strafvervolging te ontkomen. Het hof overweegt daarbij dat alle drie de verdachten bewust niet de autoriteiten hebben ingelicht en daarmee het door artikel 151 Sr beschermde belang hebben geschonden. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in zaak A en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak A hij op 17 februari 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een mes in de romp gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; Zaak B hij in de periode van 17 februari 2009 tot en met 23 februari 2009 te Rotterdam en/of Mijdrecht en/of Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen, weggevoerd en weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] te verhelen, immers hebben verdachte en zijn mededaders, - het lijk van [slachtoffer] in stukken gedeeld en - delen van het lijk van [slachtoffer] in plastic, een sprei, een hoeslaken, een dekbedovertrek en een handdoek gewikkeld en - delen van het lijk van [slachtoffer] in een koffer, plastic tassen en vuilniszakken gestopt en - voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] verplaatst en in de achterbak van een motorvoertuig gelegd en - voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] naar Amsterdam vervoerd en - voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] in het water gelaten. Hetgeen in zaak A en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen zijn vervat. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in zaak A bewezen verklaarde levert op: medeplegen van doodslag. Het in zaak B bewezen verklaarde levert op: medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen. Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte ten aanzien van het in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft verdachte voor het in eerste aanleg in zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het in zaak A en in zaak B ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaren met aftrek van voorarrest. Door de verdediging is in hoger beroep geen strafmaatverweer gevoerd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft, samen met zijn mededader, [slachtoffer] , toen nog maar 29 jaar oud, door messteken om het leven gebracht. Uit het bij het slachtoffer geconstateerde afweerletsel blijkt dat het slachtoffer zich – helaas tevergeefs – heeft geprobeerd te verzetten om zijn leven te redden. Met het plegen van dit feit heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een van de zwaarste misdrijven die de Nederlandse strafwet kent. Verdachte en zijn mededader hebben [slachtoffer] het meest fundamentele recht, het recht op leven, opzettelijk ontnomen. De nabestaanden zullen de gevolgen van dit onherroepelijke en volkomen onverwachte verlies altijd moeten dragen. Een feit als het onderhavige schokt bovendien de rechtsorde en versterkt in hevige mate gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Verdachte heeft enige tijd nadat hij [slachtoffer] om het leven had gebracht samen met zijn mededaders om ontdekking van deze levensberoving te voorkomen en om de oorzaak daarvan te verhelen, het stoffelijk overschot van [slachtoffer] eerst verborgen gehouden en in het appartement waar [slachtoffer] om het leven is gebracht en vervolgens weggemaakt door het in stukken te delen en de lichaamsdelen, verpakt in een koffer en vuilniszakken, te verbergen en te vervoeren in de VW Polo van [slachtoffer] en uiteindelijk in het IJ-meer te Amsterdam te water te laten. Daar zijn de lijkdelen op 24 februari 2009 aangetroffen. Verdachte is daarmee op een gruwelijke en respectloze wijze omgegaan met het lichaam van [slachtoffer] . Dit is in de eerste plaats uitermate schokkend geweest voor de nabestaanden. Maar niet alleen voor hen: voor eenieder die hiervan op enigerlei wijze kennis heeft genomen betreffen dit afschuwelijke feiten. De onschendbaarheid van het lichaam, ook dat van een overledene, is een belangrijk rechtsgoed. Verdachte heeft hier in verregaande mate inbreuk op gemaakt. Door het doden van [slachtoffer] , het verborgen houden en het vervolgens verminken en wegmaken van diens lichaam en de nabestaanden van het slachtoffer in onzekerheid te laten over hetgeen het slachtoffer in de laatste fase van zijn leven is overkomen, heeft verdachte onherstelbaar leed, verdriet en pijn toegebracht aan de familieleden en andere naasten van het slachtoffer. Dat is ook gebleken uit de ter terechtzitting in hoger beroep door de vader van [slachtoffer] voorgelezen verklaring waaruit blijkt dat de familie van het slachtoffer nog dagelijks kampt met de gevolgen van deze vreselijke misdaden. Ter terechtzitting in hoger beroep is bovendien door de ouders van het slachtoffer naar voren gebracht dat de Ierse media grote belangstelling hebben voor deze zaak en dat zij nog steeds door berichtgeving in de kranten worden geconfronteerd met de dood van hun zoon en de wijze waarop verdachte en zijn mededaders vervolgens zijn omgegaan met zijn lichaam. Door zijn ontkenning heeft verdachte bovendien geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn verwerpelijke daden en geen inzicht gegeven in de redenen voor het toepassen van dit brute geweld jegens het slachtoffer. De nabestaanden zijn lange tijd in onzekerheid gebleven over het lot van het slachtoffer. Het laatste teken van leven van [slachtoffer] dateerde van 17 februari 2009 en pas op 27 maart 2009 hoorden zij dat het lichaam van hun zoon was geïdentificeerd. Al die tijd hebben de nabestaanden in onzekerheid geleefd. De nabestaanden hebben bovendien pas na drie jaar vernomen wanneer [slachtoffer] was overleden, waardoor op diens grafsteen lange tijd geen datum van overlijden kon worden vermeld. Uit het strafblad van verdachte van 23 maart 2018 blijkt dat hij niet eerder in Nederland is veroordeeld voor strafbare feiten. Uit het Ierse strafblad van 4 april 2017 is gebleken dat verdachte ook in Ierland, op verkeersdelicten na, niet is veroordeeld. Het hof heeft dit bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel noch in het nadeel van verdachte laten meewegen. Op grond van al het bovenstaande acht het hof geen andere straf dan een gevangenisstraf van zeer aanzienlijke duur gerechtvaardigd uit oogpunt van vergelding en in het belang van generale en speciale preventie. Gelet op de ernst van de feiten en de proceshouding van verdachte komt het hof tot een hogere gevangenisstraf dan door de advocaat-generaal geëist. Het hof acht, alles afwegende, voor het in zaak A bewezenverklaarde een gevangenisstraf van 11 jaren, met aftrek van voorarrest en overleveringsdetentie, en het in zaak B bewezenverklaarde een gevangenisstraf van 2 jaren passend en geboden. Bij het bepalen van de duur van de hoogte van de gevangenisstraf in zaak B heeft het hof zich, evenals de rechtbank, laten leiden door de ernst van het feit waarbij in ogenschouw is genomen dat een gruwelijker en meer respectloze manier van handelen met betrekking tot het wegmaken van een lichaam nauwelijks denkbaar is. Het is om die reden dat het hof, evenals de rechtbank, de door de wetgever bepaalde maximale straf oplegt, te weten een gevangenisstraf van twee jaren. Gelet op artikel 57 Sr legt het hof één straf op, van na te melden duur. Gevangenneming De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep de gevangenneming van verdachte gevorderd. De raadsman heeft daartegen geen verweer gevoerd. Gelet op de bewezenverklaring in zaak A is het hof van oordeel dat ernstige bezwaren aanwezig zijn. Voorts is het hof gelet op de ernst van dat feit van oordeel dat de 12-jaarsgrond (en de geschokte rechtsorde) ook op dit moment nog aan de orde is. Het hof zal daarom de gevangenneming van verdachte bevelen. Vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1] en [nabestaande 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 29.754,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft daarbij verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het gevorderde bedrag is als volgt samengesteld. kosten retourticket voor overbrengen stoffelijk overschot € 341,40 hotelkosten in Nederland in afwachting van het stoffelijk overschot € 221,54 retourticket naar Nederland ter nagedachtenis [slachtoffer] in verband € 296,04met zijn verjaardag. Bezoek is gecombineerd met een gesprek bij slachtofferhulp Nederland. Augustus 2009 hotelkosten voor voornoemd verblijf € 315,00 retourticket voor bezoek aan het OM ter bespreking strafonderzoek € 340,52februari 2010 hotelkosten voor voornoemd verblijf € 210,00 kosten retourticket ter nagedachtenis [slachtoffer] augustus 2010 € 305,24 hotelkosten voor voornoemd verblijf € 567,50 retourticket voor bezoek aan het OM ter bespreking strafonderzoek € 325,54februari 2011 hotelkosten voor voornoemd verblijf € 260,00 kosten retourticket Nederland ter nagedachtenis sterfdag [slachtoffer] € 91,47februari 2012 hotelkosten voor voornoemd verblijf € 370,50 kosten hotel Nederland ter nagedachtenis sterfdag [slachtoffer] € 321,00februari 2014 kosten begrafenisdienst 8 april 2009 € 6.364,00 kosten monument na crematie € 2.300,00 kosten begrafenis/crematierechten € 2.125,00 ------------- + Totaal materiële schade € 14.754,75 Immateriële schade, shockschade € 15.000,00 ------------- + Totale schade € 29.754,75 De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.136,06 aan materiële schade en € 5.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering tot materiële schade tot een bedrag van € 12.488,00 kan worden toegewezen en dat de gevorderde immateriële schade geheel toewijsbaar is. De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 8.830,40, zijnde de gemaakte kosten in verband met de uitvaart van [slachtoffer] (de posten onder A, N en P). Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De overige gevorderde vergoeding van materiële kosten (de posten onder B, C, D, G, H, K, L, M en O) komen niet in aanmerking voor vergoeding op de voet van artikel 51f Sv nu deze naar het oordeel van het hof niet rechtstreeks het gevolg zijn van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De benadeelde partij is ten aanzien van dit deel van haar vordering dan ook niet-ontvankelijk. Reis- en verblijfkosten Door de benadeelde partij noodzakelijk gemaakte reis- en verblijfkosten zijn - anders dan door de benadeelde partij gevorderde vermogensschade als bedoeld in artikel 51f Sv en artikel 6:96 BW, mede gelet op het bepaalde in artikel 238, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, naar het oordeel van het hof eveneens te rekenen tot de kosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in artikel 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven. Het hof acht een vergoeding van de gemaakte reis-en verblijfkosten ad € 1.136,06 zoals verzocht (de posten onder E, F, I en J), redelijk en zal dit bedrag toewijzen. Immateriële schade De gevorderde immateriële schade, de schokschade, is in de vordering onderbouwd door een medisch rapport van psycholoog/psychiater [naam 11] waaruit blijkt dat bij de moeder van [slachtoffer] ernstig psychisch letsel is vastgesteld als gevolg van het gewelddadig overlijden van haar zoon. Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak sprake is van een tragische gebeurtenis die de benadeelde partij ernstig heeft getroffen en verdriet heeft toegebracht. In het algemeen komt immateriële schade of schokschade voor vergoeding in aanmerking als een benadeelde partij rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het overlijden heeft plaatsgevonden en deze confrontatie bij de benadeelde partij een hevige schok heeft teweeggebracht. Daarvoor is overeenkomstig artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld doordat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Tegen de achtergrond van dit kader overweegt het hof dat op grond van het medisch rapport kan worden vastgesteld dat het psychisch letsel dat bij moeder is ontstaan, is veroorzaakt door het in zaak A en B bewezen geachte feit. Uit de slachtofferverklaring die ter zitting van 6 april 2018 door de vader van [slachtoffer] is voorgelezen, is gebleken dat de familie door foto’s in kranten ook rechtstreeks is geconfronteerd met de gruwelijke wijze waarop met het lichaam van hun zoon is omgegaan. Het hof acht het evident dat dit heeft bijgedragen aan het ziektebeeld van [nabestaande 1] dat door de psychiater is vastgesteld. De gevorderde immateriële schadevergoeding, die de verdediging niet heeft betwist, komt het hof dan ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zijn geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 151 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het in zaak A en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren. Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1] en [nabestaande 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande 1] en [nabestaande 2] ter zake van het in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde tot het bedrag van € 24.966,46 (vierentwintigduizend negenhonderdzesenzestig euro en zesenveertig cent) bestaande uit € 9.966,46 (negenduizend negenhonderdzesenzestig euro en zesenveertig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Verwijst verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, [nabestaande 1] en [nabestaande 2] , ter zake van het in zaak A en in zaak B bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 24.966,46 (vierentwintigduizend negenhonderdzesenzestig euro en zesenveertig cent) bestaande uit € 9.966,46 (negenduizend negenhonderdzesenzestig euro en zesenveertig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 159 (honderdnegenenvijftig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 23 februari 2009. Beveelt de gevangenneming van verdachte. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. R.D. van Heffen en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. A.F. van der Heide, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 mei 2018. De hierna vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009052065-1 van 25 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina’s 1-2) en een proces-verbaal van bevindingen onderzoek VU met nummer 2009052065-1 van 25 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (dossierpagina’s 27-29) Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2009.02.25.004 van 8 mei 2009, opgemaakt door [naam 12], arts en patholoog, (dossierpagina’s I 010-012) Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009052065-51 van 28 mei 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (dossierpagina 58) Een proces-verbaal van verhoor getuige [nabestaande 1] met nummer 2009052065-13 van 1 april 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 74-84) en processen-verbaal van verhoor getuige [nabestaande 2] met nummers 2009052065-15 en 2009052065-17 van 1 en 2 april 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 8] respectievelijk [verbalisant 9] (dossierpagina’s 93-102 en 106-107) Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009052065-45 van 14 mei 2009 , in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 10], [verbalisant 11] en [verbalisant 12] (dossierpagina’s F29-F35) Proces-verbaal van bevindingen vervolgonderzoek sprei met nummer 2009052065-1 van 11 maart 2009 , in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9] (dossierpagina’s 181-182) Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] (ongenummerd) van 9 april 2009 , in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] en [verbalisant 9] (dossierpagina’s 288-290) Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009052065-45 van 14 mei 2009 , in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 10], [verbalisant 11] en [verbalisant 12] (dossierpagina’s F29-F35) Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2009.02.25.004 (aanvraag 7) van 16 september 2009, opgemaakt door dr. [naam 13], op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte (dossierpagina’s I 121-I 138) enEen deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2009.02.25.004 (aanvraag 7) van 16 september 2009, opgemaakt door dr. [naam 14], op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte (dossierpagina’s I 258-I 261) Een proces-verbaal van verhoor getuige [nabestaande 1] met nummer 2009052065-13 van 1 april 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 3] (dossierpagina 084). Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701, m.n. dossierpagina 679) Een proces-verbaal van verhoor getuige [nabestaande 1] met nummer 2009052065-13 van 1 april 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 74-84, m.n. dossierpagina 82) en Een proces-verbaal van verhoor getuige [nabestaande 2] met nummer 2009052065-15 van 1 april 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 8] (dossierpagina’s 93-102, m.n. dossierpagina’s 99-101) en een geschrift, zijnde de weergave van een getuigenverhoor van [naam 5] (ongedateerd) (dossierpagina’s 793-803) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701, m.n. dossierpagina 679) Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] (ongenummerd) van 9 april 2009 , in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] en [verbalisant 9] (dossierpagina’s 288-290) een geschrift, zijnde de weergave van een getuigenverhoor van [naam 5] , afgenomen op 10 september 2009 (dossierpagina’s 768-784) Een proces-verbaal met nummer 2009052065-20 van 7 april 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 7] (dossierpagina’s 212-214) Een proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 2] van 10 december 2015, opgemaakt door mr. J. Edgar, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam Een proces-verbaal van vierde verhoor verdachte [medeverdachte 2] met nummer 2009052065-138 van 9 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 1500-1518) en Een proces-verbaal van zesde verhoor verdachte [medeverdachte 2] met nummer 2009052065-144 van 12 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 1532-1536) en Een proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 2] van 10 december 2015, opgemaakt door mr. J. Edgar, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 26 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 13] (dossierpagina’s 1597-1604) een geschrift, zijnde de vastlegging van een verhoor van [verdachte] van 2 oktober 2014, afgenomen in Ierland naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Nederlandse rechter-commissaris en in haar bijzijn, opgemaakt door de Counsel for the Minister for Justice & Equality en Een geschrift, zijnde de vastlegging van een verhoor van [medeverdachte] van 3 oktober 2014, afgenomen in Ierland naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Nederlandse rechter-commissaris mr. J. Edgar en in haar bijzijn, opgemaakt door de Counsel for the Minister for Justice & Equality Een proces-verbaal van derde verhoor verdachte [medeverdachte] met nummer 2009052065 van 24 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 9] (dossierpagina’s 1809-1813, m.n. dossierpagina 1812) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina 676-701) en een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 22 februari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9] (dossierpagina’s 1042-1045) Een proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 2] van 10 december 2015, opgemaakt door mr. J. Edgar, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, m.n. pagina 3 Een geschrift, zijnde de vastlegging van een verhoor van [medeverdachte] van 3 oktober 2014, afgenomen in Ierland naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Nederlandse rechter-commissaris mr. J. Edgar en in haar bijzijn , opgemaakt door de Counsel for the Minister for Justice & Equality enEen geschrift, zijnde de vastlegging van een verhoor van [verdachte] van 2 oktober 2014, afgenomen in Ierland naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Nederlandse rechter-commissaris mr. J. Edgar en in haar bijzijn, opgemaakt door de Counsel for the Minister for Justice & Equality Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701, m.n. dossierpagina 681) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 3 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9] (dossierpagina’s 1638-1639) Een proces-verbaal van bevindingen rechtshulpverzoeken mbt Ierse telefoonnummers met nummer 2009052065-103 van 23 augustus 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina 890) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701, m.n. dossierpagina’s 683-685) Een geschrift, zijnde de vastlegging van een verhoor van [naam 6] van 26 oktober 2011, afgenomen in Ierland door Garda Rechercheur [naam 15] van de Garda National Drugs Unit (dossierpagina’s 1157-1159) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701, m.n. dossierpagina’s 681-685) enEen geschrift, zijnde de vastlegging van een verhoor van [naam 7] van 1 oktober 2014, afgenomen in Ierland naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Nederlandse rechter-commissaris mr. J. Edgar en in haar bijzijn, opgemaakt door de Counsel for the Minister for Justice & Equality Een geschrift, zijnde de vastlegging van een verhoor van [medeverdachte] van 3 oktober 2014, afgenomen in Ierland naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Nederlandse rechter-commissaris mr. J. Edgar en in haar bijzijn, opgemaakt door de Counsel for the Minister for Justice & Equality Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701, m.n. dossierpagina 679) en Google maps/afstand meten Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701, m.n. vanaf dossierpagina 681) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701, m.n. dossierpagina’s 683 en 690) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701, m.n. dossierpagina 682) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701, m.n. dossierpagina 679) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701, m.n. dossierpagina 680) Een proces-verbaal van bevindingen rechtshulpverzoeken m.b.t. Ierse telefoonnummers met nummer 2009052065-103 van 23 augustus 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina 890) Een proces-verbaal van bevindingen rechtshulpverzoeken m.b.t. Ierse telefoonnummers met nummer 2009052065-103 van 23 augustus 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina 890) Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009052065-103 van 23 augustus 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina’s 890-892) enEen geschrift, zijnde de vastlegging van een verhoor van [verdachte] van 2 oktober 2014, afgenomen in Ierland naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Nederlandse rechter-commissaris mr. J. Edgar en in haar bijzijn, opgemaakt door de Counsel for the Minister for Justice & Equality en Een geschrift, zijnde de vastlegging van een verhoor van de getuige [naam 10] van 26 oktober 2011, afgenomen in Ierland door Garda rechercheur [naam 18] en de rechercheurs [naam 16] en [naam 17] (dossierpagina’s 1179-1184) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701) Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek DLF Leasing B.V. met nummer 2009052065-1 van 16 april 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 6] (dossierpagina’s 399-444) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701) Een proces-verbaal van verhoor getuige J.A. [getuige 1] met nummer 2009052065 van 25 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 14] (dossierpagina’s 1624-1629) Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2009.02.25.004 (aanvraag 22) van 13 mei 2015, opgemaakt door dr. [naam 14] (dossierpagina’s I 241-I 243) Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2009.02.25.004 (aanvraag 7) van 16 september 2009, opgemaakt door dr. [naam 13], op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte (dossierpagina’s I 121-I 138) Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2009.02.25.004 van 15 oktober 2009, opgemaakt door ing. [verbalisant 15], op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed (dossierpagina’s I 139-I 148) Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2009.02.25.004 van 8 mei 2009, opgemaakt door [naam 12], arts en patholoog, (dossierpagina’s I 008-I 023) Het hof geeft zich er rekenschap van dat in de forensische rapportages niet wordt gesproken over het DNA “van” de een of de ander, maar slechts in termen van waarschijnlijkheid wordt gesproken over de mogelijke donoren van de aangetroffen (meng)sporen. Gelet op de beperkte kring van mogelijk betrokkenen bij de onderzochte delicten, op de hoge waarschijnlijksgradaties en met name in het belang van de leesbaarheid kiest het hof voor de gebruikte formulering. Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701, m.n. dossierpagina 690) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701, m.n. dossierpagina’s 682-683) Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2009.02.25.004 van 8 mei 2009, opgemaakt door [naam 12], arts en patholoog, (dossierpagina I 014) Een proces-verbaal met nummer 2009052065 van 16 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 3] (dossierpagina’s 676-701, m.n. dossierpagina 689)
ECLI:NL:HR:1998:ZD1413
[...] ECLI:NL:HR:1998:ZD1413 en ECLI:NL:HR:2010:BK6328 ECLI:NL:HR:1998:ZD1413 en ECLI:NL:HR:2010:BK6328 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099.
ECLI:NL:HR:2010:BK6328
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
ECLI:NL:HR:2009:BI7099
Geding in cassatie Het beroep - dat alleen is gericht tegen de vrijspraak ter zake van feit 1 - is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof.
ECLI:NL:HR:2016:554
5 april 2016 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2015:2467
8 september 2015 Strafkamer nr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummer: 13/730035-16 Onderzoek: 13 Imin Datum uitspraak: 28 september 2018 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] , voormalig [geboorteland] , thans [geboorteland] , op [geboortedag] 1969,niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen, maar verblijvend op het adres [adres 1] .

1Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 30 en 31 augustus en (sluitingszitting) 14 september 2018. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. J.F. de Boer en S. de Klerk en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.-H.L.C.M. Kuijpers, waarnemend voor zijn kantoorgenoot mr. K.H.T. van Gijssel, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is na wijziging op de zitting van 30 augustus 2018 - kort samengevat - ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan 1) de poging tot het onttrekken van een minderjarige aan het over haar gestelde gezag, 2) en 3) het onttrekken van meerdere minderjarige kinderen aan het over hen gestelde gezag, 4) het uitbuiten van meerdere minderjarigen, in die zin dat zij zijn aangezet tot het plegen van strafbare feiten (zakkenrollerij en winkeldiefstal) en het opzettelijk voordeel trekken uit die uitbuiting, 5) de mensensmokkel van die minderjarige kinderen door behulpzaam te zijn bij het verschaffen van toegang, doorreis en/of verblijf in verschillende Europese landen en 6) het een gewoonte maken van witwassen van de opbrengsten van de onder 4) en 5) ten laste gelegde uitbuiting en mensensmokkel.

Al deze feiten zijn ten laste gelegd in vorm van ‘medeplegen’ met een of meer anderen en hebben betrekking op in de tenlastelegging genoemde periodes en pleegplaatsen. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen 3.1. Ontvankelijkheid van de officieren van justitie 3.1.1. Standpunt raadsman - Rechtsmacht Met betrekking tot de feiten 2, 3, 4, 5 en 6 is het volgende aangevoerd.Ten aanzien van de feiten die in het buitenland zijn gepleegd is in beginsel de rechtbank van dat land bevoegd.

Rechtsmacht voor feiten die in het buitenland – in dit geval in Duitsland, Spanje, Oostenrijk en België, en (zo begrijpt de rechtbank:) in Zwitserland – gepleegd zouden zijn, kan aanwezig worden geacht indien die feiten deel uitmaken van een aan de tenlastelegging te ontlenen feitencomplex, dat zowel aan Nederland als één van de genoemde landen gekoppeld kan worden. Gelet daarop ontbreekt rechtsmacht ten aanzien van de feiten die in die landen gepleegd zouden zijn. Een dergelijk zich over meer landen uitstrekkend feitencomplex ontbreekt. Daarom dienen de officieren van justitie niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van deze feiten.

De verdenking die ziet op feiten die in Duitsland zouden zijn gepleegd wordt in zijn totaliteit opgehangen aan de eerste veroordeling van verdachte in Duitsland. Alleen al het tijdsverloop (het Duitse onderzoek dateert van 2009 en de registraties in de Nederlandse systemen vonden plaats in de periode april 2014 - februari 2015) maakt dat geen sprake kan zijn van eenzelfde feitencomplex. Ook om deze reden moeten de officieren van justitie niet ontvankelijk worden verklaard. - Ne bis in idem beginsel Ten aanzien van de feiten die (mede) in Duitsland zouden hebben plaatsgevonden is subsidiair betoogd dat de officieren van justitie niet ontvankelijk moeten worden verklaard wegens strijd met het ne bis in idem beginsel.

Daartoe is het volgende aangevoerd. Op 1 oktober 2010 is verdachte in Duitsland veroordeeld tot een celstraf van vier jaar en drie maanden voor gekwalificeerde diefstal in groepsverband, computerfraude en een poging daartoe. De officieren van justitie leggen exact hetzelfde feitencomplex als genoemd in het Duitse onderzoek ten grondslag aan de verdenking van mensenhandel. De Nederlandse verdenking ziet immers op het aansturen van een dadergroep die zich heeft gespecialiseerd in zakkenrollen. In het Duitse vonnis wordt overwogen ‘de verdachte is lid van een dadergroep die zich heeft toegelegd op zakkenrollerij en computerfraude (…) tot deze dadergroep behoort een groot aantal personen, waaronder ook vrouwen en kinderen’.

Uit de overwegingen van de Duitse rechtbank blijkt dat verdachte is veroordeeld voor dezelfde feiten als de feiten die hem nu worden verweten. Er is blijkens de Nederlandse beschuldiging sprake van eenheid van tijd, plaats en handeling met de Duitse veroordeling, en er is geen sprake van een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen. - Schending specialiteitsbeginsel De officieren van justitie moeten niet ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van verdachte voor het onder 5 ten laste gelegde feit, de mensensmokkel.

De officieren van justitie hebben gehandeld in strijd met het specialiteitsbeginsel, neergelegd in artikel 27 van het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ, hierna: het Kaderbesluit). Voor dit feit is de overlevering niet verzocht, zoals blijkt uit het door de officieren van justitie uitgevaardigde Europees Aanhoudingsbevel (hierna: EAB) en derhalve ook niet door de Spaanse rechtbank die over het EAB heeft geoordeeld, betrokken bij haar beslissing. Voorts is door de officieren van justitie niet verzocht om aanvullende toestemming van de Spaanse uitvoerende justitiële autoriteit. 3.1.2.

Standpunt officieren van justitie - Rechtsmacht Volgens vaste jurisprudentie kunnen gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ook in Nederland worden vervolgd, mits deze gedragingen deel uitmaken van een strafbaar feit dat zowel in Nederland als in het buitenland is gepleegd. De rechtsmacht geldt dan voor het hele feitencomplex, los van het feit dat de in Nederland begane gedraging (ook) als een zelfstandig delict kan worden gezien. Om rechtsmacht te kunnen aannemen moet het gaan om hetzelfde feitencomplex en daar is bij een voortdurend delict als mensenhandel en mensensmokkel als hier aan de orde al snel sprake van.

De aan verdachte in de tenlastelegging verweten varianten van mensenhandel worden juist gekenmerkt door grensoverschrijdende handelingen, als onder meer het verplaatsen van de slachtoffers naar meerdere Europese landen met gebruikmaking van valse identiteiten en het onderbrengen van die slachtoffers in asielzoekerscentra in verschillende landen. - Ne bis in idem beginsel In dit geval kan niet worden gesproken van een situatie als bedoeld in artikel 68 Sr. De wet formuleert vier voorwaarden waaraan moet zijn voldaan, voordat artikel 68, tweede lid Sr de vervolging van feiten in Nederland blokkeert.

Er moet sprake zijn van a) hetzelfde feit, b) van één van de onder 1e en 2e van dat artikel genoemde rechterlijke uitspraken, c) onherroepelijkheid en d) gehele uitvoering, gratie of verjaring van de straf. Vast staat dat verdachte door de Duitse rechter onherroepelijk is veroordeeld, maar deze veroordeling heeft geen betrekking op mensenhandel, zoals hier aan de orde. Met de strafbaarstelling van mensenhandel wordt een ander rechtsbelang beschermd, te weten het voorkomen van uitbuiting van personen en het bieden van bescherming tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid.

Bovendien is de straf die aan verdachte in Duitsland is opgelegd nog niet geheel tenuitvoergelegd. Voorts is aangevoerd dat hier sprake is van een voortdurend delict en dat verdachte na zijn detentie in Duitsland is voortgegaan met het uitbuiten van zijn kinderen. Bestreden wordt bovendien dat het Openbaar Ministerie een vervolging is gestart op basis van dezelfde informatie die bij het onderzoek in Duitsland is gebruikt. In het Duitse onderzoek beschikte men niet over de informatie vanuit de andere landen en niet over de verklaringen van de vrouw van verdachte, [persoon 1] en van hun dochter [persoon 2] .

Voor een niet ontvankelijkheidverklaring wegens gebrek aan rechtsmacht, dan wel vanwege het vermeende schenden van het ne bis in idem beginsel is dan ook geen aanleiding. - Gestelde schending van het specialiteitsbeginsel Nu de overlevering van verdachte niet voor mensensmokkel is gevraagd, en daarvoor ook geen aanvullende toestemming van de Spaanse autoriteiten is gevraagd, is verdachte voor dit feit niet in voorlopige hechtenis gesteld. Om dezelfde reden zal voor dit feit ook geen gevangenisstraf kunnen worden gevraagd. Een beroep op het specialiteitsbeginsel behoeft echter niet te leiden tot niet ontvankelijkheid van de officieren van justitie voor dit feit. 3.1.3.

Oordeel rechtbank - Rechtsmacht Hoofdregel op grond van artikel 2 Sr is dat de Nederlandse strafwet van toepassing is op ieder die zich in Nederland schuldig maakt aan enig strafbaar feit. Zoals de officieren van justitie juist hebben betoogd kunnen volgens vaste jurisprudentie gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden op grond van artikel 2 Sr ook in Nederland worden vervolgd, mits deze gedragingen deel uitmaken van een strafbaar feit dat zowel in Nederland als in het buitenland is gepleegd. De rechtsmacht geldt dan voor het hele feitencomplex, los van het feit dat de in Nederland begane gedraging (ook) als een zelfstandig delict kan worden gezien.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de aan verdachte verweten gedragingen geen deel uitmaken van een strafbaar feit dat zowel in Nederland als in de genoemde buitenlanden heeft plaatsgevonden. De stelling van de officieren van justitie dat er sprake is van één samenhangend feitencomplex wordt niet door de rechtbank onderschreven. Weliswaar kan aan de officieren van justitie worden toegegeven dat sprake is van meerdere, afzonderlijke elkaar in tijd (onderbroken) opvolgende vergelijkbare feitencomplexen, maar dat als zodanig levert nog niet één feitencomplex op als betoogd.

De stelling dat er sprake is van één voortdurend delict wordt eveneens door de rechtbank verworpen. Een dergelijke situatie doet zich in beginsel voor als er sprake is van een verboden toestand. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Dat zou mogelijk denkbaar kunnen zijn in de situatie waarin sprake is van het voortduren van deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De beschuldiging aan verdachte omvat echter niet die, kortgezegd 140 Sr verdenking, zodat (reeds) om die reden geen sprake kan zijn van een voortdurend delict in de onderhavige zaak.

De rechtbank heeft tenslotte ambtshalve beoordeeld of op enige andere grond sprake zou kunnen zijn van het bestaan van rechtsmacht ten aanzien van de verdenking van de in het buitenland gepleegde delicten. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat daarvan geen sprake is. Verdachte is geen Nederlander en geen van de slachtoffers is een Nederlander. Verdachte is in het licht van artikel 86b Sr evenmin een vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. Het voorgaande geldt tevens voor de in de beschuldiging genoemde slachtoffers.

De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande niet van toepassing is op de verdenkingen onder 1, 2 en 3, omdat de rechtbank ten aanzien van deze feiten tot de conclusie komt dat daar wel sprake is van één feitencomplex en een verboden toestand. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat ten aanzien van die verdenking sprake is van een voortdurend delict dat mede in Nederland is gepleegd, zodat ter zake van die feiten wel rechtsmacht bestaat en de officieren van justitie ontvankelijk zijn. Hetzelfde geldt ten aanzien van feit 5 en 6 voor wat betreft de landen die zijn aangedaan na het vertrek uit Nederland in 2015.

Voorts is het van belang om ook nu al op te merken dat de resultaten van het, kortgezegd, onderzoek voor zover dat betreft de overige met name genoemde landen, door de rechtbank wel van belang wordt geacht ter duiding van de verdenking voor de feiten die in Nederland zouden zijn gepleegd. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt er toe dat de officieren van justitie niet ontvankelijk worden verklaard in de vervolging voor zover het betreft de verdenking in de feiten 4, 5 en 6 voor zover deze buiten Nederland zouden hebben plaatsgehad. Voor feit 5 en 6 geldt dit behoudens de landen die zijn aangedaan na het vertrek uit Nederland in 2015. - Ne bis in idem beginsel De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van de officieren van justitie en het verweer van de raadsman in het licht van de hiervoor gegeven beslissing van de rechtbank hier geen bespreking meer behoeven, voor zover deze zien op de beoordeling of hier sprake is van een ne bis in idem situatie. - Gestelde schending van het specialiteitsbeginsel De rechtbank verwijst in haar beoordeling van het verweer naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam in de zaak gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:GHAMS:2018:1618.

Uit het in artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit weergegeven specialiteitsbeginsel vloeit voort dat de overgeleverde persoon het recht toekomt om niet te worden vervolgd, bestraft of anderszins van zijn vrijheid te worden beroofd wegens een ander vóór de overlevering gepleegd feit dan dat waarvoor de overlevering is toegestaan. Het derde lid van voornoemde bepaling bevat een aantal uitzonderingen op dat specialiteitsbeginsel. In het arrest van het Europees Hof van Justitie van 1 december 2008 (C-388/08 PPU inzake Leymann en Pustovarov), heeft het Hof, voor zover hier van belang, ten aanzien van de uitzonderingsgrond in artikel 27, lid 3, aanhef en onder c van het Kaderbesluit het volgende overwogen. 71 Wanneer tijdens de procedure is vastgesteld dat sprake is van een „ander feit” dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, kan wegens dit strafbare feit slechts een vervolging worden ingesteld indien toestemming is verkregen, behoudens indien de uitzonderingen van artikel 27, lid 3, sub a tot en met f, van het kaderbesluit van toepassing zijn. 72 De uitzondering van artikel 27, lid 3, sub c, van het kaderbesluit betreft een situatie waarin de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid van de betrokkene beperkt. 73 In het kader van die uitzondering kan een persoon dus worden vervolgd en berecht voor „enig ander feit” dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest, dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd.

Indien die persoon echter wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestemming is verleend. In dit geval had het EAB geen betrekking op het onder 5 tenlastegelegde feit (mensensmokkel); verdachte is voor dit feit niet in voorlopige hechtenis gesteld. Anders dan de raadsman meent leidt de vervolging van verdachte ter zake van de mensensmokkel, ondanks het feit dat de overlevering niet werd gevraagd voor die verdenking, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet tot de niet ontvankelijkheid van de officieren van justitie.

Immers, een persoon kan worden vervolgd en berecht voor ‘enig ander feit dat voor de overlevering is begaan’, mits dat niet gepaard gaat met vrijheidsbeneming van die persoon, hetgeen hier aan de orde is. Uit het in artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit neergelegde specialiteitsbeginsel en de in het derde lid van deze bepaling opgenomen uitzonderingen, vloeit voort dat aan verdachte bij een bewezenverklaring van de mensensmokkel geen straf of andere zijn persoonlijke vrijheid beperkende maatregel kan worden opgelegd. Mocht de rechtbank niettemin bij vonnis wel tot oplegging van een vrijheidsbenemende straf of vrijheidsbenemende maatregel overgaan, dan zal deze vrijheidsstraf pas kunnen worden geëxecuteerd als daarvoor, op basis van artikel 27, vierde lid van het Kaderbesluit, toestemming wordt verleend door de Spaanse autoriteiten.

Het verweer strekkende tot niet ontvankelijkheid wordt verworpen. 3.2 Overige voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Inleiding In mei 2013 vond op het hoofdkantoor van Europol in Den Haag een internationale politieconferentie plaats over zogenoemde “Mobile Organized Crime Groups”. Opgevallen was dat groepen zakkenrollers in toenemende mate door Europa zwierven en daarbij veel slachtoffers maakten.

De deelnemende landen werden geconfronteerd met een hausse aan vermogensdelicten die werden gepleegd door wisselende, met name uit Oost-Europese landen afkomstige, groepen. Daarbij viel op dat veel jonge kinderen zich aan deze delicten schuldig maakten. Bij de deelnemende landen groeide de overtuiging dat deze kinderen niet alleen als dader maar vooral als slachtoffer van uitbuiting gezien zouden moeten worden. Hieruit is het project 13Oceans, een fenomeenonderzoek, ontstaan. Met de bevindingen uit 13Oceans zijn een aantal strafrechtelijke onderzoeken naar mensenhandel gestart.

Het onderhavige onderzoek, 13Imin, is daar één van. De directe aanleiding tot het onderzoek 13Imin was de telefonische melding op 8 september 2015 van een medewerker van de [naam stichting] bij de politie, waarin hij zijn zorgen uitte over [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ). Zij was op dat moment 11 jaar oud en op grond van een machtiging tot gesloten uithuisplaatsing in zorginstelling [zorginstelling] geplaatst. Deze medewerker was toeziend voogd van een zevental kinderen van [persoon 1] , die later bleek te heten [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ).

Vermoed werd dat de moeder wilde proberen [persoon 2] uit de zorginstelling te halen, terwijl zij daar moest en zelf ook wilde blijven. Een aantal van de andere kinderen van [persoon 1] was ten tijde van deze melding door de betreffende medewerker al vermist. Tijdens het onderzoek naar de (mogelijke) onttrekking(en) is de verdenking ontstaan van uitbuiting van de kinderen door [persoon 1] en haar echtgenoot, verdachte. Er volgde een uitgebreid strafrechtelijk onderzoek naar de familie. Er werd informatie verkregen onder meer van de partners van het Joint Investigation Team (JIT):

Oostenrijk en Bosnië-Herzegovina, en er werden rechtshulpverzoeken gericht aan België, Duitsland, Zwitserland, Tsjechië en Spanje. De verkregen informatie leverde een beeld op van de reisbewegingen van het gezin van verdachte en [persoon 1] . Voorts kwam daaruit informatie naar voren omtrent politie- en justitiecontacten, asielaanvragen en aliassen van verdachte en [persoon 1] , hun kinderen en overige personen die aan dit gezin waren gelieerd in Nederland en andere landen in Europa. In Spanje werd op 15 juni 2016 vrijwel het gehele gezin aangetroffen.

Verdachte en [persoon 1] zijn die dag in Barcelona aangehouden en hun woning is doorzocht. Op 8 augustus 2016 zijn verdachte en [persoon 1] door de Spaanse justitiële autoriteiten overgeleverd aan Nederland. De in Barcelona aangetroffen kinderen zijn voor zover mogelijk na terugkeer in Nederland door de kinderrechter gesloten geplaatst in een jeugdinstelling. Op 16 december 2016 is [persoon 3] , een volwassen zoon van verdachte, in Papendrecht aangehouden. Na zich aanvankelijk te hebben geïdentificeerd met een vervalst Kroatisch rijbewijs heeft hij verteld wie hij werkelijk was en heeft hij toegegeven dat hij en [persoon 4] (hierna: [persoon 4] ), ook bekend als [persoon 4] , met regelmaat gingen zakkenrollen en stelen op stations in Rotterdam.

Het daarmee verworven geld had hij nodig voor zijn levensonderhoud. Op 13 februari, 28 februari en 20 maart 2017 heeft [persoon 1] zogenoemde kluisverklaringen afgelegd. Zij heeft daarbij geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 266g Sr. [persoon 1] heeft aangegeven niet in aanmerking te willen komen voor een strafkorting. Er zijn wel noodzakelijk geachte beschermingsmaatregelen getroffen. 4.2. Standpunt officieren van justitie De officieren van justitie hebben een schriftelijk requisitoir overgelegd, dat kort en zakelijk samengevat het volgende inhoudt.

Alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. - Feiten 1, 2 en 3 Alle kinderen stonden onder toezicht van de afdeling jeugdbescherming van de [naam stichting] , een gezinsvoogdijinstelling. De gezinsvoogd is niet in staat geweest daadwerkelijk het toezicht uit te oefenen. De kinderen zijn allen, met uitzondering van [persoon 2] , zonder overleg of toestemming van de gezinsvoogd aan het zicht van de instelling onttrokken. Ook als de minderjarige zelf heeft besloten weg te gaan kunnen de delictsbestanddelen zijn vervuld, op voorwaarde dat de dader beslissende invloed heeft gehad op de (voortdurende) scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag of opzicht uitoefent.

Verdachte en zijn mededaders hebben op 15 september 2015 te Rijsbergen opzettelijk geprobeerd de minderjarige [persoon 2] aan het opzicht van degene die dat desbevoegd over haar uitoefende te onttrekken. Verder heeft hij samen met [persoon 1] de minderjarigen [persoon 5] (hierna: [persoon 5] ), [persoon 6] (hierna: [persoon 6] ) en [persoon 7] (hierna: [persoon 7] ), die de leeftijd van 12 jaar nog niet hadden bereikt, zonder toestemming van degene die het opzicht over hen uitoefende, meegenomen naar Spanje en hen daar verborgen en verborgen gehouden.

Hetzelfde geldt voor de minderjarigen [persoon 8] (hierna: [persoon 8] ) en [persoon 9] (hierna: [persoon 9] ). Verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde onttrekking van [persoon 4] aan het opzicht van degene die dat desbevoegd over haar uitoefende. Achteraf is geconstateerd dat [persoon 4] meerderjarig was. - Feit 4 Voor de uitbuiting van [persoon 7] , [persoon 5] en [persoon 6] is onvoldoende bewijs in het dossier. Hiervan wordt vrijspraak gevraagd. Hetzelfde geldt voor de uitbuiting van [persoon 9] / [persoon 9] . Verdachte heeft, samen met anderen, in Nederland, Spanje, Duitsland, Oostenrijk en België [persoon 4] , [persoon 8] en [persoon 2] vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van hun uitbuiting. [persoon 8] en [persoon 2] waren in de tenlastegelegde periode nog minderjarig. [persoon 4] is op [geboortedag ] 2007 meerderjarig geworden.

Uit het dossier blijkt van het gebruik van dwangmiddelen jegens haar: geweld, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie. Verdachte en zijn mededader(s) hadden het oogmerk van uitbuiting, het ging hen om financieel gewin. Met het oog op die uitbuiting heeft verdachte in vereniging de slachtoffers geworven ( [persoon 4] ), overgebracht, gehuisvest en opgenomen ( [persoon 4] en de andere kinderen). Verdachte heeft geweld gebruikt tegen de kinderen, hij heeft misbruik gemaakt van het uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de kinderen.

Van de kinderen mocht niet worden verwacht dat zij in staat waren vrijelijk een keuze te maken over wat zij wel of niet wilden. Hen is geleerd dat stelen de normaalste zaak van de wereld is en dat er voor hen feitelijk geen andere opties waren om te overleven. De kinderen wisten niet beter dan dat zij naar hun ouders, [persoon 4] en naar haar partner, [persoon 3] , moesten luisteren. Aangenomen moet worden dat de verdachten zich zeer wel bewust waren van het overwicht dat zij hadden en daarmee de opzet hadden op het misbruik dat zij maakten. Het door misbruik aanzetten tot het plegen van zakkenrollerij of andere vormen van diefstal kan worden aangemerkt als een dienst in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr.

Verdachten waren degenen die financieel beter werden van de zakkenrollerij die door de kinderen werd verricht. Verdachten hebben opzettelijk voordeel getrokken uit de feiten, zij hebben financieel geprofiteerd van de uitbuiting. - Feit 5 Verdachte had een bepalende rol in het vervoeren van de kinderen naar de verschillende landen. Hij heeft gezorgd voor valse geboortebewijzen en heeft mededader [persoon 1] opdracht gegeven namens de kinderen in Nederland, Oostenrijk, Zwitserland en Duitsland onder valse voorwendselen asiel aan te vragen. Hij heeft de kinderen samen met [persoon 1] meegenomen naar Duitsland, Oostenrijk, België, Zwitserland, Nederland en Spanje en hen in Duitsland, België, Nederland en Spanje gehuisvest.

Gelet op het feit dat blijkens het EAB de overlevering van verdachte niet voor mensensmokkel is gevraagd, zal geen gevangenisstraf voor dit feit worden gevraagd. - Feit 6 Uit de verklaringen van [persoon 4] blijkt dat verdachte van de opbrengsten van zakkenrollerij een dure auto heeft gekocht. Het geld van de diefstallen is bij hem en bij [persoon 1] terecht gekomen, hetgeen [persoon 1] en [persoon 2] bevestigen. Ook is van het door zakkenrollen verkregen geld de huur van de woning in Rotterdam betaald en werd het geld gebruikt voor het dagelijks levensonderhoud. 4.3.

Standpunt van de raadsman De raadsman heeft een schriftelijke pleitnotitie overgelegd. Kort en zakelijk samengevat houdt deze het volgende in. Verdachte moet worden vrijgesproken van alle aan hem tenlastegelegde feiten. - Betrouwbaarheid verklaringen [persoon 1] De verklaringen die medeverdachte [persoon 1] heeft afgelegd, zijn onbetrouwbaar. Er zitten dusdanig veel inconsistenties en onbetrouwbaarheden in haar verklaringen dat de rechtbank geen acht kan slaan op de inhoud daarvan. Uit haar latere verklaringen blijkt geenszins dat er sprake was van dwang, zoals zij eerder wel heeft gesteld.

Voor de door haar gestelde mishandeling is geen medische onderbouwing. Er blijkt niet van angst van haar voor verdachte. Zij geeft zelf toe dat zij moeite heeft zich dingen te herinneren. Verder zijn de aan haar gedane toezeggingen, zoals huisvesting en een inkomen, voor [persoon 1] van zeer grote waarde. - Feiten 1, 2 en 3 Er is geen (concrete) onderbouwing om in voldoende mate de intellectuele en/of materiële bijdrage van verdachte vast te kunnen stellen. Dat [persoon 1] een rol heeft gehad op 15 september 2015 bij [persoon 2] betekent niet dat verdachte dat ook heeft.

Hij is niet op die locatie te plaatsen. Ten aanzien van de kinderen [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] en [persoon 9] / [persoon 9] wist verdachte niet dat hij zijn kinderen niet mocht meenemen. Het opzet ontbreekt hier dus. Dit geldt eveneens ten aanzien van [persoon 8] . Nu is gebleken dat [persoon 4] meerderjarig was, dient ook daarvoor vrijspraak te volgen, ondanks het gegeven dat er een ondertoezichtstelling gold. - Feit 4 Enige betrokkenheid van verdachte bij mensenhandel in Nederland kan niet worden bewezen. De verklaringen van [persoon 1] zijn onbetrouwbaar en daarom onbruikbaar, en steunbewijs ontbreekt.

Verdachte moet worden vrijgesproken van het ‘kopen’ van [persoon 4] en van de gehele verdenking voor zover de feiten in Duitsland gepleegd zouden zijn. Hetzelfde geldt voor zover de feiten in België, Spanje of Oostenrijk plaatsgevonden zouden hebben. - Feit 5 Van de tenlastegelegde mensensmokkel moet verdachte worden vrijgesproken, omdat bewijs voor deze feiten ontbreekt en de verklaringen van medeverdachte [persoon 1] niet kunnen bijdragen aan het bewijs. - Feit 6 Nu het standpunt is dat verdachte zich niet aan mensenhandel heeft schuldig gemaakt kan er ook geen sprake zijn van witwassen. 4.4.

Oordeel rechtbank 4.4.1. Betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 1] 4.4.1.1. Totstandkoming van de verklaringen In januari 2017 werd de zaaksofficier van justitie in het onderzoek 13Imin benaderd door de advocaat van [persoon 1] . Zij had te kennen gegeven te kunnen verklaren over personen die in het onderzoek naar voren waren gekomen en andere betrokkenen, maar te vrezen voor haar veiligheid en die van haar kinderen indien dat bekend zou worden bij verdachte en anderen. Er is een gesprek tussen het Openbaar Ministerie en [persoon 1] tot stand gekomen en uiteindelijk heeft [persoon 1] als getuige een drietal zogenoemde ‘kluisverklaringen’ afgelegd.

Deze kluisverklaringen konden uitsluitend worden gebruikt als het Openbaar Ministerie en de getuige over dat gebruik en eventueel daaraan te verbinden voorwaarden overeenstemming bereikten. Wat de totstandkoming van de verklaringsbereidheid van de getuige betreft heeft het Openbaar Ministerie in het dossier en op zitting verantwoording afgelegd over de gemaakte afspraken. Met betrekking tot de verklaringen van [persoon 1] heeft de rechtbank de vraag te beantwoorden of en zo ja, in hoeverre deze als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, dit te meer nu de getuige zelf ook verdachte is in het onderzoek 13Imin en er door de getuige voorwaarden zijn verbonden aan het gebruik van haar verklaringen. 4.4.1.2.

Toetsingskader Uit de wettelijke en jurisprudentiële regels inzake het bewijsrecht in strafzaken is geen algemeen, in alle strafzaken geldend, toetsingskader voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen af te leiden. De selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal ligt bij de rechter die over de feiten oordeelt. Deze selectie en waardering zijn bij uitstek het terrein waarop afwegingen van feitelijke aard de doorslag zullen geven. Wel kunnen uit de jurisprudentie aandachtspunten worden afgeleid die bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen van getuigen betrokken kunnen worden.

In de eerste plaats komt belang toe aan de consistentie, gedetailleerdheid, en volledigheid van de verklaringen van de getuige. Daarnaast kan getoetst worden aan objectieve, van elders verkregen informatie of gegevens, en kan meewegen wat de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaringen is. Ook kan bekeken worden of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van beslissende invloed zijn op de betrouwbaarheid van de verklaring, zoals de psychische belasting, de mogelijke betrokkenheid bij het tenlastegelegde feitencomplex, de beïnvloedbaarheid of een belang of motief - persoonlijk, financieel of anderszins - om in strijd met de waarheid een voor de verdachte belastende verklaring af te leggen. 4.4.1.3.

Oordeel rechtbank [persoon 1] heeft onmiskenbaar belang gehad bij het afleggen van haar verklaringen, wat maakt dat een extra kritische benadering van haar verklaringen geboden is. Voor haar is was de veiligheid voor haar kinderen en haarzelf van groot belang. Haar is toegezegd dat beschermingsmaatregelen zouden worden getroffen. Bovendien kwam zij als getuige in een mensenhandelzaak voor een tijdelijke verblijfstitel en inkomensvoorziening in aanmerking. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat [persoon 1] zich in een bijzondere positie bevond en dat haar verklaringen daarom met extra behoedzaamheid moeten worden benaderd.

Dat zo zijnde, kan niet worden geoordeeld dat de verklaringen op voorhand al onbruikbaar zijn voor het bewijs. 4.4.2. Bewijsoverwegingen met betrekking tot feiten 1 tot en met 3 4.4.2.1. Feiten en omstandigheden De rechtbank maakt uit het dossier op dat [persoon 1] op 23 april 2014 (en 4 juni 2014 wat betreft [persoon 4] ) in Nederland asiel heeft aangevraagd voor haarzelf (zich noemend [persoon 1] ) en de door haar opgegeven zeven kinderen: [persoon 4] , [persoon 8] , [persoon 9] , [persoon 2] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] . Zij en de kinderen zijn in afwachting van de beslissing in de asielprocedure ondergebracht bij het Asielzoekerscentrum (AZC) te [adres 2].

Op 22 augustus 2014 zijn alle zeven kinderen onder toezicht gesteld (OTS) door de kinderrechter, mede omdat alle gezinsleden in aanraking waren gekomen met de politie in verband met zakkenrollerij, waarvoor [persoon 8] is veroordeeld. Er zijn na de genoemde OTS verschillende kinderbeschermingsmaatregelen genomen ten aanzien van de zeven kinderen, waaronder machtigingen tot uithuisplaatsing in gesloten accommodaties. De rechtbank stelt het volgende vast. Sinds 18 maart 2015 is [persoon 2] – eerst met spoed – gesloten geplaatst in verband met zakkenrollerij. [persoon 1] is hierover op 30 maart 2015 gehoord en zij was het niet eens met de gesloten plaatsing van haar dochter.

Op 7 april 2015 heeft de kinderrechter een machtiging gesloten jeugdhulp afgegeven. De OTS is op 22 augustus 2015 met een jaar verlengd. [persoon 1] is hierover op 10 augustus 2015 gehoord. Het ouderlijk gezag van [persoon 1] over [persoon 2] , geboren [geboortedag ] 2003, is met ingang van 12 april 2016 beëindigd. De [naam stichting] is benoemd tot haar voogd. Zij is inmiddels ondergebracht op een niet nader bekendgemaakte locatie. Op 17 april 2015 is namens [naam stichting] aangifte gedaan van vermissing van [persoon 5] , geboren [geboortedag ] 2006, en [persoon 6] , geboren [geboortedag ] 2008.

Op 10 augustus 2015 is [persoon 1] gehoord omtrent de verlenging van de OTS. De beide kinderen zouden op dat moment tijdelijk in Bosnië zijn. De OTS van de kinderen is met een jaar verlengd. Op 7 juni 2016 is voor beide kinderen een (spoed)machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg afgegeven, welke is verlengd op 24 juni 2016. Op 15 juni 2016 zijn [persoon 5] en [persoon 6] aangetroffen in Barcelona. Op 10 augustus 2015 is [persoon 1] gehoord omtrent de verlenging van de OTS ten aanzien van [persoon 7] . De OTS is op 22 augustus 2015 verlengd.

Op 17 september 2015 is namens [naam stichting] aangifte tegen [persoon 1] gedaan van onttrekking aan het wettig gezag/toezicht van de aangewezen gezinsvoogd van [persoon 7] , geboren [geboortedag ] 2012. [persoon 7] is op 15 juni 2016 in Barcelona aangetroffen. Op 24 juni 2016 is een verlenging machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend. Ook is [persoon 1] gehoord op 10 augustus 2015 over de verlenging van de OTS ten aanzien van [persoon 9] . De OTS is op 22 augustus 2015 verlengd. Op 17 september 2015 is namens [naam stichting] aangifte gedaan tegen [persoon 1] van onttrekking aan het wettig gezag/toezicht van de aangewezen gezinsvoogd van [persoon 9] , geboren [geboortedag ] 2002.

De verblijfplaats van [persoon 9] is tot op heden onbekend. Op 22 augustus 2014 is de OTS van [persoon 8] bepaald. [persoon 8] , geboren [geboortedag ] 2001, is op 14 oktober 2014 als vermist gemeld bij de politie en internationaal gesignaleerd. Op 18 juni 2015 vond toetsing plaats van het voornemen van [naam stichting] om de OTS te beëindigen omdat deze onuitvoerbaar was. [persoon 8] zou met onder andere haar twee jongere broertjes in Bosnië verblijven. De OTS liep af op 22 augustus 2015. Op 2 juni 2016 heeft de rechtbank de voorlopige voogdij voor de duur van 12 weken uitgesproken, en op 10 juni 2016 is er een machtiging gesloten jeugdhulp afgegeven.

Nadat [persoon 8] op 15 juni 2016 in Barcelona werd gevonden, is zij op 3 juli 2016 ontsnapt uit een gesloten instelling voor jeugdhulp in Spanje en sindsdien is haar verblijfplaats onbekend. Op 2 september 2016 is de OTS van [persoon 4] beëindigd. Zij zou zijn [persoon 4] , geboren [geboortedag ] 1989 en derhalve niet minderjarig zijn. (Hierna wordt zij afwisselend [persoon 4] dan wel [persoon 4] genoemd). 4.4.2.2. Oordeel ten aanzien van feit 1: poging onttrekking [persoon 2] Op 9 september 2015 ontving de afdeling jeugdbescherming van de [naam stichting] zorgsignalen vanuit [zorginstelling] , de instelling waar [persoon 2] was geplaatst; zij zou van haar moeder moeten weglopen maar dat wilde zij niet.

Uit het dossier blijkt dat er (ook nadien) van de zijde van haar familie druk op [persoon 2] is uitgeoefend om de instelling te verlaten. Op 15 september 2015 kwam [persoon 1] met twee van de andere kinderen, [persoon 7] en [persoon 9] , [persoon 2] bezoeken in [zorginstelling] . Een groepsleider bleef bij haar toen zij met haar moeder naar buiten ging. De groepsleider hoorde [persoon 2] een aantal keren ‘nee’ tegen haar moeder zeggen en er werd tegen de regels in Bosnisch gepraat. [persoon 2] ging naar de groepsleider en vertelde dat haar moeder wilde dat zij mee ging en dat er een zilvergrijze auto voor haar klaar stond.

Er is geprobeerd deze auto te volgen maar de auto is kwijtgeraakt. Vastgesteld werd dat het een Opel Vivaro betrof met een kentekennummer toebehorend aan verdachte. Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij op de betreffende dag vlakbij de instelling was met zijn Opel Vivaro. Hij heeft verklaard te hebben gewacht op [persoon 1] en de kinderen maar omdat zij maar niet kwamen is hij (alleen) weggereden. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat het op 15 september 2015 de bedoeling was [persoon 2] mee te nemen. Uit het ontbreken van enige vorm van overleg met de bevoegde instantie, of met de (niet bevoegde) instelling [zorginstelling] zelf, spreekt dat men zich ter dege bewust was van het ongeoorloofde hiervan.

De verklaring van verdachte dat hij niets wist van de bedoelingen van zijn echtgenote acht de rechtbank niet geloofwaardig. Verdachte heeft verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat [persoon 2] op basis van een rechterlijke beslissing onder toezicht is gesteld. Voor het op zitting door verdachte geschetste scenario dat andere, onbekend gebleven mannen in een andere auto [persoon 2] angst hebben aangejaagd, is geen feitelijke basis te vinden in het dossier. Uit het voorgaande en de bewijsmiddelen in het dossier leidt de rechtbank af dat verdachte op 15 september 2015 in Rijsbergen, in de directe omgeving van [zorginstelling] was op het moment dat [persoon 1] heeft geprobeerd [persoon 2] te bewegen de instelling te verlaten en mee te gaan.

Verdachte heeft daar in zijn auto gewacht om [persoon 2] daarvandaan mee te nemen. Daarmee heeft verdachte een voldoende bijdrage geleverd om van medeplegen te spreken. De opzet van verdachte en [persoon 1] was gericht op het meenemen van hun dochter [persoon 2] . Dat het bij een poging is gebleven komt door het feit dat [persoon 2] niet mee wilde, zich daarover had uitgesproken en de oplettende en beschermende houding van de groepsleider(s) van [zorginstelling] . 4.4.2.3. Oordeel ten aanzien van de feiten 2 en 3: onttrekking van [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] , respectievelijk [persoon 4] en [persoon 9] Uit het dossier blijkt dat [persoon 5] en [persoon 6] sinds 6 april 2015 niet meer naar school gingen.

Op dat moment is [persoon 2] tegen de zin van moeder al met spoed gesloten geplaatst. De gezinsvoogd heeft verklaard dat [persoon 1] [geboortedag] 2015 met [persoon 7] en [persoon 9] is vertrokken. [persoon 9] heeft een medewerker van het AZC in augustus 2015 via Facebook laten weten dat hij niet meer in Nederland was en vervolgens in september 2015 dat hij in Bosnië was. [persoon 1] heeft verklaard dat zij bang was dat haar andere kinderen net als [persoon 2] gesloten zouden worden geplaatst. [persoon 1] heeft verklaard dat zij [persoon 5] en [persoon 6] begin april 2015 door verdachte heeft laten ophalen.

Zij heeft ook verklaard dat verdachte van niets wist en pas sinds twee dagen (voor de aanhouding in Barcelona op 15 juni 2016) in Barcelona was. Verdachte heeft zelf verklaard dat [persoon 1] hem heeft verteld dat de kinderen onder toezicht waren gesteld. Ook heeft hij verklaard dat hij de kinderen heeft opgehaald en naar Spanje gebracht en dat [persoon 9] met hun is meegereden naar Spanje. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij met [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 9] en [persoon 7] eerst twee dagen op een camping in Nederland heeft verbleven en vervolgens met hen naar België is gereden.

Op 15 juni 2016 is hij met zijn vrouw en de hiervoor genoemde kinderen, met uitzondering van [persoon 9] , en met [persoon 8] in Barcelona in hun woning aangetroffen. In het dossier bevindt zich nog een verhoor van 6 juli 2015 van [persoon 10] , die nadat hij is aangehouden op verdenking van winkeldiefstal, heeft verklaard dat hij met zijn oom [verdachte] naar het centrum van Dordrecht was gegaan. Zijn oom was daar met zijn eigen kinderen. Hij had twee kinderen bij zich. Ook [persoon 13] is op die dag in Dordrecht aangehouden. Hij heeft verklaard over de chauffeur van een grijze Opel Vivaro, een vriend van zijn neef, de chauffeur heette [verdachte] .

De politie heeft in een proces-verbaal vastgelegd dat de betrokken auto een grijze Opel Vivaro was voorzien van een Kroatisch kenteken [kenteken] . Dit is de auto van verdachte en hij had deze tijdens zijn aanhouding in Barcelona op 15 juni 2016 nog steeds in gebruik. Hieruit volgt dat verdachte in juli 2015 met twee van zijn kinderen in Nederland was. Het voorgaande in onderlinge samenhang en de bewijsmiddelen beziend leidt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte [persoon 5] en [persoon 6] heeft meegenomen naar een ander land in Europa en dat hij deze minderjarigen heeft verborgen en verborgen gehouden.

Dit heeft hij samen met zijn vrouw, [persoon 1] gedaan, zodat ook het medeplegen bewezen wordt geacht. Ook wat [persoon 9] en [persoon 8] betreft komt de rechtbank tot een bewezenverklaring op grond van de bewijsmiddelen en het voorgaande. [persoon 9] bevond zich dan wel niet in de woning in Barcelona op 15 juni 2016, maar hij is wel volgens de verklaring van verdachte door hem meegenomen naar België en Spanje. [persoon 8] , die sinds medio oktober 2014 als vermist was opgegeven bevond zich op 15 februari 2015 in een woning in Rotterdam in gezelschap van verdachte, [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] en [persoon 6] , en op 15 juni 2016 bij verdachte en [persoon 1] in de woning in Barcelona.

Verdachte en zijn echtgenote wisten maar al te goed dat hun kinderen onder toezicht stonden in Nederland en dat zij hun daaraan hadden onttrokken en verborgen hielden. De wijze waarop getracht is [persoon 2] uit de gesloten instelling te halen sterkt de rechtbank verder in haar overtuiging dat dit precies is wat verdachte en zijn vrouw samen deden. Wat betreft [persoon 4] zal verdachte worden vrijgesproken omdat niet voldaan is aan het bestanddeel van minderjarigheid. 4.4.2.4. Oordeel ten aanzien van feit 4: mensenhandel 4.4.2.4.1. Toetsingskader Bij het onder 4 ten laste gelegde feit wordt aan de rechtbank de vraag voorgelegd of het handelen van verdachte onder de specifieke omstandigheden kan worden beschouwd als mensenhandel in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 1, 2, 4 en 6 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). - Sub 1 Artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr ziet op het - middels een dwangmiddel - werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van de ander.

Het gaat om de activiteiten om iemand in de positie te brengen, waarin deze bewogen dan wel gedwongen kan worden zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten. Het daadwerkelijke bewegen dan wel dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten is strafbaar gesteld in sub 4. De dwangmiddelen zijn dwang, (dreiging met) geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over een ander heeft.

De inzet van een dwangmiddel dient ertoe te leiden dat iemand in een uitbuitingssituatie (‘een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schiep’) belandt of dat iemand ervan wordt weerhouden zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken. De handelingen omschreven in sub 1 zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen. Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid Sr is bepaald dat ‘uitbuiting ten minste omvat uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten’.

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn er meerdere invalshoeken die - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad - moeten worden beschouwd. De beoordeling is in ieder geval sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Factoren die een rol kunnen spelen zijn: de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die de tewerkstelling meebrengt voor degene die het werk verricht, en het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. De in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven worden als referentiekader gehanteerd.

De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat deze factoren niet cumulatief zijn. Immers: de strafbaarstelling van sub 1 ziet - hoewel bewezenverklaring tot een voltooid delict leidt - in feite op het voorbereidingsdelict voorafgaand aan de daadwerkelijke uitbuiting; sommige elementen kun je dan nog niet zien en gebruiken om uitbuiting in de zin van sub 1 vast te stellen. Er kan dan wel worden gekeken naar bijvoorbeeld de modus operandi, huisvesting en afspraken. Uitbuiting veronderstelt volgens de rechtbank een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken.

Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren. Uit jurisprudentie lijkt te volgen dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van zeer kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen, illegalen, verslaafden en schuldenaren, en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid. De daadwerkelijke uitbuiting hoeft nog niet te hebben plaatsgevonden, voldoende is de onmiskenbare bedoeling van de dader. Wel moet het opzet gericht zijn op de uitbuiting.

Voorwaardelijk opzet is niet voldoende. - Sub 2 Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr is het equivalent van sub 1, maar dan voor gevallen waarbij het slachtoffer minderjarig is (‘terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt’). Het verschil met sub 1 zit hem in het feit dat voor strafbaarheid ten aanzien van minderjarige slachtoffers de in sub 1 genoemde dwangmiddelen niet zijn vereist. Sub 2 strekt ter bescherming van minderjarigen. Bij hen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen.

De leeftijd van het slachtoffer is geobjectiveerd, opzet of schuld daaromtrent is niet vereist. De wetgever heeft tot uitdrukking willen brengen dat aan de wil van de minderjarige en daarmee de instemming geen betekenis toekomt. Het opzet hoeft enkel gericht te zijn op de uitbuiting. Er bestaat een verplichting om gedegen onderzoek te doen naar de leeftijd. - Sub 4 Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr stelt het gebruik van iemand in een uitbuitingssituatie strafbaar. Het gaat om de situatie waarbij een ander met een dwangmiddel (dezelfde als genoemd in sub 1) wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, of waarbij onder de in sub 1 genoemde omstandigheden enige handeling wordt ondernomen waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt.

Gedoeld wordt op degenen die gebruik maken van de uitbuitingssituatie van een ander, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd. De gedragingen in sub 4 volgen veelal op de gedragingen in sub 1 en 2, maar ze kunnen elkaar ook overlappen. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van sub 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. - Sub 6 Strafbaar op grond van Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander.

Opzet is als bestanddeel opgenomen, omdat anders onachtzaam handelen onder deze bepaling zou vallen. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van een ander. De profijttrekker kan, maar hoeft niet, een ander te zijn dan degene die de uitbuitingssituatie heeft gecreëerd. Een dwangmiddel is hier niet nodig. 4.4.2.4.2. Bevindingen ten aanzien van feit 4 De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij de vermeende mensenhandel van [persoon 4] , [persoon 8] , [persoon 9] , [persoon 2] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] . - Contacten met politie en justitie in Nederland Uit het dossier maakt de rechtbank het volgende op.

Sinds de aankomst in Nederland van [persoon 1] met haar zes kinderen op 23 april 2014 en de aansluiting kort daarna bij haar van [persoon 4] (toen nog als haar kind [persoon 4] ), waren er vrijwel direct grote zorgen omtrent de kinderen vanwege de vele politiecontacten. Alle zeven kinderen werden mede om die reden op 22 augustus 2014, dus nog geen vier maanden later, onder toezicht gesteld door de kinderrechter. In het dossier bevindt zich onder meer een proces verbaal met incidenten in de periode van 28 april 2014 tot en met 15 september 2015 (de poging tot onttrekking van [persoon 2] ).

Hierin wordt een veelheid aan zakkenrollerijen of zakkenrollers gedrag beschreven waarbij telkens kinderen [naam] , veelal [persoon 8] en [persoon 2] , [persoon 4] en moeder [persoon 1] volgens de beschrijvingen een rol in leken te hebben. Er zijn incidenten beschreven waarbij ook de hele jonge kinderen betrokken waren, zoals op 26 juni en 4 september 2014 en incidenten waarbij ook andere familieleden dan [persoon 1] en de zeven kinderen (mede) betrokken waren. De getroffen kinderbeschermingsmaatregelen hadden geen effect. Het beschreven gedrag ging daarna door.

Tekenend daarvoor is bijvoorbeeld dat [persoon 8] , die vermist wordt sinds 14 oktober 2014, samen met [persoon 4] op het station te Rotterdam werd aangehouden op verdenking van zakkenrollerij op 15 februari 2015 en weer op 22 maart 2015. [persoon 4] werd met [persoon 2] aangehouden op Rotterdam Centraal Station op 17 maart 2015 op verdenking van zakkenrollerij. [persoon 2] werd diezelfde dag nogmaals aangehouden vanwege de verdenking van zakkenrollerij. De vraag is hoe de rechtbank al deze incidenten in Nederland moet duiden. De rechtbank weegt daarin mee het voortgaande gedrag in Spanje nadat het gezin van verdachte en [persoon 1] zich grotendeels daarheen heeft verplaatst in de loop van oktober 2015.

Voorts speelt voor die duiding een rol hoe eerder met name in Duitsland het gedrag is gekwalificeerd in een vonnis, maar ook de meldingen van verdenkingen van zakkenrollerij of diefstal in andere Europese landen wijzen op een bepaalde leefstijl. Bovendien slaat de rechtbank acht op de verklaringen van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 4] , zowel die ten overstaan van de politie als de rechter-commissaris. - Verklaringen [persoon 4] , [persoon 1] en [persoon 2] Laatstgenoemde heeft onder meer verklaard dat het voor haar en de familie [naam] een normale levenswijze is om in andere landen te gaan stelen als zij daar komen aangezien ze geen werk vinden.

Zij heeft ook verklaard dat zij naar andere landen verhuizen om daar te gaan stelen om zo de hele familie te onderhouden. [persoon 4] heeft onder meer over perioden buiten Nederland verklaard dat de opbrengst (deels) aan verdachte werd afgedragen. Ook wel aan [persoon 1] , als verdachte in de gevangenis zat. In Nederland heeft [persoon 1] van haar ook opbrengst ontvangen. Verder heeft zij van de opbrengsten de huur van een woning betaald waar ook haar partner, [persoon 3] , en verdachte woonden. De verklaringen van [persoon 1] komen er in de kern op neer dat zij, de kinderen en ook haar schoondochter geen vrije keuze hadden.

Er moest gestolen worden van haar man, verdachte, en andere leden van de familie, waaronder [persoon 3] . Zij namen geen genoegen met door hem/hun te laag geachte dagopbrengsten. Zij en de kinderen moesten dan weer op dievenpad. Haar rol was vaak dat zij op de uitkijk stond. In Nederland was dit niet anders, een keus om niet te stelen was er niet. Alleen in Kroatië was stelen niet aan de orde. [persoon 1] heeft verklaard over mishandelingen die zij moest ondergaan en over het slaan van [persoon 2] . [persoon 2] heeft onder meer verklaard dat haar moeder bang is voor haar vader, hij bedreigde haar.

Zij heeft verklaard dat zijzelf geld heeft genomen (de rechtbank begrijpt: gestolen) en dat zij dat aan haar vader moest geven. [persoon 4] en [persoon 12] gaven ook alles aan hem. Haar broer ( [persoon 3] ) en vader deelden het geld. Zij werd geslagen als zij met lege handen thuis kwam. [persoon 2] wil haar vader nooit meer zien om wat hij haar, haar moeder en haar broertjes en zusjes heeft aangedaan. [persoon 2] wil niet meer stelen en niet meer geslagen worden. - De lezing van verdachte In de kern komt de verklaring verdachte erop neer dat hij geen zeggenschap heeft over het handelen van zijn kinderen en/of zijn vrouw.

Hij wist wel dat zij aan het stelen waren maar hij kon er niet veel aan veranderen. Over de veroordeling in Duitsland heeft hij in eerste instantie niet willen verklaren, vervolgens heeft hij verklaard dat hij als oudste van de groep als grote baas werd beschouwd. Ter zitting heeft hij daarover verklaard de schuld op zich te hebben genomen. Eigenlijk ging het om [persoon 1] , maar zij moest voor de kinderen zorgen. [persoon 2] is bang omdat zij heeft gelogen en familieleden nu in de gevangenis zitten. Uit een OVC-gesprek tussen verdachte en [persoon 1] op 14 oktober 2016 maakt de rechtbank op dat er in dat stadium nog sprake was tussen beiden van afstemming van de verklaringen.

Verdachte zei tegen [persoon 1] , die alles op haar naam had genomen, dat zij nu de “kans hebben om te praten zodat we niet veel leugens vertellen”. De rechtbank stelt vast dat verdachte veel wisselende verklaringen heeft afgelegd. Het verwijt dat de verdediging [persoon 1] maakt wat de betrouwbaarheid van haar verklaringen betreft, treft zeker ook verdachte zelf. De rechtbank noemt enkele voorbeelden. Zo was [persoon 4] volgens verdachte eerst zijn dochter, en op een later moment was zij zijn schoondochter. Volgens verdachte had hij Nederland alleen verlaten, en later heeft hij verklaard dat hij Nederland met zijn vrouw en een aantal van hun kinderen had verlaten.

Op basis van de verklaringen van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 4] , de andere bevindingen en de overige bewijsmiddelen in het dossier kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat de kinderen [naam] , waaronder ook de schoondochter [persoon 4] begrepen, in Nederland zijn ingezet om te stelen. Daarbij heeft niet alleen [persoon 1] een rol gespeeld, ook verdachte heeft daarin een grote hand gehad. 4.4.2.4.3. Weging van de bevindingen in het licht van artikel 273f Sr - Sub 1 en 2, mede in relatie tot sub 4 Zoals hiervoor beschreven ziet artikel 273f, eerste lid, sub 1 en 2 Sr op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van de ander, sub 1) middels een dwangmiddel dan wel sub 2) terwijl die ander nog geen 18 jaar oud is.

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat verdachte in de periode in Nederland [persoon 4] en de minderjarige kinderen [persoon 8] , [persoon 9] en [persoon 2] heeft overgebracht, gehuisvest of opgenomen en de minderjarigen ook heeft vervoerd. Uit het dossier blijkt tevens dat verdachte tegen hen geweld heeft gebruikt, en dat misbruik is gemaakt van zijn overwicht en van hun kwetsbare positie. Ook al zijn deze dwangmiddelen voor een bewezenverklaring van sub 1 alleen ten aanzien van de meerderjarige [persoon 4] vereist, en voor sub 2 niet vereist, feitelijk zijn deze mede door verdachte ten aanzien van al de kinderen toegepast, en dat is relevant in verband met een bewezenverklaring van sub 4.

De rechtbank merkt op dat jegens [persoon 4] al in een veel eerder stadium dan de periode in Nederland de dwangmiddelen ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van haar kwetsbare positie’ zijn toegepast, namelijk na haar opname in het gezin/de familie van verdachte. De rechtbank kan en wil niet voorbijgaan aan de doorwerking daarvan in de periode in Nederland. Het is volstrekt gekunsteld om een dergelijk misbruik bij iedere landsgrens opnieuw vast te stellen zonder mee te wegen dat dit eerder in een ander land al het geval was.

Voor de minderjarige kinderen geldt op zijn minst dat zij door hun ouders van meet af aan van land naar land zijn meegenomen, gezien hun leeftijd van hen afhankelijk zijn, vooral ook omdat zij wisselende identiteiten hebben, de taal niet machtig zijn, geen onderdak of eigen legaal inkomen kunnen genereren en in wezen vanaf hun vroege jeugd geleerd wordt om te stelen. Verder blijkt uit het dossier dat er ook geweld is gebruikt door verdachte tegen zijn kinderen. De kinderen en [persoon 4] op deze wijze bewegen tot stelen wordt door de rechtbank aangemerkt als het verrichten van diensten zoals bedoeld in sub 4.

Dat dit alles is gebeurd met het oogmerk van uitbuiting is de rechtbank zonneklaar. Het ging om financieel gewin. Dat blijkt uit eerder genoemde verklaringen van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 4] , en de veroordeling van verdachte en zijn zoon [persoon 3] in Duitsland sterkt de rechtbank enkel in haar overtuiging. - Sub 6 Het voorgaande brengt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat hieruit voordeel is getrokken zoals bedoeld onder sub 6. 4.4.2.4.4. Vrijspraak ten aanzien van de overige kinderen De rechtbank spreekt verdachte vrij van de mensenhandel ten aanzien van de overige kinderen.

Hoewel uit het dossier het beeld naar voren komt dat de kinderen werden klaargestoomd voor het plegen van criminele activiteiten, blijkt uit het dossier onvoldoende dat zij hier reeds actief voor zijn ingezet. 4.4.2.5. Oordeel ten aanzien van feit 5: mensensmokkel Aan verdachte wordt verweten de mensensmokkel van de in de tenlastelegging genoemde kinderen in Duitsland, Oostenrijk, België Zwitserland, Spanje en Nederland, althans Europa in de periode van 1 januari 2005 tot en met 15 juni 2016 (Spanje). Verdachte zou zijn kinderen behulpzaam zijn geweest bij het verschaffen van verblijf aldaar, terwijl verdachte daarbij uit winstbejag heeft gehandeld.

Die verdenking is verfeitelijkt, kortgezegd, doordat verdachte, al dan niet als medepleger, voor die kinderen asiel heeft aangevraagd met gebruikmaking van valse of vervalste documenten, voor hen op valse gronden of voorwendselen asiel heeft aangevraagd, voorts op die wijze, gebruik heeft gemaakt van uitkeringen of (asiel)toelagen en voorts het meenemen en huisvesten van die kinderen. Verdachte zou daarvan zijn beroep of gewoonte hebben gemaakt. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat verdachte zelf diegene was die de onderscheiden asielaanvragen heeft ingediend, maar slechts dat de aanvraagster steeds [persoon 1] was voor haarzelf en de kinderen.

Niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van een zodanige nauwe samenwerking met [persoon 1] dat op die wijze tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Het dossier biedt evenmin aanwijzingen dat anderen dan [persoon 1] enige relevante rol hebben gespeeld die het handelen ten aanzien van de asielaanvragen tot medeplegen kwalificeert. De verklaringen van [persoon 1] en mogelijk [persoon 2] zijn zodanig algemeen dat deze niet aan een bewezenverklaring kunnen bijdragen. Het voorgaande leidt er toe dat verdachte zal moeten worden vrijgesproken voor de handelingen die zijn gepleegd vóór 23 april 2014, het moment waarop door [persoon 1] asiel werd aangevraagd in Nederland voor haarzelf en de kinderen.

De overige aan verdachte ten laste gelegde handelingen zien naar de rechtbank begrijpt alle op handelingen van na dat moment. Evenmin kan bewezen worden verklaard het verschaffen van toegang van de genoemde kinderen tot de vermelde landen. De door de officieren van justitie bepleite centrale rol van verdachte kan daar niet worden vastgesteld. Uitzondering daarop vormen Nederland en Spanje en een andere lidstaat van de Europese Unie. In het bijzonder betreft het daar reizen (van Nederland) naar en door België en Frankrijk. Ten aanzien van verdachte kan wel worden bewezen het medeplegen van de verwijten die zien op de asielaanvragen met behulp van valse identiteiten en documenten in Nederland.

Het dossier biedt daarvoor voldoende feitelijke basis. Het dossier biedt voorts wel voldoende feitelijke grondslag voor het meenemen naar en huisvesten van de genoemde kinderen in Nederland en in andere Europese landen. Bewezen kan tevens worden, dat verdachte daar een beroep of gewoonte van heeft gemaakt. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend. Verdachte heeft geprofiteerd van de handelingen van zijn medeverdachte terwijl hij daarmee bekend was en de resultaten, en beter gezegd de gevolgen, daarvan kende. Verdachte heeft dit handelen toegelaten, zoals hij dat al jaren goedvond, en waarbij hij steeds heeft geprofiteerd uit de aldus gefaciliteerde handelswijze van de kinderen en de vergoedingen en uitkeringen die samenhingen met het asielverblijf danwel de besparing die hem dat opleverde.

Verdachte wist immers dat op het moment dat zijn kinderen in andere landen hadden verbleven zij overgingen tot het plegen van strafbare handelingen. Het dossier biedt daarvoor meer dan voldoende aanknopingspunten die tot maar één conclusie kunnen leiden: het was wat verdachte wist en wilde. Het dossier geeft ten aanzien van de wijze waarop verdachte zich in Nederland heeft bewogen en opgesteld en – dus - anders dan de overige landen, met de genoemde uitzonderingen, wel inzicht in zijn handelen, terwijl dat voor die overige niet dan wel onvoldoende duidelijk is geworden.

De rechtbank verwijst hierbij ook naar haar overwegingen ten aanzien van de verdenking van de poging tot onttrekking (feiten 1 tot en met 3) en hetgeen ten aanzien van de mensenhandel (feit 4) is overwogen. Met hetgeen daar is overwogen en de omstandigheid dat de kinderen uiteindelijk in het bijzijn van verdachte en [persoon 1] op 15 juni 2016 in Barcelona in een aldaar bewoonde woning zijn aangetroffen, kan het meenemen naar en de huisvesting in Spanje bewezen worden verklaard. 4.4.2.6. Oordeel ten aanzien van feit 6: (gewoonte)witwassen 4.4.2.6.1.

Toetsingskader Witwassen is een breed (juridisch) begrip. Het komt erop neer dat vrijwel alle handelingen die worden verricht met de opbrengsten van strafbare feiten worden aangemerkt als witwassen. Het doel van witwassen is meestal het verbergen van die illegale herkomst. Men wil zwart geld presenteren als legaal geld, om dat geld uiteindelijk vrij te kunnen besteden. De criminele herkomst moet uit het zicht van de autoriteiten blijven. Als eerste moet worden vastgesteld dat het geld afkomstig is uit een misdrijf. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, opgenomen in de delictsomschrijvingen van de artikelen 420bis en 420quater, eerste lid, onder a en b Sr, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffend geldbedrag afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf.

Wel is voor een veroordeling ter zake van deze wetsartikelen vereist dat vaststaat dat het geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een geldbedrag en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een geldbedrag “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geldbedrag, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geldbedrag. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Daarnaast moet worden vastgesteld welke witwashandelingen verdachte met het geld heeft verricht. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht “om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen”.

Op grond hiervan wordt aangenomen dat het door verdachte enkele voorhanden van hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp. Het enkele voorhanden hebben kan dan niet als (schuld)witwassen worden gekwalificeerd. Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. 4.4.2.6.2. Oordeel rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen worden bewezen dat verdachte zich samen met [persoon 1] heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van de verdiensten uit de door [persoon 4] , [persoon 8] en [persoon 2] verrichte strafbare activiteiten en de uitkeringen en/of geldelijke toelagen die aan hen op basis van valse informatie en/of valse voorwendselen en/of valse personalia waren toegekend en waaruit verdachte voordelen heeft verkregen.

Zoals hiervoor beschreven acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - mensenhandel ten aanzien van [persoon 4] , [persoon 8] en [persoon 2] . Het geld dat door hen met het plegen van strafbare activiteiten is verdiend en aan verdachte is afgegeven betreft naar het oordeel van de rechtbank geld dat uit eigen misdrijf van verdachte afkomstig is. Dit brengt met zich dat sprake moet zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben om tot de kwalificatie witwassen te kunnen komen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van gedragingen die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geld gericht karakter hebben.

Nergens kan uit worden afgeleid dat verdachte in de tenlastegelegde periode zelf een andere bestendige bron van inkomsten had en daarvan in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien. De stellingen van verdachte omtrent inkomsten uit ‘losse’ handel zijn door hem op geen enkele wijze feitelijk onderbouwd. Het geld is voorts op geen enkele bankrekening of elders gevonden, noch is gesteld of anderszins gebleken dat het op enige wijze is geïnvesteerd. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat verdachte het geld heeft gebruikt om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.

Door het geld uit te geven heeft verdachte geldbedragen die uit misdrijf afkomstig waren het legale betalingscircuit ingebracht en daarmee veilig gesteld. Door het geld om te zetten en te gebruiken heeft verdachte de criminele herkomst ervan verhuld en zich schuldig gemaakt aan witwassen. Gelet op lange duur van de bewezenverklaarde periode, te weten 23 april 2014 (de aankomst in Nederland) tot en met 15 juni 2016, is de rechtbank van oordeel dat sprake was gewoontewitwassen. 5Bewezenverklaring 5.1. Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte Ten aanzien van feit 1: hij in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 15 juni 2016 op 15 september 2015 te Rijsbergen, althans in Nederland, althans in Europa, ter uitvoering van het door zijn voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een minderjarige (al dan niet beneden de twaalf jaar oud), te weten (in Nederland bekend als) [persoon 2] geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag ] 2003, te onttrekken aan het wettig over die minderjarige gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene, die dit desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) zonder toestemming van het wettig over die minderjarige gesteld gezag en/of zonder toestemming van degene(n) die het opzicht over die minderjarige desbevoegd uitoefende(n), (telefonisch en/of in persoon) geprobeerd die minderjarige te overtuigen de jeugdinstelling alwaar hij met een machtiging gesloten jeugdhulp van de kinderrechter verbleef, te verlaten en/of te ontvluchten, en/of die minderjarige (telkens) onder druk gezet de jeugdinstelling te verlaten en/of te ontvluchten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 2: hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 15 juni 2016 te Rijsbergen, althans in Nederland en/of te Barcelona, althans in Spanje, althans in Europa, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk één en/of meerdere minderjarige(n) die de leeftijd van twaalf jaar oud nog niet hadden bereikt, te weten (onder meer) (in Nederland bekend als) [persoon 5] geboren op [geboortedag ] 2006 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 6] geboren op [geboortedag ] 2008 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 7] geboren op [geboortedag ] 2012 en/of een andere minderjarige(n) meermalen, althans eenmaal (telkens), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige(n) gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene(n), die dit desbevoegd over die minderjarige(n) uitoefende(n), immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) zonder toestemming van het wettig over die minderjarige(n) gesteld gezag en/of zonder toestemming van degene(n) die het opzicht over die minderjarige(n) desbevoegd uitoefende(n), genoemde minderjarige(n) meegenomen en/of weggevoerd naar Barcelona, althans naar Spanje, althans naar een ander Europees land en/of die minderjarige(n) verborgen en/of verborgen gehouden in Barcelona, althans in Spanje, althans in een ander Europees land; en/of opzettelijk voornoemde minderjarige(n) naar een voor het wettig over hen gesteld gezag en/of de bevoegde opsporingsinstanties onbekende plaats en/of woning gebracht en/of opzettelijk deze plaats en/of woning niet aan het wettig over die minderjarige(n) gesteld gezag en/of bevoegde opsporingsinstanties bekend gemaakt en/of heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk geen contact opgenomen met het wettig over die minderjarige(n) gesteld gezag en/of met degene(n) die desbevoegd het opzicht over die minderjarige(n) uitoefende(n);

Ten aanzien van feit 3: hij in of omstreeks de periode van 22 augustus 2014 tot en met 15 juni 2016 te Rijsbergen en/of elders in Nederland en/of te Barcelona, althans in Spanje, althans in Europa, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk één en/of meerdere minderjarige(n), te weten (in Nederland bekend als) [persoon 8] geboren op [geboortedag ] 2001 en/of (in Nederland bekend als) [persoon 4] geboren op [geboortedag ] 2000 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 9] geboren op [geboortedag ] 2002 en/of een of meer andere minderjarige(n) meermalen, althans eenmaal (telkens), heeft onttrokken aan bij wettig over die minderjarige(n) gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene(n), die dit desbevoegd over die minderjarige(n) uitoefende(n), immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) zonder toestemming van het wettig over die minderjarige(n) gesteld gezag en/of zonder toestemming van degene(n) die het opzicht over die minderjarige(n) desbevoegd uitoefende(n), genoemde minderjarige(n) meegenomen en/of weggevoerd naar Barcelona, althans naar Spanje, althans naar een ander Europees land en/of die minderjarige(n) verborgen en/of verborgen gehouden in Barcelona, althans in Spanje, althans in een ander Europees land, en/of opzettelijk voornoemde minderjarige(n) naar een voor het wettig over hen gesteld gezag en/of de bevoegde opsporingsinstanties onbekende plaats en/of woning gebracht en/of opzettelijk deze plaats en/of woning niet aan het wettig over die minderjarige(n) gesteld gezag en/of bevoegde opsporingsinstanties bekend gemaakt en/of heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk geen contact opgenomen met het wettig over die minderjarige(n) gesteld gezag en/of met degene(n) die desbevoegd het opzicht over die minderjarige(n) uitoefende(n);

Ten aanzien van feit 4: hij in of omstreeks de periode van 23 april 2014 tot en met 15 juni 2016 te Ter Apel en/of te Almelo en/of te Budel en/of te Eindhoven en/of te Rotterdam, althans in Nederland, en/of in Barcelona, althans in Spanje, en/of in Duitsland en/of in Oostenrijk en/of in België en/of in één of meer andere Europese landen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander en/of anderen, te weten (onder meer) (in Nederland bekend als) [persoon 4] geboren op [geboortedag ] 2000 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 8] geboren op [geboortedag ] 2001 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 9] [naam] geboren op [geboortedag ] 2002 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 2] geboren op [geboortedag ] 2003) en/of (in Nederland bekend als) [persoon 5] geboren op [geboortedag ] 2006 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 6] geboren op [geboortedag ] 2008 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 7] geboren op [geboortedag ] 2012 en/of een of meer ander(en) (al dan niet) door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen en/of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, (sub 1 en sub 2) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [persoon 4] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of een of meer ander(en) (onder meer terwijl die [persoon 4] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of een of meer andere(n) de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt), en/of (sub 4) die [persoon 4] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of een of meer ander(en) met bovengenoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: het plegen van strafbare feiten en/of activiteiten) dan wel onder eerdergenoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [persoon 4] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of een of meer ander(en) zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: het plegen van strafbare feiten en/of activiteiten), en/of (sub 6) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [persoon 4] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of een of meer ander(en), immers heeft hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer van zijn mededaders, (terwijl hij wist dat die [persoon 4] en/of die [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of een of meer ander(en) van zijn, verdachte, en/of zijn mededader(s) afhankelijk was/waren en/of de Duitse en/of de Nederlandse en/of de Spaanse taal niet dan wel onvoldoende machtig was/waren en/of in Duitsland en/of in Oostenrijk en/of in België en/of in Zwitserland en/of in Nederland nergens anders terecht konden) (onder meer) - die [persoon 4] en/of een of meer ander(en) (tegen betaling van een geldbedrag) gekocht en/of de verzorging en/of de zeggenschap over die [persoon 4] overgenomen van de ouders en/of verzorgers van die [persoon 4] en/of een of meer ander(en) en/of - die [persoon 4] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of een of meer ander(en) meegenomen en/of gebracht naar Duitsland en/of naar Oostenrijk en/of naar België en/of naar Zwitserland en/of naar Nederland en/of naar Spanje en/of die [persoon 4] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of een of meer ander(en) met gebruikmaking van een en/of meerdere valse identiteit(en) en/of onder valse voorwendselen aangemeld voor de asielprocedure en/of - die [persoon 4] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of een of meer ander(en) ondergebracht en/of laten onderbrengen in een asielzoekerscentrum in Duitsland en/of in Oostenrijk en/of in België en/of in Zwitserland en/of in Nederland en/of - die [persoon 4] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of een of meer ander(en) aangezet tot het plegen van strafbare activiteiten en/of begeleid tijdens het plegen van strafbare activiteiten (te weten (onder meer): zakkenrollerij en/of (winkel)diefstal) en/of - die [persoon 4] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of een of meer ander(en) (een groot deel van) de opbrengst van de door hen gepleegde strafbare activiteiten aan zijn, verdachte, en/of aan een of meer van zijn mededader(s) af laten staan en/of van hen af te pakken en/of af te nemen en/of - die [persoon 4] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of een of meer ander(en) (terwijl zij onder toezicht van een gezinsvoogd waren gesteld) zonder toestemming van het over hen gesteld gezag meegenomen en/of gebracht naar Spanje en/of - die [persoon 4] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of een of meer ander(en) gedwongen en/of bewogen (telkens) aan opsporingsdiensten en/of andere overheidsdiensten in Duitsland en/of in Oostenrijk en/of in België en/of in Zwitserland en/of in Nederland en/of in Spanje een valse identiteit op te geven en/of - die [persoon 4] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 2] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of een of meer ander(en) (telkens) niet naar school laten gaan en/of van school weggehouden;

Ten aanzien van feit 5: hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 23 april 2014 tot en met 15 juni 2016 in Duitsland en/of in Oostenrijk en/of in België en/of in Zwitserland en/of te Ter Apel en/of te Almelo en/of in Budel, althans in Nederland, en/of in Spanje en Europa, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander en/of anderen, te weten (in Nederland bekend als) [persoon 4] geboren op [geboortedag ] 2000 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 8] geboren op [geboortedag ] 2001 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 9] [naam] geboren op [geboortedag ] 2002 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 2] geboren op [geboortedag ] 2003 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 5] geboren op [geboortedag ] 2006 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 6] geboren op [geboortedag ] 2008 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 7] geboren op [geboortedag ] 2012 en/of een of meer ander(en) (telkens) - behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door en - uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Duitsland en/of Oostenrijk en/of België en/of Zwitserland en/of Nederland en en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, en/of genoemde perso(o)n(en) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) en/of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) - met gebruikmaking van (een) valse identiteit(en) en/of vervalst(e) paspoort(en) en/of identiteitsbewij(s)(zen) asiel aangevraagd voor voornoemde (minderjarige) perso(o)n(en), en/of - onder valse voorwendselen en/of op valse gronden (meermalen) asiel aangevraagd voor voornoemde minderjarige perso(o)n(en), en/of - onder valse voorwendselen en/of op valse gronden en/of met gebruikmaking van (een) valse identiteit(en) (meermalen) gebruik gemaakt van (een) uitkering(en) en/of toelage(n) voortvloeiend uit de asielprocedure(s), en/of - voornoemde minderjarige perso(o)n(en) (meermalen) meegenomen naar en/of gehuisvest in Duitsland en/of in Oostenrijk en/of in België en/of in Zwitserland en/of in Nederland en/of in Spanje en/of in een of meer andere Europese landen, terwijl hij, verdachte, daarvan een beroep of gewoonte heeft gemaakt;

Ten aanzien van feit 6: hij op of omstreeks in de periode van 1 januari 2005 23 april 2014 tot en met 15 juni 2016 in Duitsland en/of in Oostenrijk en in België en/of in Zwitserland en/of te Ter Apel en/of te Budel, althans in Nederland, en/of in Spanje, althans in Europa, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, in bovengenoemde periode, bij wijze van gewoonte, een of meer (contante) geldbedragen en/of voorwerpen, te weten (onder meer) - de opbrengst(en) uit het/de strafbare activiteiten en/of feiten gepleegd door een ander en/of anderen, te weten (onder meer) (in Nederland bekend als) [persoon 4] geboren op [geboortedag ] 2000 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 8] geboren op [geboortedag ] 2001 en/of (in Nederland bekend als) [persoon 9] [naam] geboren op [geboortedag ] 2002 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 2] geboren op [geboortedag ] 2003 en/of (in Nederland bekend als) [persoon 5] geboren op [geboortedag ] 2006 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 6] geboren op [geboortedag ] 2008 en/of(in Nederland bekend als) [persoon 7] geboren op [geboortedag ] 2012 en/ofeen of meer ander(en) en/of - ( (telkens) een uitkering en/of geldelijke toelage, die was/waren toegekend op basis van valse informatie en/of valse voorwendselen en/of valse personalia en/of heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruikt gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf. 5.2.

De bewijsmiddelen De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen 8.1. De eis van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen onder 1, 2, 3, 4 en 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren, met aftrek van voorarrest, waaronder begrepen de ondergane overleveringsdetentie, en voor het door hen onder 6 bewezen geachte feit tot een geldboete ter hoogte van de door of namens verdachte gestorte borgsom van € 15.000,-.

Verdachte heeft zich met zijn vrouw [persoon 1] schuldig gemaakt aan de uitbuiting van hun kinderen door hen strafbare activiteiten te laten plegen. Dit heeft er toe geleid dat de minderjarigen [persoon 2] , [persoon 9] en [persoon 8] , hun kleine broertjes en zusjes en de meerderjarige [persoon 4] jarenlang van land naar land door Europa zijn gezeuld, dat zij telkens een andere identiteit moesten aannemen en (nog) niet weten wie zij eigenlijk zijn. Zij hebben nagenoeg geen enkel onderwijs genoten, waardoor hen elke kans op een normale toekomst is onthouden.

Verdachte en zijn vrouw hebben mensen gecreëerd die niet in staat zijn een ander bestaan op te bouwen dan het criminele bestaan waarin zij zijn opgegroeid. De kinderen van verdachte kunnen door zijn handelen niet meer in hun eigen gezin wonen en hebben door de situatie die is ontstaan slechts sporadisch contact met hun moeder. De omstandigheden waarin de kinderen verkeerden is ‘middeleeuws’ te noemen. Zij zijn opgegroeid in mensonterende omstandigheden. [persoon 8] en [persoon 9] zijn nog steeds spoorloos. Verdachte geeft er geen blijk van de laakbaarheid van zijn handelen in te zien.

Integendeel, verdachte legt de verantwoordelijkheid voor de diefstallen die door zijn kinderen en schoondochter [persoon 4] ( [persoon 4] ) zijn gepleegd, geheel bij henzelf en bij zijn vrouw en medeverdachte. 8.2. Het strafmaatverweer van de raadsman Volgens de raadsman is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn.

De dag waarop verdachte is aangehouden, 15 juni 2016, moet worden aangemerkt als de dag waarop de redelijke termijn is aangevangen. Immers, toen kon verdachte in alle redelijkheid verwachten dat er tegen hem een strafvervolging in Nederland zou worden ingesteld. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn op de uitspraakdatum van ongeveer drie maanden. Deze overschrijding is niet aan de verdediging te wijten. Het heeft geruime tijd geduurd voordat de buitenlandse stukken aan het dossier waren toegevoegd en voordat de getuigenverhoren waren afgerond.

Naar het oordeel van de raadsman is het feit dat verzocht is om [persoon 1] als getuige te horen nadat zij haar kluisverklaringen had afgelegd, geen omstandigheid is die hieraan doet. De raadsman verzoekt op grond hiervan de op te leggen straf met 5% te verminderen.Tot 1 april 2013 kon niet 12, maar maximaal 8 jaar worden opgelegd voor mensenhandel. Dit dient volgens de raadsman tot uitdrukking te komen in de strafmaat, indien de rechtbank tot een veroordeling komt van de voor 1 april 2013 gepleegde feiten.. De raadsman heeft verwezen naar een deel van de strafmotivering uit het Duitse vonnis dat jegens verdachte is gewezen, en met name de passage ‘Als buitenlander die de Duitse taal nauwelijks machtig is, is hij bijzonder gevoelig voor detentie’.

Dit geldt eens te meer voor de beheersing van de Nederlandse taal, die slechter is dan de beheersing van het Duits. Verdachte zal in detentie in een sociaal isolement verkeren nu hij de Nederlandse taal niet machtig is. Deze omstandigheid dient bij de strafoplegging te worden betrokken. Het beeld dat van verdachte is geschetst past niet op het dossier. Het gebruik van geweld kan niet bewezen worden en ook dit moet tot uitdrukking komen in de strafmaat. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere bijzonder ernstige strafbare feiten. Verdachte heeft zijn - veelal minderjarige - kinderen, die bijzonder kwetsbaar waren, uitgebuit en hen daarnaast onttrokken aan het over hen gestelde gezag. Voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel en witwassen. Verdachte en zijn vrouw medeverdachte [persoon 1] hebben hun kinderen aan het gezag onttrokken en zijn met onbekende bestemming vertrokken.

Verdachte is hierbij volledig voorbij gegaan aan de belangen van de kinderen en heeft kennelijk slechts oog gehad voor zijn eigen belangen en voor financieel gewin. De kinderen werden gebruikt voor het plegen vermogensdelicten waarmee verdachte en zijn vrouw in hun levensonderhoud voorzagen. Van belang is ook dat door de onttrekking aan het gezag de kinderen de kans is onthouden om te werken aan een volwaardige ontwikkeling en normale jeugd. Verdachte heeft daarvoor kennelijk op geen enkel moment het oog gehad. Tenslotte blijkt uit het handelen geen enkel respect voor rechterlijke beslissingen ten aanzien van het gezag en de zorg voor die kinderen.

Tekenend is ook de omstandigheid dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid erkent voor hetgeen heeft plaatsgevonden. Daarbij is van belang dat uit het dossier blijkt dat de kinderen in een tijdsbestek van ongeveer 10 jaar in een groot aantal landen hebben verbleven waarbij zij door verdachte en anderen werden ingezet bij het plegen van vermogenscriminaliteit, veelal zakkenrollen. Uit de verklaringen van de kinderen blijkt dat deze levenswijze door hen als normaal werd ervaren. Een en ander wordt nog nijpender als, zoals uit het dossier blijkt, sprake is van honderden strafbare feiten die de kinderen in de loop van hun criminele carrière hebben gepleegd.

In een dergelijke situatie wordt een toestand in stand gelaten die ook maatschappelijk tot ernstige overlast leidt. De kinderen waren niet alleen kwetsbaar door hun jonge leeftijd, maar ook door de omstandigheden waaronder zij moesten leven. De kinderen kregen steeds valse, wisselende identiteiten, zij hadden geen legale onderkomens en verbleven in tijdelijke verblijven. Tekenend is de situatie waarin de kinderen met verdachte en de medeverdachte [naam] in Barcelona werden aangetroffen. Op grond van het proces-verbaal van de aanhouding van verdachte en zijn vrouw in het vervuilde appartement in Barcelona, kan de rechtbank zich een beeld vormen van de armzalige omstandigheden waaronder de kinderen toen leefden.

Deze omstandigheden waren bovendien niet van gevaar ontbloot, gezien de staat waarin de woning verkeerde. De enige vorm van opvoeding die de kinderen van de kant van hun ouders hebben gekregen is gericht geweest op een carrière van zakkenroller. Voor het overige zijn zij op dit moment kansloos in de maatschappij en in alle opzichten afhankelijk van de gestructureerde hulp en leiding die voogdijinstellingen en hulpverleners hen kunnen bieden. Dat de kinderen in deze trieste omstandigheden verzeild zijn geraakt valt verdachte ten volle te verwijten.

Dat er tot de dag van vandaag nog steeds enkele kinderen spoorloos zijn, nadat zij door verdachte en medeverdachte aan het toezicht zijn onttrokken, en dus feitelijk aan hun lot zijn overgelaten, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Het kan niet zo zijn dat ouders een actieve bijdrage leveren aan de criminele carrière van hun kinderen en wegkijken indien hun kinderen door hun toedoen met geestelijke en lichamelijke ondergang worden bedreigd. Ten aanzien van de uitbuiting van de kinderen wijst de rechtbank op haar hiervoor ten aanzien van de mensenhandel weergegeven overwegingen.

Deze vorm van uitbuiting dient te worden uitgebannen en met kracht te worden bestreden. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen. Door zijn handelen heeft verdachte opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst verschaft. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij daardoor de integriteit van het economische verkeer heeft geschaad. Gezien de ernst van de feiten kan niet anders op het handelen van verdachte worden gereageerd met dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan naar het oordeel van de rechtbank uit een oogpunt van vergelding, speciale en algemene preventie bij de omvang van de bepaling van de omvang van de hoogte van de aan verdachte op te leggen straf alleen worden volstaan met een onvoorwaardelijke straf van langere duur. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, zoals blijkt uit het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie, niet eerder in Nederland is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Echter, gebleken is dat verdachte zich eerder en in andere landen aan vergelijkbare feiten heeft schuldig gemaakt en daar ook al voor veroordeeld is.

Dat de rechtbank tot een lagere strafoplegging komt dan door de officieren van justitie geëist is gelegen in het feit dat zij het complex van feiten bewezen acht voor een kortere periode dan waar de officieren van justitie van zijn uitgegaan. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Het aanvangstijdstip van de start van de redelijke termijn wordt door de rechtbank bepaald op 15 juni 2016, zijnde de datum waarop verdachte in Spanje is aangehouden in het kader van de overleveringsprocedure. Eerst vanaf deze datum kon verdachte naar het oordeel van de rechtbank in alle redelijkheid verwachten dat er tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld.

De rechtbank komt tot een overschrijding van de redelijke termijn op de uitspraakdatum van ongeveer drie maanden. Gezien de omvang van deze overschrijding volstaat de rechtbank met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank is alles overwegende van oordeel dat een gevangenisstraf van zes jaren een passende en geboden reactie vormt. Voor feit 5 zal afzonderlijk een boete van € 15.000,- worden opgelegd, nu de rechtbank van oordeel is dat dit feit, gelet op de ernst daarvan, niet straffeloos kan blijven.

9Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24c, 45, 47, 57, 197a, 273f, 279 en 420bis/420ter van het Wetboek van Strafrecht. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. A. Ten aanzien van de vragen ex artikel 348 Wetboek van Strafvordering: verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van feit 4 voor zover het betreft de feiten die buiten Nederland zouden hebben plaatsgehad. verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van feit 5 voor zover het betreft de feiten die in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland zouden hebben plaatsgehad.

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van feit 6 voor zover het betreft de feiten die in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland zouden hebben plaatsgehad. B. Ten aanzien van de vragen ex artikel 350 Wetboek van Strafvordering: Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5, en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. De bewezen verklaarde feiten leveren op:

Medeplegen van poging tot opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig gezag of bevoegd opzicht. Medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig gezag of bevoegd opzicht, meermalen gepleegd. Medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig gezag of bevoegd opzicht, meermalen gepleegd. Medeplegen van mensenhandel.

5. Medeplegen van mensenhandel, terwijl die persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid, onder 2, 4 en 6 omschreven feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd.

6. Medeplegen van mensensmokkel, meermalen gepleegd.

7. Medeplegen van een gewoonte maken van witwassen. Verklaart de bewezen feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4 en 6: Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes jaren. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in overleveringsdetentie, in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Ten aanzien van feit 5: Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 110 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,mrs. C. Klomp en M.T.C. de Vries, rechters,in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september 2018. [...] ECLI:NL:HR:1998:ZD1413 en ECLI:NL:HR:2010:BK6328 ECLI:NL:HR:1998:ZD1413 en ECLI:NL:HR:2010:BK6328 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554. HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2467. HR 26 oktober 2010, LJN BM4440, NJ 2010/655. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842.