Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2018:5989 ECLI:NL:RBAMS:2018:5989 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:5989 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2018:5989
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

medeplegen van voorbereiding van moord of doodslag in de periode van 20 april 2017 tot en met 1 juni 2017 in Almere en/of Amsterdam door opzettelijk diverse voorbereidingsmiddelen te verwerven en/of voorhanden te hebben, bestemd om dat misdrijf mee te plegen. Als dit niet kan worden bewezen wordt hij beschuldigd van medeplichtigheid hieraan;

Legislator headnote

AI generated

artikel 289 Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBAMS:2018:5989 · Rechtbank Amsterdam: Broer zeg tegen die gasten, brother, voordat ze überhaupt een kaulo sleutel kopiëren moeten ze eerst kijken naar de APK. Op 25 april 2017 vond een observatie plaats rondom een gestolen Volkwagen Caddy met kenteken [kenteken] (hierna: de Volkswagen Caddy). Om 20.02 uur voerden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 1] rijdend in de Polo naar de Volkswagen Caddy toe het volgende gesprek: [naam 1] : we kunnen die busje daar weer gaan zetten maar ik zeg tegen hem stel je voor hij gaat niet aan voor die deur [medeverdachte 2] : […] ok ok jullie komen naar me toe, even kijken of hij start.

Keywords

AI generated
personal weapon weapons offences possession of narcotics punishable preparatory act current threat threat of narcotics trafficking

Cited Legislation

AI generated
artikel 289 Wetboek van Strafrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2015:644
parketnummer: 23-001576-13 datum uitspraak: 27 februari 2015 Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 maart 2013 in de strafzaak onder parketnummer 15-700854-11 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], adres: [adres] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2014, 21 januari 2015 en 13 februari 2015, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat: primair:hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 20 oktober 2011 tot en met 10 november 2011, althans op of omstreeks 09 en/of 10 november 2011 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer en/of Amstelveen en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter voorbereiding van het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer perso(o)n(en) ([betrokkene 1], danwel een of meer anderen) van het leven te beroven, opzettelijk een of meer voorwerpen en/of een of meer vervoermiddelen, te weten: - een (gestolen) auto (van het merk Audi, voorzien van valse/vervalste nummerplaten) - een (doorgeladen) pistool (merk: Glock, type 17) en/of - een patroonhouder (voor een Glock 17) en/of - een of meer andere (vuur)wapens en/of - 27, althans een of meer patronen (van 2 verschillende kalibers) en/of - een of meer motorhelmen en/of - handschoenen en/of - een of meer muts(en)/petje(s) en/of - een afgeknipte sok en/of - een blauw magneetzwaailicht ("politiezwaailicht") en/of - donkere kleding; bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad; subsidiair:hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen op of omstreeks 09 en/of 10 november 2011 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer en/of Amstelveen en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie II en/of III, te weten een vuurwapen (pistool, merk Glock, type 17), en/of munitie van categorie II en/of III, te weten 27 patronen (12 patronen 9mm Luger en 15 patronen 7.35 Browning), voorhanden heeft gehad; De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter. De feiten en omstandigheden Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden. Voor de leesbaarheid zal in het hiernavolgende daar waar gesproken wordt over de verdachte, de medeverdachte [medeverdachte] en de aangever [betrokkene 1], dezen (ook) worden aangeduid als respectievelijk [verdachte], [medeverdachte] en [betrokkene 1]. Op 10 november 2011 omstreeks 01.27 uur, belden [betrokkene 1] en [getuige 1] (hierna te noemen: [getuige 1]) naar het alarmnummer 112 met de mededeling dat zij op de A9 vanuit Amstelveen richting Haarlem een Audi A3 met kenteken [kenteken] achtervolgden, omdat zij vermoedden dat de twee inzittenden van die auto van plan waren geweest om een liquidatie uit te voeren bij de woning van [betrokkene 1] gelegen aan de [adres]. [betrokkene 1] gaf in de gesprekken met het alarmnummer aan dat hij voor zijn leven vreesde en dacht dat hij net als zijn broer geliquideerd zou worden. Op 10 november 2011 omstreeks 02.28 uur werd halverwege het talud van de Rijksweg A9 ter hoogte van hectometerpaal 41.9 te Zwanenburg een zwarte Audi A3 voorzien van het kenteken [kenteken] aangetroffen. In of nabij de auto werden geen inzittenden aangetroffen en de auto was ernstig beschadigd (total-loss). Uit onderzoek bleek dat de Audi was gestolen en dat de kentekenplaten vals waren. De Audi lag nabij een sloot en aan de overzijde van die sloot waren op de kant sporen zichtbaar, die erop duidden dat daar vermoedelijk personen uit de sloot waren geklommen. Naast de Audi werd in het gras een vuurwapen, te weten een pistool van het merk Glock, type 17, aangetroffen. Dit pistool was doorgeladen en voor direct gebruik geschikt. In de kamer van het pistool bevond zich een 9 mm Luger patroon en in de patroonhouder zaten nog 12 patronen. In het portier van de Audi A3, aan de passagierskant, werden 15 patronen van kaliber 7.65 mm Browning aangetroffen. In en nabij de Audi werden verder nog de volgende voorwerpen aangetroffen: een blauw magneet zwaailicht, twee motorhelmen (één in de kofferbak van de Audi en één drijvend in de sloot parallel aan de Rijksweg A9), een zwarte muts, een afgeknipte sok en een honkbalpet. Op 10 november 2011 omstreeks 03.22 uur meldde een inwoner uit Zwanenburg dat een zwaar gewonde man zich bij zijn woning had gemeld. De aldaar ter plaatse gekomen verbalisanten troffen een gewonde man aan, naar later bleek [verdachte], met kletsnatte en met gras en modder besmeurde kleding en schoenen. [verdachte] heeft tijdens het onderzoek door het ambulancepersoneel tegen de politie gezegd dat hij in een auto had gezeten, die betrokken was geweest bij een ongeluk. [verdachte] heeft zich op vragen over met wie hij op 10 november 2011 in de auto zat op zijn zwijgrecht beroepen. Verbalisanten hebben daarna een onderzoek ingesteld bij de [adres], de woning van [betrokkene 1] en zijn partner. Aldaar hebben zij gesproken met [getuige 2] (hierna te noemen: [getuige 2]), de partner van [betrokkene 1]. [getuige 2] vertelde dat haar kinderen op 9 november 2011 omstreeks 19.30 uur nabij de woning een zwarte Audi hadden zien staan met daarin een man. Op 10 november 2011 om 01.00 uur had [getuige 2] de Audi nog steeds op de hoek zien staan. Op het moment dat zij langs de Audi was gelopen, was de auto weggereden. Omdat [getuige 2] de situatie niet vertrouwde heeft zij [betrokkene 1] gebeld, die met de auto onderweg was en hem geïnformeerd over de aanwezigheid van een Audi, die een ‘10’ in het kenteken had. Direct daarop is [betrokkene 1] naar Amstelveen richting de [adres] gereden. Ook uit buurtonderzoek is naar voren gekomen dat verschillende buurtbewoners in de avond van 9 november 2011 een zwarte Audi A3 op de [adres] geparkeerd hadden zien staan met daarin één of meerdere personen. [betrokkene 1] en [getuige 1] hebben verklaard dat zij op weg naar de [adres] een zwarte Audi A3 met een ‘10’ in het kenteken zagen rijden, waar ze vervolgens achteraan zijn gaan rijden. Bij het stoplicht is [betrokkene 1] naast de Audi gestopt en hebben hij en [getuige 1] naar binnen gekeken. De bestuurder probeerde zijn gezicht te bedekken en de passagier dook weg. Vervolgens is [betrokkene 1] achter de Audi aan de snelweg A9 opgereden. Op de snelweg doofde de Audi de lichten en reed met grote snelheid van hen weg. In de buurt van het Rottepolderplein waren [betrokkene 1] en [getuige 1] de Audi uit het zicht verloren. [betrokkene 1] heeft de chauffeur van de Audi omschreven als een grote, licht getinte man met Marokkaans/Turks uiterlijk, met een bol gezicht en een stoppelbaard. De man droeg een muts en handschoenen. Volgens [betrokkene 1] was de chauffeur groter dan de passagier, maar de passagier heeft hij niet goed kunnen zien, omdat deze wegdook. [verdachte] past volgens de politie in het signalement dat [betrokkene 1] heeft gegeven van de bestuurder van de Audi. De honkbalpet, die in de nabijheid van de gecrashte Audi A3 is aangetroffen, is aan de voorzijde van de binnenrand, een plaats waar zich biologische contactsporen van de drager(s) kunnen bevinden, bemonsterd voor DNA-onderzoek. De bemonstering is door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderworpen aan een DNA-onderzoek. Uit dit DNA- onderzoek is een DNA-profiel verkregen van een man, waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard. Dit DNA-profiel is opgenomen in de DNA-databank en is vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Daarbij is een match gevonden met het DNA-profiel van [medeverdachte]. Van het bij de Audi A3 aangetroffen pistool zijn de binnenzijde van de slede en de zichtbaar geworden delen, na verwijdering daarvan, bemonsterd ten behoeve van DNA-onderzoek door het NFI. Uit dit onderzoek is een onvolledig DNA-profiel verkregen van minimaal drie personen waarvan minimaal één man, dat vergeleken is met het DNA-profiel van de honkbalpet. Het DNA-profiel dat is aangetroffen op de honkbalpet matcht met dit DNA-mengprofiel. Op grond van eerdergenoemde match tussen het DNA-profiel op de honkbalpet en het DNA-profiel van [medeverdachte] kan worden vastgesteld dat de binnenzijde van het pistool celmateriaal bevat dat van [medeverdachte] afkomstig kan zijn, vermengd met celmateriaal van minimaal twee andere personen. Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte] aan de [adres] is een bodywarmer aangetroffen, die door het NFI is onderzocht op de aanwezigheid van glasdeeltjes. Daarbij zijn twaalf glasdeeltjes aangetroffen, die zijn onderworpen aan een vergelijkend glasonderzoek met referentieglas afkomstig van ruiten van de Audi A3. Daarbij zijn drie glasdeeltjes aangetroffen, die bleken overeen te komen met glasdeeltjes van de Audi A3 en waarvoor geldt dat de resultaten van het glasvergelijkend onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer deze deeltjes afkomstig zijn van de vernielde autoruiten, waartoe het referentieglas heeft behoord, dan wanneer ze afkomstig zijn van een willekeurige andere ruit of glazen voorwerp. Tevens werd bij DNA-onderzoek door het NFI aan de binnenzijde van de kraag van genoemde bodywarmer DNA-materiaal dat matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte] aangetroffen, waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard. De woning van [medeverdachte] werd in het kader van een ander onderzoek (Klepel) middels een camera geobserveerd. Beelden uit dit onderzoek zijn in het onderhavige zaaksdossier gevoegd. Uit deze camerabeelden blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] op 9 november 2011 in de avond bij de woning van [medeverdachte] arriveerden en dat beiden de woning na 8 minuten weer verlieten, waarbij gezien werd dat [verdachte] anders gekleed was dan toen hij de woning binnen ging, namelijk geheel in het zwart. De onder [verdachte] na zijn aanhouding in beslag genomen kleding bleek overeen te komen met diens kleding die zichtbaar is op de camerabeelden. Uit onderschept ‘pingverkeer’ van [medeverdachte] volgt dat [medeverdachte] en [verdachte] op 9 november 2011 en de dagen daarvoor intensief ping-contact onderhielden. Op 5 november 2011 pingden [medeverdachte] en [verdachte] onder meer de volgende teksten: [medeverdachte]: “OT spelen, Morge otters spelen... ‘s avonds spelen we online”, [verdachte]: “oke man ik neemoystick mee”, [medeverdachte]: “Ja dodelijk gevaarlijk, Dan is het erop of eronder, daarom moeten we zus spreken” [verdachte]: “Zus is zelf een ei”, [medeverdachte] “Dit is hun taak eigenlijk, Je moet toch weten met wie je neukt, Maar ja als de tijd rijp is gebeurt het”. Op 6 november 2011 pingden de verdachten naar elkaar: [verdachte]: “Die joden reageren niet”, [medeverdachte]: “Plan b is er, Laten we gewoon gaan dammen bouwen, Of heb je je otter pak niet aan vandaag, Hoelaat spreken we af’, [verdachte]: “rond 3?”, [medeverdachte]: “Neem die fietssleutels ook mee”, [verdachte]: “die zijn thuis lummel”. Op 7 november 2011 pingden de verdachten naar elkaar: [medeverdachte]: “ik leg die sleutels en die spulletjes” en “Die G gebruik ik”. [verdachte]: “Oke... Dus onze dikke zus is compleet. Die is rond?” [medeverdachte]: “We gaan straks ff en potje vechten” en “niet 100 maar hoogstwaarschijnlijk” [verdachte]: “Wooooow” [medeverdachte]: “Diegene zei: Tsss is en makkie” [verdachte]: “wou je de sleutels en spullen voor de deur leggen al”. Op 8 november 2011 pingden de verdachten naar elkaar: [medeverdachte]: “Die fiets van die hoer staat vandaag aan de overkant” en “Morgen vanaf de ochtend gaan we neuken oke” [verdachte]: “Was je ff rondje maken…” [medeverdachte]: “Ja” [verdachte]: “Oke haha op je fiets” [medeverdachte]: “Penozee” en “Zus nog steeds niks zeker” [verdachte]: “Nee nicht” [medeverdachte]: “Die varkensslet bewwegt dus wel” en “Ik denk dat ze af en toe” en “Vam fiets ruilen” [verdachte]: “Zie je zo” Op 9 november 2011 pingden de verdachten naar elkaar: [medeverdachte]: “Heb je zus gesproek” [verdachte]: “Nee zus nog steeds geen drol..” en “Neger wel gesproken die gaat naar rotterdam vandaag dan horen we het” en “Ik ben allee met die kleine thuis man.”. [verdachte]: “Ik leg me spullen en mezelf voor de deur neer je kan me komen halen” [medeverdachte]: “Ik ga ff chekke” en “Hoelaat ben je er” en “Mocht het nodig zijn” [verdachte]: “Kan vanaf half 6 bewegen” [medeverdachte]: “Niemand thuis” [verdachte]: Ik kom nuy” en “2 min” Ten aanzien van de primair tenlastegelegde voorbereidingshandelingen Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten onrechte door de rechtbank is vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, te weten de voorbereidingshandelingen voor een aanslag op het leven van [betrokkene 1]. De advocaat-generaal heeft daartoe, mede onder verwijzing naar nieuwe stukken die in hoger beroep zijn ingebracht, waaronder stukken die zien op het onderzoek Lampion 2, aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat vastgesteld kan worden dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] de inzittenden waren van de Audi A3, toen die in de vroege ochtend van 10 november 2011 verongelukte, dat de verongelukte Audi A3 de auto was die op 9 november 2011 op de [adres] nabij de woning van [betrokkene 1] te Amstelveen stond, dat de verdachte en [medeverdachte] ook toen in die auto zaten en dat zij daar waren met het doel om [betrokkene 1] van het leven te beroven en daartoe een pistool met patronen alsmede een zeer snelle auto bij zich hadden. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw van de verdachte heeft gemotiveerd bepleit dat de verdachte overeenkomstig het oordeel van de rechtbank dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde voorbereidingshandelingen voor een moordaanslag op [betrokkene 1]. Overwegingen en oordeel van het hof Op grond van vorengenoemde feiten en omstandigheden en nu door de verdediging ook niet is betwist dat [verdachte] één van de inzittenden is geweest van de gecrashte Audi A3, neemt het hof als vaststaand aan dat [verdachte] in die Audi A3 zat. Voorts leidt het hof uit bovengenoemde feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – af dat [verdachte] en [medeverdachte] zich in de avond van 9 november 2011 en vroege ochtend van 10 november 2011 gezamenlijk enige tijd in een gestolen Audi A3 voorzien van valse kentekenplaten hebben opgehouden in de dichte nabijheid van de woning van [betrokkene 1]. Uit de verklaring van [getuige 2] volgt dat zij rond 01.00 uur van de [adres] zijn weggereden. Korte tijd daarna werd de Audi A3 door [betrokkene 1] gezien, waarna door [betrokkene 1] een achtervolging werd ingezet. Op de A9 is de Audi A3 met zeer hoge snelheid gaan rijden, waarna een ongeluk heeft plaatsgevonden waarbij de Audi A3 van de weg is geraakt en halverwege het talud nabij een sloot is terechtgekomen. Vastgesteld kan dan ook worden dat niet alleen [verdachte] maar ook [medeverdachte] in de Audi zat op het moment dat de auto verongelukte. Nu zowel [verdachte] als [medeverdachte] geen verklaringen hebben willen afleggen omtrent de aard en het motief van hun aanwezigheid op de [adres] en ook overigens niet is gebleken dat die aanwezigheid daar een legitieme reden had, dient naar het oordeel van het hof op grond van de bovengenoemde feiten en omstandigheden te worden geconcludeerd dat hun aanwezigheid aldaar niet kan worden verklaard door andere dan criminele motieven. De advocaat-generaal heeft betoogd dat de activiteiten van [verdachte] en [medeverdachte] waren gericht op het voorbereiden van een moord op [betrokkene 1]. De advocaat-generaal heeft daartoe gewezen op de verklaring van [betrokkene 1], dat deze vermoedde dat de inzittenden van de Audi van plan waren om hem te liquideren en op de bevindingen uit het onderzoek Lampion zoals die hiervoor bij de feiten en omstandigheden zijn weergegeven. Voorts heeft de advocaat-generaal gewezen op de bevindingen uit het onderzoek Lampion 2 (een onderzoek naar de vermeende opdrachtgevers voor een aanslag op [betrokkene 1]), zoals die in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Uit bevindingen in het onderzoek Lampion 2 blijkt volgens de advocaat-generaal dat [medeverdachte] contacten onderhield met vermeende opdrachtgevers, dat [medeverdachte] geld – een bedrag van € 50.000,- – was toegezegd en dat in dat onderzoek geobserveerde ontmoetingen betrekking hadden op een opdracht tot liquidatie van [betrokkene 1]. Naast concrete observaties en afgeluisterde gesprekken heeft de advocaat-generaal ter duiding van de contacten gewezen op Cie-informatie. Het hof overweegt hieromtrent dat de vaststelling dat [verdachte] en [medeverdachte] kennelijk uit criminele motieven en voorzien van een gestolen, snelle auto en een geladen vuurwapen bij de woning van [betrokkene 1] aanwezig waren, op zichzelf nog niet meebrengt dat die criminele motieven waren gelegen in het om het leven brengen van [betrokkene 1]. Hoewel uit de stukken van het onderzoek Lampion 2 naar voren komt dat sprake is van mogelijk betekenisvolle contacten tussen [medeverdachte] en andere personen, zoals [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4], dat [medeverdachte] kennelijk verwachtte veel geld te zullen verdienen en dat op latere momenten contacten tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben plaatsgevonden, vormen ook deze aanwijzingen onvoldoende grond voor de conclusie dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld, dat [verdachte] en [medeverdachte] zich hebben schuldig hebben gemaakt aan de gezamenlijke voorbereiding van moord op [betrokkene 1]. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat geen van de betrokkenen een verklaring heeft willen afleggen en dat ook [betrokkene 1] niet heeft kunnen of willen ophelderen, wie hem zou (hebben) willen liquideren en om welke reden. Nu naar het oordeel van het hof aldus niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zal het hof de verdachte hiervan vrijspreken. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft, voor het geval het hof het primair ten laste gelegde niet bewezen mocht achten, gerequireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde overeenkomstig het oordeel van de rechtbank. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het subsidiair tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het bij de Audi aangetroffen vuurwapen en de aangetroffen munitie - al dan niet tezamen en in vereniging met de medeverdachte [medeverdachte] - voorhanden heeft gehad. Overwegingen en oordeel van het hof Uit de feiten en omstandigheden zoals hierboven weergegeven kan worden afgeleid dat [verdachte] en [medeverdachte] op 9 november 2011 een gezamenlijke afspraak hadden waarover zij in de dagen daarvoor veelvuldig contact hebben gehad en waarbij werd gesproken over wie welke spullen zou meenemen. Tevens stelt het hof vast dat zij op 9 en 10 november 2011 achtereenvolgens elkaar hebben ontmoet, zij samen zijn vertrokken uit de woning van [medeverdachte] en dat zij zich samen op de [adres] in een Audi A3 hebben opgehouden. Hun activiteiten gedurende deze periode kunnen niet anders worden verklaard dan te zijn ingegeven door criminele motieven. Voorts volgt daaruit dat [verdachte] en [medeverdachte] beiden in de Audi A3 zaten, toen deze op de A9 verongelukte. Naast de Audi A3 werd in het gras een vuurwapen, te weten een pistool van het merk Glock, type 17, aangetroffen. Dit pistool was doorgeladen en voor direct gebruik geschikt. In de kamer van het pistool bevond zich een 9 mm Luger patroon en in de patroonhouder zaten nog 12 patronen. In het portier van de Audi A3 aan de passagierskant werden 15 patronen van kaliber 7.65 mm Browning aangetroffen. Van het bij de Audi A3 aangetroffen pistool zijn aan de binnenzijde van de slede en de zichtbaar geworden delen na verwijdering daarvan DNA-sporen aangetroffen, die door het NFI zijn onderzocht. Uit dit onderzoek volgt dat de binnenzijde van het pistool celmateriaal bevat dat van [medeverdachte] afkomstig kan zijn. Deze omstandigheden duiden er onmiskenbaar op dat het vuurwapen in de Audi A3 aanwezig was ten tijde van het ongeval. In de Audi A3 lagen onder meer ook patronen zichtbaar in een portier. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen waren [verdachte] en [medeverdachte] die nacht tezamen op pad en voerden zij gezamenlijk een niet geheel opgehelderd, maar evident crimineel plan uit. Op grond van alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien en nu niet is gebleken van enige omstandigheid die tot een ander oordeel zou kunnen leiden, is geen andere conclusie mogelijk dan dat [verdachte] en [medeverdachte] zich beiden bewust waren van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie in de auto en dan ook over dat wapen en die munitie gezamenlijk de beschikking hadden. Aldus is tussen [verdachte] en [medeverdachte] dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie. Het hof heeft daarbij meegewogen dat de verdachte geen enkele, hem ontlastende, verklaring heeft afgelegd omtrent de aangetroffen Glock en de munitie. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte] op 10 november 2011 de tenlastegelegde Glock en de munitie voorhanden heeft gehad. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: subsidiair:hij tezamen en in vereniging met een ander op 10 november 2011 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool, merk Glock, type 17), en munitie van categorie III, te weten patronen (9mm Luger en 7.35 Browning), voorhanden heeft gehad. Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezen verklaarde levert op: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest. Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft samen met de medeverdachte [medeverdachte] een doorgeladen vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van een doorgeladen vuurwapen en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. De omstandigheden waaronder de verdachte en zijn mededader het vuurwapen voorhanden hebben gehad duiden er op dat zij een (onbekend gebleven) misdadig doel nastreefden, in welk licht bezien het in hoge mate verontrustend is dat het vuurwapen ten tijde van dat voorhanden hebben voor onmiddellijk gebruik gereed was. Voorts heeft het hof acht geslagen op het een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 januari 2015 waaruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld, zij het voor andersoortige delicten. Het hof acht, alles afwegende, de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf passend en geboden. Beslag Het subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen: - 1.00 STK wapen Kl: zwart GLOCK 19 met beslagnummer 258180; - 1.00 STK patroonhouder Kl: zwart met beslagnummer 258182; - 28.00 STK munitie Kl: goudkleurig met beslagnummer 258181. Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Voorts zijn de voorwerpen: - 1.00 STK zwaailicht met beslagnummer 281252; - 1.00 STK kentekenplaat met beslagnummer 281286; - 1.00 STK kentekenplaat met beslagnummer 310384; bij gelegenheid van het onderzoek naar het onder subsidiair begane misdrijf aangetroffen. Deze voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien zij aan de verdachte toebehoren, kunnen dienen tot belemmering van de opsporing van soortgelijke feiten en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met het algemeen belang en de wet. De in beslag genomen Audi A3 en de navigatieapparatuur dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbende. De overige in beslag genomen voorwerpen, behoren aan de verdachte toe en dienen aan hem te worden teruggegeven. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] In hoger beroep heeft [benadeelde partij] zich gevoegd als benadeelde partij en vergoeding gevraagd voor de door hem geleden schade aan de Audi A3. Omdat hij zich in eerste aanleg niet heeft gevoegd, kan hij niet worden ontvangen in zijn vordering. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte naar burgerlijk recht wel aansprakelijk is voor de schade aan de Audi A3 en verzocht aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Anders dan de advocaat-generaal komt het hof tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde overtreding van de Wet wapens en munitie. Nu de schade aan de Audi A3 niet door het bewezen verklaarde feit is toegebracht, kan de schadevergoedingsmaatregel niet worden opgelegd. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - 1.00 STK zwaailicht met beslagnummer 281252; - 1.00 STK kentekenplaat met beslagnummer 281286; - 1.00 STK kentekenplaat met beslagnummer 310384; - 1.00 STK wapen Kl: zwart GLOCK 19 met beslagnummer 258180; - 1.00 STK patroonhouder Kl: zwart met beslagnummer 258182; - 28.00 STK munitie Kl: goudkleurig met beslagnummer 258181. Gelast de teruggave aan de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - 1.00 STK personenauto, AUDI A3, Kl: ZWART met beslagnummer 258501; - 1.00 STK navigatieapparatuur. Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - 1.00 STK boxershort met beslagnummer 312197; - 1.00 STK broek met beslagnummer 258185; - 1.00 paar handschoenen met beslagnummer 312188; - 1.00 STK jas, een wollen jas met maat 54, met beslagnummer 258183; - 1.00 paar schoenen, half hoge sportschoenen, met beslagnummer 258188; - 1.00 STK shirt, opengeknipt t-shirt met lange mouwen, maat XL, met beslagnummer 258186; - 1.00 STK sjaal met beslagnummer 258189; - 1.00 STK agenda met beslagnummer D1150-2; - Diverse notities met beslagnummer D1150-4; - 1.00 STK agenda met beslagnummer D-1410-1; - 1.00 STK helm met beslagnummer 281234; - 1.00 STK sok met beslagnummer 281282; - 1.00 STK helm met beslagnummer 310385; - 1.00 STK pet met beslagnummer 310390; - 1.00 STK muts met beslagnummer 310392. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk. Wijst af de vordering tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. H.S.G. Verhoeff en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2015. =========================================================================
ECLI:NL:GHAMS:2017:5436
afdeling strafrecht parketnummer: 23-005007-15 datum uitspraak: 27 december 2017 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-730046-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], thans gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 april 2016, 11 december 2017 en 13 december 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/730030-17 (13Baudette) Datum uitspraak: 21 augustus 2018 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] [woonplaats] , gedetineerd in Detentiecentrum [naam Detentiecentrum] . Verdachte wordt hierna “ [verdachte] ” genoemd.

1Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17, 18 en 19 juli 2018 en 14 augustus 2018. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. H. Hoekstra en A. van de Venn (hierna: de officier van justitie) en van wat [verdachte] en zijn raadsman mr. C.W. Flokstra naar voren hebben gebracht. De benadeelde partij [beoogd doelwit] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Tot slot heeft de rechtbank kennis genomen van de verklaringen van de deskundigen, R. Kalikadien, N.M. Lalta en S.R. Ruissen-Soeratram, die op de terechtzitting van 17 juli 2018 zijn verschenen en de verklaring van de deskundige, K.S.W.M. Rolfast, die op de terechtzitting van 18 juli 2018 is verschenen. 2Tenlastelegging [verdachte] wordt er – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 17 juli 2018 – van beschuldigd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

1. medeplegen van voorbereiding van moord of doodslag in de periode van 20 april 2017 tot en met 1 juni 2017 in Almere en/of Amsterdam door opzettelijk diverse voorbereidingsmiddelen te verwerven en/of voorhanden te hebben, bestemd om dat misdrijf mee te plegen. Als dit niet kan worden bewezen wordt hij beschuldigd van medeplichtigheid hieraan;

2. medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie op 1 juni 2017 in Almere;

3. medeplegen van opzetheling of schuldheling in de periode van 17 mei 2017 tot en met 1 juni 2017 in Amsterdam en/of Almere van twee BMW’s en een Volkswagen Caddy, alle drie voorzien van een vals kenteken. De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank dient, volgens de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging, feit 3 de zinsnede ‘dat het (een) door verkregen goed(eren) betroffen’ te worden gelezen als: ‘dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betroffen’.

Omdat sprake is van een kennelijke verschrijving zal de rechtbank de tenlastelegging verbeterd lezen. Gelet op de behandeling op zitting is [verdachte] daardoor niet in de verdediging geschaad. 3Waardering van het bewijs 3.1 Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3. Het medeplegen van de voorbereiding van een liquidatie (feit 1) kan worden bewezen op grond van de volgende omstandigheden. In het onderzoek 13Baudette zijn in de periode van 20 april 2017 tot en met 1 juni 2017 een groot aantal OVC-gesprekken opgenomen in een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] , de auto van [medeverdachte 1] .

De start van de voorbereidingshandelingen heeft zich echter daarvoor, kennelijk buiten het zicht van de politie, afgespeeld. De relevante gesprekken zijn – voor zover die in de Surinaamse taal, het Sranan, zijn gevoerd – door vier verschillende tolken uitgewerkt. In de OVC-gesprekken is te horen dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 1] spraken over ‘timeren’ en de ‘Caddy’. Zij spraken daarbij over een gezamenlijk doel. In een gesprek met [medeverdachte 3] en [naam 1] sprak [medeverdachte 2] over ‘de schutters’ (sessienummer 56).

Alle onderzoeksresultaten tezamen wijzen op een gezamenlijk doel van [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] : het voorbereiden van een liquidatie. Uit de OVC-gesprekken blijkt vervolgens dat elke verdachte met hetzelfde criminele doel handelde. Het beoogde doelwit was [beoogd doelwit] (hierna: [beoogd doelwit] ). Hij is in 2012 al eens beschoten en heeft verklaard dat hij op de straat heeft gehoord dat hij op de lijst van [naam 2] staat, een grote speler in de Amsterdamse onderwereldvete. De verdachten hebben gedurende de ten laste gelegde periode onder andere twee gestolen BMW’s en een gestolen Caddy met vervalste kentekenplaten voorhanden gehad.

Deze auto’s zijn gebruikt voor de voorverkenningen en zouden worden gebruikt bij de uitvoering van de liquidatie en de vlucht daarna. In de schuur van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] werden een flesje met benzine en ammoniak gevonden. Tijdens de aanhouding hadden [medeverdachte 2] en [verdachte] PGP telefoons (PGP betekent Pretty Good Privacy) en donkere kleding bij zich. Ook bij [medeverdachte 3] werd een PGP- telefoon aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat criminelen met zulke telefoons over de uitvoering van strafbare feiten communiceren, omdat de daarmee verzonden versleutelde berichten moeilijk te onderscheppen zijn. [verdachte] droeg tijdens zijn aanhouding twee lagen kleding over elkaar, een muts en handschoenen. [medeverdachte 2] had tijdens zijn aanhouding een geladen vuurwapen bij zich.

Uit al deze feiten en omstandigheden blijkt met voldoende bepaaldheid dat zij het opzet hadden om een levensdelict voor te bereiden. [verdachte] werkte nauw samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] (feit 1). Hij was betrokken bij diverse voorverkenningsrondjes, verplaatste de gestolen BMW, gaf [medeverdachte 2] aanwijzingen bij het tanken van het flesje benzine en gaf hem hiervoor een flesje en handschoenen. Het doosje van de PGP-telefoon van [verdachte] is tijdens de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 1] gevonden. Nu [verdachte] met [medeverdachte 2] samenwerkte en [medeverdachte 2] op 1 juni 2017 in de BMW een wapen bij zich had, kan het voorhanden hebben van dit wapen ook ten aanzien van [verdachte] – via de medeplegen constructie – worden bewezen (feit 2).

Op basis van die samenwerking kan ook worden bewezen dat [verdachte] wist dat de voertuigen van diefstal afkomstig waren toen hij deze – ook via de medeplegen constructie – voorhanden had (feit 3). 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman verzoekt om vrijspraak van het medeplegen van voorbereiding van moord (feit 1) of medeplichtigheid daaraan. Er is geen concreet bewijs dat [verdachte] en de medeverdachten opzet hadden op moord, nu doorslaggevend bewijs voor een concrete en voorgenomen liquidatie ontbreekt. De aangetroffen goederen en de modus operandi wijzen evenmin op opzet. [verdachte] had geen betrokkenheid bij of wetenschap van de vermeende criminele plannen.

Hij was niet aanwezig tijdens de gesprekken die [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [naam 1] in april en mei 2017 voerden. De modus operandi die de officier van justitie heeft gepresenteerd sluit niet uit dat er een ander crimineel doel was dan moord. Het ‘schutter’-gesprek (sessienummer 56) en het ‘rijp’-gesprek (sessienummer 289) zijn relevant voor de vraag welk misdrijf werd voorbereid, maar [verdachte] nam geen deel aan die gesprekken en bovendien kan hieruit geen opzet op het voorbereiden van moord worden afgeleid.

De OVC-gesprekken moeten in deze zaak met grote behoedzaamheid worden beoordeeld, omdat is gebleken dat iedereen wat anders hoort, bedoelt of interpreteert. [verdachte] was niet aanwezig bij het zogenaamde ‘uitkammen’-gesprek (sessienummer 33). De officier van justitie leidt uit het ‘schutter’-gesprek bovendien ten onrechte af dat dit gesprek wijst op het voornemen om iemand te vermoorden en dat dit in directe relatie staat tot de persoon in de [adres 2] . Het ‘rijp’-gesprek is op verschillende manieren uitgewerkt en er zijn meerdere interpretaties van het woord ‘rijp’.

Daarom kan dat OVC-gesprek niet dienen tot het bewijs voor opzet bij [verdachte] en de medeverdachten op moord van [beoogd doelwit] . Onder verwijzing naar de arresten van het Hof Amsterdam van 27 februari 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:644) en 27 december 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:5436) stelt de raadsman zich op het standpunt dat de uiterlijke verschijningsvorm in combinatie met het – al dan niet voorgenomen – gebruik daarvan onvoldoende is om tot een bewezenverklaring van een voorbereiding van moord te komen, omdat andere scenario’s daarbij onvoldoende kunnen worden uitgesloten.

Dat [beoogd doelwit] het beoogde doelwit was staat niet vast, want de TCI-informatie is daarvoor te vaag. De verdachten hadden [beoogd doelwit] nog geen enkele keer daadwerkelijk gezien en wisten dus niet of hij er was. Daarnaast bevond het flesje benzine zich niet in de BMW, waarvan wordt aangenomen dat dit de vluchtauto was. [verdachte] wist niet dat [medeverdachte 2] een wapen bij zich had en niet is gebleken dat hij hier beschikkingsmacht over had. Daarom staat niet vast dat hij het wapen en de munitie van [medeverdachte 2] voorhanden heeft gehad (feit 2) en moet hij van dit feit worden vrijgesproken.

Niet is gebleken dat [verdachte] betrokken was bij de BMW en de Caddy die in april en mei 2017 zijn gebruikt (feit 3). Daarom moet hij van deze in dit feit genoemde auto’s worden vrijgesproken. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen in bijlage II van de volgende feiten en omstandigheden uit. In de periode van 22 april 2017 tot en met 31 mei 2017 reed [medeverdachte 2] 15 keer door of in de omgeving van de [adres 2] te [plaats] .

Dit was op 22 april, 29 april, twee keer op 20 mei, twee keer op 21 mei, twee keer op 22 mei, 23 mei, twee keer op 27 mei, 29 mei, twee keer op 30 mei en op 31 mei 2017. Op het adres [adres 2] stond [beoogd doelwit] ingeschreven. Deze straat bevindt zich in de [plaats] . Op 21 april 2017 reden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 1] in de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] (hierna: de Polo) van medeverdachte [medeverdachte 1] , de vriendin van [medeverdachte 2] . Zij voerden het volgende gesprek: [medeverdachte 2] : We gaan niet parkeren waar we die brommer gezet hebben snap je.

Mogen niet lang met die waggi. Lopen wij gewoon binnendoor toch. Morgen gaan we die…busje gaan we daar zetten, ja toch? We gaan bij deze man niet in die parking lopen waar we die dingen gaan rijden toch? [medeverdachte 3] : Ja, gaat niet open. [medeverdachte 2] : Gaan we gewoon via die achterkant. Snap je? Rustig. [medeverdachte 3] : Ze gaan weten dat jullie naar dingen gaan, muziekwijk. Die politiebureau ze gaan daar helemaal uitkammen. Helemaal uitkammen. Daar gaan ze helemaal uitkammen. Literatuurwijk komen alle politie ntv. Dus jullie moeten echt scherp zijn wanneer je dingen gaat zetten.

Ntv. Ze gaan hem sowieso vinden. Dat weet ik 100%. In principe gaan ze sowieso vinden 100%. [medeverdachte 2] : Als die bakkie open kon, bakkie? We gaan gewoon erin. [medeverdachte 3] : Goed schoonmaken, ntv uitladen, ntv bewust met blote handen. Je gaat niet overal kunnen schoonmaken. [medeverdachte 2] : Je kan geluk hebben dat er geen dinge… motorman daar is. ntv. Je kan ook ongeluk hebben dat… [medeverdachte 3] : Het is vrijdag toch. Die skotoe, Grote Markt toch? Moeten ze een melding krijgen toch? Gaan ze van Grote Markt naar Muziekwijk, misschien, nog niet eens een minuut snap je? [medeverdachte 3] :

Motro ntv sowieso richting stad rijden. Hoe je ook het ook draait of keert. Je kunt ook naar Almere Poort gaan snap je? Sowieso moet je. Op 22 april 2017 rond 01.07 uur reden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 1] in de Polo in de omgeving van de [adres 2] . Zij voerden het volgende gesprek: [medeverdachte 2] : Zet de waggie daar op diezelfde plek van die man, ja! Je gaat meteen moeten/loesoe toch? Ja man dan gaan we die man zijn waggie neerzetten ntv… of gaat ie nog weg gaan, denk het niet. [naam 1] : Sowieso als hij uit zou gaan zou hij sowieso allang al de deur uit zijn.

Als hij uit zou gaan dan gaat hij toch niet om half twee uit! [medeverdachte 2] : het kan man. […] [medeverdachte 2] : Morgenochtend toch? Die bak… open maken toch? [medeverdachte 3] : Kunnen we nu toch proberen? [medeverdachte 2] : Gaan we doen ja. We gaan timeren (wachten) in dat ding, morgen. Die bak toch van die ding gaan we timeren tot hij naar buiten komt toch! [medeverdachte 2] : Die man zegt tegen me, dat jij weet hoe je dat open moet doen. Met een schroevendraaier. Die bak. [naam 1] : welke bak? Van die… [medeverdachte 2] : Caddy ja.

Op 22 april 2017 rond 22.00 uur reden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 1] in de Polo in de Muziekwijk in Almere en zei [medeverdachte 2] op het moment dat zij bij een tankstation zonder camera’s aankwamen: “Je moet verder nadenken toch. Stel ze hebben kenteken gezien van verdachte. Oke ze hebben geen gezichten gezien maar gewoon snap je. Maar ze gaan kijken ntv oh dus ik moet tanken ooh. Deze twee lijken op die schutter. Ze hebben geen camera’s hier”. Op 25 april 2017 om 00.28 uur waren [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 1] in de Muziekwijk in Almere.

Daar voerden zij het volgende gesprek: [naam 1] : Ik zei tegen hem over die busje, je weet toch. Gaat niet je weet toch om in die busje te gaan timeren, ik zeg maar dat gaat niet man. Ik zeg tegen hem die ding heeft volgens mij storing ofzo man. Ik zeg tegen hem van de vorige keer we hebben geen lichte aangelaten weet je toch. Ik zeg tegen hem die ding is gewoon ehh die busje is gewoon paranoia broer. [medeverdachte 3] : Als je die sleutel uit het contact haalt en.. hoor je… ieeee irritant geluid. […] [naam 1] : kentekenplaten pakken. En op internet kijken APK.

Broer zeg tegen die gasten, brother, voordat ze überhaupt een kaulo sleutel kopiëren moeten ze eerst kijken naar de APK. Op 25 april 2017 vond een observatie plaats rondom een gestolen Volkwagen Caddy met kenteken [kenteken] (hierna: de Volkswagen Caddy). Om 20.02 uur voerden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 1] rijdend in de Polo naar de Volkswagen Caddy toe het volgende gesprek: [naam 1] : we kunnen die busje daar weer gaan zetten maar ik zeg tegen hem stel je voor hij gaat niet aan voor die deur [medeverdachte 2] : […] ok ok jullie komen naar me toe, even kijken of hij start.

Als hij niet start… [naam 1] : Ja ja het is wel heet je weet toch. Stel je voor hij kijkt of iemand ziet je of wat dan ook… ja dan kan je ook… een hele kale busje hij ziet die busje en daaro belt ie en dan. Eh broer ik zeg je eerlijk he als we in die busje zitten broer ik zeg eerlijk ik heb trauma’s van die gannoes bij ons te halen ze.. gewoon heel dicht bij ons in die busje […] [medeverdachte 3] : Die actie…ntv…toch? Of busje gelijk branden …ntv [naam 1] : Busje gelijk branden is eigenlijk optimaal [medeverdachte 3] : Ok, als we gelijk kunnen branden gaan we niet met die benzine in de auto rijden, we gaan…. […] [medeverdachte 3] : we gaan het wegzetten waar we het gaan branden […] [medeverdachte 2] :

Hm hm. Ja tuurlijk…. Om 20.16 uur werd vervolgens gezien dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de Polo van [medeverdachte 1] parkeerden in de Altvioolstraat. [medeverdachte 2] , [naam 1] en [medeverdachte 3] stapten uit. [naam 1] liep naar de Volkswagen Caddy, stapte in als bestuurder en reed met [medeverdachte 3] weg. [naam 1] parkeerde de Volkswagen Caddy op een parkeerplaats. [naam 1] en [medeverdachte 3] stapten uit en verrichtten handelingen aan de achterzijde van de Volkswagen Caddy ter hoogte van de kentekenplaat. [medeverdachte 2] liep ook naar de Volkswagen Caddy, keek ernaar en liep vervolgens weer weg. [medeverdachte 3] stapte vervolgens weer in en parkeerde de Volkswagen Caddy in de Altvioolstraat. [medeverdachte 2] en [naam 1] liepen vervolgens weg. [medeverdachte 2] en [naam 1] kwamen [medeverdachte 3] vervolgens lopend weer tegen, waarna zij weer samen verder liepen.

Op 29 april 2017 reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Polo vanaf de [adres 3] , waar [medeverdachte 1] woont, naar het zuiden van het land. De Polo maakte om 15.29 uur een rondje door de [adres 2] . In de nacht van 13 op 14 mei 2017 reden [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] vanuit Almere naar Amsterdam-Noord. Op de Achtersteven werd de Polo geparkeerd. Vervolgens was te horen dat de portieren open en dicht gingen. Nadat de Polo korte tijd geparkeerd had gestaan reed deze terug naar Almere. [medeverdachte 1] zat nu alleen in de auto.

In een telefoongesprek dat zij vervolgens voerde, vertelde zij dat zij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] had afgezet om een andere auto te halen. Op 15 mei 2017 werd [medeverdachte 3] door de politie aangetroffen in een gestolen BMW met vervalste kentekenplaten met kenteken [kenteken] . Tijdens zijn aanhouding belde hij naar de telefoon van [medeverdachte 1] en kreeg hij [medeverdachte 2] te spreken, die hem adviseerde om weg te rennen. Op 20 mei 2017 reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Polo. De Polo reed om 22.28 uur door de [adres 2] .

Hierna reed de Polo door naar Amsterdam. Nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kort in Amsterdam waren geweest reed de Polo weer terug naar Almere. Weer reed de Polo de Literatuurwijk in. Nu zette [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] af in de Cees Buddinghstraat, een straat die grenst aan de [adres 2] en reed alleen naar huis. Vlak voordat [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] afzette in de Cees Buddinghstraat voerden zij het volgende gesprek: [medeverdachte 1] : Moet ik terug komen? [medeverdachte 2] : Ik ga je melden als het koud is toch. Als het niet koud is ga ik gewoon zitten.

Op 21 mei 2017 om 01.18 uur haalde [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] weer op in de omgeving van de [adres 2] . Om 03.37 uur reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] nogmaals door de [adres 2] . Zij kwamen vanaf het centrum van Almere en reden via de [adres 2] naar de [adres 3] . De [adres 2] ligt niet op de route van het centrum naar de [adres 3] . Op het moment dat zij door de [adres 2] reden, vond het volgende gesprek plaats: [medeverdachte 2] : (scheldt uit) [medeverdachte 1] : Hij zet het ergens of hij heeft een andere auto [medeverdachte 2] :

Nee dan weet ik het direct Op 22 mei 2017 reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Polo van Amsterdam naar Almere, waar zij om 20.57 uur door de [adres 2] reden. Rond 23.30 uur reden zij nogmaals naar de Literatuurwijk, naar de Jan Campertstraat, en stopten daar. Vlak voordat zij daar uit de Polo stapten, vond het volgende gesprek plaats: [medeverdachte 2] : Rij binnendoor ntv kan rennen en die ding weggooien. Ik neem een klote fiets en dan ga ik mijn werk rustig doen. [medeverdachte 1] : we moeten een snorfiets hebben. [medeverdachte 2] :

Ehe, weggooien of niet, in het water. Ik neem het geld voor drie mensen. Een 50. Op 23 mei 2017 om 19.45 uur zette [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] weer af in de omgeving van de [adres 2] . [medeverdachte 1] reed alleen weer weg. Om 21.34 uur pikte [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] op de Herman Gorterweg weer op. De Herman Gorterweg is de toegangsweg naar de Literatuurwijk. Op 27 mei 2017 rond 01.31 uur reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Polo door de [adres 2] . Op 27 mei 2017 rond 23.25 uur reden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een andere man weg vanaf [adres 3] naar de Jan Camperstraat.

Hier stapte [medeverdachte 2] uit de Polo. Om 23.42 uur stapte [medeverdachte 2] weer in de Polo en zij reden weer weg. Op 29 mei 2017 om 18.45 uur werd een gestolen BMW verplaatste van een parkeerplaats in Amsterdam-Noord naar de Prozastraat in Almere. Daar werd de BMW geparkeerd. Inmiddels was het voertuig voorzien van valse kentekenplaten met het kenteken [kenteken] . Om 23.00 uur reden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de Polo naar de Borneostraat in Amsterdam om [verdachte] op te halen. Daarna reden ze naar de J.J. Slauerhoffstraat in Almere, waar [verdachte] en [medeverdachte 2] uitstapten en [medeverdachte 1] wegreed.

Op schermafbeeldingen van een camera was te zien dat op 29 mei 2017 tussen 23.31.11 uur en 23.31.13 uur twee personen, een negroïde en een blanke man, vanuit de steeg de [adres 2] inliepen. De blanke man werd herkend als [verdachte] . Om 23.34 uur stapten [verdachte] en [medeverdachte 2] in de BMW en verplaatsten deze naar de Jan Campertstraat. Om 23.42 uur bevonden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zich in de Polo die in de Herman Gorterweg geparkeerd stond. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] brachten [verdachte] terug naar de Borneolaan.

Op 30 mei 2017 om 20.46 uur zette [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] af op de Hans Lodeizenstraat, vlakbij de [adres 2] . Daar stapte [medeverdachte 2] uit. Hij liep de [adres 2] in. Acht minuten later stapte hij de Polo in en reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar Amsterdam om [verdachte] op te halen. Tijdens deze rit zei [medeverdachte 2] “Ik ga naar die tunnel toch, kan niet alles in de auto bespreken toch. Ik ga hem halen en praten”. Hierna stapte [medeverdachte 2] uit en sprak met [verdachte] buiten de auto. [medeverdachte 2] zei vervolgens:

“We gaan in Almere buiten zitten, daar is een café toch en die tijd doorbrengen totdat het een beetje donker is”. [verdachte] en [medeverdachte 2] reden in de Polo naar het tankstation op de Dukdalfweg. Daar zei [verdachte] tegen [medeverdachte 2] : “Hier pak handschoentje, ik ga je nog eentje geven wacht, hiero…nog eentje, dan is hier de flesje”. Na het tanken reden [medeverdachte 2] en [verdachte] terug naar de [adres 3] . Bij het parkeren gaf [verdachte] aan dat [medeverdachte 2] het tasje moest meenemen. Om 30 mei 2017 om 23.58 uur werd de gestolen BMW door [verdachte] verplaatst naar de [adres 2] .

Rond 01.42 uur, inmiddels op 31 mei 2017 kwam een persoon met de fiets via de J.J. Slauerhoffstraat door een steeg naar de woning op het adres [adres 2] [huisnummer] en is daar naar binnen gegaan. Enkele seconden later maakte de gestolen BMW een rondje door onder andere de [adres 2] en werd in die straat werd geparkeerd. Om 02.31 uur werd de gestolen BMW in de Meistraat, nabij de woning van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] geparkeerd. Op 31 mei 2017 omstreeks 19.22 uur werd de Volkswagen Polo van [beoogd doelwit] door de politie geparkeerd in de [adres 2] .

Om 19.30 uur reden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] door de [adres 2] . Toen de Polo van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] door de [adres 2] reed, was te horen dat [medeverdachte 2] zei: “Ma pang pang, hij staat in de rij”. Rond 21.20 uur reden zij naar de Borneolaan in Amsterdam en haalden [verdachte] daar weer op. [medeverdachte 2] belde [medeverdachte 3] en het volgende gesprek vond plaats: [medeverdachte 2] : Dat ding waar we waren geweest bij dinge toch, je weet waar toch. Toen we gingen lopen toch. Ga voor me kijken noh, kijk even dan, ja toch. [medeverdachte 3] :

Wat zei je nog een keer. [medeverdachte 2] : Je weet toen we met die kleine man ver gingen lopen toch, kijken of dat ding was toch. [medeverdachte 3] : Die witte ding bedoel je toch? [medeverdachte 2] : Ja toch, die kleine, net als die van mij toch. [medeverdachte 3] : No spang geregeld. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] reden vervolgens naar Almere. Het volgende gesprek vond plaats: [verdachte] : Wil je daar gaan kijken nog? [medeverdachte 2] : Ja toch, gaan kijken als die waggie nog hetzelfde dinge is, plek [verdachte] : ja, dan? Dan gaan we die andere appen.

Het is te laat om nu nog te gaan timeren. Via de omgeving van de [adres 2] reden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] naar de [adres 3] . [verdachte] en [medeverdachte 2] gingen naar de gestolen BMW in de Meistraat en openden de kofferbak, waarna [medeverdachte 2] uit beeld liep. [verdachte] stapte in de BMW en parkeerde een aantal plaatsen verderop. Rond 03.05 uur brachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [verdachte] in de Polo terug naar Amsterdam. Op 1 juni 2017 om 21.50 uur reden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar Amsterdam, waar [verdachte] instapte. [verdachte] had een gele plastic tas bij zich.

Vervolgens kwamen [medeverdachte 2] en [verdachte] aan bij de gestolen BMW. [verdachte] stapte aan de bestuurderszijde in. [medeverdachte 2] stapte 50 meter verderop in als passagier. De gestolen BMW reed de Literatuurwijk in, waar [verdachte] en [medeverdachte 2] werden aangehouden. [medeverdachte 2] en [verdachte] waren tijdens de aanhouding beiden in het bezit van een encrypted BlackBerry telefoon waarvan de batterij was verwijderd. Zij hadden de batterijen wel bij zich. [verdachte] bleek twee lagen kleding over elkaar te dragen. De bovenste laag was donker van kleur en de laag eronder was licht van kleur.

Ook droeg hij doorzichtige handschoenen en een muts. [medeverdachte 2] bleek een vuurwapen bij zich te hebben voorzien van scherpe munitie. Ook had hij handschoenen binnen handbereik. Op het vuurwapen bleek DNA van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aanwezig te zijn op meerdere plaatsen op het wapen. In de schuur van de woning aan de [adres 3] werd tijdens de doorzoeking een plastic tasje gevonden met daarin een flesje met ammoniak en een flesje met benzine. Aan het flesje benzine zat eenzelfde soort handschoen geplakt die [verdachte] droeg bij zijn aanhouding. 3.3.2 Oordeel rechtbank voor wat betreft de voorbereiding liquidatie op [beoogd doelwit] De rechtbank zal eerst beoordelen of [medeverdachte 2] zich schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van een moord op [beoogd doelwit] .

Daarna zal de rechtbank oordelen over de rol van [verdachte] . Beoogde doelwit [beoogd doelwit] De rechtbank concludeert op basis van de bovengenoemde feiten en omstandigheden dat [medeverdachte 2] op zoek was naar een auto en dat zijn handelingen waren gericht op de woning op het adres [adres 2] , waar [beoogd doelwit] stond ingeschreven. [medeverdachte 2] reed in een periode van ruim een maand veelvuldig, soms op meerdere momenten op dezelfde dag, in de (omgeving van de) [adres 2] , kennelijk op zoek naar iets. Op het moment dat [medeverdachte 2] op 31 mei 2017 door de [adres 2] reed, acht minuten nadat de politie het voertuig van [beoogd doelwit] in de [adres 2] had geparkeerd, zei [medeverdachte 2] “hij staat in de rij” en vroeg hij [medeverdachte 3] diezelfde dag of hij daar wilde kijken naar ‘die kleine, net als die van mij’ waarmee hij kennelijk het voertuig van [beoogd doelwit] bedoelde, dat net als het voertuig van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een Volkswagen Polo was.

De rechtbank concludeert hieruit dat [beoogd doelwit] het beoogde doelwit van [medeverdachte 2] was. Voorbereidingsmiddelen bestemd voor liquidatie [medeverdachte 2] en [verdachte] werden op 1 juni 2017 in de nacht aangehouden in een gestolen BMW met valse kentekenplaten ( [kenteken] ). [verdachte] droeg op dat moment een dubbele laag kleding, handschoenen en een muts. In zijn kleding trof de politie een paar tuinhandschoenen aan. [medeverdachte 2] gaf direct aan dat hij een vuurwapen had en tussen zijn benen zag de politie een handschoen liggen.

Tijdens een doorzoeking zijn in de schuur van [medeverdachte 1] een flesje benzine en een flesje ammoniak gevonden. Aan het flesje benzine zat eenzelfde soort handschoen als [verdachte] droeg tijdens zijn aanhouding. De kleding die [verdachte] tijdens zijn aanhouding droeg was geschikt om tijdens het begaan van een moord te dragen. Donkere kleding is immers geschikt om herkenning te voorkomen en in het donker minder op te vallen. De lichtere kleding die hij daaronder droeg was geschikt om op een later moment, als de politie probeert de identiteit van de daders te achterhalen, herkenning te voorkomen of verhinderen.

De handschoenen en tuinhandschoenen zijn bovendien geschikt om te voorkomen dat sporen worden achtergelaten op de plaats delict. Ammoniak is geschikt omdat het DNA-materiaal en vingerafdrukken vernietigt. De BMW, naar algemeen bekend een snel voertuig, was geschikt om als vluchtauto te dienen, ook omdat de BMW was voorzien van valse kentekenplaten. Nadat [medeverdachte 3] op 30 april 2017 in de BMW met vals kenteken [kenteken] was aangehouden, was een nieuwe vluchtauto nodig. Daarop is de BMW met vals kenteken [kenteken] in gebruik genomen. De rechtbank neemt in overweging dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij liquidaties vaak gebruik wordt gemaakt van een gestolen auto met valse kentekenplaten die na de vlucht in brand wordt gestoken.

Er stond een fles benzine gereed in de schuur van [medeverdachte 1] . Dat deze fles benzine zich tijdens de aanhouding niet in de BMW bevond, maakt de conclusie van de rechtbank niet anders. Het is immers niet komen vast te staan dat het plan ook inhield dat de vluchtauto meteen in brand zou worden gestoken. Ook de Volkswagen Polo is naar het oordeel van de rechtbank te beschouwen als een voorwerp dat bestemd is voor het begaan van het misdrijf. Daartoe wordt het volgende overwogen. Ten tijde van de aanhouding van [medeverdachte 2] en [verdachte] op 1 juni 2017 in de Literatuurwijk had [medeverdachte 2] een geladen wapen bij zich en handschoenen. [verdachte] droeg verschillende lagen kleding over elkaar, evenals handschoenen en een muts.

Beiden hadden de batterij uit hun BlackBerry telefoon gehaald. Kennelijk hielden zij er rekening mee dat zij een liquidatiepoging zouden doen als de gelegenheid zich voordeed. [medeverdachte 2] en [verdachte] zaten in de gestolen BMW toen zij werden aangehouden. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hadden [verdachte] met de Polo opgehaald in Amsterdam en vervolgens waren zij teruggereden naar Almere, waar [medeverdachte 2] en [verdachte] in de BMW stapten. De rechtbank concludeert uit deze omstandigheden dat de Polo ook bestemd was om [medeverdachte 2] en [verdachte] naar de vluchtauto te brengen in het kader van de uitvoering van de liquidatie.

De Polo diende dus niet alleen voor de voorbereiding maar ook voor het begaan van het te plegen misdrijf. Het spreekt voor zich dat het geladen vuurwapen naar de uiterlijke verschijningsvorm bestemd kan zijn tot het begaan van een liquidatie. Dit geldt ook voor de PGP (Pretty Good Privacy) telefoons die tijdens de aanhouding van [medeverdachte 2] en [verdachte] bij hen zijn aangetroffen. Door deze telefoons verzonden versleutelde berichten zijn voor politie en justitie moeilijk te onderscheppen, zodat deze goed gebruikt kunnen worden om er vertrouwelijk mee te communiceren over het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank oordeelt dat deze voorwerpen samen bestemd zijn voor een moord. De vraag is of met voldoende bepaaldheid is gebleken welk misdadig doel [medeverdachte 2] had. Voor het bewijs dat de bovengenoemde voorwerpen “bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf” moeten naar het oordeel van de rechtbank ook de contouren van het (feitelijk) te plegen misdrijf blijken. [medeverdachte 2] heeft hierover – kort gezegd – verklaard dat het om een incasso-opdracht ging en dat hij een wapen had meegenomen om zichzelf te beschermen. Mogelijk zou hij het slachtoffer gijzelen of afpersen als het niet tot betaling zou komen.

In het arrest van het Hof Amsterdam van 27 december 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:5436) heeft het Hof vrijgesproken van voorbereiding van liquidatie, omdat niet voldoende was komen vast te staan dat het criminele plan van de verdachten een liquidatie was. Anders dan in de zaak die bij het Hof diende, is in deze zaak wel sprake van een concreet slachtoffer, [beoogd doelwit] . De rechtbank wijst verder op een gesprek tussen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [naam 1] , waarin [medeverdachte 3] opmerkte dat de politie de hele buurt zou uitkammen en dat alle politie naar de Literatuurwijk zou komen.

Ook zei hij in dat gesprek ‘goed schoonmaken’ en ‘je gaat niet overal kunnen schoonmaken’. Verder hadden ze het over ‘timeren’. De rechtbank begrijpt dat dit het observeren van [beoogd doelwit] betekent. In het zogenoemde ‘schutter’-gesprek met [naam 1] , waarbij ook [medeverdachte 3] aanwezig was, zei [medeverdachte 2] : “Je moet verder nadenken toch. Stel ze hebben kenteken gezien van verdachte. Oke ze hebben geen gezichten gezien maar gewoon snap je. Maar ze gaan kijken ntv oh dus ik moet tanken ooh. Deze twee lijken op die schutter”.

Naar het oordeel van de rechtbank wijzen alle besproken feiten en omstandigheden erop dat [medeverdachte 2] bezig was met het voorbereiden van een liquidatie en de genoemde voorbereidingsmiddelen wilde gebruiken met die bestemming. Dat sprake was van een incasso-opdracht, zoals [medeverdachte 2] heeft verklaard, acht de rechtbank onaannemelijk. Zoals al overwogen droeg [verdachte] tijdens zijn aanhouding twee kledinglagen. Als het doel inderdaad was om geld op te halen of, in het uiterste geval, [beoogd doelwit] te gijzelen is nog niet in te zien waarvoor het dragen van twee kledinglagen diende.

Verder is gebleken dat [medeverdachte 2] en de medeverdachten een snelle vlucht voorbereidden. Dat past niet bij een gijzeling. Zo’n misdrijf vereist een geruisloze vlucht en brengt met zich mee dat dit in het algemeen niet snel kan gebeuren. Een liquidatie daarentegen is een misdrijf dat veelal de aandacht trekt, bijvoorbeeld door het lossen van schoten. Bij zo’n misdrijf past juist wel een snelle vlucht. Ook het gebruik van een snorfiets past beter bij een snelle vlucht, en dus bij een liquidatie. Bovendien valt niet goed in te zien hoe een snorfiets onderdeel zou uitmaken van het scenario van [medeverdachte 2] .

Het is immers niet gebleken hoe in dat kader uitvoering zou moeten worden gegeven aan een gijzeling. Hoewel [medeverdachte 2] hierover wel is bevraagd, heeft hij hierover op zitting geen duidelijkheid verschaft. Uit de periode waarin de voorbereiding plaatsvond leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] de gelegenheid had over dit voorgenomen misdrijf na te denken en rekening te houden met de gevolgen daarvan. Daarom is sprake van voorbedachte raad en dus voorbereiding van moord. De rechtbank concludeert dat alles overwegende, op basis van alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 2] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereiding van moord op [beoogd doelwit] .

De genoemde middelen waren daarbij bestemd tot het begaan van de moord. Rol [verdachte] De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of [verdachte] opzet had op het misdadige doel, de liquidatie van [beoogd doelwit] . Op basis van de onder 3.3.1 genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] de gestolen BMW met het valse kenteken [kenteken] , het geladen vuurwapen, encrypted telefoons, een flesje met daarin een hoeveelheid benzine, lagen kleding en plastic- en tuinhandschoenen voorhanden heeft gehad. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of ook [verdachte] deze middelen voorhanden heeft gehad met het oog op een moord Ter beantwoording van deze vraag zal de rechtbank hieronder eerst nader ingaan op de rol van [verdachte] .

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] een belangrijke rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van de liquidatie in de dagen voorafgaand aan de aanhouding van [medeverdachte 2] en [verdachte] . Dit leidt de rechtbank in het bijzonder af uit de volgende feiten en omstandigheden. [verdachte] werd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vier avonden achter elkaar vanuit Almere opgehaald in Amsterdam, waarna zij met zijn drieën naar Almere reden. [verdachte] werd iedere keer ook weer door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] teruggebracht naar Amsterdam.

Op 29 mei 2017 werden [verdachte] en [medeverdachte 2] door [medeverdachte 1] afgezet in de J.J. Slauerhoffstraat. Op schermafbeeldingen van een camera was te zien dat [verdachte] met een negroïde man, die [medeverdachte 2] geweest moet zijn, vervolgens vanuit een steeg de [adres 2] inliep. Vervolgens werd door een observatieteam gezien dat [verdachte] en [medeverdachte 2] in de gestolen BMW stapten en deze naar de Jan Campertstraat verplaatsten. Vervolgens brachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] [verdachte] weer in de Polo terug naar Amsterdam.

Hier is [verdachte] langs of heeft [verdachte] in de buurt van de woning van [beoogd doelwit] gelopen. Op 30 mei 2017 reden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opnieuw naar Amsterdam om [verdachte] op te halen en zei [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 1] dat hij dingen met [verdachte] in een tunnel moest bespreken die hij niet in de auto kon bespreken. [medeverdachte 2] zei vervolgens tegen [medeverdachte 1] : “We gaan in Almere buiten zitten, daar is een café toch en die tijd doorbrengen totdat het een beetje donker is”. Diezelfde avond reden [medeverdachte 2] en [verdachte] naar het tankstation op de Dukdalfweg. [verdachte] zei:

“Hier pak handschoentje, ik ga je nog eentje geven wacht, hiero…nog eentje, dan is hier de flesje”. Na het tanken reden [verdachte] en [medeverdachte 2] terug naar de [adres 3] en instrueerde [verdachte] [medeverdachte 2] dat hij het tasje moest meenemen. Om 23.58 uur verplaatste [verdachte] de BMW naar de [adres 2] . Rond 01.42 uur, inmiddels op 31 mei 2017, maakte hij een rondje met de BMW een paar seconden nadat de bewoner van de woning op huisnummer [huisnummer] , de woning naast [beoogd doelwit] , was thuisgekomen. Op diezelfde dag werd de auto van [beoogd doelwit] door de politie in de [adres 2] geparkeerd.

Toen [medeverdachte 2] kort daarna door de [adres 2] reed, zei hij “ma pang pang hij staat in de rij”. De rechtbank heeft hierover overwogen dat dit ging over de auto van [beoogd doelwit] in de [adres 2] . Diezelfde avond reden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] naar Rotterdam. Op de terugweg vroeg [verdachte] aan [medeverdachte 2] of hij daar nog wilde kijken en zei [verdachte] : “Het is toch te laat nu om te timeren. Gaan we morgen gewoon timeren toch?”. Ook zei [verdachte] tijdens de rit van Rotterdam naar Amsterdam “Het is weer die bus.

Van daar verderop al man, ik vertrouw dat soort busjes niet. Ik ben een keer gevolgd door zo’n busje. Kan een busje van het ot zijn, man”. Later die avond werden [verdachte] en [medeverdachte 2] samen aangehouden in de gestolen BMW, die op dat moment door [verdachte] werd bestuurd en waarvan hij de sleutel tot zijn beschikking had. Zij waren in het bezit van PGP-telefoons waarvan de batterij was verwijderd. De batterijen hadden ze wel bij zich. [verdachte] droeg handschoenen, een muts en twee lagen kleding over elkaar. Wetenschap [verdachte] van de voorbereiding van een moord Hierboven heeft de rechtbank geoordeeld dat [medeverdachte 2] als doel had om [beoogd doelwit] om het leven te brengen.

Uit bovenstaande volgt dat [verdachte] een actieve deelname had in die voorbereiding. Daarom moet hij hebben geweten van dit doel van [medeverdachte 2] , althans heeft hij – door niet door te vragen op het doel van de handelingen – in elk geval voor lief genomen dat [medeverdachte 2] een ernstig delict ging plegen, zoals moord. [verdachte] vervulde een cruciale rol in de voorbereiding van de liquidatie en werkte daarbij nauw samen met [medeverdachte 2] . Dit betekent dat [verdachte] de middelen samen met [medeverdachte 2] voorhanden had met het oog op de voorbereiding een moord.

Gezien de rol die [verdachte] in de voorbereiding heeft gehad, is de rechtbank van oordeel dat hij in voorwaardelijke zin opzet had op het voorbereiden van een liquidatie op een persoon die in de [plaats] verbleef. Hij wist immers dat het doelwit van [medeverdachte 2] een persoon was die in de [adres 2] op nummer [huisnummer] woonde. Met zijn rol aanvaardde [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans dat zijn actieve deelname bijdroeg aan het voorbereiden van een liquidatie. Het door [verdachte] naar voren gebrachte alternatieve scenario komt erop neer dat hij de BMW waarin hij is aangehouden enkel voor [medeverdachte 2] moest verplaatsen en dat hij daar een vergoeding tussen de € 500,- en € 1.000,- voor zou krijgen.

Verder heeft [verdachte] op de zitting verklaard dat hij niets wist van de voorbereiding van een liquidatie en heeft hij ontkend zich daaraan schuldig te hebben gemaakt. Hij heeft op de zitting verklaard dat hij op de dag van aanhouding samen met [medeverdachte 2] ging kijken of er een bepaald persoon thuis was. [medeverdachte 2] had wel gezegd dat er geld gehaald moest worden, maar daar zou hij niet in detail op hebben doorgevraagd. De rechtbank acht dit scenario onaannemelijk. Zij kan niet inzien waarom [verdachte] vier keer uit Amsterdam werd opgehaald en weer werd teruggebracht om daarbij voor een bedrag tussen de € 500,- en € 1000,- een gestolen auto te verplaatsen in het kader van een incasso-opdracht.

Bovendien reden [medeverdachte 2] en [verdachte] samen naar een tankstation en gaf [verdachte] aanwijzingen aan [medeverdachte 2] en gaf hij hem een handschoenen en een flesje (naar de rechtbank aanneemt: met benzine) aan. Tevens instrueert hij [medeverdachte 2] om een tasje mee te nemen. Ook dit past niet bij het door hem geschetste scenario. Het door [verdachte] geschetste scenario is daarom onaannemelijk. Dit wordt nog eens bevestigd door de dubbele laag kleding, handschoenen, muts die [verdachte] tijdens zijn aanhouding droeg en de PGP-telefoon en losse batterij die hij toen bij zich had, als ook door het feit dat hij de beschikkingsmacht had over de gestolen BMW waarin ze zaten. [verdachte] had namelijk de sleutel van deze BMW. 3.3.3.

Oordeel over feit 2: medeplegen voorhanden hebben wapen en munitie Ten tijde van de aanhouding van [medeverdachte 2] en [verdachte] op 1 juni 2017 in de Literatuurwijk had [medeverdachte 2] een geladen wapen bij zich en handschoenen. [verdachte] droeg verschillende lagen kleding over elkaar, evenals handschoenen en een muts. Beiden hadden de batterij uit hun BlackBerry telefoon gehaald. Kennelijk hielden zij er rekening mee dat zij een liquidatiepoging zouden doen als de gelegenheid zich voordeed. Daaruit volgt dat ook [verdachte] als medepleger verantwoordelijk is voor het wapen waar [medeverdachte 2] over beschikte. 3.3.4 Vrijspraak van feit 3: medeplegen heling voertuigen Niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de Volkswagen Caddy en de BMW met het valse kenteken [kenteken] van diefstal afkomstig waren.

De rechtbank spreekt hem daarom vrij van heling van deze voertuigen. Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan schuldheling van de BMW met het valse kenteken [kenteken] . [verdachte] heeft op de zitting verklaard dat hij een vermoeden had dat de BMW was gestolen. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat bij het plegen van ernstige misdrijven vaak snelle auto’s worden gestolen die vervolgens als vluchtauto dienen. [verdachte] had daarom redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze BMW gestolen was.

De rechtbank acht schuldheling bewezen. 4Bewezenverklaringen De rechtbank bewijst op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen dat [verdachte] ten aanzien van feit 1: in de periode van 29 mei 2017 tot en met 1 juni 2017 te Almere en Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van het met een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord als bedoeld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht, opzettelijk - een vuurwapen, te weten een pistool (merk Glock, model 26, kaliber 9x19 mm (synoniem 9 mm luger)) en - een patroonmagazijn met daarin 10 patronen (model volmantel rondneus, kaliber 9 mm luger (synoniem 9x19 mm) en - een personenauto’s van het merk BMW, type 5er, Reihe 530i (origineel kenteken [kenteken] , voorzien van valse kentekenplaten van het kenteken [kenteken] ) en - encrypted telefoons (merk:

Blackberry) en - een flesje met daarin benzine en - lagen kleding over elkaar en - plastic en tuin handschoenen en - een muts, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf; ten aanzien van feit 2: op 1 juni 2017 in Almere tezamen en in vereniging met een ander een wapen en munitie te weten ‐ een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk Glock, model 26, kaliber 9x19 mm (synoniem 9 mm luger)) en ‐ een patroonmagazijn (met daarin een of meer (10) patronen (model volmantel rondneus, kaliber 9 mm luger (synoniem 9x19 mm)) van categorie III voorhanden heeft gehad; ten aanzien van feit 3: in de periode van 29 mei 2017 tot en met 1 juni 2017 te Amsterdam en Almere, tezamen en in vereniging met een ander een auto van het merk BMW, type 5er, Reihe 530i (origineel kenteken [kenteken] , voorzien van valse kentekenplaten van het kenteken [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5Strafbaarheid van de feiten

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. Hij is dan ook strafbaar. 7Motivering van de straf 7.1 Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren. 7.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de op te leggen straf. 7.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank zal [verdachte] een gevangenisstraf van 7 jaren opleggen. Die gevangenisstraf is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van [verdachte] , zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Bij de keuze tot het opleggen van deze gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de volgende omstandigheden. [verdachte] is als medepleger betrokken geweest bij het voorbereiden van het plan om [beoogd doelwit] te liquideren. Met zijn voorbereidingshandelingen creëerde hij alle omstandigheden die nodig waren voor het voltooien van de liquidatie. Uit het dossier blijkt dat de betrokkenheid van [verdachte] zich uitstrekte tot enkele dagen, maar de rechtbank heeft vastgesteld dat [verdachte] en [medeverdachte 2] samenwerkten en ook het aandeel van [medeverdachte 2] kan [verdachte] daarom worden toegerekend.

De voorbereiding van de moord op [beoogd doelwit] was van een professioneel karakter. Gestolen auto’s werden voorzien van valse kentekenplaten en werden koud gezet. Met de fles benzine die in de schuur van [medeverdachte 1] – klaar voor gebruik – werd bewaard zou de vluchtauto in brand worden gestoken na het plegen van de liquidatie. [verdachte] droeg ten tijde van zijn aanhouding verschillende lagen kleding over elkaar, kennelijk om herkenning te bemoeilijken. Door het ingrijpen van de politie is de liquidatie van [beoogd doelwit] voorkomen.

Moord behoort tot de ernstigste feiten in onze strafwetgeving. Er lijkt een samenhang te bestaan tussen de feiten in deze zaak en de golf van geweld en liquidaties zoals die de afgelopen jaren tussen twee elkaar vijandige Amsterdamse groeperingen heeft plaatsgevonden en waarbij een mensenleven voor deze groeperingen geen enkele waarde lijkt te hebben. Door de recente golf van liquidaties bestaat grote onrust in de samenleving. Liquidaties in het criminele milieu leiden vanwege het gevaarzettend karakter van zulk handelen bovendien tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Dit soort feiten schokt de rechtsorde en versterkt gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank wil en kan de ogen niet sluiten voor het vele vuurwapengeweld waarmee de samenleving wordt geconfronteerd en de nietsontziende, onverschillige en brute wijze van toepassing ervan. Het opleggen van straffen dient bij te dragen aan de algemene preventie van stafbare feiten en daarom moet er een zekere afschrikwekkende werking vanuit gaan. Ook in deze zaak wordt duidelijk gemaakt dat op deze ernstige vormen van potentieel ontwrichtend geweld een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt.

De rechtbank beoogt met de op te leggen straf ook bij te dragen aan bescherming van de samenleving. Het heeft er alle schijn van dat [verdachte] slechts een zeer lage drempel heeft hoeven te nemen voordat hij het pad insloeg dat tot dit feit heeft geleid. Dergelijk handelen rechtvaardigt alleen oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Duur gevangenisstraf Bij de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat [verdachte] in de afgelopen jaren is veroordeeld voor wapenbezit en openlijk geweld en dat hij in 2009 tot zeven jaar gevangenisstraf is veroordeeld in verband met onder meer gijzeling.

Ook heeft zij rekening gehouden met de rol van [verdachte] in de voorbereiding van de liquidatie als geheel, die in tijd en handelingen beperkt is. Daarnaast speelt mee dat de rechtbank bij [verdachte] een lichtere variant van opzet, namelijk voorwaardelijk opzet, heeft aangenomen. Alles overwegende is zij van oordeel dat een gevangenisstraf van zeven jaren passend en geboden is. 8Beslag Onder [verdachte] zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK Kleding tijdens aanhouding, goednummer: 5396645; 2. 1.00 STK Tas met donkere kledingstukken incl. biv, goednummer: 5396645. De officier van justitie heeft verbeurdverklaring van de voorwerpen gevorderd. De raadsman heeft teruggave van de goederen aan [verdachte] verzocht. De voorwerpen behoren aan [verdachte] toe. Nu met behulp van die voorwerpen de bewezen verklaarde feiten zijn begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard. 9Vordering [beoogd doelwit] De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de materiële schade niet is onderbouwd. [beoogd doelwit] is ten aanzien van die post niet-ontvankelijk.

Uit het dossier is gebleken dat [beoogd doelwit] onderdeel lijkt uit te maken van de Amsterdamse onderwereldvete. Voorstelbaar is dat de voorbereiding van zijn liquidatie een gevoel van onveiligheid en stress heeft veroorzaakt. Daarom heeft de officier van justitie gevorderd de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 5.000,- en [beoogd doelwit] voor het overige niet ontvankelijk te verklaren. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat [beoogd doelwit] daarom niet-ontvankelijk is in zijn vordering. [beoogd doelwit] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering niet concreet is onderbouwd en het toelaten van nadere onderbouwing of bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. [beoogd doelwit] kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 45, 46, 57, 63, 289 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. 11Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van feit 1: medeplegen van voorbereiding van moord; ten aanzien van feit 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; ten aanzien van feit 3: medeplegen van schuldheling.

Verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren. Beveelt dat de tijd die door [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Verklaart verbeurd de voorwerpen genoemd onder 1 en 2 van de beslaglijst. Verklaart [beoogd doelwit] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Dit vonnis is gewezen door mr.

K.A. Brunner, voorzitter, mrs. R.A. Sipkens en A.C.J. Klaver, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.P. Jit, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 augustus 2018.