Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2018:5792 ECLI:NL:RBAMS:2018:5792 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:5792 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2018:5792
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Een ouder heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar: a. tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt genoten, […]. Een ouder met een partner heeft slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de partner in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont, en a. in Nederland of op het continentaal plat, in een andere lidstaat of in Zwitserland arbeid verricht, […]. Bespreking van het beroep 5. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiseres en haar partner niet voldoen aan artikel 1.6, eerste lid, onder a, in samenhang gelezen met artikel 1.6, derde lid, onder a, van de Wko, omdat zowel de aanvrager als de toeslagpartner arbeid moeten verrichten in de zin van de Wet IB 2001 wil er aanspraak gemaakt kunnen worden op kinderopvangtoeslag. Verweerder verwijst in dit verband naar uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 23 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1634) en 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:313).

Legislator headnote

AI generated

artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 7:12 van de Awb; ECLI:NL:RBAMS:2018:5792 · Rechtbank Amsterdam: Daarmee kwalificeert dit als arbeid in de zin van artikel 1.6, derde lid, aanhef en onder a, van de Wko. De rechtbank is van oordeel dat bij het bestreden besluit daarom ten onrechte is overwogen dat uit de bewijsstukken onvoldoende blijkt dat de partner van eiseres arbeid heeft verricht. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Gelet op het door verweerder subsidiair ingenomen standpunt zal de rechtbank toetsen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

Keywords

AI generated
child benefit eligibility childcare costs deduction income from dependent employment minimum contribution minimum income wages for housework

Cited Legislation

AI generated
artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht
Hiermee is het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden.
artikel 7:12 van de Awb
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2013:1634
201211345/1/A2. Datum uitspraak: 23 oktober 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 oktober 2012 in zaak nr. 12/2570 in het geding tussen: [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 15 november 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de definitief vastgestelde kinderopvangtoeslag van [appellant] over het jaar 2008 herzien en op nihil gesteld. Bij besluit van 20 april 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2018:313
201703577/1/A2. Datum uitspraak: 31 januari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 maart 2017 in zaken nrs. 16/4912, 16/5235 en 16/5236 in het geding tussen: [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 8 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellant] voor de jaren 2012 en 2013 vastgesteld op nihil en respectievelijk € 5.457,00 en € 7.940,00 aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.
ECLI:NL:RVS:2018:2439
201702643/1/A2. Datum uitspraak: 18 juli 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de Belastingdienst/Toeslagen, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2017 in zaken nrs. 16/6687, 16/6688 en 16/6689 in het geding tussen: [wederpartij] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 21 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2016 voor [wederpartij] herzien en op nihil gesteld. Bij besluit van 28 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2014 voor [wederpartij] definitief berekend en vastgesteld op nihil.
ECLI:NL:RVS:2014:2610
201306756/1/A4. Datum uitspraak: 16 juli 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 28 juni 2013 in de zaak nrs. 12/3247 en 13/349 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 21 juli 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] over 2012 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien op nihil vastgesteld. Bij herzien besluit op bezwaar van 21 januari 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en vastgesteld dat de kinderopvangtoeslag op 1 oktober 2012 ingaat.
ECLI:NL:RVS:2016:3157
201604388/1/A2. Datum uitspraak: 30 november 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de Belastingdienst/Toeslagen, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 mei 2016 in zaak nr. 15/9574 in het geding tussen: [wederpartij] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 11 september 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag van [wederpartij] over het jaar 2013 definitief berekend en op nihil gesteld en het aan hem uitgekeerde voorschot met rente teruggevorderd. Bij besluit van 18 november 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 18/1084 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2018 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres, en Belastingdienst/Toeslagen, verweerder (gemachtigde: mr. D.W.L.M. van Veldhuizen). Procesverloop Bij besluit van 5 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op kinderopvangtoeslag over het jaar 2014 definitief berekend en vastgesteld op nihil. Bij besluit van 15 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2018. Eiseres was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres heeft in 2014 voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen. De hoogte van deze voorschotten is het laatst herzien bij voorschotbeschikking van 30 december 2014 en vastgesteld op € 2.000,-.

2. In het primaire besluit heeft verweerder het recht op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2014 definitief berekend en vastgesteld op nihil. In verband met te veel betaalde voorschotten en rente moet eiseres een bedrag van € 2.087,- terugbetalen. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat de toeslagpartner van eiseres, [naam] (hierna: de partner) in 2014 geen inkomsten uit werk heeft en er daarom geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat. Bij het bestreden besluit is overwogen dat uit de bewijsstukken onvoldoende is gebleken dat de partner arbeid heeft verricht.

3. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat haar partner wel heeft gewerkt. Aan zijn beroep als [beroep] is inherent dat veel zelfstudie is vereist. De in de urenregistratie opgegeven zelfstudie is aan te merken als werkzaamheden in het kader van zijn beroep. Een (relatief) laag loon is onderdeel van dat beroep. Het was voor eiseres en haar partner niet duidelijk dat de bijgehouden urenadministratie geen afdoende bewijs is voor de werkzaamheden. Hiermee is het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden.

Eiseres heeft in 2012 en 2013 wel kinderopvang-toeslag toegekend gekregen en op basis van het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel mocht zij er van uit gaan dat zij in 2014 ook recht had op kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst heeft geen redelijk belang bij het terugvorderen van het gehele bedrag en heeft daarom niet in redelijkheid tot zijn besluit kunnen komen. Tot slot is het besluit niet deugdelijk gemotiveerd, nu het onduidelijk is waarom de Belastingdienst voorbijgaat aan de stelling dat in 2014 door de partner wel werkzaamheden zijn verricht.

Relevante wettelijke bepalingen 4. Artikel 1.6 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wko) luidt, voor zover van belang:

1. Een ouder heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar: a. tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt genoten, […].

3. Een ouder met een partner heeft slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de partner in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont, en a. in Nederland of op het continentaal plat, in een andere lidstaat of in Zwitserland arbeid verricht, […]. Bespreking van het beroep 5. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiseres en haar partner niet voldoen aan artikel 1.6, eerste lid, onder a, in samenhang gelezen met artikel 1.6, derde lid, onder a, van de Wko, omdat zowel de aanvrager als de toeslagpartner arbeid moeten verrichten in de zin van de Wet IB 2001 wil er aanspraak gemaakt kunnen worden op kinderopvangtoeslag. Verweerder verwijst in dit verband naar uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 23 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1634) en 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:313).

6. De rechtbank volgt dit standpunt niet en verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2439) waar als volgt wordt geoordeeld: “4.2. Een ouder met een partner heeft ingevolge artikel 1.6, derde lid, aanhef en onder a, van de Wkkp aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien de partner in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland, woont en daar arbeid verricht. Hieruit volgt niet dat een ouder met een partner slechts aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag als die partner een inkomen heeft in de zin van de Wet IB 2001. (…) Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen is het voldoende dat er arbeid is verricht. (…) Dat de tekst van artikel 1.6, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet kinderopvang in het verleden wel verwees naar het bepaalde in het eerste lid, waarin de link met de Wet IB 2001 wordt gelegd, vormt geen aanleiding niet uit te gaan van de huidige redactie van deze bepaling.

Uit de geschiedenis van de wijziging van deze bepaling (Kamerstukken II 2005/06, 30 614, nr. 5, blz. 7-8) volgt immers niet dat voor een partner die in Nederland woont, anders dan voor een partner die in een andere lidstaat van de Europese Unie of Zwitserland woont en werkt, wel is vereist dat arbeid wordt verricht waaruit inkomen in de zin van de Wet IB 2001 wordt genoten. ” 7. Niet in geschil is dat de partner van eiseres 21 uur heeft gewerkt in 2014 in de zin van door hem gegeven yogalessen en dat deze gefactureerde uren zijn opgegeven in de aangifte omzetbelasting.

Daarmee kwalificeert dit als arbeid in de zin van artikel 1.6, derde lid, aanhef en onder a, van de Wko. De rechtbank is van oordeel dat bij het bestreden besluit daarom ten onrechte is overwogen dat uit de bewijsstukken onvoldoende blijkt dat de partner van eiseres arbeid heeft verricht. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Gelet op het door verweerder subsidiair ingenomen standpunt zal de rechtbank toetsen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

8. Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat de partner van eiseres niet voldoet aan de doelgroep van artikel 1.6 van de Wko, nu het aantal gewerkte uren (eenentwintig) en het bedrag aan inkomen (€ 1.217,-) dermate gering zijn dat niet gesproken kan worden van een substantiële deelname aan het economische verkeer. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2610) stelt verweerder zich op het standpunt dat daarom terecht is geoordeeld dat eiseres geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2014.

9. De rechtbank volgt ook dit standpunt van verweerder niet. Uit de wettekst van artikel 1.6, eerste lid, onder a, in samenhang gelezen met artikel 1.6, derde lid, onder a, van de Wko volgt niet dat voor het recht op kinderopvangtoeslag sprake moet zijn van een minimum aantal te werken uren of een minimumbedrag aan inkomen dat is genoten. Ook valt uit de wetsgeschiedenis niet op te maken dat bedoeld is het recht op kinderopvangtoeslag slechts te laten bestaan bij een minimum aantal te werken uren of een minimumbedrag aan inkomen dat wordt genoten.

Sinds 2012 bestaat een koppeling tussen het recht op kinderopvangtoeslag en het aantal gewerkte uren van de minst werkende partner. Deze koppeling zorgt ervoor dat ouders alleen recht op kinderopvangtoeslag hebben als de uren van de opvang bedoeld zijn voor de combinatie van arbeid en zorg en is leidend bij het recht op kinderopvangtoeslag. Uit parlementaire stukken valt op te maken dat er ongeacht de omvang van het aantal uren dat door de minstwerkende ouder is gewerkt aanspraak kan bestaan op kinderopvangtoeslag. De rechtbank verwijst naar vragen van het lid [naam] van 16 april 2013, en de beantwoording daarvan door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 24 mei 2013:

“Vraag 8 Kunt u aangeven welke onderzoeken erop wijzen dat het toekennen van kinderopvangtoeslag voor de partner die minder dan 12 uren betaald werkt doelmatig is, mede in het licht van de sterk ontwikkelde deeltijdcultuur in Nederland? Bent u bereid te overwegen om kinderopvangtoeslag enkel toe te kennen voor partners die beide minimaal 12 uren betaald werken, waardoor tevens afbakeningsproblemen met de peuterspeelzalen kunnen worden vermeden? Antwoord 8 Er is eerder onderzoek gedaan, bijvoorbeeld door het CPB, naar de relatie tussen de kinderopvang en arbeidsparticipatie.

Hierbij is gekeken naar het effect van de kinderopvangtoeslag op zowel het aantal gewerkte personen als het aantal gewerkte uren. Naar het specifieke effect van de toeslag op partners die minder dan 12 uur werken is daarbij niet gekeken. Ik zie geen aanleiding om de toegankelijkheid van kinderopvang aan te passen. Vraag 10 Hoe is het te rechtvaardigen dat bijvoorbeeld partners die respectievelijk 80% en 10% werken onder het bereik van de kinderopvangtoeslag vallen, terwijl gezinnen waarin één partner 100% verdient buiten de regeling vallen? Is hier sprake van rechtsongelijkheid? Antwoord 10 De kinderopvangtoeslag is bedoeld voor de combinatie van arbeid en zorg.

Huishoudens waarbij beide partners werken of in een traject naar werk volgen, kunnen kinderopvangtoeslag ontvangen. De koppeling aan gewerkte uren van de minst werkende partner zorgt ervoor dat de doelmatigheid van de kinderopvangtoeslag wordt versterkt. In uw voorbeeld heeft dit huishouden beperkt recht op kinderopvangtoeslag. Het aantal uren recht op kinderopvangtoeslag wordt gebaseerd op het aantal gewerkte uren van de partner die 10% werkt.” 10. De rechtbank is van oordeel dat ook het subsidiaire standpunt van verweerder niet slaagt en dat eiseres en haar partner voldoen aan de doelgroep van artikel 1.6 van de Wko.

Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.

11. De rechtbank zal verweerder opdragen opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van de hiervoor gegeven overwegingen.

12. Voor een efficiënte afdoening van de zaak zal de rechtbank nog de overige beroepsgronden van eiseres bespreken.

13. Het standpunt van eiseres dat het haar en haar partner niet duidelijk was dat de bijgehouden urenadministratie geen afdoende bewijs is voor de werkzaamheden, kan eiseres niet verder helpen. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres om zich te verdiepen in de voorwaarden van de kinderopvangtoeslag en de wijze waarop zij het aantal door haar of haar partner gewerkte uren aannemelijk kan maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de urenregistratie niet als afdoende bewijs aangemerkt voor de stelling van eiseres dat door haar partner in 2014 meer dan 21 uur arbeid is verricht.

14. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel slaagt ook niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag iemand uit de verlening van een voorschot niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat er een definitieve aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat. Eiseres mocht er dus niet op vertrouwen dat verweerder het toegekende voorschot kinderopvangtoeslag voor het jaar 2014 niet zou terugvorderen. Daarnaast strekt het vertrouwensbeginsel niet zover dat verweerder gehouden is een fout uit voorgaande toeslagjaren – in dit geval de jaren 2012 en 2013 – te herhalen voor het daarop volgende jaar, te weten 2014. Dat eiseres in 2012 en 2013 meer kinderopvangtoeslag heeft ontvangen dan waar zij feitelijk recht op had, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres in 2014, ongeacht het aantal gewerkte uren van haar toeslagpartner, de volledig afgenomen kinderopvanguren vergoed had moeten krijgen.

15. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft ook geen doel nu geen sprake is van gelijke gevallen waarin verweerder een gunstiger beleid zou hebben gevoerd. Eiseres heeft dit verder niet onderbouwd.

16. Over de terugvordering van de verleende voorschotbedragen is in artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) dwingendrechtelijk bepaald dat indien een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan verweerder van terugvordering kan afzien. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is daarom ook geen sprake. Conclusies 17. Het beroep is gegrond. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank ziet geen mogelijkheid het geschil finaal te beslechten en zal daarom volstaan met een vernietiging van het bestreden besluit en de opdracht aan verweerder een nieuw besluit te nemen.

18. Nu het beroep gegrond is, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit ; draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid vanmr. L.C. Trommel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op9 augustus 2018. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 2358 Aanhangsel. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3157.