Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2018:5563 ECLI:NL:RBAMS:2018:5563 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:5563 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2018:5563
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/701458-18 Datum uitspraak: 27 juli 2018 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , gedetineerd in [plaats detentie] .

Legislator headnote

AI generated

artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht, artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBAMS:2018:5563 · Rechtbank Amsterdam: Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij namelijk recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, nu zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.000,00 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 1 april 2017.

Keywords

AI generated
abusive claim by landlord allegations of abuse Treaty of Amsterdam abuse of a dominant position domicile abroad unfair terms

Cited Legislation

AI generated
artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering
Het opnemen van de pleegplaats Amsterdam moet derhalve als een kennelijke misslag worden beschouwd, die zich voor herstel leent zonder dat daar een wijziging van de tenlastelegging op de voet van artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering voor nodig is.
artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank zal daarom bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank zal daarom bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek
Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij namelijk recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, nu zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht
In het belang van [aangeefster 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2016:3405
parketnummer: 23-003875-15 datum uitspraak: 23 augustus 2016 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 september 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-139398-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Sri Lanka) op [geboortedag] 1990, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 augustus 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 4 juni 2015 in de gemeente Beverwijk aan [slachtoffer] (zijn ex-partner) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken been (knie), heeft toegebracht door een of meerma(a)l(en) op/tegen dat been van genoemde [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen; subsidiair:hij op of omstreeks 4 juni 2015 in de gemeente Beverwijk [slachtoffer] (zijn ex-partner) heeft mishandeld door een of meerma(a)l(en) op/tegen het been van die [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken been (knie) ten gevolge heeft gehad; meer subsidiair: hij op of omstreeks 4 juni 2015 in de gemeente Beverwijk [slachtoffer] (zijn ex-partner) heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer] een of meerma(a)l(en) op/tegen het been te schoppen en/of te trappen en/of door genoemde [slachtoffer] (hard) aan het haar te trekken en/of te rukken waardoor genoemde [slachtoffer] op/tegen de grond is komen te vallen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank. Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewijsoverweging De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep, aan de hand van de overgelegde pleitnotities, aangevoerd dat de verdachte het slachtoffer enkel een duw heeft gegeven. Deze duw is echter niet ten laste gelegd. De enkele duw levert niet automatisch een mishandeling op en de duw leidt voorts niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde nu er geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet bij de verdachte. De verdachte weet niet hoe het letsel bij het slachtoffer is ontstaan, maar hij denkt dat dit door een val tegen de buitenmuur is gekomen. De verdediging heeft ten slotte betwist dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Het hof overweegt als volgt. Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen blijkt dat de verdachte en de aangeefster, zijn ex-partner, op 4 juni 2015 in conflict zijn gekomen. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte tegen haar been heeft getrapt waardoor zij een gebroken knie heeft opgelopen. De verdachte heeft verklaard dat hij de aangeefster enkel een duw heeft gegeven om haar naar buiten te krijgen. De verdachte heeft verklaard dat het mogelijk is dat aangeefster hierdoor ten val is gekomen tegen een muur. Naar het oordeel van het hof past het letsel van het slachtoffer, een gebroken knie, niet bij een val tegen een muur naar aanleiding van een duw. Het letsel past naar het oordeel van het hof echter wel bij het door de aangeefster omschreven scenario. Het hof acht de verklaring van de verdachte daarom niet aannemelijk. Voorts oordeelt het hof dat bij het slachtoffer sprake is van zwaar lichamelijk letsel, gelet op de aard en ernst van het letsel en de duur van het herstel, en de noodzaak tot medisch ingrijpen – het slachtoffer heeft een operatie ondergaan en zal nog een of meer operatie(s) moeten ondergaan. Het hof acht, gelet op het bovenstaande, bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn ex-partner met zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken knie, tot gevolg. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 4 juni 2015 in de gemeente Beverwijk, [slachtoffer] (zijn ex-partner) heeft mishandeld door tegen het been van die [slachtoffer] te trappen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken knie ten gevolge heeft gehad. Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezen verklaarde levert op: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van drie jaren, met gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 4.298,68 bestaande uit een bedrag aan materiële schade van €1.798,68 en een bedrag aan immateriële schade van € 2.500,00, te vermeerderen met wettelijke rente en advocaatkosten en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-partner met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, waarvan het dochtertje van de verdachte en van de aangeefster getuige is geweest. Hij heeft daardoor inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bij haar pijn en letsel veroorzaakt. De verdachte heeft met zijn gedrag kennelijk voorrang gegeven aan de directe uiting van zijn frustratie en emoties en is er niet in geslaagd het ontstane conflict op fatsoenlijke wijze op te lossen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 juli 2016 is hij eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. Nu dit een andersoortig feit betreft zal het hof daarmee niet ten nadele van de verdachte rekening houden. Voorts zal het hof een transactie die in 2006 aan de verdachte is opgelegd voor een soortgelijk feit niet in diens nadeel laten meewegen, gezien het tijdsverloop sindsdien. Bij de strafbepaling zal het hof rekening houden met het belang dat het hecht aan een goede omgangsregeling tussen de verdachte en het nog jonge kind van de verdachte en aangeefster. Voorts houdt het hof rekening met de positieve (ontwikkeling in de) persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit een hem betreffend Reclasseringsadvies van 3 augustus 2015 alsmede uit het verhandelde ter zitting in hoger beroep. Het hof acht, alles afwegende en mede om een eventueel bestaand gevaar voor herhaling in te perken, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.298,68, bestaande uit een bedrag aan materiële schade van €1.798,68 en een bedrag aan immateriële schade van € 3.500,00, te vermeerderen met wettelijke rente en advocaatkosten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.298,68. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De verdediging heeft de hoogte van de vordering gemotiveerd betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal de materiële schade toewijzen tot een totaalbedrag van € 1.057,34, te vermeerderen met de wettelijke rente, welk bedrag bestaat uit onderstaande posten: - Fysiotherapie: 12 behandelingen tot 28 juli 2016 x 39,75 euro = € 477,00 - Zorgverzekering: eigen risico ambulancerit = € 291,55 - Daggeld ziekenhuis: 8 dagen x € 28,00 = € 224,00 - Douchehoes: € 36,95 - Medicijnen: € 27,84 Het hof zal de immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Met betrekking tot de gevorderde kosten voor rechtsbijstand heeft het hof – gelet op de hoogte van de vordering – aansluiting gezocht bij de liquidatietarieven voor vorderingen tot en met € 10.000,00 (tarief I), in aanmerking nemende dat sprake is van een appel. Voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt ten behoeve van rechtsbijstand. Het hof zal voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep de kosten voor rechtsbijstand begroten op € 632,00 (1 punt x € 632,00). Voor het toekennen van 1 punt voor de door de advocaat op voorhand toegezonden schriftelijke toelichting acht het hof – anders dan verzocht – geen plaats, nu deze brief goeddeels overeenstemt met hetgeen ter zitting in hoger beroep naar voren is gebracht. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.557,34 (drieduizend vijfhonderdzevenenvijftig euro en vierendertig cent) bestaande uit € 1.057,34 (duizend zevenenvijftig euro en vierendertig cent) aan materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij. Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 632,00 (zeshonderdtweeëndertig euro). Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.557,34 (drieduizend vijfhonderdzevenenvijftig euro en vierendertig cent) bestaande uit € 1.057,34 (duizend zevenenvijftig euro en vierendertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. H.W.J. de Groot en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van mr. L.J.M. Klop, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 augustus 2016. ========================================================================= [.] .
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/701458-18 Datum uitspraak: 27 juli 2018 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , gedetineerd in [plaats detentie] .

1Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2018. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Sondermeijer, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. C.G.J. van Oppen en mr. J. van Oppen, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging 2.1 Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging van [aangeefster 2] op 18 maart 2018; mishandeling van zijn echtgenote [aangeefster 1] op 18 maart 2018; zware mishandeling van [aangeefster 1] in de periode van 1 april 2017 t/m 1 mei 2017; bedreiging van [aangeefster 1] en/of kinderen in de periode van 1 januari 2016 t/m 18 maart 2018; bedreiging van [aangever] op 16 maart 2018; bedreiging van [aangeefster 1] op 4 april 2018 (13/701572-18). 2.2 De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 2.3 De rechtbank stelt vast dat in de tenlastelegging onder feit 2 en feit 3 kennelijk abusievelijk als pleegplaats is opgenomen de plaats Amsterdam.

Tegen de achtergrond van het dossier is het de kennelijke bedoeling van de opsteller van de tenlastelegging geweest om aan verdachte het verwijt te maken dat hij deze strafbare feiten in Aalsmeer heeft gepleegd en niet in Amsterdam zoals is tenlastegelegd. Voor de aanname dat verdachte deze feiten ten aanzien van [aangeefster 1] op de tenlastegelegde data ergens anders zou hebben gepleegd op de wijze zoals dat feitelijk is tenlastegelegd is geen aanknopingspunt in het dossier te vinden. Het opnemen van de pleegplaats Amsterdam moet derhalve als een kennelijke misslag worden beschouwd, die zich voor herstel leent zonder dat daar een wijziging van de tenlastelegging op de voet van artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering voor nodig is.

De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de foutief ten laste gelegde pleegplaats of anderszins blijk gegeven van enige verwarring omtrent de aan verdachte gemaakte verwijten. Het moet verdachte dan ook duidelijk zijn geweest dat het om Aalsmeer gaat en niet om Amsterdam, te meer ook omdat de tenlastegelegde feiten zich hebben afgespeeld in de woning van het slachtoffer [aangeefster 1] , de toenmalig partner van verdachte. Alles bezien en in samenhang met het onderliggende dossier, is het verdachte volstrekt duidelijk geweest waartegen hij zich heeft moeten verdedigen, zodat verdachte niet in zijn verdediging is geschaad.

De rechtbank leest daarom de onder 2 en 3 ten laste gelegde pleegplaats “Amsterdam” als “Aalsmeer”. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden. Verdachte heeft feit 1 bekend en daarnaast zijn er de aangifte van [aangeefster 2] en de geluidsopname waar de bedreiging op staat.

Ten aanzien van feit 2 bevinden zich een aangifte van [aangeefster 1] , alsmede een letselverklaring in het dossier. Verdachte heeft verklaard dat het letsel is veroorzaakt doordat [aangeefster 1] van haar fiets is gevallen, maar deze verklaring is niet aannemelijk. Feit 3 wordt door verdachte ontkend, maar de verklaring van [aangeefster 1] dat zij zwaar mishandeld is door verdachte wordt ondersteund door de letselverklaring en de verklaringen van [aangever] en [getuige] . Ten aanzien van feit 4 bevinden zich een aangifte en een verklaring van [aangever] in het dossier.

Hij heeft de bedreiging jegens [aangeefster 1] gehoord. Verdachte heeft feit 5 bekend. Ook feit 6 kan bewezen worden, uit het dossier blijkt dat [aangeefster 1] is gebeld met een nummer dat aan verdachte gekoppeld kan worden. 4.2 Standpunt van de verdediging Verdachte heeft bekend dat hij [aangeefster 2] (feit 1) en [aangever] (feit 5) heeft bedreigd. De raadslieden hebben verzocht verdachte van de overige feiten vrij te spreken. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging naar voren gebracht dat het medisch dossier van de huisarts de verklaring van verdachte ondersteunt, namelijk dat hij [aangeefster 1] niet mishandeld heeft, maar dat zij van haar fiets is gevallen.

Volgens de raadslieden is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor deze mishandeling. De verdediging heeft ook vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 3, nu verdachte en [aangeefster 1] verschillende verklaringen hebben afgelegd en niet vastgesteld kan worden welke verklaring juist is. Ten aanzien van feit 4 stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat verdachte een mes heeft gebruikt. [aangever] heeft verklaard dat verdachte met een mes zou hebben gedreigd, maar volgens de verdediging is deze verklaring onbetrouwbaar.

Bovendien weet [aangeefster 1] dat verdachte niet meent wat hij tegen haar zegt. Wat betreft feit 6 heeft de verdediging bepleit dat het onaannemelijk is dat verdachte [aangeefster 1] telefonisch heeft bedreigd omdat het midden in de nacht was en verdachte daardoor niet in de gelegenheid was te schreeuwen. 4.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals in rubriek 5 weergegeven. 4.3.1 Betrouwbaarheid aangiftes [aangeefster 1] Voor zover de rechtbank het pleidooi van de raadslieden heeft begrepen, is de verdediging in zijn algemeenheid van mening dat de verklaringen van [aangeefster 1] onbetrouwbaar zijn en onwaarheden bevatten en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

De rechtbank ziet echter geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster 1] te twijfelen, omdat zij consistent is geweest in haar verklaringen en haar verklaringen voor het grootste gedeelte worden ondersteund door de geluidsopnames die haar zoon, [zoon aangeefster] , heeft gemaakt. De rechtbank ziet in het dossier, noch het verhandelde ter terechtzitting, aanleiding de verklaringen van [aangeefster 1] onbetrouwbaar te achten en gaat, in tegenstelling tot de verdediging, in haar oordeel dan ook uit van de juistheid van de verklaringen van [aangeefster 1] . 4.3.2 Ten aanzien van feit 1 en feit 5 Mede op grond van de geluidsopnames en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank bewezen dat verdachte [aangeefster 2] en [aangever] heeft bedreigd. 4.3.3 Ten aanzien van feit 2 Door de verdediging is betoogd dat het door [aangeefster 1] opgelopen letsel is veroorzaakt doordat zij van haar fiets is gevallen, aangezien het letsel beter past bij dit scenario dan bij het scenario dat zij door verdachte is mishandeld.

De rechtbank overweegt dat het door verdachte geschetste scenario niet aannemelijk is geworden. Er is onder meer sprake van een schaafwond (met een relatief geringe doorsnede) in de hals van [aangeefster 1] , wat niet passend is bij het letsel dat veroorzaakt wordt door het vallen van een fiets. Deze schaafwond kan, zoals gesteld door aangeefster, door verwurging zijn ontstaan. De letselverklaring in combinatie met de aangifte van [aangeefster 1] , die door de rechtbank geloofwaardig wordt geacht, maakt dat de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van feit 2. 4.3.4 Ten aanzien van feit 3 Verdachte heeft verklaard dat [aangeefster 1] is overvallen door twee buitenlanders en dat zij door hen tegen haar knie is geschopt. [aangeefster 1] heeft verklaard dat verdachte haar heeft getrapt waardoor zij een verbrijzelde knie heeft opgelopen.

De rechtbank overweegt als volgt. Getuige [aangever] heeft verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij de knie van [aangeefster 1] kapot heeft getrapt. Daarnaast heeft getuige [getuige] verklaard dat [aangeefster 1] direct na het incident naar hem toe is gekomen en tegen hem heeft verteld dat verdachte haar heeft getrapt. Deze twee getuigenverklaringen ondersteunen de aangifte van [aangeefster 1] en in samenhang bezien met de letselverklaring ziet de rechtbank voldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen van feit 3. De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte aan het slachtoffer toegebrachte letsel, te weten een verbrijzelde knie, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt, naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt (Vgl. Hof Amsterdam 23 augustus 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3405). 4.3.5 Ten aanzien van feit 4 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [aangever] niet betrouwbaar is omdat hij de “vertrouwenspersoon” van [aangeefster 1] is en daarom in haar voordeel zou verklaren.

De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [aangever] te twijfelen. De aangifte van [aangeefster 1] en de verklaring van [aangever] ondersteunen elkaar op alle punten. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van feit 4. 4.3.6 Ten aanzien van feit 6 Door de verdediging is betoogd dat het onaannemelijk is dat verdachte [aangeefster 1] telefonisch heeft bedreigd, omdat het midden in de nacht was. Door getuige [zoon aangeefster] is echter verklaard dat hij heeft gehoord dat verdachte zijn moeder met de in de tenlastelegging genoemde woorden heeft bedreigd.

Tezamen met de aangifte van [aangeefster 1] ziet de rechtbank voldoende bewijs voor een bewezenverklaring van feit 6. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte ten aanzien van feit 1 op 18 maart 2018 te Amsterdam, [aangeefster 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangeefster 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je dood steken, vanavond lig je in een kist, want dan ben je dood. Ik steek je hartstikke dood. Ik ga vanavond je huis in de fik steken." althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; ten aanzien van feit 2 op 18 maart 2018 te Aalsmeer zijn echtgenote, [aangeefster 1] , heeft mishandeld door haar met zijn handen om de keel vast te pakken en vervolgens de keel dicht te knijpen en in het gezicht te stompen; ten aanzien van feit 3 in de periode van 1 april 2017 t/m 5 april 2017 te Aalsmeer aan [aangeefster 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een verbrijzelde knie, heeft toegebracht, door voornoemde [aangeefster 1] met dat opzet tegen de knie te trappen; ten aanzien van feit 4 in de periode van 10 maart 2018 tot en met 18 maart 2018 te Amsterdam, [aangeefster 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [aangeefster 1] een mes voor te houden en vervolgens richting voornoemde [aangeefster 1] te rennen en de woorden toe te voegen: "ik ga je vermoorden”; ten aanzien van feit 5 op 16 maart 2018 te Amsterdam [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever] dreigend de woorden toe te voegen "Bij deze maak ik je dood.

Ik ga je neersteken. Geloof me maar, ik ga je vermoorden. Ik maak haar dood en jou er achteraan.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; ten aanzien van feit 6 op 4 april 2018 te Aalsmeer, [aangeefster 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangeefster 1] dreigend de woorden toe te voegen "als je aangifte doet dan zijn jullie aan de beurt" en "Ik gebruik een 9 millimeter en ik schiet je dood. Ook je kinderen zijn aan de beurt en ik weet waar je kinderen op school zitten.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straf 8.1 Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten 1 tot en met 6 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met alle slachtoffers.

De officier van justitie heeft tevens gevorderd daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen. 8.2 Standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 2, 3, 4 en 6. Zij heeft verder geen strafmaatverweer gevoerd. 8.3 Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich in een periode van een jaar tweemaal schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn echtgenote, waardoor zij letsel heeft opgelopen. In april 2017 heeft hij haar knie verbrijzeld en op 18 maart 2018 heeft hij haar onder meer in haar gezicht gestompt. Daarnaast heeft hij haar tweemaal bedreigd. Dit zijn zeer ernstige feiten die voor het slachtoffer heel beangstigend en aangrijpend zijn geweest. Deze feiten worden aangeduid als ‘huiselijk geweld’. In je eigen woning, de plek waar je je bij uitstek veilig moet kunnen voelen, door je echtgenoot zo gewelddadig worden bejegend is traumatisch en veroorzaakt een ernstige schending in het vertrouwen van die persoon.

De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van zijn schoonmoeder, [aangeefster 2] , en een vriend van het slachtoffer, [aangever] . De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke gebeurtenissen daarvan nog geruime tijd de psychische nadelen ondervinden. Uit de ter zitting voorgehouden slachtofferverklaringen blijkt dat de slachtoffers hier nog dagelijks de nadelen van ondervinden. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennis genomen van de pro Justitia rapportage van 29 mei 2018 die over verdachte is uitgebracht. Daaruit komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een matige verstandelijke beperking en een ernstige alcoholverslaving. Er wordt geadviseerd om verdachte het tenlastegelegde in verminderde mate aan te rekenen. Daarnaast wordt geadviseerd om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een behandelverplichting. Verdachte heeft ter zitting aangegeven niet open te staan voor behandeling indien dit niet in Amsterdam kan plaatsvinden.

De rechtbank vindt het van het grootste belang dat verdachte behandeling en begeleiding krijgt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte onvoldoende in staat is zelfstandig van zijn alcoholverslaving af te komen wat de kans op herhaling groot maakt als verdachte zonder begeleiding naar buiten gaat. Om die reden zal de rechtbank de geadviseerde bijzondere voorwaarden, ondanks de negatieve houding van verdachte, wel degelijk aan hem opleggen. Het voorwaardelijke strafdeel dat hieraan wordt gekoppeld is bedoeld als steun in de rug om ervoor te zorgen dat verdachte gemotiveerd wordt en blijft om zich aan deze bijzondere voorwaarden te houden.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De rechtbank bepaalt de proeftijd daarbij op drie jaar, om zo te benadrukken dat zij verdachte wat langer een steun in de rug wil geven, mede gelet op zijn eerdere verslavingsproblematiek. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten van [aangeefster 1] . Uit de pro Justitia rapportage komt naar voren dat verdachte een alcoholprobleem heeft en de kans op herhaling van agressieve gedragingen hoog is.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf, gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zal begaan. De rechtbank zal daarom bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. 9Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel 9.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [aangeefster 2] en [aangever] geheel worden toegewezen, te weten een bedrag van € 500,00 euro aan immateriële schade, met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Daarnaast dient de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] te worden toegewezen tot een bedrag van € 918,95 euro, zijnde de reiskosten en de eigen bijdrage van de ziektekosten, met daarbij de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu het te ingewikkeld is om een causaal verband tussen de feiten en de schadeposten vast te kunnen stellen. 9.2 Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [aangeefster 2] en [aangever] dienen te worden afgewezen, omdat de vorderingen onvoldoende onderbouwd zijn.

Daarnaast dient de vordering van [aangeefster 1] ook te worden afgewezen, omdat het ongeloofwaardig is dat zij psychische schade heeft opgelopen en onduidelijk is gebleven wat de huidige stand van zaken is van het letsel aan haar knie. 9.3 Oordeel van de rechtbank 9.3.1 Vorderingen [aangeefster 2] en [aangever] De benadeelde partijen [aangeefster 2] en [aangever] vorderen € 500,00 euro aan immateriële schadevergoeding. Zij stellen psychisch leed te hebben opgelopen als gevolg van de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank kan zich voorstellen dat de bedreigingen angst en stress hebben opgeleverd, maar voor toewijzing van immateriële schadevergoeding moet deze schade worden onderbouwd door bijvoorbeeld medische stukken.

Alleen een beschrijving van de ervaren angst en stress is onvoldoende. Omdat wel aannemelijk is dat de gebeurtenissen impact op hen hebben gehad, zal de rechtbank de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaren zodat zij, desgewenst, de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. 9.3.2 Vordering [aangeefster 1] De benadeelde partij [aangeefster 1] vordert € 16.312,76 euro aan materiële schadevergoeding en € 25.000,00 euro aan immateriële schadevergoeding. De gevorderde schadevergoeding voor de reiskosten komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.

Voor de posten eigen bijdrage ziektekostenverzekering en kosten fysiotherapie zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit deel van de vordering is onvoldoende onderbouwd, omdat niet duidelijk is hoe het nog niet in rekening gebrachte eigen risico zich verhoudt tot de begroting voor de schade aan de knie. Ditzelfde geldt voor de kosten van fysiotherapie. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De benadeelde partij zal ook ten aanzien van de posten vernieuwing deuren, vervanging laminaat, herinrichtingkosten en aanschafkosten van de Canta niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat onvoldoende vast is komen te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de bewezen verklaarde feiten.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij namelijk recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, nu zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.000,00 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 1 april 2017.

In het belang van [aangeefster 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van feit 1 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met brandstichting; ten aanzien van feit 2: mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot; ten aanzien van feit 3: zware mishandeling; ten aanzien van feit 4, 5 en 6: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Beveelt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 3 (drie) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene en bijzondere voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde: - zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Stelt als bijzondere voorwaarden: - Veroordeelde moet zich binnen 7 (zeven) dagen na het ingaan van de proeftijd melden bij Reclassering Nederland melden op het adres [adres reclassering] .

Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. - Veroordeelde moet zich gedurende 7 (zeven) weken laten opnemen in kliniek [kliniek] , althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de directeur van die instelling zullen worden gegeven. - Veroordeelde mag gedurende de eerste 4 (vier) maanden van de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster 1] (geboren op [geboortedag aangeefster 1] 1963, woonachtig op [adres 1] ), [aangeefster 2] (geboren op [geboortedag aangeefster 2] 1944, woonachtig op [adres 2] ) en [aangever] (geboren op [geboortedag aangever] 1975, woonachtig op [adres 3] ).

Waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. De benadeelde partijen Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [aangeefster 1] , van een bedrag van € 2.146,95 euro (zegge tweeduizend honderdzesenveertig euro en vijfennegentig cent), bestaande uit € 146,95 euro (zegge honderdzesenveertig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 2.000,00 euro (zegge tweeduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 april 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij [aangeefster 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [aangeefster 1] van een bedrag van € 2.146,95 euro (zegge tweeduizend honderdzesenveertig euro en vijfennegentig cent), bestaande uit € 146,95 euro (zegge honderdzesenveertig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 2.000,00 euro (zegge tweeduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 april 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade. Verklaart de benadeelde partijen [aangeefster 2] en [aangever] niet-ontvankelijk in de vorderingen. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. Hübel, voorzitter, mrs. A.P. Sno en A.E.M. van Loon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Harrewijn, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juli 2018.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. [(...)]