Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2018:4208 ECLI:NL:RBAMS:2018:4208 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:4208 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2018:4208
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 17/7037 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2018 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] (Zwitserland), eiseres en de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: mr. A. Marijnissen). Procesverloop Bij besluit van 5 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een Pensioenoverzicht gestuurd. Verweerder heeft haar medegedeeld dat zij tot 3 oktober 2017 14% pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) heeft opgebouwd. Bij besluit van 9 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en bepaald dat eiseres tot en met 3 oktober 2017 24% AOW-pensioen heeft opgebouwd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:4208 · Rechtbank Amsterdam: Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) – zoals ook door verweerder is aangevoerd – is de inmenging in het eigendomsrecht, neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol (Eerste Protocol) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in het kader van de verhoging van de pensioenleeftijd algemeen proportioneel en leidt daarom niet tot een schending van dit artikel. In concrete gevallen kan dit tot een onredelijk zware last leiden. Dan is artikel 1 van het Eerste Protocol wel geschonden. Dit kan pas beoordeeld worden als het AOW-pensioen wordt toegekend.

Keywords

AI generated
voluntary or optional continued insurance suspension of disability benefits maintenance of pension coverage reconsideration of disability benefits old-age insurance social security benefits

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2016:2502
14/6146 AOW, 14/6794 AOW Datum uitspraak: 18 juli 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 september 2014, 13/4013 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.M.C. van Dalen hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. Van Dalen een schriftelijke zienswijze ingediend met betrekking tot het incidenteel hoger beroep.
ECLI:NL:CRVB:2016:2611
15/144 AOW, 15/1432 AOW Datum uitspraak: 18 juli 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 december 2014, 13/5544 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft W.F.K. ter Hennepe hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken, op 8 april 2016 plaatsgevonden.
ECLI:NL:CRVB:2012:BY3900
11/7184 AOW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 november 2011, 11/1853 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 17/7037 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2018 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] (Zwitserland), eiseres en de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: mr. A. Marijnissen). Procesverloop Bij besluit van 5 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een Pensioenoverzicht gestuurd. Verweerder heeft haar medegedeeld dat zij tot 3 oktober 2017 14% pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) heeft opgebouwd. Bij besluit van 9 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en bepaald dat eiseres tot en met 3 oktober 2017 24% AOW-pensioen heeft opgebouwd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot, de heer [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres is in Nederland geboren op 30 oktober 1953. Op 3 augustus 1976 verhuisde zij naar België en zij heeft zich tot 24 december 1981 vrijwillig verzekerd voor de AOW.

2. Bij het bestreden besluit is vast komen te staan dat eiseres eerder verzekerd was van 30 oktober 1968 tot en met 24 december 1981. Door de verhoging van de pensioenleeftijd heeft verweerder haar aanvangsleeftijd vastgesteld op zestien jaar en acht maanden. In het besluit heeft verweerder de aanvangsdatum van de AOW-pensioenopbouw vastgesteld op 30 juni 1970 en daarmee eiseres’ AOW-pensioenleeftijd vastgesteld op 30 juni 2020. Eiseres is twaalf jaar verzekerd geweest volgens de AOW en ontvangt daarom bij aanvang van haar AOW-pensioenleeftijd 24% AOW-pensioen.

3. In geschil is of verweerder de AOW-pensioenopbouw van eiseres in het Pensioenoverzicht goed heeft vastgesteld.

4. Eiseres stelt in beroep dat zij op haar vijfenzestigste verjaardag, 30 oktober 2018 recht heeft op 28% AOW-pensioen, omdat zij in bezwaar een brief van verweerder uit 1990 heeft overgelegd waaruit dit blijkt. Eiseres citeert twee afspraken. “Wij delen u mede, dat opgebouwde pensioenrechten niet komen te vervallen.” En “Blijft u in Zwitserland wonen, dan heeft u bij gelijkblijvende omstandigheden bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd recht op 28% van het volledige ouderdomspensioen voor een gehuwde.” Eiseres stelt dat zij te vergelijken is met slapers in het pensioenstelsel, omdat geëmigreerde Nederlanders opgebouwde rechten (percentage) hebben, maar niet meer meebetalen. Zij is van mening dat opgebouwde rechten niet komen te vervallen, want dat staat volgens haar gelijk aan het gedeeltelijk onteigenen van een stukje eigendomsrecht.

5. Eiseres stelt verder dat deze regeling discriminerend is ten opzichte van geëmigreerde, voorheen verzekerden, omdat die op geen enkele manier in de gelegenheid zijn gesteld dit verlies aan rechten op te vangen omdat ze buiten Nederland wonen. Daarom had de wetgever dit nooit mogen korten.

6. Eiseres voert ook aan dat het onbehoorlijk bestuur van de overheid is om de pensioenleeftijd in één jaar te verhogen met acht maanden, omdat dit financiële verschil niet te bolwerken is. Temeer ook omdat nog eens het lagere AOW-inkomenstarief van 18,5% uit box 1 aan deze verlengde datum is gekoppeld. In haar optiek komt dat neer op een daling van 14,28% dat zij ook nog één jaar en acht maanden later ontvangt. Zij acht het schrijnend dat de wetgever heeft aangegeven voorlopig niet te zullen verhogen vanaf 1957, gelet op de correlatie met de levensverwachting.

7. Eiseres stelt dat het klopt dat verweerder slechts het uitvoeringsorgaan van de wetgever is, maar dat dat ook betekent dat haar brieven uit het verleden van verweerder rechtsgeldige en bindende afspraken tussen haar en verweerder als gemachtigde van de overheid zijn.

8. Eiseres wil op haar vijfenzestigste verjaardag, volgens schriftelijke afspraak 28% AOW-pensioen ontvangen. Als dat niet wordt toegekend wil zij dat de rechtbank uitspraak doet over de vermindering van opgebouwde pensioenrechten wat betreft geëmigreerde voorheen verzekerden en zij verzoekt dan om de verlenging van acht maanden voor haar jaargang 1953 onder het beginsel van gelijke behandeling van iedereen ongedaan te maken. Dan wil zij na 66 jaar en 3 maanden met pensioen.

9. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) – zoals ook door verweerder is aangevoerd – is de inmenging in het eigendomsrecht, neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol (Eerste Protocol) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in het kader van de verhoging van de pensioenleeftijd algemeen proportioneel en leidt daarom niet tot een schending van dit artikel. In concrete gevallen kan dit tot een onredelijk zware last leiden. Dan is artikel 1 van het Eerste Protocol wel geschonden. Dit kan pas beoordeeld worden als het AOW-pensioen wordt toegekend.

10. Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Raad – zoals ook door verweerder is aangevoerd – kan een pensioenoverzicht niet strekken tot rechtsgevolg voor ingang van de pensioenleeftijd. Het pensioenoverzicht strekt niet verder dan de vaststelling van de verzekerde tijdvakken tot aan de datum van het besluit. Ook is de vermelding van de toekomstige AOW-leeftijd niet op rechtsgevolg gericht. Omdat de AOW-pensioenleeftijd nog niet is bereikt kan volgens deze vaste jurisprudentie van de Raad nog niet worden vastgesteld of er sprake is van een onevenredig zware last en schending van artikel 1 van het Eerste Protocol.

11. De conclusie is dat in dit geval nog niet is vast te stellen of er sprake is van een onevenredig zware last bij eiseres. Omdat eiseres de AOW-pensioenleeftijd nog niet heeft bereikt, valt haar financiële situatie nog niet vast te stellen.

12. Anders dan eiseres meent, gaat de pensioenleeftijd met een sprong van vier maanden vooruit in het jaar dat zij de AOW-pensioenleeftijd bereikt in vergelijking tot een jaar eerder. Dit blijkt uit artikel 7a, eerste lid, onder h en i, van de AOW. Dat de geboortedatum van eiseres in vergelijking met exact een jaar eerder met een sprong van acht maanden vooruit gaat is door dit artikel bij wet voorzien.

13. De rechtbank is verder van oordeel dat het betoog van eiseres dat de wetswijziging discriminerend is, omdat geëmigreerde voorheen verzekerden niet in de gelegenheid zijn gesteld het verlies aan rechten op te vangen, niet kan slagen. Volgens vaste rechtspraak rust op verweerder geen plicht om voorheen verplicht verzekerden erop te wijzen dat zij zich vrijwillig kunnen verzekeren. Daarnaast moet op grond van artikel 36 van de AOW een vrijwillige verzekering worden afgesloten binnen één jaar na het eindigen van de verplichte verzekering. Daarom hoefde verweerder niet actief of passief eiseres in de gelegenheid te stellen zich vrijwillig te verzekeren voor haar AOW-pensioen.

14. Voor zover eiseres een beroep doet op het vertrouwensbeginsel omdat zij afspraken met verweerder op papier heeft staan, overweegt de rechtbank dat eiseres gehouden is om rekening te houden met veranderende wetgeving. Omdat de inbreuk op het eigendomsrecht door de verhoging van de pensioenleeftijd, in zijn algemeenheid proportioneel is geacht, kan die verhoging haar rechten inperken, ondanks wat verweerder in de jaren negentig heeft meegedeeld. Doordat de AOW-pensioenleeftijd is verhoogd, is er sprake van niet-gelijkblijvende omstandigheden.

15. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2018. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hiervan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Zie Centrale Raad van Beroep van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2502. Zie Centrale Raad van Beroep van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2611, r.o. 4.1.2. e.v. Zie Centrale Raad van Beroep van 21 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3900, r.o. 4.6.