Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2018:3059 ECLI:NL:RBAMS:2018:3059 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:3059 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2018:3059
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751173-18 RK nummer: 18/1642 Datum uitspraak: 9 mei 2018 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 maart 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2017 door the Regional Court in Gliwice (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1995, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in [detentieadres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 april 2018.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 312 Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBAMS:2018:3059 · Rechtbank Amsterdam: Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

Keywords

AI generated
removal extension of detention deportation execution of sentences and measures reasonableness of removal execution custodial sentence fitness for detention

Cited Legislation

AI generated
Artikel 312 Wetboek van Strafrecht
Artikel 312 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2016:3081
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751190-16 RK nummer: 16/2011 Datum uitspraak: 24 mei 2016 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 maart 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 16 februari 2016 door the District Court in Zamość Second Penal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 mei 2016.
ECLI:NL:RBAMS:2018:2134
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752092-17 RK nummer: 18/401 Datum uitspraak: 27 maart 2018 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 januari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 september 2017 door the Regional Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1978, ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres: [GBA adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 maart 2018.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751173-18 RK nummer: 18/1642 Datum uitspraak: 9 mei 2018 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 maart 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2017 door the Regional Court in Gliwice (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1995, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in [detentieadres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 april 2018.

Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3Grondslag en inhoud van het

EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van 6 november 2013 van the District Court of Tarnowskie Góry, met kenmerk II K 601/13. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 1 jaar, 11 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. 5Verweren 5.1. Schending van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind De raadsvrouw heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat de opgeëiste persoon in Polen via het jeugdstrafrecht en door een kinderrechter had moeten worden berecht, omdat hij op het moment van het plegen van het strafbare feit zeventien jaar was.

Artikel 40 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind is geschonden, nu het Poolse recht bepaalt dat zeventienjarigen meerderjarig zijn met als gevolg dat de opgeëiste persoon als meerderjarige is berecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de overlevering daarom dient te worden geweigerd. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het verweer van de raadsvrouw dient te worden gepasseerd, nu de raadsvrouw het verweer niet heeft onderbouwd. 5.2. Detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat De raadsvrouw heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat de detentieomstandigheden in Polen zodanig slecht zijn dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Polen gedetineerd zijn onmenselijk of vernederd worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de gronderechten van de Europese Unie (Handvest).

Er is sprake van overbevolking en geweld tussen gedetineerden onderling, aldus de raadsvrouw. Zo is de opgeëiste persoon gedurende een eerdere detentie in Bytom te Polen door een medegedetineerde met een mes in zijn ribben is gestoken. Niet kan worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon in het geval hij wordt overgeleverd, zal worden blootgesteld aan een reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling. De beslissing op het overleveringsverzoek moet daarom worden uitgesteld in afwachting van concrete informatie van de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon na een eventuele overlevering.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De rechtbank heeft al eerder (onder andere op 24 mei 2016) uitspraak gedaan op een overleveringsverzoek uit Polen, in welk vonnis is ingegaan op de detentieomstandigheden in Polen. Daarbij is vastgesteld dat uit de beschikbare gegevens over de algemene detentieomstandigheden in Polen niet blijkt van een reëel gevaar voor onmenselijk of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 Handvest. Niet gebleken is van nieuwe, objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in Polen die aanzetten tot het wijzigen van dat oordeel.

Aan het op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 april 2016 in de zaken Aranyosi en Căldăraru (ECLI:EU:2016:198) te hanteren toetsingskader dat ziet op het uitsluiten van het individuele risico voor de opgeëiste persoon, komt de rechtbank daarom niet toe. Het verweer wordt verworpen. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 312 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Gliwice (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries voorzitter, mrs. R.A.J. Hübel en M.T.C. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 mei 2018. De oudste en jongste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. B Rechtbank Amsterdam, 24 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3081. Zie ook: Rechtbank Amsterdam 27 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2134.