Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2018:3021 ECLI:NL:RBAMS:2018:3021 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:3021 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2018:3021
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 18/2474 (voorheen AWB 17/16732) uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2018 in de zaak tussen [eiser] , te Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr. W.G. Fischer), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. E.T. ’t Jong). Procesverloop Met het besluit van 6 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 3 oktober 2017 om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 in de vorm van beschermd wonen afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBAMS:2018:3021 · Rechtbank Amsterdam: Eiser hoeft in deze procedure geen griffierecht te betalen. 6.1. Op grond van artikel 122a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Zvw verstrekt het CAK bijdragen aan zorgaanbieders die inkomsten derven ten gevolge van het verlenen van medisch noodzakelijke zorg aan niet-rechthebbende vreemdelingen als bedoeld in artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van het tweede lid gaat het daarbij om medische zorg voor zover de zorgaanbieder verstrekking ervan, gezien de aard van de prestaties en de verwachte duur van het verblijf van de vreemdeling, medisch noodzakelijk acht. 6.2.

Keywords

AI generated
visa for temporary stay temporary protection refugee status prolonged absence abroad permanent residence permit applicability of immigration law

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan onder andere van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2015:282
Datum uitspraak: 13 februari 2015 13/1349 WWB-V Centrale Raad van Beroep Grote kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2013, 11/2617 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) College van burgemeester en wethouders van Den Helder (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 25 juni 2013 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2015:3415
Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.
ECLI:NL:CRVB:2015:3803
14/4389 WMO, 15/5095 WMO, 14/4382 WMO, 15/5094 WMO, 14/4387 WMO, 15/5093 WMO Datum uitspraak: 26 november 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) van 11 juli 2014, 14/3244, 14/3260, 14/2925, 14/3265 en 14/2961 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellante 1] (appellante 1), [appellante 2] (appellante 2) en [appellante 3] (appellante 3), allen verblijvend te [woonplaats] , (appellanten) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr.
ECLI:NL:CRVB:2015:3834
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2015, 14/4474 (aangevallen uitspraak 1), 14/5856 (aangevallen uitspraak 2), 15/656 (aangevallen uitspraak 3), 14/3887 en 14/5609 (aangevallen uitspraak 4) Partijen: [betrokkene 1] te [woonplaats 1] (betrokkene 1), [betrokkene 2] te [woonplaats 2] (betrokkene 2), [betrokkene 3] te [woonplaats 3] (betrokkene 3), [betrokkene 4] te [woonplaats 3] (betrokkene 4) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens betrokkenen heeft mr.
ECLI:NL:CRVB:2017:1
16/3530 WMO15 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2016, 15/8190 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 22 februari 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.C. Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting in de zaken 16/994, 16/1668, 16/1669, 16/1830, 16/1803, 16/3426, 16/2406, 16/2813 en 16/3530 heeft gevoegd plaatsgehad op 7 december 2016.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 18/2474 (voorheen AWB 17/16732) uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2018 in de zaak tussen [eiser] , te Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr. W.G. Fischer), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. E.T. ’t Jong). Procesverloop Met het besluit van 6 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 3 oktober 2017 om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 in de vorm van beschermd wonen afgewezen.

Met het besluit van 20 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2018, waar de zaken AMS 18/2469, AMS 18/2474, AWB 18/793, AWB 18/1061 en AWB 18/1340 gevoegd zijn behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevoegde zaken weer gesplitst.

Overwegingen Onderwerp van de procedure Het beroepschrift ziet op een aanvraag op grond van de Wmo 2015 en is aanvankelijk geregistreerd onder procedurenummer AWB 17/16732. Op de zitting van 27 maart 2018 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam (vreemdelingenzaken), met partijen vastgesteld dat niet die rechtbank maar de rechtbank Amsterdam (bestuursrecht algemeen) bevoegd is om het beroepschrift te behandelen. De procedure wordt daarom door de rechtbank Amsterdam behandeld onder procedurenummer AMS 18/2474. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

Op 3 oktober 2017 heeft eiser een melding en aanvraag ingediend om een tijdelijke maatwerkvoorziening bestaande uit plaatsing in een beschermde woonomgeving. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft en daarom niet in aanmerking komt voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Eiser zal opvang en begeleiding worden geboden op grond van het buitenwettelijk begunstigend beleid op grond van het Programma Vreemdelingen. Eiser stelt in beroep – samengevat – dat het koppelingsbeginsel in de Wmo 2015 buiten toepassing gelaten moet worden, omdat sprake is van medisch noodzakelijke zorg, als bedoeld in artikel 122a van de Zorgverzekeringswet (Zvw).

Beoordeling door de rechtbank Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft daartoe op 2 januari 2018 een verklaring overgelegd, waarin hij heeft aangegeven dat hij geen vermogen heeft, noch in Nederland, noch in het buitenland en dat hij in Nederland niet over een geldige verblijfsstatus beschikt, waardoor het hem niet is toegestaan om in Nederland te werken of om een sociale uitkering te ontvangen. Gelet hierop en gelet op hetgeen de Centrale Raad van Beroep (de Raad) in zijn uitspraak van 13 februari 2015 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht moet worden toegewezen.

Eiser hoeft in deze procedure geen griffierecht te betalen. 6.1. Op grond van artikel 122a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Zvw verstrekt het CAK bijdragen aan zorgaanbieders die inkomsten derven ten gevolge van het verlenen van medisch noodzakelijke zorg aan niet-rechthebbende vreemdelingen als bedoeld in artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van het tweede lid gaat het daarbij om medische zorg voor zover de zorgaanbieder verstrekking ervan, gezien de aard van de prestaties en de verwachte duur van het verblijf van de vreemdeling, medisch noodzakelijk acht. 6.2.

Artikel 122a regelt de financiering van medisch noodzakelijke zorg aan de zorgaanbieder. Naar het oordeel van de rechtbank ziet dit artikel dan ook op verplichtingen jegens zorgaanbieders en niet op aanspraken van een niet-rechthebbende vreemdeling zoals eiser. 7. 7.1. Op grond van artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 komt een vreemdeling voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening slechts in aanmerking indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. 7.2. Eiser heeft een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 aangevraagd.

De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting uiteengezet dat aan niet rechthebbende vreemdelingen op grond van het koppelingsbeginsel in artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 geen maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 kunnen worden toegekend en dat ook niet bemiddeld wordt naar zorgverleners. Met organisaties als HVO en het Leger des Heils is slechts een relatie in het kader van het uitvoeren van 24-uurs opvang op grond en binnen de grenzen van het Programma Vreemdelingen. 7.3. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder en wijst voorts op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en de Raad van 26 november 2015.

Uit deze uitspraken blijkt dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk is voor de opvang van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen en dat medisch noodzakelijk zorg in de vrijheidsbeperkende locatie voorhanden is. Verder volgt uit deze uitspraken dat, anders dan voorheen, de door gemeenten getroffen specifieke opvangvoorzieningen voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen op wie het koppelingsbeginsel van toepassing is, niet (meer) worden aangemerkt als (maatschappelijke) opvang op grond van de Wmo 2015.

In de uitspraak van 22 februari 2017 heeft de Raad bevestigd dat vreemdelingen op wie het koppelingsbeginsel van toepassing is geen aanspraak kunnen maken op een (maatwerk)voorziening op grond van de Wmo 2015. 7.4. Gelet op deze uitspraken ziet de rechtbank geen aanleiding voor doorbreking van het koppelingsbeginsel in artikel 1.2.2 van de Wmo 2015.

8. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden. Op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan onder andere van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hoefde verweerder in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding te zien voor de conclusie dat een hoorzitting tot een ander standpunt zou kunnen leiden.

Conclusie 9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2018. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als uw zaak spoedeisend is, kunt u de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter vragen om het treffen van een voorlopige voorziening. ECLI:NL:CRVB:2015:282. ECLI:NL:RVS:2015:3415, ECLI:NL:CRVB:2015:3803 en ECLI:NL:CRVB:2015:3834. ECLI:NL:CRVB:2017:1.