Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2018:2702 ECLI:NL:RBAMS:2018:2702 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:2702 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2018:2702
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummers: 13.751.042-17 (EAB I); 13.751.672-16 (EAB II) RK nummers: 17/3238 (EAB I); 17/3234 (EAB II) PROCES-VERBAAL ZITTING Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting van bovengenoemde rechtbank op 12 april 2018. Tegenwoordig: mr. J. Edgar voorzitter, mrs. E.M.M. Gabel en A.J. Dondorp, rechters, mr. V.H. Glerum, griffier Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. N. Bakkenes, officier van justitie. De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen opgeëiste persoon uitroepen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:2702 · Rechtbank Amsterdam: Erik, advocaat te Dordrecht, die waarneemt voor mr. H.J. Naber. […] De officier van justitie reageert, zakelijk weergegeven, als volgt: Er zijn twee EAB’s. Wat betreft EAB I (het executie-EAB) merk ik op dat de TUL-beslissing niet onder artikel 12 OLW valt. De feiten zijn dubbel strafbaar. Er zijn door een Ierse rechter prejudiciële vragen gesteld over de stand van zaken met betrekking tot de rechtsstaat in Polen naar aanleiding van een Pools vervolgings-EAB (C-216/18 PPU). De situatie is niet vergelijkbaar, want EAB I is een executie-EAB.

Keywords

AI generated
european order for payment procedure European legal status european judicial network right to fair trial serious defect in foreign proceedings eastern europe

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2018:2134
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752092-17 RK nummer: 18/401 Datum uitspraak: 27 maart 2018 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 januari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 september 2017 door the Regional Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1978, ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres: [GBA adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 maart 2018.
ECLI:NL:RBAMS:2018:222
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.752051-17 RK-nummer: 17/7448 Datum uitspraak: 18 januari 2018 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 november 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 26 augustus 2016 door the District Court in Krakow, Third Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie te plaats] , hierna te noemen “de opgeëiste persoon”. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 januari 2018.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummers: 13.751.042-17 (EAB I); 13.751.672-16 (EAB II) RK nummers: 17/3238 (EAB I); 17/3234 (EAB II) PROCES-VERBAAL ZITTING Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting van bovengenoemde rechtbank op 12 april 2018. Tegenwoordig: mr. J. Edgar voorzitter, mrs. E.M.M. Gabel en A.J. Dondorp, rechters, mr. V.H. Glerum, griffier Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. N. Bakkenes, officier van justitie. De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen opgeëiste persoon uitroepen.

Als opgeëiste persoon is ter zitting aanwezig een persoon die blijk geeft niet de Nederlandse, maar wel de Poolse taal te verstaan. In verband hiermee heeft het onderzoek plaats met bijstand van drs. A.A.M. Schellings, tolk voor de laatstbedoelde taal. De tolk is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers. De tolk vertolkt alles wat ter zitting wordt gesproken of voorgelezen. De opgeëiste persoon antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1970, ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres] Als raadsman van de opgeëiste persoon is ter zitting aanwezig mr.

M. Erik, advocaat te Dordrecht, die waarneemt voor mr. H.J. Naber. […] De officier van justitie reageert, zakelijk weergegeven, als volgt: Er zijn twee EAB’s. Wat betreft EAB I (het executie-EAB) merk ik op dat de TUL-beslissing niet onder artikel 12 OLW valt. De feiten zijn dubbel strafbaar. Er zijn door een Ierse rechter prejudiciële vragen gesteld over de stand van zaken met betrekking tot de rechtsstaat in Polen naar aanleiding van een Pools vervolgings-EAB (C-216/18 PPU). De situatie is niet vergelijkbaar, want EAB I is een executie-EAB.

Ik verwijs naar de uitspraak met nummer ECLI:NL:RBAMS:2018:2134. Wat betreft EAB II (het vervolgings-EAB) merk ik op dat de feiten dubbel strafbaar zijn. Er is geen aanleiding om de behandeling van dit EAB aan te houden in afwachting van de beantwoording van de Ierse prejudiciële vragen. De Ierse rechter hanteert een heel ander uitgangspunt dan de Nederlandse rechter, namelijk dat sprake is van een schending van de rechtsstaat in Polen. Ik verwijs naar de uitspraak met nummer ECLI:NL:RBAMS:2018:222: het is nog niet zo dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces.

Wat betreft het beroep op artikel 6 OLW concludeer ik dat de opgeëiste persoon op basis van de overgelegde stukken hoogstwaarschijnlijk heeft aangetoond dat hij gelijk moet worden gesteld met een Nederlander. Ik baseer me hierbij op een notitie van een parketsecretaris, die ik niet aan u kan overleggen, omdat ik daar aantekeningen op heb gemaakt. EAB I moet dus worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van de vragen in de zaak Popławski 2 en om de IND te bevragen over het verblijfsrecht. Mijn inschatting is dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen.

EAB II moet worden aangehouden om een terugkeergarantie op te vragen. […] De opgeëiste persoon wordt in de gelegenheid gesteld het laatst te spreken. Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van de rechtbank mee dat het onderzoek wordt geschorst voor onbepaalde tijd, teneinde: - de beantwoording van de door de Ierse rechter gestelde prejudiciële vragen in zaak C-216/18 PPU af te wachten, omdat die beantwoording mogelijk relevant is voor de afdoening van EAB II; - EAB I gezamenlijk af te doen met EAB II; - de raadsman in de gelegenheid te stellen om ten minste twee weken voor de nadere zitting een index van de stukken en een overzicht waarin per jaar wordt opgesomd hoeveel inkomsten de opgeëiste persoon in dat jaar heeft gehad en wat zijn woonsituatie in dat jaar was over te leggen.

De voorzitter deelt ter toelichting mee dat de rechtbank bij gebreke van de door de raadsman aan te vullen stukken nog niet beslist op het gelijkstellingsverweer. De voorzitter beveelt de oproeping van: - de opgeëiste persoon, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de opgeëiste persoon en - een tolk in de Poolse taal, tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.