Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2018:10186 ECLI:NL:RBAMS:2018:10186 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:10186 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2018:10186
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751250-18 RK nummer: 18/5481 Datum tussenuitspraak: 31 december 2018 TUSSEN UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 23 februari 2018 door het District Court in Katowice (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, verblijvend op het adres [adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 december 2018.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:10186 · Rechtbank Amsterdam: Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, sub 2 OLW zijn neergelegd.

Keywords

AI generated
transfer of prisoners extradition forfeiture under international sanctions execution of sentences and measures remission of sentence removal

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2017:7038
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.751.068-13 RK nummer: 14/521 Datum uitspraak: 28 september 2017 TUSSENUITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 januari 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 7 oktober 2013 door the Regional Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979 , ingeschreven in de basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres] , [woonplaats] . 1Procesgang 1.1 Bij tussenuitspraak van 30 oktober 2015 heeft de rechtbank prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna:
ECLI:NL:RBAMS:2018:6028
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.751.068-13 RK nummer: 14/521 Datum uitspraak: 10 juli 2018 TUSSENUITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank in de zaak van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1979, ingeschreven in de basisregistratie personen en verblijvend op het adres [BRP-adres] . 1Procesgang 1.1 In de verwijzingsbeslissing van 28 september 2017 in zaak C-573/17 is de procesgang tot aan de prejudiciële verwijzing beschreven (r.o. 1.1-1.6). 1.2 Op de zitting van 10 juli 2018 heeft de rechtbank met toestemming van partijen in een andere samenstelling zitting gehouden en heeft zij partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gevolgen van de intrekking van de op grond van artikel 28, tweede lid, van Kaderbesluit 2008/909/JBZ afgelegde Nederlandse verklaring (hierna: de verklaring). 2Oordeel van de rechtbank 2.1 De rechtbank heeft de gevolgen van de intrekking van de verklaring onderzocht en heeft besloten beide prejudiciële vragen te handhaven.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751250-18 RK nummer: 18/5481 Datum tussenuitspraak: 31 december 2018 TUSSEN UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 23 februari 2018 door het District Court in Katowice (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, verblijvend op het adres [adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 december 2018.

Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. S. Kroesbergen, advocaat te Ede en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3Grondslag en inhoud van het

EAB In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen van 30 maart 2007 referentienummer II K 238/06b en van 12 januari 2010 referentienummer VII K 78/10, gewezen door de Regional Court in Tychy. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van 1 jaar en 4 maanden en van 1 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straffen resteren nog in het geheel. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, sub 2 OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: medeplegen van zware mishandeling bedreiging met zware mishandeling medeplegen van zware mishandeling bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht mishandeling 5Artikel 6 OLW: heropening van het onderzoek De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, OLW. Overlevering van Nederlanders ter executie van een vrijheidsstraf of maatregel is niet mogelijk.

Met de overgelegde stukken is voldoende aangetoond dat hij gedurende vijf jaren rechtmatig en ononderbroken in Nederland verblijft. De raadsman heeft verzocht de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die de rechtbank in de zaak Popławski II op 28 september 2017 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) heeft gesteld (ECLI:NL:RBAMS:2017:7038 en ECLI:NL:RBAMS:2018:6028). De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de overgelegde stukken onvoldoende duidelijk is of de opgeëiste persoon premies en belasting heeft afgedragen.

Op grond van die onduidelijkheid heeft zij geconcludeerd dat niet kan worden aangenomen dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaar rechtmatig en onafgebroken verblijf heeft gehad in Nederland, waardoor hij dan ook niet in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in artikel 6 lid 5 OLW. De rechtbank stelt op grond van de overgelegde stukken vast dat de opgeëiste persoon gelijk gesteld kan worden met een Nederlander, zoals bedoeld in artikel 6 lid 5 OLW. De opgeëiste persoon heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij vanaf 2012 voldoende inkomen in Nederland heeft verdiend met werk.

De werkgever heeft het inkomen opgegeven bij de Belastingdienst. De opgeëiste persoon stond weliswaar niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen, maar uit de stukken blijkt dat hij steeds in Nederland werkzaam was en hier feitelijk verbleef. De IND heeft aangegeven dat de verwachting bestaat dat hij zijn verblijfsrecht niet verliest als gevolg van de veroordelingen. Gelet op deze stand van zaken wordt het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van de antwoorden van het HvJ op de prejudiciële vragen die door de rechtbank in andere, vergelijkbare zaken zijn gesteld, nu deze van belang kunnen zijn voor enige in deze zaak te nemen beslissing.

In verband daarmee worden de beslistermijnen met ingang van heden opgeschort. 6Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van de beantwoording door het HvJ van de gestelde prejudiciële vragen in de zaak Popławski (ECLI:NL:RBAMS:2017:7038 en ECLI:NL:RBAMS:2018:6028); BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman; BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Aldus gedaan door mr.

J.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. R.A.J. Hübel en A.P. Sno, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 31 december 2018. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.