Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2018:10118 ECLI:NL:RBAMS:2018:10118 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2018:10118 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2018:10118
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/627539 / HA ZA 17-400 Vonnis van 11 juli 2018 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eisers] , gevestigd te Landhorst, eiseres, advocaat mr. I.J.A.J. Hanssen te Boxmeer, tegen naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde, advocaat mr. A.C. Rozeman te Amsterdam, en mr. S.M.M. VAN DOOREN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Bowie Recycling B.V., kantoorhoudende te ‘s-Hertogenbosch, interveniënt, advocaat mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3:84 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 3:84 lid 2 BW, artikel 6:37 BW, artikel 233 lid 3 Rv, artikel 245 Rv, artikel 6:119 BW; ECLI:NL:RBAMS:2018:10118 · Rechtbank Amsterdam: De rechtbank is met de curator van oordeel dat de op 30 januari 2014 geregistreerde pandakte van 27 januari 2014 op grond van artikel 23 Faillissementswet (Fw) in verband met de faillietverklaring van Bowie op 28 januari 2014 geen doel meer heeft getroffen. Ter beoordeling staat vervolgens of de vordering van Bowie bij vervolgpandakte van 20 januari 2014 rechtsgeldig is verpand. 4.3. Voor een rechtsgeldige verpanding van een vordering is onder meer vereist dat die vordering voldoende bepaalbaar is in de zin van artikel 3:84 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). 4.4.

Keywords

AI generated
revocation of bankruptcy satisfaction of claim certificate of unpaid debts fraudulent bankruptcy set-off in bankruptcy pledge shortfall certificate

Cited Legislation

AI generated
artikel 3:84 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek
Voor een rechtsgeldige verpanding van een vordering is onder meer vereist dat die vordering voldoende bepaalbaar is in de zin van artikel 3:84 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
artikel 3:84 lid 2 BW
Zo was in de zaak De Liser de Morsain/Rabobank de vraag aan de orde of een pandakte met een algemene omschrijving van de vorderingen met verwijzing naar de administratie voldoende bepaalbaar was in de zin van artikel 3:84 lid 2 BW.
artikel 6:37 BW
Als verweer tegen de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 juni 2017 beroept de bank zich op een opschortingsrecht op grond van artikel 6:37 BW omdat de bank op redelijke grond twijfelde of aan de curator of aan [eisers] betaald moest worden.
artikel 233 lid 3 Rv
Subsidiair vordert de bank aan een eventuele toewijzing van de vordering de voorwaarde van zekerheidstelling ex artikel 233 lid 3 Rv te verbinden.
artikel 245 Rv
[eisers] voert hiertegen aan dat zij in de verhouding tussen de curator en de bank een derde partij is en geen van de uitzonderingen van artikel 245 Rv, op grond waarvan een derde partij in de proceskosten kan worden veroordeeld, zich hier voordoet.
artikel 6:119 BW

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHSHE:2017:4570
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.180.468/01 arrest van 17 oktober 2017 in de zaak van [Holding B.V.] Holding B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] , appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, advocaat: mr. I.J.A.J. Hanssen te Boxmeer, tegen [Beheer B.V.] Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] , geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel, advocaat: mr. M.P.G.M. Gorgels te Waalwijk, op het bij exploot van dagvaarding van 15 oktober 2015 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, kanton ‘s-Hertogenbosch, gewezen vonnissen van 22 januari 2015 en 16 juli 2015 tussen appellante in principaal appel - [appellante] - als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en geïntimeerde in principaal appel - [geïntimeerde] - als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie. 1Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: voornoemde dagvaarding; de memorie van grieven; de memorie van antwoord tevens incidenteel appel, waarbij producties zijn overgelegd; de memorie van antwoord in incidenteel appel, waarbij producties zijn overgelegd; de door [geïntimeerde] genomen akte d.d. 6 september 2016; de door [appellante] genomen antwoordakte. Nadat partijen hebben gefourneerd, is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 2Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 3360713/251, rolnr. 14-7638) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnissen van 22 januari 2015 en 16 juli 2015 en naar het vonnis van 6 november 2014. 3De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de betreffende memories. 4De beoordeling 4.1 De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 22 januari 2015 onder “2. Vaststaande feiten" vermeld wat tussen partijen vast staat. Voor zover het daarin vermelde uiteindelijk niet is bestreden, zal ook het hof daarvan uitgaan. Verder staan nog enkele feiten vast als gesteld en erkend of niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken. Het hof zal hierna een overzicht geven van alle vaststaande feiten. a. [Recycling] Recycling B.V. (hierna [Recycling] ) heeft in opdracht en voor rekening van [geïntimeerde] werkzaamheden verricht. Deze werkzaamheden bestonden uit het leveren en het afvoeren van containers gevuld met afval. b. [Recycling] heeft in het kader daarvan de volgende facturen aan [geïntimeerde] verzonden: Factuur 4-11-2013 € 337,35 Factuur 11-11-2013 € 516,31 Factuur 18-11-2013 € 135,76 Factuur 25-11-2013 € 45,52 Factuur 13-1-2014 € 2.920,98 Factuur 20-1-2014 € 2.168,74 Factuur 21-1-2014 € 4.333,01 -------------------- € 10.457,67 c. Bij akte van 20 januari 2014 (productie 6 memorie van antwoord in incidenteel appel) heeft [Recycling] haar uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 ad € 6.059.324,79 in pand gegeven aan [appellante] . Van de hiervoor onder b genoemde vorderingen zijn alleen de vorderingen van 4, 11, 18 en 25 november 2013 op de computerlijst van vorderingen als horend bij de akte vermeld. De akte is geregistreerd op 27 januari 2014. d. Bij akte van 27 januari 2014 (productie 7 memorie van antwoord in incidenteel appel) heeft [Recycling] haar uitstaande vorderingen per 27 januari 2014 ad € 6.353.118,46 in pand gegeven aan [appellante] . Alle hiervoor onder b genoemde vorderingen zijn op de lijst van vorderingen vermeld. De akte is geregistreerd op 30 januari 2014. e. [Recycling] is bij vonnis van 28 januari 2014 in staat van faillissement verklaard. f. Bij brief van 10 juli 2014 (productie 4 dagvaarding in eerste aanleg) is aan [geïntimeerde] bericht dat [appellante] pandhouder is van de vorderingen van [Recycling] op [geïntimeerde] en is [geïntimeerde] gesommeerd tot betaling van onder meer de hiervoor onder b genoemde zeven facturen. g. Met verlof van de voorzieningenrechter is beslag gelegd ter zekerheid voor betaling van de onder b genoemde zeven facturen (productie 5 dagvaarding in eerste aanleg). 4.2.1 In eerste aanleg heeft [appellante] gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde] uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen om aan [appellante] te betalen € 10.457,67, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de onderscheidenlijke facturen, althans vanaf 15 juli 2014, althans vanaf de dag der inleidende dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, en vermeerderd met de incassokosten conform de staffel Buitengerechtelijke Incasso Kosten (BIK), althans de staffel Rapport Voorwerk II ad € 800,-, alsook [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van de procedure waaronder de kosten van het beslag. 4.2.2 [geïntimeerde] heeft in reconventie gevorderd veroordeling van [appellante] om aan [geïntimeerde] te betalen € 14.210,-. 4.2.3 De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 22 januari 2015 geoordeeld dat de vordering in conventie niet is betwist, zodat deze bij eindvonnis zal worden toegewezen. De kantonrechter heeft verder in dat tussenvonnis geoordeeld dat [geïntimeerde] op grond van art. 6:130 leden 1 en 2 BW gerechtigd is haar vorderingen op [Recycling] te verrekenen met de thans door [appellante] ingestelde vordering mits de vorderingen van [geïntimeerde] uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien als de in pand gegeven vorderingen. Voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] betrekking hebben op het project [plaats 1] is dat niet het geval. Ten aanzien van de vorderingen betrekking hebbende op het project in [plaats 2] heeft [geïntimeerde] aan [Recycling] opdracht gegeven om containers te plaatsen en te legen, zodat de vorderingen van [geïntimeerde] op [Recycling] ter zake dat project wel verrekenbaar zijn met de door [Recycling] aan [appellante] in pand gegeven vorderingen. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] vervolgens opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [Recycling] twee dagen lang geen containers heeft geplaatst en geleegd en dat [geïntimeerde] daardoor € 7.010,- (per abuis is in het dictum van het tussenvonnis “€ 7.10,00” vermeld) schade heeft geleden. Bij eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] heeft bewezen € 5.860,- exclusief btw aan schade te hebben geleden. In conventie is [geïntimeerde] vervolgens veroordeeld om aan [appellante] te betalen € 11.257,67, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 10.457,67 vanaf de vervaldata van de facturen tot aan de dag van voldoening. [geïntimeerde] is verder veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen. In reconventie is [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen € 5.860,- exclusief btw. De proceskosten zijn gecompenseerd en het meer of anders gevorderde is afgewezen. 4.3.1 [appellante] vordert in het principaal appel onder het voordragen van zeven grieven, waarbij twee grieven als “drie” zijn genummerd, dat het hof de bestreden vonnissen van 22 januari 2015 en 16 juli 2015 voor zover in reconventie gewezen vernietigt voor zover aan [geïntimeerde] is toegewezen € 5.860,- exclusief btw en opnieuw rechtdoende in hoger beroep alsnog de reconventionele vorderingen van [geïntimeerde] volledig zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties. [geïntimeerde] voert verweer. 4.3.2 [geïntimeerde] vordert in het incidenteel appel en onder het voordragen van vier grieven dat het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vonnissen (het hof begrijpt alleen de vonnissen van 22 januari 2015 en 16 juli 2015) (ten dele) zal vernietigen en opnieuw rechtdoende in hoger beroep de vorderingen in conventie van [appellante] alsnog zal afwijzen, en de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie alsnog geheel zal toewijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in conventie en in reconventie, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, alsmede in de nakosten. [appellante] voert vervolgens verweer in incidenteel appel. In het principaal en incidenteel appel 4.4 Nadat [geïntimeerde] bij haar memorie van antwoord tevens incidenteel appel bij gebrek aan wetenschap heeft betwist dat [appellante] pandhouder van de in rov. 4.1 sub b genoemde zeven vorderingen is geworden, heeft [appellante] bij memorie van antwoord in incidenteel appel de hiervoor in rov. 4.1 sub c en d genoemde aktes overgelegd. [geïntimeerde] heeft de inhoud van die aktes en de daarop vermelde registratiedata niet betwist, zodat het hof van de juistheid van die aktes en registratiedata zal uitgaan. 4.5 De grieven in het principaal en incidenteel appel lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling en zullen niet afzonderlijk worden besproken. 4.6 De reconventionele vordering van [geïntimeerde] is volledig gegrond op de stelling dat [Recycling] ten opzichte van [geïntimeerde] is tekortgeschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor [geïntimeerde] schade heeft geleden. Voor zover [appellante] erover klaagt dat in dit geding geen grondslag bestaat op grond waarvan zij in reconventie zou kunnen worden veroordeeld tot betaling van schade die [geïntimeerde] beweerdelijk heeft geleden omdat [Recycling] ten opzichte van haar, [geïntimeerde] , wanprestatie heeft gepleegd en/of onrechtmatig heeft gehandeld, is die klacht terecht. In dit geding is geen enkele rechtsgrond komen vast te staan op grond waarvan [appellante] kan worden aangemerkt als debiteur van [geïntimeerde] . [appellante] is daarmee in reconventie ten onrechte veroordeeld tot betaling, zodat wat dat betreft haar hoger beroep slaagt. 4.7.1 Bij vestiging van een stil pandrecht op vorderingen op naam waarbij de te verpanden vorderingen expliciet worden vermeld op een lijst zoals in dit geval, is die lijst leidend. Nu de vorderingen van 13, 20 en 21 januari 2014 niet voorkomen op de lijst die is gevoegd bij de akte van 20 januari 2014 (zie rov. 4.1 sub c) zijn die vorderingen niet verpand bij die akte. Dat het de initiële bedoeling van [appellante] en [Recycling] zou zijn geweest om ook die drie vorderingen van 13, 20 en 21 januari 2014 bij die akte te verpanden, dit vanwege de oorspronkelijke stamakte, is, nu die vorderingen nu eenmaal niet op die lijst voorkomen, niet relevant. Anders dan [appellante] betoogt, vermeldt de pandakte van 20 januari 2014 immers niet “alle vorderingen per 20 januari 2014” maar “De uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 ad € 6.059.324,79” en “deze vorderingen zijn vermeld op de hierbij gevoegde computerlijsten”(…)”, derhalve zeer nauwkeurig omschrijvend wat er precies is verpand. Een algemene clausule ontbreekt op de pandakte van 20 januari 2014 en door [appellante] is niet gesteld en/of onderbouwd dat betreffende vorderingen ten tijde van de stampandakte van 31 december 2010 al “bestonden”, dan wel ten tijde van een latere pandakte vóór januari 2014, als in het kader van cessie en/of stille verpanding van vorderingen nader te duiden. Het hof gaat daarom voorbij aan het aanbod van [appellante] om die bedoeling te bewijzen door het horen van de getuigen [getuige 1] en de heer [getuige 2] (zie nr. 37 memorie van antwoord in incidenteel appel). 4.7.2 Een stil pandrecht zoals hier in het geding is, wordt krachtens art. 3:239 lid 1 BW gevestigd bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte. [appellante] en [Recycling] hebben ter zake een onderhandse akte opgemaakt, die dus geregistreerd moet worden alvorens de verpanding rechtsgeldig tot stand is gekomen. Volgens [appellante] is de pandakte van 27 januari 2014 op die dag “(…) per aangetekende post aan de belastingdienst aangeboden. Dat wil zeggen verzonden.” (nr. 44 memorie van antwoord in incidenteel appel). Nu de akte op 27 januari 2014 per post is verzonden, moet het ervoor worden gehouden – nu van een spoedbestelling niet wordt gerept - dat zij niet eerder bij de Belastingdienst kan zijn aangekomen dan 28 januari 2014. Op die dag is het faillissement van [Recycling] uitgesproken, zodat het pandrecht vanwege de terugwerkende kracht tot 0.00 uur (art. 23 Fw) vanaf die dag niet meer rechtsgeldig kon worden gevestigd. Voor alle duidelijkheid merkt het hof nog op dat alleen al gelet op de mogelijkheid dat een ter post aangeboden stuk niet wordt bezorgd, uit onder meer HR 19 november 2004, NJ 2006, 215 moet worden afgeleid dat met aanbieding ter registratie is bedoeld het tijdstip van de feitelijke aanbieding van het stuk ten kantore van de Belastingdienst. Dit betekent dat bij pandakte van 27 januari 2014 geen geldig pandrecht is gevestigd, zodat de vordering van [Recycling] betrekking hebbende op betaling van de facturen van 13-1-2014 ad € 2.920,98, de factuur van 20-1-2014 ad € 2.168,74 en de factuur van 21-1-2014 ad € 4.333,01 - die in ieder geval ook qua ontstaansdatum niet kan vallen onder de door [appellante] bepleite doch verworpen uitleg van de pandakte van 20 januari 2014, als een dag eerder opgesteld - moet worden afgewezen. Indien het hof hierna spreekt over de vorderingen van [appellante] , zijn dan ook alleen nog bedoeld de vorderingen neergelegd in de facturen van 4, 11, 18 en 25 november 2013, in totaal bedragende € 1.034,94. 4.7.3 Het hof leest in het door [geïntimeerde] als productie 1 bij memorie van antwoord in principaal appel overgelegde verslag van de curator niet dat de curator betwist dat [appellante] gerechtigd is de thans nog in geschil zijnde vier facturen als pandhouder te innen. Voor zover uit pag. 18 van dat verslag valt te lezen dat de [bank] bank eerste pandhouder is van de vorderingen, is op pag. 19 van dat verslag vermeld dat de vordering van [bank] c.s. is voldaan uit de debiteurenbetalingen, zoals door [appellante] ook aangevoerd. Het hof gaat er dan ook van uit dat [appellante] in dit geding als pandhouder gerechtigd is tot het innen van de vier vorderingen. 4.8.1 Als uitgangspunt bij de verdere beoordeling van het principaal en incidenteel appel heeft te gelden dat [geïntimeerde] krachtens art. 6:130 leden 1 en 2 BW bevoegd is een tegenvordering op [Recycling] , de oorspronkelijk schuldeiser, te verrekenen met de vorderingen van [Recycling] op haar, [geïntimeerde] , waarvan [appellante] in dit geding thans als pandhouder betaling vordert, mits de tegenvordering van [geïntimeerde] uit dezelfde rechtsverhouding als de in pand gegeven vorderingen voortvloeit. [geïntimeerde] heeft dit verrekeningsberoep in eerste aanleg expliciet gedaan en in hoger beroep gehandhaafd. 4.8.2 De kantonrechter heeft in rov. 4.7 van het tussenvonnis van 22 januari 2015 geoordeeld dat voor zover [geïntimeerde] de door haar geleden schade op het project in [plaats 2] wenst te verrekenen, die betreffende schadevergoedingsvordering voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als de vorderingen waarvan [appellante] betaling vordert. [appellante] voert tegen dit oordeel in hoger beroep aan dat de opdrachtnemer van het project in [plaats 2] [Transportbedrijf] Transportbedrijf B.V. is geweest en niet [geïntimeerde] (grief 2 bezien in samenhang met de nrs. 11-12 memorie van grieven). Ter onderbouwing van die stelling heeft [appellante] onder meer gewezen op het feit dat [geïntimeerde] in eerste aanleg geen enkele factuur heeft overgelegd die op naam van [geïntimeerde] is gesteld. Wel heeft [geïntimeerde] op de zitting van 5 februari 2015 overgelegd een factuur van [Transportbedrijf] Transportbedrijf B.V. (hierna Transportbedrijf B.V.) aan [Kunststoffen] Kunststoffen van 29 december 2014. 4.8.3 [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat Transportbedrijf B.V. een groepsvennootschap is en dat zij een groepsvennootschap als Transportbedrijf B.V. inschakelt als dit nodig is (nr. 7 memorie van antwoord tevens incidenteel appel). In haar verdere betoog is [geïntimeerde] enkel blijven spreken over “ [geïntimeerde] ”. [geïntimeerde] heeft geen contract overgelegd waaruit blijkt dat zij de contractspartij is geweest bij het project [plaats 2] . Zij heeft evenmin overgelegd een opdracht van haar aan Transportbedrijf B.V. waaruit blijkt dat zij deze heeft ingeschakeld als onderaannemer en evenmin heeft zij andere facturen overgelegd dan de genoemde factuur aan [Kunststoffen] . Die enige door [geïntimeerde] overgelegde factuur is echter gestuurd door Transportbedrijf B.V. Aldus heeft [geïntimeerde] de stelling van [appellante] dat niet [geïntimeerde] contractspartij is geweest bij het project [plaats 2] , maar dat de contractspartij Transportbedrijf B.V. is geweest, onvoldoende gemotiveerd betwist. Nu verder geen feiten zijn komen vast te staan op grond waarvan [geïntimeerde] toch als rechthebbende van de vordering voortvloeiende uit het project [plaats 2] kan worden aangemerkt, kan [geïntimeerde] geen beroep doen op verrekening. 4.9 De conclusie is dat de bestreden vonnissen moeten worden vernietigd. De vordering van [appellante] moet worden toegewezen voor in totaal € 1.034,94. De vorderingen van [geïntimeerde] moeten worden afgewezen. Uit de door [appellante] bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde producties 4 en 5 blijkt voldoende dat incassomaatregelen zijn genomen. Het hof zal aan incassokosten toewijzen 15% van de toe te wijzen hoofdsom van € 1.034,90 conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, nu partijen geen nadere afspraken ter zake hebben gemaakt. Partijen zijn over en weer zodanig op enkele punten in het ongelijk gesteld dat het hof de kosten van de eerste aanleg en van dit hoger beroep zal compenseren. 5De uitspraak Het hof: in het principaal en het incidenteel appel: vernietigt de vonnissen van 22 januari 2015 en 16 juli 2015 en doet opnieuw recht als volgt: veroordeelt [geïntimeerde] uitvoerbaar bij voorraad om aan [appellante] te betalen € 1.034,90, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen van respectievelijk 4-11-2013 ad € 337,35, 11-11-2013 ad € 516,31, 18-11-2013 ad € 135,76 en van 25-11-2013ad € 45,52 en vermeerderd met € 155,24 incassokosten; wijst af het meer of anders door [appellante] gevorderde; wijst af het door [geïntimeerde] gevorderde; compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en van dit hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, R.R.M. de Moor, en J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 oktober 2017. griffier rolraadsheer
ECLI:NL:PHR:2003:AF4602
De verwijzing van [eisers] naar diverse rechtspraak over de reikwijdte van de pandakte, waaronder met name HR 16 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF4602 (De Liser de Morsain/Rabobank) gaat niet op, nu de daarin voorliggende casus verschillen van de onderhavige casus.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/627539 / HA ZA 17-400 Vonnis van 11 juli 2018 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eisers] , gevestigd te Landhorst, eiseres, advocaat mr. I.J.A.J. Hanssen te Boxmeer, tegen naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde, advocaat mr. A.C. Rozeman te Amsterdam, en mr. S.M.M. VAN DOOREN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Bowie Recycling B.V., kantoorhoudende te ‘s-Hertogenbosch, interveniënt, advocaat mr.

M.R.J. Linck te ’s-Hertogenbosch. Partijen zullen hierna [eisers] , de bank en de curator worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis in incident van 2 augustus 2017, waarbij het de curator is toegestaan om tussen te komen de conclusie van eis in tussenkomst van de curator de conclusie van antwoord in tussenkomst van [eisers] de conclusie van antwoord in de tussenkomst van de bank het tussenvonnis van 21 maart 2018, waarbij een comparitie is bepaald het proces-verbaal van de op 25 mei 2018 gehouden comparitie van partijen, met de daarin genoemde (proces)stukken een brief van mr.

Hanssen van 15 juni 2018, met een reactie op het proces-verbaal. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eisers] is een holdingmaatschappij. Via haar dochtermaatschappij [naam BV 1] (hierna [naam BV 1] ) houdt zij de aandelen in Bowie Recycling B.V. (hierna: Bowie), [naam BV 2] (hierna: [naam BV 2] ) en Bowie Beton B.V. (hierna: Beton). 2.2. [eisers] heeft op 31 december 2010 een geldlening verstrekt aan Bowie van € 3,1 miljoen. 2.3. Bowie heeft bij (stampand)akte van 31 december 2010 een (bezitloos) pandrecht verstrekt op alle aan haar toebehorende roerende zaken, waaronder inventaris, machines en bedrijfsvoorraden, en op haar (handels)vorderingen ten gunste van [eisers] . 2.4.

Bowie, [naam BV 2] en Beton hebben een contractuele relatie met de bank. Op grond van een saldocompensatieovereenkomst van 9 januari 2014 met de bank worden de credit- en debetsaldi op de bankrekeningen van deze door de overeenkomst verbonden drie vennootschappen met elkaar verrekend. 2.5. De vervolgpandakte van 20 januari 2014, geregistreerd op 27 januari 2014, met Bowie als pandgever en [eisers] en [naam BV 1] gezamenlijk en ieder voor zich) als pandnemer luidt, voor zover hier relevant: “(…) Geeft pandgever aan pandnemer in pand: De uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 ad € 6.059.324,79.

Naam Eerste debiteur: 247 Chauffeurs Diensten Naam Laatste debiteur: Zwinkels Uitvoering & Verhuur Deze vorderingen zijn vermeld op de hierbij gevoegde computerlijst(en)/specificaties bestaande uit 155 gewaarmerkte pagina’s. De verpanding vindt plaats op de wijze en onder voorwaarden zoals omschreven in de overeenkomst tot verpanding (…) zoals door u op 31 december 2010 is ondertekend. (…)” 2.6. De vervolgpandakte van 27 januari 2014, geregistreerd op 30 januari 2014, met Bowie als pandgever en [eisers] en [naam BV 1] gezamenlijk en ieder voor zich) als pandnemer luidt, voor zover hier relevant:

“(…) Geeft pandgever aan pandnemer in pand: De uitstaande vorderingen per 27 januari 2014 ad € 6.353.118,46. Naam Eerste debiteur: 247 Chauffeurs Diensten Naam Laatste debiteur: Zwirs Knijenburg B.V. Deze vorderingen zijn vermeld op de hierbij gevoegde computerlijst(en)/specificaties bestaande uit 184 gewaarmerkte pagina’s. De verpanding vindt plaats op de wijze en onder voorwaarden zoals omschreven in de overeenkomst tot verpanding (…) zoals door u op 31 december 2010 is ondertekend. (…)” 2.7. Op 28 januari 2014 zijn [naam BV 1] , Bowie en [naam BV 2] in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curator als zodanig. 3Het geschil 3.1. [eisers] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven, veroordeling van de bank tot betaling van € 341.935,15 dan wel € 330.596,73 (hierna ook het creditsaldo), te vermeerderen met rente en kosten. 3.2.

De curator vordert, na tussenkomst en na vermindering van eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven, veroordeling van de bank tot afdracht van € 118.465,72 aan de boedel van Bowie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2017 tot aan de voldoening, met verwijzing van [eisers] in de kosten van dit geding, waaronder buitengerechtelijke incassokosten van € 1.831,23, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.3. De bank betwist dat zij gehouden is tot afdracht van een hoger bedrag dan € 118.465,72 en refereert zich ten aanzien van de vraag aan wie dit bedrag dient te worden uitgekeerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling ten aanzien van de vorderingen van [eisers] 4.1. [eisers] legt aan haar vordering samengevat het volgende ten grondslag. Bowie heeft haar vordering op de bank rechtsgeldig aan [eisers] verpand bij vervolgpandaktes van 20 januari 2014 en 27 januari 2014, zodat de bank gehouden is het creditsaldo aan haar te betalen. Het creditsaldo is als zodanig weliswaar niet omschreven in de computerlijsten behorende bij de vervolgpandaktes, maar het was de bedoeling van [eisers] en Bowie om alle uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 dan wel 27 januari 2014 te verpanden, zoals ook uit de tekst van de stampandakte blijkt. 4.2.

De rechtbank is met de curator van oordeel dat de op 30 januari 2014 geregistreerde pandakte van 27 januari 2014 op grond van artikel 23 Faillissementswet (Fw) in verband met de faillietverklaring van Bowie op 28 januari 2014 geen doel meer heeft getroffen. Ter beoordeling staat vervolgens of de vordering van Bowie bij vervolgpandakte van 20 januari 2014 rechtsgeldig is verpand. 4.3. Voor een rechtsgeldige verpanding van een vordering is onder meer vereist dat die vordering voldoende bepaalbaar is in de zin van artikel 3:84 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). 4.4.

De curator voert primair het verweer dat [eisers] geen rechtsgeldig beroep toekomt op afdracht aangezien de vordering van Bowie op de bank niet is gespecificeerd in de bij de pandakte van 20 januari 2014 behorende computerlijst, zodat van verpanding van die vordering geen sprake kan zijn. De curator verwijst hiertoe naar het arrest van het hof Den Bosch van 17 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4570. Het voorgaande brengt mee dat de bank gehouden is tot afdracht van het creditsaldo, dat volgens de curator € 118.465,72 bedraagt, aan de boedel van Bowie. 4.5.

Dit verweer slaagt. In voornoemd arrest is reeds over de reikwijdte van een identieke door Bowie ondertekende pandakte beslist. Nu [eisers] verder niets heeft gesteld dat noopt tot een andere beslissing, oordeelt de rechtbank in lijn met dit arrest als volgt. Bij vestiging van een stil pandrecht op vorderingen op naam waarbij de te verpanden vorderingen expliciet worden vermeld op een lijst, zoals in dit geval, is die lijst leidend. Nu de onderhavige vordering niet voorkomt op de lijst die is gevoegd bij de vervolgpandakte van 20 januari 2014, is die vordering niet verpand bij die akte.

Dat het de initiële bedoeling van [eisers] en Bowie zou zijn geweest om ook die vordering bij die akte te verpanden, vanwege de oorspronkelijke stampandakte, is, nu die vordering niet op die lijst voorkomt, niet relevant. Die vervolgpandakte vermeldt immers niet “alle vorderingen per 20 januari 2014” maar “De uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 ad € 6.059.324,79” en na expliciete vermelding van de namen van de eerste en de laatste debiteur “Deze vorderingen zijn vermeld op de hierbij gevoegde computerlijst(en)/specificaties bestaande uit 155 gewaarmerkte pagina’s”, derhalve zeer nauwkeurig omschrijvend wat er precies is verpand. 4.6.

Verder heeft [eisers] tegenover de gemotiveerde betwisting van de curator niet dan wel onvoldoende onderbouwd gesteld dat de onderhavige vordering ten tijde van de stampandakte van 31 december 2010 al bestond dan wel ten tijde van een latere pandakte vóór 14 januari 2014. 4.7. De door [eisers] gestelde bedoeling om alle uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 te verpanden strookt voorts niet met de ondertekening van de vervolgpandakte van 27 januari 2014. In de visie van [eisers] zou immers de vervolgpandakte van 20 januari 2014 reeds volstaan ten behoeve van de verpanding van alle op 27 januari 2014 bestaande vorderingen.

Veeleer lijkt het erop dat juist specifieke vervolgpandakten worden ondertekend omdat iedere vervolgpandakte slechts een beperkte reikwijdte heeft, zo betoogt de curator terecht. Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank voorbij aan het aanbod van [eisers] om die bedoeling te bewijzen. 4.8. De verwijzing van [eisers] naar diverse rechtspraak over de reikwijdte van de pandakte, waaronder met name HR 16 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF4602 (De Liser de Morsain/Rabobank) gaat niet op, nu de daarin voorliggende casus verschillen van de onderhavige casus.

Zo was in de zaak De Liser de Morsain/Rabobank de vraag aan de orde of een pandakte met een algemene omschrijving van de vorderingen met verwijzing naar de administratie voldoende bepaalbaar was in de zin van artikel 3:84 lid 2 BW. In de onderhavige zaak staat echter ter beoordeling of de in de pandakte gegeven specifieke omschrijving van de vorderingen ruimer mag worden toegepast, namelijk naar niet specifiek in die pandakte omschreven vorderingen. 4.9. De conclusie op grond van het voorgaande is dan ook dat van een rechtsgeldig pandrecht aan de zijde van [eisers] geen sprake is, zodat de vordering van [eisers] zal worden afgewezen. 4.10. [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de bank worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van de bank worden begroot op: - griffierecht € 3.894,00 - salaris advocaat 4.804,00 (2,0 punten × tarief € 2.402,00) Totaal € 8.698,00 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is als niet bestreden toewijsbaar. De nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing is vermeld. ten aanzien van de vorderingen van de curator 4.11. Het voorgaande brengt verder mee dat de curator terecht aanspraak maakt op afdracht van het niet door de bank weersproken bedrag van € 118.465,72 aan de boedel van Bowie.

Die vordering zal derhalve worden toegewezen. 4.12. Als verweer tegen de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 juni 2017 beroept de bank zich op een opschortingsrecht op grond van artikel 6:37 BW omdat de bank op redelijke grond twijfelde of aan de curator of aan [eisers] betaald moest worden. Nu dat beroep niet is weersproken, zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis. 4.13. De bank heeft verder verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad omdat betaling een onaanvaardbaar restitutierisico zal opleveren.

Als de bank bij een eventueel ander oordeel in hoger beroep het bedrag zou moeten terugvorderen, resteert slechts een concurrente boedelvordering. Uit het laatste faillissementsverslag blijkt dat het boedeltekort zodanig is, dat het een reëel risico is dat zij in dat geval geen of slechts een beperkte terugbetaling tegemoet zal kunnen zien. De bank zou dus in een slechtere positie komen, waarvoor geen grond bestaat, te meer nu de bank slechts als derde is betrokken in een geschil tussen de curator en [eisers] . Subsidiair vordert de bank aan een eventuele toewijzing van de vordering de voorwaarde van zekerheidstelling ex artikel 233 lid 3 Rv te verbinden. 4.14.

Nu de bank het restitutierisico genoegzaam heeft onderbouwd en de curator het door de bank gestelde belang bij een afwijzing van de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet heeft weersproken en niet heeft gesteld dat zijn belang bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad zwaarder weegt dan het door de bank gestelde belang, zal de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad worden afgewezen. 4.15. De curator vordert verder veroordeling van [eisers] in zijn proceskosten. [eisers] voert hiertegen aan dat zij in de verhouding tussen de curator en de bank een derde partij is en geen van de uitzonderingen van artikel 245 Rv, op grond waarvan een derde partij in de proceskosten kan worden veroordeeld, zich hier voordoet.

Dit verweer faalt, nu een tussenkomende partij niet als een derde partij als bedoeld in artikel 245 Rv kan worden beschouwd. [eisers] moet in haar verhouding tot de curator worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van de curator was immers te voorkomen dat het creditsaldo aan [eisers] zou worden afgedragen, welk doel is bereikt. [eisers] zal dan ook in de proceskosten van de curator worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op: - griffierecht € 1.545,00 - salaris advocaat 3.414,00 (2,0 punten × tarief € 1.707,00) Totaal € 4.959,00 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is als niet bestreden toewijsbaar.

De nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing is vermeld. 4.16. Verder vordert de curator veroordeling van [eisers] in de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.831,23. De curator heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat hij daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en worden geacht redelijk te zijn. De vordering is daarom toewijsbaar. proceskosten incident tot tussenkomst 4.17. [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op € 543,00 (1 punt x tarief € 543,00) aan salaris advocaat. De nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing is vermeld. 4.18. Tussen de curator en de bank worden de proceskosten gecompenseerd, nu de bank zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5De beslissing

De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen van [eisers] af, 5.2. veroordeelt de bank om aan de curator te betalen een bedrag van € 118.465,72 (éénhonderdachttienduizendvierhonderdvijfenzestig euro en tweeënzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.3. veroordeelt [eisers] tot betaling aan de curator van € 1.831,23 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.4. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van de bank tot op heden begroot op € 8.698,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.5. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 4.959,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.6. veroordeelt [eisers] in de proceskosten in het incident, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 543,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.7. veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van de curator, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.8. veroordeelt de bank in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van de curator, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de bank niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.9. compenseert de proceskosten in het incident tussen de curator en de bank aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.10. verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen onder 5.3, 5.4, 5.5, 5.6 en 5.7 uitvoerbaar bij voorraad, 5.11. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2018.