Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2017:6682 ECLI:NL:RBAMS:2017:6682 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2017:6682 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2017:6682
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 17/2690 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser en Universiteit van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. N. van den Brink). Procesverloop In het besluit van 4 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op het door eiser met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedane verzoek beslist onder gedeeltelijke openbaarmaking van de door eiser verzochte informatie. In het besluit van 23 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 10 EVRM; ECLI:NL:RBAMS:2017:6682 · Rechtbank Amsterdam: Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt, in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de persoonsgegevens 7. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, kennis genomen van de niet openbaar gemaakte informatie. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat, op de twee bijlagen en de passage in document 5 na, de weggelaten delen inderdaad allemaal zien op persoonsgegevens en tot de persoon te herleiden (contact)gegevens, zoals telefoonnummers en e-mail adressen.

Keywords

AI generated
publication of secret official proceedings financial disclosure confidentiality of tenders transparency and access to documents disclosure of information judicial investigation

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht
Verweerder heeft de stukken waarvan openbaarmaking (deels) is geweigerd overgelegd met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en tevens een verweerschrift ingediend.
artikel 10 EVRM

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2010:BN5699
Procesverloop Bij besluit van 14 februari 2008 heeft de minister het verzoek van [appellant] om geanonimiseerde verstrekking van alle documenten inzake "maatregelen die in Nederland zijn ingezet in het kader van de openbare orde en veiligheid, grootschalig optreden, voorbereidingshandelingen, inlichtingenhandelingen, informatieoverdracht, informatie-uitwisseling, dataverzameling en grensbewaking met betrekking tot de G8-top in Heiligendamm, Duitsland" in juni 2007 deels afgewezen. Bij besluit van 24 juni 2008 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2007:BA9807
Procesverloop Bij besluit van 25 augustus 2004 heeft de korpsbeheerder van de politie regio Utrecht (hierna: de korpsbeheerder) het verzoek van appellant om openbaarmaking van documenten gedeeltelijk afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2010:BN5701
Procesverloop Bij besluit van 6 december 2007 heeft de minister een verzoek van [verzoeker] om informatie omtrent maatregelen in het kader van de openbare orde en veiligheid, grootschalig optreden, voorbereidingshandelingen en inlichtingen betreffende de ontruiming en kap van de Schinveldse bossen in de periode 2005 tot en met 2007, afgewezen. Bij besluit van 8 april 2008 heeft de minister het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 8 april 2008 vernietigd, bepaald dat de documenten 3 en 4 openbaar worden gemaakt en bepaald dat de documenten 8 en 9 (lees: 8 en 10) na weglakking van de naam van de concipiërend ambtenaar openbaar worden gemaakt.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 17/2690 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser en Universiteit van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. N. van den Brink). Procesverloop In het besluit van 4 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op het door eiser met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedane verzoek beslist onder gedeeltelijke openbaarmaking van de door eiser verzochte informatie. In het besluit van 23 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft de stukken waarvan openbaarmaking (deels) is geweigerd overgelegd met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en tevens een verweerschrift ingediend. Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte documenten als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2017. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak met zaaknummer 17/2693.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Feiten en standpunten van partijen 1. Op 12 september 2016 heeft eiser per e-mail met een beroep op de Wob verzocht om openbaarmaking van: 1: “alle WOB documenten betrekking hebbend tussen Gate48 en u” en van 2: “de communicatie tussen Minister OCW en de UvA op dit punt” Het betreft meer in het bijzonder documenten betreffende het op 14 september 2016 gehouden symposium Securitizing Worlds: a Critical Look at the Israeli Global Security Industry, dat plaatsvond in cultureel studentencentrum CREA (hierna: het Wob-verzoek).

2. In het primaire besluit is op het Wob-verzoek beslist. Verweerder heeft een aantal documenten (e-mails) tussen verweerder en het Ministerie van Onderwijs Cultuur & Wetenschap (hierna OC&W) openbaar gemaakt, waarbij daarin vermelde persoonsgegevens en de naar die persoon te herleiden contactgegevens onleesbaar zijn gemaakt met een beroep op de in artikel 10, lid 2, aanhef en onder e van de Wob genoemde weigeringsgrond. Openbaarmaking van deze gegevens zou volgens verweerder leiden tot een onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen.

Dat belang weegt zwaarder. Tevens is in de e-mail van 8 september 2016 (hierna: document 5) een passage onleesbaar gemaakt met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob, omdat deze passage volgens verweerder een persoonlijke beleidsopvatting betreft. Twee bijlagen behorend bij de hiervoor bedoelde openbaargemaakte e-mails worden eveneens geweigerd met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob. Het betreft concept-antwoorden op Kamervragen. Er zijn volgens verweerder verder geen andere documenten die op het Wob-verzoek betrekking hebben.

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft in het besluit nog toegelicht dat er geen telefoonnotities worden gemaakt. Alle relevante documenten zijn bij het Wob-verzoek betrokken, meer is er niet. Verwezen wordt naar ECLI:NL:RVS:2010:BN5699. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er meer is.

4. Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat verweerder de kern van het Wob-verzoek omzeilt. De jurisprudentie wordt door verweerder onjuist toegepast. Ten onrechte zijn de persoonsgegevens onleesbaar gemaakt. Ook zijn de bijlagen alsmede een passage in een e-mail ten onrechte geweigerd op grond van artikel 11 van de Wob. Verder voert eiser aan dat niet alle relevante documenten bij het Wob-verzoek zijn betrokken. Er moet haast wel sprake zijn geweest van enige communicatie tussen verweerder en Gate48, alsmede van telefoonnotities van tussen verweerder en OC&W gevoerde telefoongesprekken. Tenslotte betoogt eiser dat Gate48 als getuige dient te worden opgeroepen. Relevante regelgeving 5. Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

6. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt, in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de persoonsgegevens 7. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, kennis genomen van de niet openbaar gemaakte informatie. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat, op de twee bijlagen en de passage in document 5 na, de weggelaten delen inderdaad allemaal zien op persoonsgegevens en tot de persoon te herleiden (contact)gegevens, zoals telefoonnummers en e-mail adressen.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat, waar het gaat om beroepshalve functioneren van ambtenaren, slechts in beperkte mate een beroep kan worden gedaan op het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer, maar dat dit anders ligt indien het betreft het openbaarmaken van namen van de ambtenaren. Namen zijn immers persoonsgegevens en het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen het openbaarmaken daarvan verzetten. Voorts is van belang dat het hier niet gaat om het opgeven van een naam aan een individuele burger die met een ambtenaar in contact treedt, maar om openbaarmaking van de naam in de zin van de Wob.

8. Anders dan eiser stelt, is aan het onleesbaar maken van de persoonsgegevens door verweerder wel degelijk een belangenafweging voorafgegaan, waarbij het belang van de betreffende schrijvers en geadresseerden van de e-mails op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer zwaarder is bevonden dan het belang van eiser bij openbaarmaking van deze informatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval het belang van de betrokkenen bij de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser.

Daarbij wordt mede relevant geacht dat het gaat om personen zonder publieke functie, zodat zij niet reeds uit dien hoofde openbaarmaking van hun persoonsgegevens hebben te dulden. Verweerder heeft openbaarmaking van de persoonsgegevens dan ook mogen weigeren, ook in het licht bezien van een recente volgens eiser te signaleren tendens dat de weigering om overheidsdocumenten openbaar te maken niet de uitoefening van het recht om informatie te kunnen ontvangen en te delen, zoals beschermd door artikel 10 EVRM, de vrijheid van meningsuiting, mag hinderen.

Eisers verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens, EHRM (GK) 8 november 2016, [naam] v. Hongarije (nr. 18030/11) kan hem hier niet baten. Openbaarmaking van de persoonsgegevens is hier terecht geweigerd. Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de twee bijlagen en de onleesbaar gemaakte passage in document 5 9. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, ook kennis genomen van de twee geweigerde bijlagen en van de onleesbaar gemaakte passage in document 5. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat de passage inderdaad valt onder intern beraad en dat het een persoonlijke beleidsopvatting van de schrijver van de betreffende e-mail betreft.

Deze mocht naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. De twee bijlagen bevatten inderdaad Kamervragen en de concept antwoorden hierop. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, heeft verweerder met OC&W contact gehad over de wijze waarop de Kamervragen beantwoord moesten worden. Er is als het ware aan de antwoorden geschaafd. De rechtbank constateert na lezing van deze stukken dat de geweigerde bijlagen een product zijn van dit schavingsproces en dat het stukken betreft die zien op intern beraad.

De concept antwoorden zijn daarmee aan te merken als persoonlijke beleidsopvattingen. De rechtbank verwijst in dit verband naar gangbare jurisprudentie van de Afdeling waarin is geoordeeld dat conceptantwoorden op Kamervragen, voor zover deze afwijken van de definitieve antwoordden en derhalve niet reeds openbaar zijn, persoonlijke beleidsopvattingen bevatten die mogen worden geweigerd op grond van artikel grond van 11, eerste lid, van de Wob. Verweerder heeft de openbaarmaking van de passage in document 5 en de beide bijlagen dan ook mogen weigeren.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of er nog meer documenten zijn die op het Wob-verzoek betrekking hebben 10. Eiser heeft zijn vraagtekens gezet bij de volledigheid van de verstrekte informatie. Verweerder heeft ter zitting nogmaals toegelicht dat er geen andere stukken zijn. Er worden geen telefoonnotities meer gemaakt, waardoor deze ook niet openbaar gemaakt kunnen worden. Ook is er volgens verweerder geen contact geweest met Gate48. Ter zitting heeft verweerder in dit verband tevens toegelicht dat CREA slechts een aan verweerder gelieerde stichting is en er geen bemoeienis is van verweerder met de programmering van CREA.

11. De mededelingen van verweerder over het niet bestaan van verdere informatie komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het daarmee in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat dergelijke documenten toch bij verweerder berusten. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daar onvoldoende in geslaagd. Dat er volgens eiser wel degelijk een organisatorisch verband bestaat tussen verweerder en CREA, wat hier ook van zij, is hiervoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt dan ook niet. Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het verzoek tot het als getuige oproepen van Gate48 12. Voorop wordt gesteld dat het ambtshalve oproepen van getuigen een discretionaire bevoegdheid van de rechter betreft. Ook na bestudering van de niet openbaar gemaakte informatie, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het oproepen van Gate48 als getuige. De rechtbank zal dan ook geen gebruik maken van voornoemde bevoegdheid. Slotsom 13. Gelet op het hiervoor overwogene heeft verweerder op correcte wijze beslist op het Wob-verzoek van eiser.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. de Rijke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2017. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2007:BA9807. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2010:BN5701.