Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2017:5087 ECLI:NL:RBAMS:2017:5087 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2017:5087 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2017:5087
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/728229-15 Onderzoek: 13Natur klanten/13 DVP14011 Datum uitspraak: 12 juli 2017 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] [woonplaats] .

Legislator headnote

AI generated

artikel 46b Sr, artikel 45 Sr, artikel 248b Sr; ECLI:NL:RBAMS:2017:5087 · Rechtbank Amsterdam: Als er al sprake zou zijn van een poging tot ontucht dan is het feit dat verdachte is weggegaan, nadat de tijd die hij voor € 50,- daar mocht zijn was verstreken, te beschouwen als een ‘vrijwillige terugtred’, als bedoeld in artikel 46b Sr. 4.3 Oordeel rechtbank Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte voor het primair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken bij gebrek aan bewijs. Dat sprake is geweest van daadwerkelijk seksueel contact zoals ten laste gelegd, wordt door verdachte met stelligheid ontkend, terwijl [naam slachtoffer] (‘ [werknaam 1] ’) tegenover de rechter-commissaris op 27 januari 2017 heeft verklaard dat zij zich helemaal niets meer kan herinneren van klanten uit februari 2014.

Keywords

AI generated
sexual acts with a child sexual offense sexual tourism sexual assault sexual harassment allegations of abuse

Cited Legislation

AI generated
artikel 46b Sr
Als er al sprake zou zijn van een poging tot ontucht dan is het feit dat verdachte is weggegaan, nadat de tijd die hij voor € 50,- daar mocht zijn was verstreken, te beschouwen als een ‘vrijwillige terugtred’, als bedoeld in artikel 46b Sr.
artikel 45 Sr
artikel 248b Sr
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen zoals deze subsidiair zijn tenlastegelegd naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het misdrijf van artikel 248b Sr, omdat die gedragingen geen van alle een ontuchtig karakter hebben.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBNNE:2014:830
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/850452-13 vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.
ECLI:NL:RBMNE:2015:745
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling StrafrechtZittingslocatie Utrecht Parketnummer: 16/661829-14 (P) Vonnis van de meervoudige strafkamer van 10 februari 2015 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1972], wonende te [woonplaats], [adres]. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 en 20 januari 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht. Eerder heeft er op 14 oktober 2014 een zogenaamde regiezitting plaatsgevonden. Het onderzoek is op 27 januari 2015 gesloten. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: heeft geprobeerd om ontucht te plegen met de minderjarige [slachtoffer] (17 jaar), die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling; feit 2: ontucht heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer] (17 jaar), die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling dan wel (subsidiair) dat hij dat heeft geprobeerd. 3Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouwe heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde feiten.
ECLI:NL:HR:2011:BP1379
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
ECLI:NL:HR:1978:AC6373
een mededeling van de Procureur-Generaal bij voormeld Gerechtshof van 15 februari 1978, geadresseerd aan rekwirant, inhoudende dat deze bij voormeld arrest is veroordeeld als hiervoor weergegeven; een aan voormelde verstekmededeling gehechte akte van uitreiking, inhoudende dat die verstekmededeling op 11 maart 1978 te Straubing, Justizvollzugsanstalt, in persoon aan de geadresseerde is uitgereikt;
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/728229-15 Onderzoek: 13Natur klanten/13 DVP14011 Datum uitspraak: 12 juli 2017 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] [woonplaats] .

1Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 oktober 2016 en 28 juni 2017. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L.A. ter Veer en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B.A. Zevenbergen, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 28 juni 2017 – primair ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 10 februari 2014 in de gemeente Diemen, in elk geval elders in Nederland ontucht heeft gepleegd met [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 1996 die zich (onder de werknaam “ [werknaam 1] ” en/of “ [werknaam 2] ”) beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, welke ontucht bestond uit - het aanraken en/of betasten en/of voelen van de botsten en/of de vagina van die [naam slachtoffer] en/of - het doen aanraken van en/of doen wrijven over en/of doen trekken aan zijn, verdachtes, penis door die [naam slachtoffer] en/of - het brengen/duwen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in de vagina en/of de anus van die [naam slachtoffer] en/of - het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [naam slachtoffer] .

Subsidiair wordt hij ervan beschuldigd dat hij op of omstreeks 10 februari 2014 in de gemeente Diemen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om ontucht te plegen met een persoon genaamd [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedag] 1996), die zich (onder de werknaam “ [werknaam 1] ” en/of “ [werknaam 2] ”) beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betalingen welke persoon de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, - via de website www.kinky.nl telefonisch contact heeft gelegd met die [naam slachtoffer] en/of vervolgens - die [naam slachtoffer] heeft gevraagd of zij ontvangst doet, of de prijzen inclusief zijn en hoe lang een vluggertje duurt en/of vervolgens - naar het door die [naam slachtoffer] opgegeven adres is gegaan en/of- die [naam slachtoffer] een geldbedrag (van 50 euro) heeft betaald,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Standpunt officier van justitie Verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Het is volgens de officier van justitie zeer onaannemelijk dat er op 10 februari 2014 in het geheel geen seksueel contact tussen verdachte en [naam slachtoffer] , onder de werknaam ‘ [werknaam 1] ’, heeft plaatsgevonden, maar bewijs hiervoor ontbreekt. Verdachte ontkent en [naam slachtoffer] kan het zich niet meer herinneren. Voor de subsidiair ten laste gelegde poging tot ontucht met een minderjarige ligt dit anders.

Het feit dat verdachte via een telefoonnummer dat op de website kinky.nl vermeld stond contact heeft gezocht met ‘ [werknaam 1] ’, naar haar prijzen heeft geïnformeerd en gevraagd heeft hoe lang een vluggertje duurt en of ze ontvangst doet, dat hij vervolgens naar het opgegeven adres is gegaan en, hoewel het uiteindelijk niet tot een seksueel contact is gekomen omdat de tijd er op zat, haar wel € 50,- heeft betaald, kan worden gezien als een voltooide poging tot het plegen van ontucht tegen betaling met de op dat moment 17 jarige ‘ [werknaam 1] ’.De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 februari 2014 (ECLI:NL:RBNNE:2014:830) en een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 februari 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:745).De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken zal worden opgelegd met een proeftijd van twee jaren. 4.2 Standpunt raadsman Verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.

Hij ontkent dat hij ontucht heeft gepleegd met [naam slachtoffer] . Zelf heeft zij tegenover de rechter-commissaris op vragen van de officier van justitie verklaard verdachte niet te herkennen van een foto die haar tijdens het verhoor is getoond en dat zij zich helemaal niets kan herinneren van klanten uit die tijd (de rechtbank begrijpt: februari 2014).Daarmee ontbreekt het bewijs voor de gestelde ontucht. Ook de subsidiair tenlastegelegde poging tot ontucht met een minderjarige is niet te bewijzen. Verdachte ontkent en uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat er handelingen hebben plaatsgevonden op seksueel gebied, kortom: er is niets strafbaars gebeurd. [naam slachtoffer] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij niet kan uitsluiten dat er klanten zijn geweest met wie in het geheel geen seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.

Als er al sprake zou zijn van een poging tot ontucht dan is het feit dat verdachte is weggegaan, nadat de tijd die hij voor € 50,- daar mocht zijn was verstreken, te beschouwen als een ‘vrijwillige terugtred’, als bedoeld in artikel 46b Sr. 4.3 Oordeel rechtbank Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte voor het primair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken bij gebrek aan bewijs. Dat sprake is geweest van daadwerkelijk seksueel contact zoals ten laste gelegd, wordt door verdachte met stelligheid ontkend, terwijl [naam slachtoffer] (‘ [werknaam 1] ’) tegenover de rechter-commissaris op 27 januari 2017 heeft verklaard dat zij zich helemaal niets meer kan herinneren van klanten uit februari 2014.

Verder heeft zij verdachte niet herkend op de foto die haar is getoond tijdens dat verhoor: ‘nee, die ken ik niet; dat zegt mij niks’. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging overweegt de rechtbank als volgt. Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden bewezen dat verdachte op 14 februari 2014 de handelingen zoals tenlastegelegd heeft gepleegd. Verdachte heeft zelf ook toegegeven dat hij - via de website www.kinky.nl telefonisch contact heeft gelegd met [naam slachtoffer] en - aan [naam slachtoffer] heeft gevraagd of zij ontvangst doet, of de prijzen inclusief zijn en hoe lang een vluggertje duurt en dat hij - naar het door [naam slachtoffer] opgegeven adres is gegaan en- [naam slachtoffer] een geldbedrag (van 50 euro) heeft betaald.

Verdachte heeft bij herhaling ontkend dat er enige vorm van seksueel contact heeft plaatsgevonden tussen hem en [naam slachtoffer] (‘ [werknaam 1] ’). Hij heeft verklaard dat hij aanwezig is geweest in haar kamer, dat hij aan tafel zat en zij op bed en dat beiden gedurende die tijd volledig gekleed waren en bleven. Seksueel contact heeft niet plaatsgevonden, een seksueel getint gesprek is niet gevoerd, verdachte heeft zichzelf niet bevredigd in haar aanwezigheid, en heeft haar niet aangeraakt. Toen de tijd om was moest hij van haar het tevoren afgesproken bedrag van € 50,- betalen en vertrekken.

Verdachte heeft verklaard dat hij deze wending niet had zien aankomen en – naar de rechtbank begrijpt – enigszins verbouwereerd heeft betaald en is vertrokken. Ook hier geldt dat [naam slachtoffer] (‘ [werknaam 1] ’) heeft verklaard zich klanten uit die tijd niet te kunnen herinneren en verdachte niet herkent op de haar getoonde foto. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of hetgeen verdachte heeft gedaan valt onder een ‘poging tot misdrijf’, als bedoeld in artikel 45 Sr.Uitgaande van de stelling van verdachte – die niet op basis van bewijsmiddelen kan worden weerlegd – dat hij [naam slachtoffer] (‘ [werknaam 1] ’) niet heeft aangeraakt overweegt de rechtbank dat fysieke aanraking geen vereiste is voor de bewezenverklaring van (een poging tot) ontuchtig handelen (ECLI:NL:HR:2011:BP1379).

Bij de beoordeling of sprake is van een poging tot ontucht met een minderjarige, zoals gesteld door de officier van justitie, hanteert de rechtbank het door de Hoge Raad in zijn arrest van 24 oktober 1978 gegeven criterium: ‘gedragingen zijn als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf aan te merken als zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf’ (“Cito-arrest”, ECLI:NL:HR:1978:AC6373). Voor een voltooide poging is nodig dat er sprake is van een voornemen tot het plegen van het betrokken strafbare feit, van een begin van uitvoering van dat feit en er mag geen sprake zijn van vrijwillige terugtred.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen zoals deze subsidiair zijn tenlastegelegd naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het misdrijf van artikel 248b Sr, omdat die gedragingen geen van alle een ontuchtig karakter hebben. De gedragingen zijn gericht op het leggen van contact met een prostituee, het bespreken van de mogelijkheden en het overeenkomen van een prijs. Deze gedragingen zijn aan te merken als voorbereidingshandelingen. Vervolgens is verdachte naar het opgegeven adres gegaan, waar zij uitsluitend een algemeen gesprek zouden hebben gevoerd, en bij zijn vertrek heeft hij haar op haar verzoek € 50,- betaald omdat “de tijd om was”.

Dit alles wordt niet weersproken door de bewijsmiddelen. De verdachte had weliswaar het voornemen om seks te hebben met [werknaam 1] , maar dat voornemen heeft zich niet gemanifesteerd in een handeling met een ontuchtig karakter, die naar de uiterlijke verschijningsvorm was gericht op de voltooiing van zijn voornemen. Het feit dat verdachte met [werknaam 1] heeft afgesproken, naar haar woning is gegaan, met haar heeft gesproken en haar geld heeft gegeven, is daarvoor niet voldoende. De uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2014:830 is in zoverre anders dan onderhavige casus dat in bedoelde zaak een verklaring van het slachtoffer voor het bewijs is meegewogen, terwijl de veroordeelde al eerder een voltooid seksueel contact met de betrokken minderjarige had.

De uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2015:745 acht de rechtbank evenmin van toepassing op deze casus. In dat geval heeft de veroordeelde het seksueel contact met de minderjarige niet doorgezet omdat zij in huilen uitbarstte en vertelde over de dwang die haar vriend (pooier) op haar uitoefende. De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. 5Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart noch het primair, noch het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen en spreekt verdachte vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.A.G de Vries, voorzitter,mrs. C. Klomp en F.W. Pieters, rechters,in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 juli 2017.