Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2017:3801 ECLI:NL:RBAMS:2017:3801 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2017:3801 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2017:3801
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/520094-09 (ontneming) Datum uitspraak: 1 juni 2017 VONNIS Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/520094-09, tegen: [veroordeelde] , hierna te noemen [veroordeelde] , geboren te [geboortegegevens] 1949, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 1Het onderzoek ter terechtzitting 1.1. De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 20 april 2017. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:RBAMS:2017:3801 · Rechtbank Amsterdam: De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het Openbaar Ministerie de mogelijkheid heeft de veroordeelde gedurende de voor de ontnemingsmaatregel geldende verjaringstermijn onbeperkt uitstel van betaling dan wel betaling in termijnen toe te staan, alsmede de op grond van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering aan de veroordeelde geboden rechtsgang, waarmee hij vermindering dan wel kwijtschelding van het door de rechtbank vast te stellen bedrag kan verzoeken. 5.4. De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 2.191.086,48.

Keywords

AI generated
dismissal of testamentary executor financial hardship enforcement costs relinquishment of assets full immunity changed financial circumstances

Cited Legislation

AI generated
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering
De rechtbank stelt voorop dat de draagkracht in beginsel aan de orde dient te worden gesteld in de executiefase en wel op de voet van het bepaalde in artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2017:1018
Parketnummer: 23-005219-15 Datum uitspraak: 29 maart 2017 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-520094-09 tegen: [verdachte 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1949, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18, 20, 24 en 26 januari, 1 en 17 februari en 1 en 15 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna:
ECLI:NL:HR:2013:BX8746
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene.
ECLI:NL:HR:2007:AZ7747
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Leeuwarden van 8 juni 2004 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 21.825,05. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. A.M.R. van Ginneken, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft het bedrag van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering van dat bedrag en tot verwerping van het beroep voor het overige.
NJ 2007/195
Hoge Raad 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7747, NJ 2007/195).
ECLI:NL:GHSGR:2012:BV6459
Rolnummer: 22-000733-08 PO Parketnummers: 09-755111-03 en 09-017127-04 Datum uitspraak: 31 januari 2012 TEGENSPRAAK Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 januari 2008 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1946, thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, Den Haag PCS ZBB,te 's-Gravenhage. Procesgang in de ontnemingszaak De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij beslissing van 30 januari 2008 het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 2.272.240,-- en aan de veroordeelde, ter ontneming van dit voordeel, de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.272.240,--.
ECLI:NL:HR:2014:656
18 maart 2014 Strafkamer nr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/520094-09 (ontneming) Datum uitspraak: 1 juni 2017 VONNIS Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/520094-09, tegen: [veroordeelde] , hierna te noemen [veroordeelde] , geboren te [geboortegegevens] 1949, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 1Het onderzoek ter terechtzitting 1.1. De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 20 april 2017. 1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van hetgeen door de officieren van justitie mrs. M.A. Boheur en M.J. Dontje (hierna: officier van justitie) en de gemachtigde raadslieden van [veroordeelde] , mrs. W.J. Koops en T. Lucas (hierna: de verdediging), naar voren is gebracht. 2De vordering 2.2. De vordering van de officier van justitie van 11 november 2014 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een bedrag van € 2.421.035,23. 2.2.

Ter terechtzitting van 20 april 2017 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in dier voege dat zij het maximumbedrag stelt op € 2.325.995,97. 3Het arrest in de strafzaak [veroordeelde] is bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 maart 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:1018) veroordeeld ter zake van onder meer de volgende strafbare feiten: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd en oplichting, meermalen gepleegd; anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd; van het plegen van witwassen een gewoonte maken; opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd; medeplegen van valsheid in geschrift. 4Het wederrechtelijk verkregen voordeel 4.1.

De rechtbank stelt voorop dat er in beginsel geen rechtsregel aan in de weg staat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport te doen berusten (HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8746). 4.2. De rechtbank is van oordeel dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van de bewezen verklaarde feiten en soortgelijke feiten. 4.3. De rechtbank grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in het financieel rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel 36e Sr van 25 oktober 2011 en het aanvullende rapport wederrechtelijk verkregen voordeel 36e Sr van 10 juli 2013, beide opgemaakt door [opsporingsambtenaar] , opsporingsambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD te Utrecht, en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel. 4.4.

De verdediging heeft betoogd dat het Hof Amsterdam met betrekking tot de betalingen door zowel [naam 1] als [medeveroordeelde 1] heeft geoordeeld dat sprake was van omkoping door het verstrekken van leningen en dat dus geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank verwerpt het verweer. Het Hof heeft in zijn arrest van 29 maart 2017 overwogen dat geen sprake was van leningen maar van giften als bedoeld in artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht. 4.5. In het rapport en het aanvullend rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt berekend:

Rubriek Conclusie Wederrechtelijk verkregen oordeel Schatting rechtbank 5.5.1. [naam 1] en Nawon Holding BV, Nationaal Woning Bezit Groep BV 5.5.1.1 Betalingen door [naam 1] , Nawon en NWBG inzake de aanschaf en de inrichting [adres] te [plaats] ten behoeve van [veroordeelde] € 780.111,51 € 780.111,51 5.5.1.2 Gebruiksrecht vakantiewoning Spanje € 189.000,00 € 189.000,00 5.5.1.3 Betaling € 300.000,00 aan JVG Vastgoed Groep BV door Nawon € 300.000,00 € 300.000,00 5.5.1.4 Schenking / toe-eigening Volkswagen Beetle € 24.272,11 € 24.272,11 5.5.1.5 Bijdrage zwembad woning [veroordeelde] in [plaats] € 61.260,00 € 61.260,00 5.5.2 [medeveroordeelde 1] en [bedrijf] , Recycling Mij.

Steenkorrel Amsterdam B.V. 5.5.2.1 Verlening sloopcontracten en raamovereenkomst door Rochdale aan [bedrijf] € 116.451,74 € 105.771,74 5.5.2.2 Onroerend goedtransactie 1e onverdeelde helft De Nieuwe Meer € 300.000,00 € 442.150,04 (€ 299.994 + € 199.915 + € 24.999 + € 68.280 – € 151.037). 5.5.2.3. Rol Rochdale bij aankoop 2de onverdeelde helft van De Nieuwe Meer door De Landtong BV en het optreden als onderzetter door Rochdale bij hypotheek ten behoeve van De Landtong BV € 200.000,00 + € 69.076,98 5.5.2.4. Rochdale onderzetter bij hypotheek van De Landtong BV € 25.000,00 5.5.3 Multi Development International BV 5.5.3.1 Transactie Bruggebouw-Zuid – AM/Multi en Rochdale € 188.355,00 € 71.064,00 5.5.4 Verduistering in dienstbetrekking 5.5.4.1 Gedeclareerde telefoonkosten € 20.068,00 € 16.598,00 5.5.4.2 Met zakelijke creditcard gedane privé-uitgiften € 13.642,00 € 1.567,00 5.5.6.

Soortgelijke Transacties / zaken die niet ten laste zijn gelegd in het strafdossier Rochdale 5.5.6.1 Steekpenningen in verband met [adres] en [adres] € 136.134,06 € 136.134,06 5.6. Vervolgprofijt 5.6.1 Vervolgprofijt appartement [adres] € 25.954,88 € 25.954,88 Rimico € 69.708,95 € 37.2013,14 4.6. De rechtbank neemt de conclusies betreffende de berekening wederrechtelijk verkregen voordeel in het rapport en aanvullend rapport over met uitzondering van de rubrieken 5.5.2.1. tot en met 5.5.2.4, 5.5.3.1, 5.5.4.1. en 5.5.4.2 en “Rimico”.

De rechtbank wijkt zoals toegelicht in de voetnoten telkens in het voordeel van [veroordeelde] af van de in die conclusies genoemde bedragen. 4.7. De conclusie is dat [veroordeelde] in totaal € 2.191.086,48 wederrechtelijk voordeel heeft verkregen (€ 2.491.921,25 - € 300.834,77 (het voordeel dat [medeveroordeelde 2] heeft verkregen)). 4.8. De rechtbank zal volstaan met de opgave van het rapport als bewijsmiddel alsmede met de inhoud daarvan, zoals hiervoor is weergegeven, en zal beslissen als volgt. 5De verplichting tot betaling 5.1. De verdediging heeft verzocht het te betalen bedrag vast te stellen op nul euro omdat bij [veroordeelde] elke draagkracht ontbreekt, hij persoonlijk failliet verklaard is, hij zelf niets meer heeft en ook niets ter levensonderhoud ontvangt en kampt met een miljoenenschuld (€ 10.258.298,28).

Gezien de leeftijd van [veroordeelde] , die is geboren in 1949 en op dit moment 67 jaar oud is, is het volgens de verdediging niet aannemelijk dat hij een zodanige verdiencapaciteit heeft dat het hem in de toekomst mogelijk zal worden zijn financiële situatie sterk te verbeteren. 5.2. De rechtbank stelt voorop dat de draagkracht in beginsel aan de orde dient te worden gesteld in de executiefase en wel op de voet van het bepaalde in artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering. In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en naar redelijkerwijs mag worden verwacht in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben (vgl. Hoge Raad 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7747, NJ 2007/195). 5.3.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het faillissement van [veroordeelde] nog niet is afgewikkeld. Zij is van oordeel dat hoewel [veroordeelde] naar het zich laat aanzien thans niet over draagkracht beschikt niet aannemelijk is geworden dat hij naar redelijke verwachting ook in de toekomst in het geheel geen draagkracht zal hebben. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de gevorderde leeftijd van de veroordeelde, maar acht deze leeftijd niet dusdanig hoog dat deze aan het genereren van vermogen in de weg staat (vgl. Hof Den Haag 31 januari 2012 - ECLI:NL:GHSGR:2012:BV6459 bekrachtigd door de Hoge Raad bij arrest van 18 maart 2014 - ECLI:NL:HR:2014:656).

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het Openbaar Ministerie de mogelijkheid heeft de veroordeelde gedurende de voor de ontnemingsmaatregel geldende verjaringstermijn onbeperkt uitstel van betaling dan wel betaling in termijnen toe te staan, alsmede de op grond van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering aan de veroordeelde geboden rechtsgang, waarmee hij vermindering dan wel kwijtschelding van het door de rechtbank vast te stellen bedrag kan verzoeken. 5.4. De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 2.191.086,48.

6Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 7Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 2.191.086,48. Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 2.191.086,48 (tweemiljoen honderdéénennegentigduizend zesentachtig euro en achtenveertig cent) aan de Staat. Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. van Dijk, voorzitter, mrs. C. Klomp en N.A.J. Purcell, rechters, in tegenwoordigheid van mr.

M. Cordia, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juni 2017. De rechtbank volgt de redenering van het Openbaar Ministerie in randnummer 11 van de Aanvulling op ontnemingsrapportage van 10 april 2017 van mrs. M.A. Boheur en M.J. Dontje. Het betreft hier de bedragen die [medeveroordeelde 1] heeft overgemaakt naar de Spaanse en/of-rekening van [medeveroordeelde 2] en [veroordeelde] (minus de bankkosten) plus het totaal van de betalingen die Steenkorrel BV in verband met de Mercedes Benz 350 SLK met kenteken [kenteken] ten behoeve van [veroordeelde] heeft gedaan minus het wederrechtelijk verkregen dat [medeveroordeelde 2] heeft verkregen.

De rechtbank volgt de redenering van het Openbaar Ministerie in randnummer 15 van de Aanvulling op ontnemingsrapportage van 10 april 2017 van mrs. M.A. Boheur en M.J. Dontje. Het betreft hier het bedrag dat AM/Multi heeft overgemaakt naar de en/of-rekening van [medeveroordeelde 2] en [veroordeelde] minus het wederrechtelijk verkregen voordeel dat [medeveroordeelde 2] heeft genoten. De rechtbank volgt de redenering van het Openbaar Ministerie in randnummer 16 van de Aanvulling op ontnemingsrapportage van 10 april 2017 van mrs. M.A. Boheur en M.J.

Dontje. De rechtbank volgt de redenering van het Openbaar Ministerie in randnummer 17 van de Aanvulling op ontnemingsrapportage van 10 april 2017 van mrs. M.A. Boheur en M.J. Dontje. Het betreft het bedrag van € 69.708,95 dat Rimico heeft overgemaakt naar de en/of-rekening van [medeveroordeelde 2] en [veroordeelde] minus het bedrag dat [medeveroordeelde 2] als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.