Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2017:1059 ECLI:NL:RBAMS:2017:1059 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2017:1059 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2017:1059
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/707088-15 (Ontneming) Datum uitspraak: 9 februari 2017 Tegenspraak VERKORT VONNIS Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/707088-15 , tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1989, niet ingeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens, maar als postadres opgegeven het adres [adres] , [plaats] .

Legislator headnote

AI generated

artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBAMS:2017:1059 · Rechtbank Amsterdam: De vordering van de officier van justitie van 9 februari 2017 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [naam] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel van € 49.638,00. In de onderliggende strafzaak, die eveneens op 9 februari 2017 is behandeld, is door de rechtbank op 9 februari 2017 uitspraak gedaan, waarbij verdachte van het ten laste gelegde is vrijgesproken.

Keywords

AI generated
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/707088-15 (Ontneming) Datum uitspraak: 9 februari 2017 Tegenspraak VERKORT VONNIS Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/707088-15 , tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1989, niet ingeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens, maar als postadres opgegeven het adres [adres] , [plaats] .

1Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie, en het onderzoek op de terechtzitting van 9 februari 2017 alwaar tevens de gemachtigd raadsman van verdachte, mr. C.C. Polat is verschenen.

2De vordering

De vordering van de officier van justitie van 9 februari 2017 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [naam] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel van € 49.638,00. In de onderliggende strafzaak, die eveneens op 9 februari 2017 is behandeld, is door de rechtbank op 9 februari 2017 uitspraak gedaan, waarbij verdachte van het ten laste gelegde is vrijgesproken.

3De beoordeling

De rechtbank stelt vast dat verdachte voor de hennepkwekerij van 629 hennepplanten en de diefstal van elektriciteit is vrijgesproken. Gelet op deze vrijspraak in de onderliggende strafzaak, moet het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot ontneming. De vervolging van verdachte heeft immers niet tot een veroordeling geleid. Het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit staat aan de ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering in de weg (zie HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258). 4Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Edgar, voorzitter, mrs. J.B. Oreel en J.J. Wirken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2017.