Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2016:718 ECLI:NL:RBAMS:2016:718 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2016:718 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2016:718
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummer: 13/684562-15 Datum uitspraak: 11 februari 2016 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [1982] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans uit andere hoofde gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [locatie] ” te [plaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting 1.1. Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 januari 2016. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 197 Sr, artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 285 Wetboek van Strafrecht, artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 9a Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBAMS:2016:718 · Rechtbank Amsterdam: Het HvJ-EU heeft op 11 juni 2015 arrest gewezen op een verzoek van de Raad van State om een prejudiciële beslissing te verkrijgen over de uitleg van het begrip ‘gevaar voor de openbare orde’ als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het HvJ-EU heeft onder meer het volgende overwogen: “Rechtsoverweging 50 Een lidstaat dient het begrip ‘gevaar voor de openbare orde’ in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn per geval te beoordelen teneinde na te gaan of de gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen.

Keywords

AI generated
allegations of fraudulent behavior misuse of personal data nutrition claims substance abuse trade in alcoholic beverages immigration law fraud

Cited Legislation

AI generated
artikel 197 Sr
Vrijspraak feiten 2, 3, 5 (artikel 197 Sr) Bij beschikking van 21 november 2012 is aan de verdachte op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar.
artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht
Voor een veroordeling voor overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht is immers vereist dat komt vast te staan dat het inreisverbod berust op enig wettelijk voorschrift.
artikel 285 Wetboek van Strafrecht
De enkele veroordeling tot een deels voorwaardelijke geldboete voor een - niet nader gespecificeerde - bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht (artikel 285 Wetboek van Strafrecht), is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende.
artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering
Op deze formele gronden dient de latere herkenning van verdachte op de camerabeelden door verbalisant [verbalisant] als ‘fruit from the poisonous tree’ op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering van het bewijs te worden uitgesloten.
artikel 9a Wetboek van Strafrecht
Terzake van de feiten 2, 3 en 5 heeft de officier van justitie gevorderd artikel 9a Wetboek van Strafrecht van toepassing te verklaren.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2015:4751
parketnummer: 23-001779-15 datum uitspraak: 17 november 2015 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2015 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-701036-15 (A) en 13-703377-14 (B) alsmede 13-850664-12 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 1983, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, gedetineerd in het Detentiecentrum Schiphol te Badhoevedorp. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Zaak A met parketnummer 13-701036-15: 1:hij op of omstreeks 07 januari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid goederen (bestaande uit o.a. tandpasta en/of douchegel en/of een of meer blikjes bier en/of whisky (ter waarde van 60,95 euro)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal gelegen aan de [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte (met kracht) - eenmaal of meermalen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd en/of (vervolgens) - (met gebalde vuist(en)) een of meer slaande en/of zwaaiende bewegingen naar en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt; 2:hij op of omstreeks 07 januari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000; Zaak B met parketnummer 13-703377-14 (gevoegd): hij op of omstreeks 12 december 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Vrijspraak zaak A feit 2 en zaak B Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 en in de zaak B met parketnummer 13-703377-14 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt het hof als volgt. Bij besluit van 4 februari 2014 is aan de verdachte een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet opgelegd. Dit inreisverbod is opgelegd voor de duur van tien jaar. Niet betwist wordt, en ook het hof leidt uit de bewijsmiddelen af, dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten op de hoogte was van dit besluit. Omtrent eventueel ingestelde rechtsmiddelen tegen dit besluit ontbreekt informatie in het proces-verbaal “sfeer” van de Dienst Regionale Recherche van de politie Eenheid Amsterdam d.d. 21 oktober 2015. Uit de mededelingen van de raadsman van de verdachte houdt het hof het er, bij gebreke aan andersluidende informatie, voor dat voornoemd besluit nog niet rechtens onaantastbaar is nu er kennelijk nog een vreemdelingrechtelijke procedure aanhangig is bij de Raad van State. Het hof acht, gelet op de duur van deze procedure, en de daarin te beantwoorden rechtsvragen, geen termen aanwezig (nogmaals) tot heropening van het onderzoek en aanhouding van de onderhavige zaak over te gaan teneinde de vreemdelingrechtelijke procedure af te wachten nu dit tot een onaanvaardbare vertraging van de strafzaak zou leiden. Het hof ziet zich bij de beoordeling van de onder A2 en B tenlastegelegde feiten derhalve thans gesteld voor beantwoording van de vraag of het inreisverbod dusdanig in strijd is met inhoud en strekking van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (hierna: Terugkeerrichtlijn), bezien in het licht van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) van 11 juni 2015, dat hieraan gevolgen dienen te worden verbonden in het kader van de bewijsbeslissing. De advocaat-generaal heeft zich dienaangaande – kort samengevat en zakelijk weergegeven – op het volgende standpunt gesteld: - Bij de beoordeling van een besluit als het onderhavige dient internationale regelgeving in ogenschouw te worden genomen. - De uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 heeft betrekking op het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De kern van de uitspraak is dat een termijn voor vrijwillig vertrek wordt gegeven, tenzij sprake is van een acuut of reëel gevaar voor de openbare orde. - In het inreisverbod van de verdachte is geen termijn voor vrijwillig vertrek opgenomen zonder dat hieraan overwegingen zijn gewijd. Volstaan wordt met een verwijzing naar eerdere veroordelingen. Gelet op de uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 is dit niet juist. Hieraan hoeven echter in deze strafzaak geen consequenties te worden verbonden nu materieel gezien wel sprake is geweest van een dergelijke termijn. Het besluit dateert immers van 4 februari 2014 en de verdachte heeft genoeg tijd gehad om terug te keren. - In de onderhavige zaak kon het inreisverbod voorts op juiste gronden worden opgelegd voor de duur van 10 jaar nu de strafbare feiten waarop dit verbod is gebaseerd niet slechts betrekking hebben op vermogensdelicten maar ook op ernstiger feiten, die gedurende langere tijd hebben plaatsgevonden. - Hierbij wordt opgemerkt dat het arrest van 11 juni 2015 specifiek betrekking had op artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het Hof overweegt als volgt. A. Uitspraak HvJ-EU 11 juni 2015 Het HvJ-EU heeft op 11 juni 2015 arrest gewezen op een verzoek van de Raad van State om een prejudiciële beslissing met betrekking tot de uitleg van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. In dit arrest is – samengevat – het volgende overwogen: 1Rechtsoverweging 38: De Raad van State heeft een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen: 1) Vormt een onderdaan van een derde land, die illegaal verblijft op het grondgebied van een lidstaat, een gevaar voor de openbare orde in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115, reeds omdat hij verdacht wordt van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of is daarvoor vereist dat hij door de strafrechter wegens het plegen van dit feit is veroordeeld en, in het laatste geval, dient die veroordeling dan onherroepelijk te zijn geworden? 2) Spelen bij de beoordeling of een onderdaan van een derde land, die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft, een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 naast een verdenking of een veroordeling nog andere feiten en omstandigheden van het geval een rol, zoals de ernst en aard van het naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gestelde feit, het tijdsverloop en de intentie van de betrokkene? 3) Spelen de feiten en omstandigheden van het geval die relevant zijn voor de beoordeling als bedoeld in de tweede vraag, nog een rol bij de in artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 geboden mogelijkheid om in het geval de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van dat artikellid te kunnen kiezen tussen enerzijds het afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek en anderzijds het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek die korter is dan zeven dagen? 2Rechtsoverweging 40 In de Vreemdelingencirculaire is vermeld dat als gevaar voor de openbare orde wordt aangemerkt iedere door de korpschef van de politie bevestigde verdenking of iedere veroordeling ter zake van een naar misdrijf strafbaar gesteld feit. 3Rechtsoverweging 41 Het begrip “gevaar voor de openbare orde” is in artikel 3 van de Terugkeerrichtlijn noch elders gedefinieerd. 4Rechtsoverweging 50 Een lidstaat dient het begrip gevaar voor de openbare orde in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn per geval te beoordelen teneinde na te gaan of de gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Wanneer een lidstaat daarbij steunt op een algemene praktijk of een vermoeden om vast te stellen dat sprake is van een dergelijk gevaar zonder dat naar behoren rekening wordt gehouden met de persoonlijke gedragingen van de derdelander en met het gevaar dat van die gedragingen uitgaat voor de openbare orde, gaat de lidstaat voorbij aan een individueel onderzoek van het betrokken geval en het evenredigheidsbeginsel. Daaruit volgt dat het enkele feit dat een derdelander wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor is veroordeeld, er op zichzelf geen rechtvaardiging voor kan vormen dat deze derdelander wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde te zijn in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. 5Rechtsoverweging 60 Het begrip: “gevaar voor de openbare orde” als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn veronderstelt hoe dan ook dat er, naast de verstoring die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, sprake is van een werkelijke en actuele bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. 6Rechtsoverweging 61 Daaruit volgt dat in het kader van een beoordeling van dat begrip alle feitelijke en juridische gegevens betreffende de situatie van de betrokken derdelander waardoor kan worden verduidelijkt of diens persoonlijke gedragingen een dergelijke bedreiging vormen, relevant zijn. 7Rechtsoverweging 70 Een lidstaat mag niet automatisch, middels regelgeving of in de praktijk, afzien voor het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek in het geval waarin de betrokkene een gevaar voor de openbare orde vormt. Voor een juiste gebruikmaking van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn geboden mogelijkheid dient per geval te worden nagegaan of het niet toekennen van een dergelijke termijn verenigbaar zou zijn met de grondrechten van de betrokkene. Het HvJ-EU verklaart in het arrest van 11 juni 2015 voor recht: 1) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale praktijk volgens welke een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander wordt geacht een gevaar voor de openbare orde te vormen in de zin van die bepaling, louter omdat hij wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld. 2) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet in die zin worden uitgelegd dat in het geval van een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander die wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld, andere gegevens, zoals de aard en de ernst van dat feit, het tijdsverloop sinds dat feit werd gepleegd en de omstandigheid dat die derdelander het grondgebied van die lidstaat aan het verlaten was toen hij door de nationale autoriteiten werd aangehouden, van belang kunnen zijn bij de beoordeling of die derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt in de zin van die bepaling. In het kader van die beoordeling is in voorkomend geval tevens elk gegeven relevant dat betrekking heeft op de gegrondheid van de verdenking van het aan de betrokken derdelander verweten misdrijf. 3) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet in die zin worden uitgelegd dat voor gebruikmaking van de bij deze bepaling geboden mogelijkheid om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te kennen wanneer de derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt, de gegevens die reeds zijn onderzocht om vast te stellen dat dit gevaar bestaat, niet opnieuw hoeven te worden onderzocht. Elke regeling of praktijk van de lidstaat ter zake moet echter waarborgen dat per geval wordt nagegaan of het niet toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek verenigbaar is met de grondrechten van die derdelander. B. Betekenis uitspraak HvJ-EU d.d. 11 juni 2015 voor de toetsing van artikel 11, tweede lid, Terugkeerrichtlijn De uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 heeft betrekking op (uitleg van) het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Naar het oordeel van het hof (Gerechtshof Amsterdam) kan echter aan de uitleg van het begrip “openbare orde” in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn geen betekenis worden ontzegd bij de uitleg van het begrip “ernstige bedreiging van de openbare orde” in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Immers bieden inhoud en strekking van de Terugkeerrichtlijn geen aanknopingspunt voor de conclusie dat bij de uitleg van het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn een ander, minder verstrekkend, niveau van rechtsbescherming dan het in de uitspraak HvJ-EU d.d. 11 juni 2015 in het kader van artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn geschetste, leidend zou moeten zijn. Het hof zal er daarom bij de beoordeling van de onder A2 en B tenlastegelegde feiten vanuit gaan dat de uitleg die het HvJ-EU in het arrest geeft aan artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn richtinggevend is voor de uitleg van artikel 11 van deze richtlijn. C. Inhoud van het inreisverbod Aan de verdachte is bij besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 4 februari 2014 een inreisverbod opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet. Het inreisverbod is op grond van het bepaalde in artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet, juncto artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a van het Vreemdelingenbesluit – voor zover van belang – opgelegd voor de duur van 10 jaar. Hiertoe is door de Staatsecretaris, voor zover hier van belang, het volgende overwogen (waarbij onder betrokkene wordt verstaan: de verdachte): “Volgens artikel 6.5 a, vijfde lid, onder a Vb kan een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid blijken uit onder meer: a. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of Opiumdelict; b. een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd. (…) Vastgesteld wordt dat betrokkene een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Betrokkene heeft immers bij herhaling misdrijven gepleegd, waaronder een geweldsdelict. Voorts wordt nog opgemerkt dat betrokkene is gedagvaard voor een zedenmisdrijf. In de zienswijze zijn met betrekking tot artikel 8 EVRM en 3 EVRM geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht. De overwegingen uit het voornemen hieromtrent dienen dan ook als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Volgens paragraaf A4/2.3 Vc legt de IND het inreisverbod op voor de maximale duur zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a Vb is genoemd. In artikel 6.5 Vb is al rekening gehouden met de ernst van de aanleiding om een inreisverbod uit te vaardigen. Aangezien door betrokkene geen nader onderbouwde individuele omstandigheden zijn aangevoerd, wordt volgens artikel 6.5a, lid 5, onder a, Vb de maximale duur van 10 jaar opgelegd.” Verder is in dit besluit van de Staatssecretaris overwogen: “5. Rechtsgevolgen van deze beschikking Betrokkene moet het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland onmiddellijk verlaten en kan worden uitgezet.” D. Beoordeling van de rechtmatigheid van het inreisverbod Het hof is van oordeel dat het toetsingskader dat is aangelegd bij de besluitvorming tot oplegging van het inreisverbod van 14 februari 2014 in het licht van de in de uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 geformuleerde criteria, onvoldoende dragend is voor de conclusie dat in dit geval sprake is van een (ernstige) bedreiging van de openbare orde. De enkele verwijzing naar de aard van twee misdrijven is daarvoor onvoldoende. Voor het overige wordt slechts gesproken van “misdrijven” die de verdachte “bij herhaling” gepleegd zou hebben, welke motivering eveneens tekortschiet. Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat de motivering van het inreisverbod onvoldoende is in het licht van de Terugkeerrichtlijn en dat dit besluit derhalve niet rechtmatig kan worden geacht. Naar aanleiding van hetgeen in dit verband is aangevoerd door de advocaat-generaal merkt het hof nog op dat het niet aan het hof is om in het kader van de onderhavige strafprocedure het betreffende gebrek te “helen”. Dit brengt met zich dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder A2 en B tenlastegelegde. Gezien het voorgaande bestaat er geen aanleiding meer nadere overwegingen te wijden aan de, ook door de advocaat-generaal onderkende, omstandigheid dat in het inreisverbod geen termijn voor vrijwillig vertrek is verleend zonder dat dit nader is gemotiveerd. Bespreking van een gevoerd bewijsverweer De raadsman heeft ten aanzien van het in de zaak A onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat er vrijspraak dient te volgen omdat er, kortgezegd, geen sprake is van diefstal met geweld. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt als volgt. De aangifte van de beveiliger van Albert Heijn wordt met betrekking tot de wegnemingshandelingen en de confrontatie die daarop volgde ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] die de bewakingsbeelden van Albert Heijn heeft bekeken en heeft gerelateerd wat er op de betreffende camerabeelden is waargenomen. Daarnaast wordt de lezing van de beveiliger bevestigd door getuige [getuige]. Gelet op de context waarin verdachtes handelen plaatsvond, te weten bij de aanhouding door de winkelbeveiliger ter zake verdenking van een zojuist gepleegde winkeldiefstal, en welke handelingen uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, is het hof van oordeel dat deze moeten worden aangemerkt als geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Het betoog van de raadsman dat het geweld niet was gericht op het vergemakkelijken van de diefstal en de verdachte zich moest verweren tegen de wederrechtelijke aanranding door een beveiliger treft geen doel nu het hof uit de te bezigen bewijsmiddelen afleidt dat het handelen van de betreffende beveiliger niet als een wederrechtelijke aanval kan worden aangemerkt waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen. Ook naar de uiterlijke verschijningsvorm moet het handelen van de verdachte, te weten het duwen tegen [slachtoffer] en vervolgens slaande en zwaaiende bewegingen maken naar en tegen [slachtoffer], naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als te zijn aangewend om zichzelf bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren. In dit laatste ligt de toepassing van geweld met bijkomend oogmerk besloten. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 7 januari 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid goederen, bestaande uit o.a. tandpasta, douchegel en bier, toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal gelegen aan de [adres]), welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte (met kracht) meermalen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd en met gebalde vuist een of meer slaande en zwaaiende bewegingen naar en tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt. Hetgeen in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep, ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde, onder de nummers 1, 2, 3 en 4. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde levert op: diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf of maatregel De rechtbank Amsterdam heeft aan de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Diefstal is een ergerlijk feit dat doorgaans overlast en schade veroorzaakt voor een winkelbedrijf. Daarnaast is door de verdachte geweld gebruikt tegen een winkelbeveiliger die hem op heterdaad betrapte. Dit geweld maakt dit feit veel ernstiger. Door een dergelijk handelen wordt immers de lichamelijke integriteit van deze medewerker aangetast en een voor hem en andere aanwezigen intimiderende situatie geschapen. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 oktober 2015 is de verdachte eerder voor soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. In het voorgaande ligt besloten dat het hof in casu geen termen aanwezig acht om, als gevorderd door de advocaat-generaal, tot het opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) over te gaan. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De advocaat-generaal heeft zijn vordering tot oplegging van de ISD-maatregel mede gebaseerd op het advies van de Reclassering d.d. 26 maart 2015. Dit advies strekt tot oplegging van de ISD-maatregel. De daaraan ten grondslag gelegde motivering heeft hoofdzakelijk en in de eerste plaats betrekking op verdachtes illegaal verblijf hier te lande. Dragende overwegingen in dit advies komen er in de kern op neer dat de ISD-maatregel moet worden opgelegd met als doel de verdachte te motiveren terug te keren naar zijn land van herkomst. Een dergelijke doelstelling verdraagt zich naar het oordeel van het hof niet aanstonds met doel en strekking van de ISD-maatregel zoals neergelegd in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Het zou een (naar het oordeel van het hof te) vergaande uitleg van (in het bijzonder het tweede lid van) deze bepaling vergen indien de in de wet voorziene doelstellingen “beveiliging van de maatschappij” en “beëindigen van recidive” – met name – zouden moeten worden bereikt door een strafrechtelijk gefaciliteerd vertrek uit Nederland. Opleggen van een ISD-maatregel gericht op terugkeer naar het land van herkomst zou voorts tot gevolg hebben dat deze strafrechtelijke sanctie feitelijk als onderdeel van de terugkeerprocedure moet worden gezien hetgeen naar het oordeel van het hof op gespannen voet staat met: het uitgangspunt dat vreemdelingrechtelijke regelgeving is neergelegd in de bij en krachtens de Vreemdelingenwet 2000 gestelde regelgeving en een goede taakverdeling tussen de vreemdelingrechtelijke autoriteiten en de strafrechter. Het hof acht het advies van de Reclassering van 26 maart 2015 dan ook, voor zover dit uitgaat van bovenstaande doelstelling, onvoldoende redengevend voor het aannemen van de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de gevorderde maatregel. Ook overigens kunnen hiervoor in de inhoud van dit advies onvoldoende concrete aanknopingspunten worden gevonden, zodat het hof niet meegaat in de eis van de advocaat-generaal. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Dit wettelijk voorschrift wordt toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. Vordering tenuitvoerlegging Aan de orde is een vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 7 april 2012 opgelegde voorwaardelijke geldboete van 100 euro, subsidiair 2 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting bij het hof gevorderd om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, evenals de rechtbank heeft gedaan, omdat het onverenigbaar is met het opleggen van de ISD-maatregel. Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting omtrent de persoon van de verdachte is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 en in de zaak B met parketnummer 13-703377-14 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 13 januari 2015, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 7 april 2012, parketnummer 13-850664-12, voorwaardelijk opgelegde geldboete van 100 euro, subsidiair 2 dagen hechtenis. Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.N. van der Spoel, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.W. Groenendijk, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 november 2015. ========================================================================= [....]
ECLI:NL:GHAMS:2015:5264
Vormt een onderdaan van een derde land, die illegaal verblijft op het grondgebied van een lidstaat, een gevaar voor de openbare orde in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115, reeds omdat hij verdacht wordt van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of is daarvoor vereist dat hij door de strafrechter wegens het plegen van dit feit is veroordeeld en, in het laatste geval, dient die veroordeling dan onherroepelijk te zijn geworden? 2) Spelen bij de beoordeling of een onderdaan van een derde land, die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft, een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 naast een verdenking of een veroordeling nog andere feiten en omstandigheden van het geval een rol, zoals de ernst en aard van het naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gestelde feit, het tijdsverloop en de intentie van de betrokkene? 3) Spelen de feiten en omstandigheden van het geval die relevant zijn voor de beoordeling als bedoeld in de tweede vraag, nog een rol bij de in artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 geboden mogelijkheid om in het geval de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van dat artikellid te kunnen kiezen tussen enerzijds het afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek en anderzijds het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek die korter is dan zeven dagen? Rechtsoverweging 40 In de Vreemdelingencirculaire is vermeld dat als gevaar voor de openbare orde wordt aangemerkt iedere door de korpschef van de politie bevestigde verdenking of iedere veroordeling ter zake van een naar misdrijf strafbaar gesteld feit.
ECLI:NL:HR:2010:BL2854
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummer: 13/684562-15 Datum uitspraak: 11 februari 2016 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [1982] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans uit andere hoofde gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [locatie] ” te [plaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting 1.1. Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 januari 2016. 1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Asbroek en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. Verstegen, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat 1. hij op of omstreeks 27 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 18, in elk geval één of meer blikje(s) Red Bull, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Dirk van den Broek (filiaal [filiaal 1] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2. hij op of omstreeks 27 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

3. hij op of omstreeks 19 september 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000; 4. (gevoegde zaak 684440-15) hij op of omstreeks 24 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een deodorant(fles) (merk Nivea), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal [filiaal 2] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

5. hij op of omstreeks 24 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Bewijsbeslissing 4.1. Vrijspraak feiten 2, 3, 5 (artikel 197 Sr) Bij beschikking van 21 november 2012 is aan de verdachte op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. Vast staat dat verdachte ervan op de hoogte is dat hij in strijd met deze beslissing in Nederland verblijft. De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna:

HvJ-EU) van 11 juni 2015 (in de zaak C-554/13) en arresten van het gerechtshof Amsterdam van 17 november 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:4751) en 16 december 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:5264), aangevoerd dat het inreisverbod dat aan verdachte is opgelegd in strijd is met artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG) en daarmee onrechtmatig is en dat verdachte om die reden moet worden vrijgesproken van de feiten 2, 3 en 5. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad (13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2854) dient de strafrechter een verweer dat een inreisverbod in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van Europees Unierecht inhoudelijk te beoordelen, ook als tegen het besluit een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan en daarvan geen gebruik is gemaakt.

Voor een veroordeling voor overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht is immers vereist dat komt vast te staan dat het inreisverbod berust op enig wettelijk voorschrift. Relevante bepalingen Vreemdelingenwet 2000 Artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 luidt als volgt: “7. In afwijking van het zesde lid en artikel 8 en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben, in geval de vreemdeling: a. bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd (…); b. een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. c. naar het oordeel van Onze Minister een bedreiging vormt als bedoeld in het vierde lid.” Het vierde lid van dit artikel luidt:

“Het inreisverbod wordt gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt van de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.” Over de duur van het inreisverbod zijn vervolgens nadere (beleids)regels opgenomen in artikel 6.5a Vreemdelingenbesluit 2000 en in onderdeel A4.2.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000. Deze komen erop neer dat, afhankelijk van de aard en ernst van een gedraging of gedragingen, de duur van het verbod kan variëren van 1 tot 20 jaar.

Relevante bepalingen Terugkeerrichtlijn Artikel 11 van de Terugkeerrichtlijn, luidt als volgt: “1. Het terugkeerbesluit gaat gepaard met inreisverbod:

a) indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend, of b) indien niet aan de terugkeerverplichting is voldaan. In de overige gevallen kan het terugkeerbesluit een inreisverbod omvatten.

2. De duur van het inreisverbod wordt volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval bepaald, en bedraagt in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.” Voor de beoordeling van de zaak is voorts van belang artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn dat betrekking heeft op de termijn van vrijwillig vertrek. Dit artikel luidt: “Indien er een risico op onderduiken bestaat, of een aanvraag voor een verblijfsvergunning als kennelijk ongegrond dan wel frauduleus afgewezen is, dan wel indien de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid, kunnen de lidstaten afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek, of een termijn toekennen die korter is dan zeven dagen.” De uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015.

Het HvJ-EU heeft op 11 juni 2015 arrest gewezen op een verzoek van de Raad van State om een prejudiciële beslissing te verkrijgen over de uitleg van het begrip ‘gevaar voor de openbare orde’ als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het HvJ-EU heeft onder meer het volgende overwogen: “Rechtsoverweging 50 Een lidstaat dient het begrip ‘gevaar voor de openbare orde’ in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn per geval te beoordelen teneinde na te gaan of de gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen.

Wanneer een lidstaat daarbij steunt op een algemene praktijk of een vermoeden om vast te stellen dat sprake is van een dergelijk gevaar zonder dat naar behoren rekening wordt gehouden met de persoonlijke gedragingen van de derdelander en met het gevaar dat van die gedragingen uitgaat voor de openbare orde, gaat de lidstaat voorbij aan een individueel onderzoek van het betrokken geval en het evenredigheidsbeginsel. Daaruit volgt dat het enkele feit dat een derdelander wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor is veroordeeld, er op zichzelf geen rechtvaardiging voor kan vormen dat deze derdelander wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde te zijn in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

Rechtsoverweging 60 Het begrip: “gevaar voor de openbare orde” als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn veronderstelt hoe dan ook dat er, naast de verstoring die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, sprake is van een werkelijke en actuele bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.” Het HvJ-EU verklaart vervolgens voor recht, voor zover in deze strafzaak van belang: “1) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale praktijk volgens welke een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander wordt geacht een gevaar voor de openbare orde te vormen in de zin van die bepaling, louter omdat hij wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld.

2) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet in die zin worden uitgelegd dat in het geval van een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander die wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld, andere gegevens, zoals de aard en de ernst van dat feit, het tijdsverloop sinds dat feit werd gepleegd en de omstandigheid dat die derdelander het grondgebied van die lidstaat aan het verlaten was toen hij door de nationale autoriteiten werd aangehouden, van belang kunnen zijn bij de beoordeling of die derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt in de zin van die bepaling.

In het kader van die beoordeling is in voorkomend geval tevens elk gegeven relevant dat betrekking heeft op de gegrondheid van de verdenking van het aan de betrokken derdelander verweten misdrijf.” De uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 heeft betrekking op (uitleg van) het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het Gerechtshof Amsterdam heeft in (onder meer) de door de raadsvrouw genoemde arresten overwogen dat aan de uitleg van het begrip “openbare orde” in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn geen betekenis kan worden ontzegd bij de uitleg van het begrip “ernstige bedreiging van de openbare orde” in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn.

De rechtbank volgt deze redenering. Immers bieden inhoud en strekking van de Terugkeerrichtlijn geen aanknopingspunt voor de conclusie dat bij de uitleg van het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn een ander, minder verstrekkend, niveau van rechtsbescherming dan het in de uitspraak HvJ-EU d.d. 11 juni 2015 in het kader van artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn geschetste, leidend zou moeten zijn. De rechtbank zal daarom, evenals het Gerechtshof Amsterdam, bij de beoordeling van de tenlastegelegde feiten er vanuit gaan dat de uitleg die het HvJ-EU in het arrest geeft aan artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn richtinggevend is voor de uitleg van artikel 11 van deze richtlijn en dus richtinggevend voor wanneer een inreisverbod mag worden opgelegd voor een langere duur dan vijf jaar.

Inhoud van het inreisverbod in de onderhavige zaak Bij beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, Ministerie van Veiligheid en Justitie van 18 september 2007, is verdachte op grond van artikel 67a, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet ongewenst verklaard. Verdachte heeft op 20 juli 2010 verzocht om opheffing van zijn ongewenstverklaring. Bij beschikking van 21 november 2012 is de aanvraag tot het opheffen van de ongewenstverklaring ingewilligd en is de ongewenstverklaring omgezet in een inreisverbod. Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet is een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaren.

Het inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet. In de laatste beschikking wordt het inreisverbod door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie als volgt gemotiveerd. “Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 november 2012 volgt dat betrokkene door de Politierechter Breda op 17 maart 2007 onherroepelijk is veroordeeld tot vijfhonderd euro geldboete subsidiair tien dagen hechtenis waarvan tweehonderd auto subsidiair vier dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wegens het overtreden van artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht), hetgeen een geweldsdelict betreft.

Gelet op artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet juncto artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit, bedraagt de maximale duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren. In artikel 6.5a, van het Vreemdelingenbesluit, is al verdisconteerd de ernst van de aanleiding om tot het opleggen van een inreisverbod over te gaan. Aangezien de door betrokkene desgevraagd aangevoerde individuele omstandigheden onvoldoende bijzonder en/of zwaarwegend zijn, wordt de maximale duur opgelegd. De duur wordt berekend met ingang van de datum waarop betrokkene het Schengengebied daadwerkelijk heeft verlaten.

De verwijzing in de brief van 2 maart 2012 naar de strafbare feiten die betrokkene heeft gepleegd in relatie tot de belangen van betrokkene om geen inreisverbod opgelegd te krijgen, kan niet als een bijzondere omstandigheid worden gezien, nu bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht een geweldsdelict is en een geweldsdelict in artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a. van het Vreemdelingenbesluit, wordt aangemerkt als een ernstige bedreiging voor de openbare orde. Het vorenstaande leidt derhalve niet tot het oordeel dat de duur van het inreisverbod bekort dient te worden.” Beoordeling van de rechtmatigheid van het inreisverbod voor de duur van tien jaar De rechtbank is van oordeel dat de motivering van de oplegging van het inreisverbod voor de duur van tien jaar van 21 november 2012 in het licht van de in de uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 geformuleerde criteria de conclusie niet kan dragen dat in dit geval sprake is van een (ernstige) bedreiging van de openbare orde.

Het HvJ-EU heeft immers in rechtsoverweging 60 overwogen dat het begrip: “gevaar voor de openbare orde” veronderstelt dat er, naast de verstoring die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, sprake is van een werkelijke en actuele bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De enkele veroordeling tot een deels voorwaardelijke geldboete voor een - niet nader gespecificeerde - bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht (artikel 285 Wetboek van Strafrecht), is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Deze veroordeling dateert bovendien van 12 januari 2007, ruim vijf jaar voor het uitvaardigen van het inreisverbod en is kennelijk de enige grond om verdachte op dat moment nog steeds als een (ernstige) bedreiging te zien voor de openbare orde.

De constatering dat de motivering het besluit tot een inreisverbod voor de duur van tien jaar niet kan dragen, betekent niet zonder meer dat verdachte in het geheel geen inreisverbod had kunnen worden opgelegd. De motivering van het inreisverbod kan alsnog worden aangepast. Ook kan de duur van het inreisverbod in tijd worden beperkt. Dit vereist echter een individueel onderzoek aan de hand van alle criteria zoals genoemd door het HvJ-EU in haar arrest van 11 juni 2015 en alle overige omstandigheden zoals opgenomen in de Nederlandse vreemdelingenregelgeving.

De rechtbank is van oordeel dat voor een dergelijk onderzoek en nadere besluitvorming geen plaats is tijdens een strafprocedure. Het verrichten van een dergelijk onderzoek en het maken van een afweging op basis van de uitkomsten daarvan ligt primair op de weg van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de volgende conclusie. De motivering van het inreisverbod voor de duur van tien jaar van 21 november 2012 voldoet niet aan de door het HvJ-EU in haar arrest van 11 juni 2015 geformuleerde criteria. Daarmee is niet komen vast te staan dat het inreisverbod berust op enig wettelijk voorschrift.

Dit brengt met zich dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 2, 3 en 5 tenlastegelegde. 4.2. Bewijsverweer ten aanzien van feit 4 De raadsvrouw van verdachte heeft primair bepleit dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest, nu deze buiten heterdaad heeft plaatsgevonden door een burger. De inverzekeringstelling is, zoals de rechter-commissaris op 26 augustus 2015 al oordeelde, eveneens onrechtmatig, nu verdachte ruim twee uur op zijn voorgeleiding heeft moeten wachten en dus niet onverwijld in verzekering is gesteld, zoals de wet voorschrijft.

Op deze formele gronden dient de latere herkenning van verdachte op de camerabeelden door verbalisant [verbalisant] als ‘fruit from the poisonous tree’ op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering van het bewijs te worden uitgesloten. De raadsvrouw heeft gesteld dat er voorts een materiële grond bestaat om de herkenning van [verbalisant] van het bewijs uit te sluiten, nu zij de camerabeelden uitkijkt om 16.00 uur en uit het dossier niet blijkt dat zij vóór die tijd al bemoeienis met verdachte heeft gehad. Het verhoor van verdachte door [verbalisant] heeft nadien plaatsgevonden, om 18.55 uur.

Nu de herkenning daarnaast onvoldoende specifiek is en niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, moet verdachte van feit 4 worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de herkenning van de beveiliger die verdachte meent te herkennen als de man die enkele uren eerder een diefstal zou hebben gepleegd, niet specifiek genoeg is, nu het uiterlijk van verdachte veelvoorkomend is in de [stadsdeel] . De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt. Hoewel een aanhouding buiten heterdaad door een burger niet wettelijk is toegestaan, kan dit de politie in haar onderzoek niet worden tegengeworpen.

De officier van justitie heeft achteraf toestemming gegeven voor de aanhouding buiten heterdaad door de politie, zoals weergegeven in het proces-verbaal van aanhouding, zodat de rechtbank die aanhouding als rechtmatig beoordeelt. Met de rechter-commissaris is de rechtbank van oordeel dat de inverzekeringstelling onrechtmatig moet worden geacht nu dit niet, conform de wettelijke vereisten, onverwijld is geschied. Evenwel is niet aannemelijk geworden dat verdachte door het vormverzuim redelijkerwijs in zijn verdediging is geschaad. De rechter-commissaris heeft aan het vormverzuim ook al gevolgen verbonden door de vordering tot inbewaringstelling af te wijzen.

De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat in het voorbereidend onderzoek een onherstelbaar vormverzuim heeft plaatsgevonden. Op formele gronden bestaat aldus geen aanleiding om de latere herkenning door verbalisant [verbalisant] van het bewijs uit te sluiten. Op materiële gronden evenmin. Uit het dossier blijkt onomstotelijk dat [verbalisant] verdachte heeft verhoord en hem heeft herkend op de camerabeelden van de Albert Heijn. Het dossier bevat geen concrete aanknopingspunten om aan de betrouwbaarheid van de op ambtsbelofte afgelegde herkenning van de verbalisant te twijfelen.

Gelet op haar verweer had het op de weg van de raadsvrouw gelegen om de camerabeelden aan het dossier te laten toevoegen en zelf te bekijken, waartoe zij geen aanleiding heeft gezien. Wat betreft de herkenning van de beveiliger van de Albert Heijn, die verdachte herkent als de man die enkele uren eerder een diefstal heeft gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat de tijd tussen de diefstal en de aanhouding beperkt was en dit de herkenning van de beveiliger betrouwbaar maakt. Nu zowel de verbalisant als de beveiliger de verdachte diezelfde dag persoonlijk hebben gezien, is het niet noodzakelijk de herkenning van verdachte te specificeren en kon worden volstaan met een vaststelling.

Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. 4.3. Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte 1. op 27 oktober 2015 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 18 blikjes Red Bull, toebehorende aan winkelbedrijf Dirk van den Broek (filiaal [filiaal 1] ).

4. op 24 augustus 2015 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een deodorantfles (merk Nivea), toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal [filiaal 2] ). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 weken met aftrek van voorarrest. Terzake van de feiten 2, 3 en 5 heeft de officier van justitie gevorderd artikel 9a Wetboek van Strafrecht van toepassing te verklaren. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Daardoor heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de betreffende winkelbedrijven. Winkeldiefstallen zijn hinderlijke, overlast en schade opleverende feiten. Zoals blijkt uit een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 december 2015 is de verdachte vele malen eerder voor winkeldiefstallen onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de oriëntatiepunten die rechtbank hanteert voor winkeldiefstallen ,aanleiding bestaat om een iets hogere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

9Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1 en 4: Diefstal, meermalen gepleegd. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) maand. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.M. Oude Hengel, voorzitter, mrs. B.E. Mildner en W.H. van Benthem, rechters, in tegenwoordigheid van mr.

D.M.E. Leyten, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2016.