Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2016:6744 ECLI:NL:RBAMS:2016:6744 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2016:6744 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2016:6744
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 16/1484 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2016 in de zaak tussen [de man] , te Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr. M.D. Rijnsburger), en Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder (gemachtigde: mr. J.J. Kwant). Procesverloop Bij besluit van 3 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om schadevergoeding afgewezen. Bij besluit van 20 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2016:6744 · Rechtbank Amsterdam: De rechtbank overweegt als volgt. 3.1. Eiser voert aan dat de oplegging van het ASP moet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Daarmee staat vast dat het ASP een punitief karakter heeft, hetgeen een diffamerend karakter met zich brengt. Dit betoog faalt. De rechtbank overweegt daartoe dat de Afdeling meerdere malen heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1409) dat het opleggen van de verplichting tot het deelnemen aan een ASP ten aanzien van houders van een B-rijbewijs geen ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM inhoudt.

Keywords

AI generated
aggravated drunk driving traffic violations alcohol abuse driving whilst disqualified mitigated offence prolonged absence

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2014:1409
201305272/1/A3. Datum uitspraak: 23 april 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Haarlemmermeer, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 mei 2013 in zaak nr. 12/5639 in het geding tussen: [appellant] en de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR). Procesverloop Bij besluit van 7 september 2012 heeft het CBR het aan [appellant] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard en hem verplicht aan een alcoholslotprogramma (hierna: asp) deel te nemen.
ECLI:NL:RVS:2015:622
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) 2.
ECLI:NL:HR:2015:434
Het alcoholslotprogramma en de wetsgeschiedenis 1.1.
ECLI:NL:RVS:2013:1143
201208585/1/A3. Datum uitspraak: 11 september 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 juli 2012 in zaak nr. 11/3839 in het geding tussen: [appellant] en de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: CBR). Procesverloop Bij besluit van 19 mei 2011 heeft het CBR een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen. Bij besluit van 12 oktober 2011 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 16/1484 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2016 in de zaak tussen [de man] , te Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr. M.D. Rijnsburger), en Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder (gemachtigde: mr. J.J. Kwant). Procesverloop Bij besluit van 3 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om schadevergoeding afgewezen. Bij besluit van 20 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij besluit van 9 november 2012 is aan eiser een Alcoholslotprogramma (hierna: ASP) opgelegd en is zijn rijbewijs voor de categorie B ongeldig verklaard. Bij besluit van 3 juni 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser, nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 11 maart 2015 het hoger beroep in die procedure gegrond heeft verklaard, alsnog gegrond verklaard. 1.2.

Op 24 juli 2015 heeft eiser verzocht om schadevergoeding van € 8.650,-, nu verweerder zijn rijbewijs ten onrechte ongeldig heeft verklaard en hem ten onrechte een ASP heeft opgelegd. 1.3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. 2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit het bezwaar van eiser niet ondubbelzinnig blijkt dat hij schade heeft geleden die voortvloeit uit de aantasting van zijn eer en goede naam, beperking van zijn bewegingsvrijheid, dan wel aantasting op andere wijze in zijn persoon.

Voorts heeft eiser de gestelde schade niet op objectieve en verifieerbare wijze met gegevens en bescheiden aannemelijk gemaakt. 2.2. Hiertegen heeft eiser gemotiveerd beroep ingesteld.

3. De rechtbank overweegt als volgt. 3.1. Eiser voert aan dat de oplegging van het ASP moet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Daarmee staat vast dat het ASP een punitief karakter heeft, hetgeen een diffamerend karakter met zich brengt. Dit betoog faalt. De rechtbank overweegt daartoe dat de Afdeling meerdere malen heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1409) dat het opleggen van de verplichting tot het deelnemen aan een ASP ten aanzien van houders van een B-rijbewijs geen ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM inhoudt.

Voorts ziet de rechtbank in de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015 ECLI:NL:RVS:2015:622), waarin de regeling waarin het ASP is neergelegd onverbindend is verklaard, geen grond voor het oordeel dat van dit standpunt wordt teruggekomen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:434) volgt dat evenmin. De Hoge Raad gaat in dat arrest in op de samenloop tussen het bestuursrechtelijk en strafrechtelijk traject in geval van oplegging van een ASP, maar laat zich niet uit over de vraag of de oplegging van een ASP een punitief karakter heeft. 3.2.

Eiser voert verder aan dat de schade is voortgevloeid uit de aantasting van zijn eer en goede naam, de beperking van zijn bewegingsvrijheid dan wel aantasting op andere wijze in diens persoon en dat daardoor recht bestaat op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Deze schade bestaat volgens eiser uit de omstandigheid dat hij 865 dagen geen gebruik heeft kunnen maken van zijn rijbewijs. Ten aanzien van de omvang van de schadevergoeding zoekt eiser aansluiting bij de bepalingen omtrent de schadevergoeding op grond van artikel 164, negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). 3.3.

De rechtbank ziet geen ruimte voor analoge toepassing van artikel 164, negende lid, van de WVW. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1143) stelt de rechtbank vast dat voor de beoordeling van het verzoek om immateriële schade aansluiting moet worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek, voor zover hier van belang, heeft de benadeelde voor het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. 3.4.

Hoewel aannemelijk is dat eiser als gevolg van het ASP een zekere mate van ongemak heeft ervaren, is de rechtbank van oordeel dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg hiervan zodanig heeft geleden dat hij in zijn eer of goede naam, dan wel op andere wijze in zijn persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Anders dan eiser stelt, vloeit zodanige aantasting niet rechtstreeks voort uit het opleggen van een ASP. Het ASP, dat niet het gevolg was van een straf of strafrechtelijke maatregel, was geen besluit met een sterk diffamerend karakter.

Eiser heeft voorts niet gesteld dat het ASP tot ernstige psychische storingen of geestelijk letsel heeft geleid. Hoewel een onrechtmatige inbreuk op de bewegingsvrijheid onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een aantasting in de persoon, is de rechtbank daar in het onderhavige geval niet van gebleken. 3.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen. De vraag of sprake is van een causaal verband tussen het schadeveroorzakende besluit en de door eiser gestelde schade behoeft dus geen bespreking.

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding voor het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Purperhart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2016. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.