Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2016:6739 ECLI:NL:RBAMS:2016:6739 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2016:6739 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2016:6739
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/669013-16 (Promis) Datum uitspraak: 24 oktober 2016 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, ingeschreven op het adres [adres] te [plaats 1] , gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum [naam] te [plaats 2] .

Legislator headnote

AI generated

artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBAMS:2016:6739 · Rechtbank Amsterdam: Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, stelt de rechtbank vast dat het bewezen geachte feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren. 8.3.3 Beslag De rechtbank stelt – met uitzondering van de hieronder genoemde voorwerpen – vast dat er ten aanzien van de ter terechtzitting door de officier van justitie overgelegde en aan het dossier toegevoegde beslaglijst geen verdere beslissingen van de rechtbank vereist zijn.

Keywords

AI generated
homicide at request of victim murder attempted manslaughter crime victim homicide preliminary investigation attempted assassination

Cited Legislation

AI generated
artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2016:1650
Parketnummer: 23-003701-15 Datum uitspraak: 2 februari 2016 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-669189-14 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1988, adres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: primair:hij op of omstreeks 7 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, met kracht, meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht, althans tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschopt en/of geslagen en/of meermalen, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de rug, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken; subsidiair:hij op of omstreeks 7 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, met kracht, meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht, althans tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschopt en/of geslagen en/of meermalen, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de rug, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Vrijspraak Met de raadsvrouw en anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het steken met het mes door de verdachte in de rug van de aangever geen opzet, al dan niet voorwaardelijk, op het doden van de aangever oplevert. De verdachte heeft weliswaar met kracht met een mes, met een lemmet van 8 centimeter, in de rug van de aangever gestoken, maar van het deel van de rug waar de verdachte heeft gestoken, te weten onder het schouderblad, kan niet vastgesteld worden dat dit een zodanig kwetsbaar deel van het lichaam is dat daar op eenvoudige wijze dodelijk letsel kan worden toegebracht. Naar het oordeel van het hof is daarom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Gevoerde verweren De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd – kort samengevat – dat niet vast gesteld kan worden dat de verdachte degene is die de aangever gestoken heeft. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Zowel de aangever als de verdachte hebben verklaard dat zij op 7 september 2014 een confrontatie met elkaar hebben gehad bij Albert Heijn. De beveiliger van die Albert Heijn heeft gezien dat de verdachte op dat moment een mes bij zich had (dossierpagina 70). Kort daarna komt het weer tot een confrontatie tussen de verdachte en de aangever. De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij daarbij heeft gezien dat de verdachte stekende bewegingen maakte en dat hij daarna heeft gehoord dat de aangever, terwijl hij op de grond lag, zei dat hij was gestoken (dossierpagina 68). De aangever heeft verklaard dat de verdachte hem met een mes in de rug heeft gestoken (dossierpagina 52/53, hetgeen door de verklaring van [getuige] (dossierpagina 68) en de letselverklaring (dossierpagina 58) wordt ondersteund. Dat niet de verdachte maar een andere persoon de aangever zou hebben gestoken, is onvoldoende onderbouwd en op geen enkele manier aannemelijk geworden. Het verweer wordt mitsdien verworpen. Het hof acht voorts, met de advocaat-generaal en de raadsvrouw, niet bewezen dat sprake is geweest van voorbedachte raad, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: subsidiair:hij op 7 september 2014 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, met kracht met een mes in de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken. Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezen verklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar met aftrek van voorarrest, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarbij heeft de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden opgelegd, te weten een meldplicht, behandelverplichting, een aantal overige aanwijzingen betreffende het gedrag van de verdachte, een locatiegebod en Aansluiting Elektronische Controle. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf, met dezelfde bijzondere voorwaarden, als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsvrouw heeft – kort samengevat – aangevoerd dat er een netwerk aan hulpverlening rond de verdachte is opgebouwd en dat de verdachte thans gemotiveerd is om de hulpverlening te aanvaarden en daaraan mee te werken. Als hij terug zou moeten naar de gevangenis zou dit allemaal voor niets zijn opgebouwd en is het de vraag of hij na de detentie nog gemotiveerd zou zijn. Daarnaast is er een grote kans dat hij zijn huis kwijt raakt, omdat het onzeker is of de familie daarvoor nog langer zou willen of kunnen betalen. De verdediging bepleit dan ook een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel het voorarrest niet overschrijdt. Eventueel zou de proeftijd dan op drie jaar gesteld kunnen worden, als stok achter de deur. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door de aangever met een mes in de rug te steken na een eerdere confrontatie. Hierbij is het lemmet afgebroken en moesten in de rug achtergebleven delen daarvan operatief verwijderd worden. De verdachte heeft de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Bovendien vond dit feit plaats op de openbare weg, waardoor ook toevallige voorbijgangers en aanwezigen geconfronteerd zijn met het geweld en heeft de verdachte aldus ook bij derden gevoelens van onveiligheid teweeggebracht. Nooit is duidelijk geworden welk motief de verdachte had met dit geweld tegen het slachtoffer, met wie hij geen ander conflict had dan dat naar zijn gevoel het slachtoffer hem vies aankeek. Het hof acht het bijzonder zorgelijk dat de verdachte, ondanks confrontatie met hetgeen zich heeft afgespeeld, geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad en – tot nu toe - geen aanknopingspunten voor zelfinzicht heeft gegeven. Daarmee blijft de mogelijkheid van herhaling van een dergelijke voor buitenstaanders onverwachte aanval open. Daarnaast weegt het hof mee dat de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 januari 2016 eerder voor een geweldsdelict onherroepelijk is veroordeeld. Dat de aangever tot op de dag van vandaag nog de gevolgen van dit incident ondervindt, blijkt uit de slachtofferverklaring die zijn advocaat heeft voorgedragen op de terechtzitting. Het slachtoffer heeft daarin aangegeven dat zijn leven wordt beheerst door de zaak en de nog steeds bij bepaalde activiteiten bestaande pijn en dat de symptomen lijken op een lichte vorm van een PTSS. Het hof heeft acht geslagen op de Pro Justitia rapportage van GZ-psycholoog [deskundige] van 7 april 2015. [deskundige] verklaart – kort samengevat – dat het aannemelijk is dat de bij de verdachte vastgestelde problematiek in de vorm van zwakbegaafdheid, de zwak geconstrueerde persoonlijkheid, de PTSS, de cannabisafhankelijkheid en de aandachtstekort/hyperactiviteitsproblemen van invloed zijn geweest op zijn gedrag voorafgaand en tijdens het tenlastegelegde. Op basis van deze gecombineerde problematiek is er bij de verdachte onder invloed van externe druk en traumata sprake van een verhoogde kans op angst, impulsiviteit, prikkelbaarheid en agressie waarbij het zicht op de realiteit tijdelijk verzwakt kan raken. Voorafgaand aan het tenlastegelegde, indien bewezen, was er bij de verdachte sprake van angstklachten, slaapproblemen en nachtmerries na het stoppen met cannabis, die mogelijk PTSS klachten opnieuw triggerden, waarvoor hij een lage dosis antipsychotica slikte. De verdachte had wel voldoende weet van de wederrechtelijkheid van de tenlastegelegde feiten, indien bewezen geacht, maar werd onvoldoende afgeremd door empathische vermogens, een adequate impulscontrole en angsttolerantie, een adequaat reflectief vermogen en voldoende zicht op de situatie en de gevolgen van zijn gedrag voor hemzelf en anderen. Op basis daarvan is [deskundige] van mening dat de verdachte voorafgaand en ten tijde van het tenlastegelegde, indien bewezen, verminderd in staat is geweest zijn wil in vrijheid te bepalen. Het hof zal daarmee rekening houden bij het bepalen van de strafmaat. Uit een advies van de reclassering van 17 januari 2016 blijkt dat de verdachte zich gemotiveerd toont voor begeleiding en behandeling. In de begeleiding door Indaad laat de verdachte zich aanspreken en spant hij zich in om zich aan afspraken te houden. In de behandeling door Inforsa is de verdachte steeds opener in het contact. Zijn motivatie is goed en zijn zelfinzicht lijkt te groeien. De leerbaarheid van de verdachte is echter beperkt. Er zal derhalve een lange periode nodig zijn om te komen tot gedragsverandering met betrekking tot emotie- en agressieregulatie. Begeleiding bij de dagelijkse zaken en frustraties is gewenst. De elektronische controle is ondersteunend in het aanbrengen van structuur in de dag. De reclassering acht het van belang dat de lopende begeleiding en behandeling worden gecontinueerd en adviseert om dezelfde bijzondere voorwaarden op te leggen als door de rechtbank zijn opgelegd. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Daarbij zal het hof een proeftijd van drie jaar opleggen, omdat de verdachte naar verwachting een lange periode nodig heeft om tot gedragsverandering te komen. Deze lange proeftijd dient tevens het doel om verdachte ervan te weerhouden wederom (agressieve) delicten te plegen. Ook zal het hof de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.597,71, waarvan € 597,71 als materiële en € 20.000 als immateriële schade is aangemerkt. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.815,05, waarbij de rechtbank de materiële schade heeft gewaardeerd op € 315,05 euro en de immateriële schade op € 2500,-. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij het immateriële deel van de vordering verlaagd naar € 10.000,00 zodat de vordering thans € 10.597,71 bedraagt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Bijzondere voorwaarden Meldplicht De veroordeelde moet zich gedurende de door Reclassering Nederland, Wibautstraat 12 te Amsterdam, bepaalde periode blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze periode nodig acht. De toezichthouder zal veroordeelde daarna opdrachten geven die betrekking hebben op zijn handel en wandel. Het doel hiervan is om hem zowel te begeleiden bij de naleving van de bijzondere voorwaarden, alsook te kunnen controleren of hij zich aan de naleving van de bijzondere voorwaarden houdt. Behandelverplichting De veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen voor de samenhang tussen de geconstateerde psychische problematiek en de delict geschiedenis bij de forensisch psychiatrische polikliniek van Inforsa of een vergelijkbare forensisch psychiatrische behandelsetting. Zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Andere voorwaarden het gedrag betreffende De veroordeelde wordt verplicht om zich te conformeren aan de aanwijzing en adviezen die hem gegeven worden door zijn begeleider(s) van Indaad Amsterdam, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde wordt verplicht zich in te spannen, met hulp van de reclassering en Indaad, ten behoeve van het verkrijgen en behouden van structurele dagbesteding. Locatiegebod en elektronisch toezicht De veroordeelde moet verblijven op het adres [adres 2] Amsterdam, zolang de reclassering dat nodig acht. Daarbij heeft hij op doordeweekse dagen een aaneengesloten blok van veertien uur ter invulling van zijn dagbesteding. In de weekenden heeft de veroordeelde acht uur vrij te besteden. Wanneer de veroordeelde op doordeweekse dagen geen vastgestelde dagbesteding heeft, krijgt hij twee uur vrij te besteden. Alle uren worden vooraf vastgesteld door de reclassering. Het locatiegebod kan - indien de reclassering dit noodzakelijk acht - worden gecontroleerd door middel van een elektronisch controlemiddel. Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1.00 STK Mes punt van het mes (4826936) 1.00 STK Mes Heft (4827306). Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1.00 STK Vest Kl: zwart (4827209) 1.00 STK Pet FENDI (4831762) 1.00 STK Tas FENDI schouder (4831768) 1.00 STK Broek ADIDAS (4831769). Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.815,05 (tweeduizend achthonderdvijftien euro en vijf cent) bestaande uit € 315,05 (driehonderdvijftien euro en vijf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij. Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.815,05 (tweeduizend achthonderdvijftien euro en vijf cent) bestaande uit € 315,05 (driehonderdvijftien euro en vijf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 38 (achtendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. H.W.J. de Groot en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van mr. A.M.R. Karsemeijer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 februari 2016. ========================================================================= [....]
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/669013-16 (Promis) Datum uitspraak: 24 oktober 2016 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, ingeschreven op het adres [adres] te [plaats 1] , gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum [naam] te [plaats 2] .

1Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 april 2016, 21 juli 2016 en 10 oktober 2016. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.A.M. Wijffels en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M. Berndsen naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 18 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, die [slachtoffer] één- of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borst en/of de rug, althans in het (boven)lichaam, gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde moord en tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde doodslag en heeft hiertoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De verdachte en het slachtoffer hangen op de avond van 18 januari 2016 beiden rond in Amsterdam in de omgeving van het Centraal Station. Zij hebben aanvankelijk geen contact met elkaar, maar treffen elkaar ’s avonds iets na half elf in de buurt van het Centraal Station, waarbij zij even contact met elkaar maken.

Op de camerabeelden is te zien dat verdachte kort achter het slachtoffer loopt en zijn arm omhoog brengt. Dat is het moment dat de verdachte het slachtoffer met een mes in zijn rug steekt. Het slachtoffer draait zich vervolgens om en dan steekt verdachte hem met een mes in zijn borst. Het slachtoffer rent weg, zakt in elkaar en overlijdt korte tijd later. Verdachte keert zich direct na het incident om en rent weg richting Park Plaza Victoria Hotel, in de richting van de Prins Hendrikkade. Enkele momenten later komt hij teruglopen, waarna hij een McDonalds inloopt, waar hij verklaart dat er “iets is gebeurd bij het Centraal Station”.

Vervolgens gaat hij weer terug naar de plaats delict en loopt daarna weg. De verdachte heeft het slachtoffer tot tweemaal toe met kracht gestoken, waarbij vaststaat dat de steekwond in de borst de linkerhartkamer heeft doorboord. Hierdoor is functieverlies en bloedverlies opgetreden als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. Door met een mes, dat op 27 januari 2016 in het water bij de Prins Hendrikkade is gevonden tussen de fundering van de brug en de kade en waarvan het lemmet 12,7 cm lang was, in de borst en de rug van het slachtoffer te steken, is naar uiterlijke verschijningsvormen de aanmerkelijk kans op de dood van het slachtoffer aanvaard.

Er is dan ook sprake van opzet in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer. De officier van justitie acht redengevend voor haar bewijsconstructie dat de verdachte door verbalisant [naam verbalisant] , die ten tijde van het feit op enkele meters afstand stond, is herkend bij een confrontatie op het politiebureau. Op de plastic tas met het opschrift Lidl die de verdachte ten tijde van zijn aanhouding bij zich droeg, is bloed van het slachtoffer aangetroffen. Hetzelfde geldt voor de kleding die verdachte droeg ten tijde van zijn aanhouding.

Op het heft van het mes is DNA van verdachte aangetroffen, en op het lemmet van het mes DNA van het slachtoffer. Alle bewijsmiddelen in onderling verband bezien acht de officier van justitie de ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken en heeft hiertoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Verdachte ontkent het slachtoffer om het leven te hebben gebracht. Ten aanzien van het impliciet primair ten laste gelegde, is de raadsman van mening dat het dossier geen enkele indicatie bevat voor voorbedachte raad.

Ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag, is de raadsman van mening dat de camerabeelden te onduidelijk zijn om redengevend te zijn voor het bewijs. Er is geen duidelijke armbeweging op de beelden waar te nemen, en indien er een armbeweging wordt waargenomen, kan niet worden vastgesteld dat dit een steekbeweging is. Voor zover dat wel wordt aangenomen betreft het een steekbeweging naar de rug waaruit volgens de verdediging, en ondersteund door jurisprudentie (Hof Amsterdam 2 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1650), niet zonder meer (voorwaardelijk) opzet op de dood kan worden afgeleid.

Op grond van een steekbeweging in de rug kan tevens geen causaal verband tussen de dodelijk verwonding in de borst en een handeling van verdachte worden aangetoond. A priori is overigens daderschap van verdachte sowieso onwaarschijnlijk, nu verdachte en het slachtoffer elkaar niet kenden en er op de beelden geen escalatie is waar te nemen. Voorts is sprake van een alternatief scenario dat aan de overtuiging in de weg staat. Het bewijs sluit immers niet uit dat verdachte getuige is geweest in plaats van dader. Wellicht heeft hij het mes uit het slachtoffer getrokken en zich vervolgens in een opwelling van het mes ontdaan.

Verdachte zelf verklaart dat hij de jas en tas die hij droeg pas voorafgaand aan zijn aanhouding heeft gevonden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Partiële vrijspraak van de impliciet ten laste gelegde moord Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord. Uit het dossier is onvoldoende gebleken dat sprake was van een van tevoren opgevat plan om het slachtoffer van het leven te beroven of dat verdachte de tijd had zich te beraden over zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 4.3.2 Bewijsoverwegingen Op grond van de bewijsmiddelen, die in bijlage I van dit vonnis zijn opgenomen en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Betrokkenheid verdachte De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte vast kan worden gesteld dat hij op 18 januari 2016 omstreeks 20:06 uur een proces-verbaal heeft ontvangen vanwege het doelloos rondhangen op Amsterdam Centraal Station.

De bekeurde man heeft zich immers geïdentificeerd met een document waarop de volgende persoonsgegevens stonden beschreven: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983. De camerabeelden van voornoemde bekeuring zijn opgevraagd en hierop is te zien hoe verdachte gekleed was en dat hij in het bezit was van een plastic tas van supermarktketen Lidl. De op genoemde camerabeelden waarneembare kleding en de plastic tas droeg verdachte ook ten tijde van zijn aanhouding op 19 januari 2016. Naar aanleiding van het overlijden van het slachtoffer zijn camerabeelden opgevraagd van meerdere beveiligingscamera’s in de omgeving waar de verdachte en het slachtoffer zich gedurende de avond van 18 januari 2016 hebben bevonden.

Zowel het slachtoffer als de verdachte zijn op verschillende tijdstippen op verschillende beveiligingscamera’s te zien. Hiervan is een video-compilatie gemaakt, die ter zitting is vertoond en waarvan zich een beschrijving in het dossier bevindt. De rechtbank is van oordeel dat er gezien het onderlinge verband tussen de beelden en mede gezien de andere bevindingen van verbalisanten vanuit kan worden gegaan dat de in deze videocompilatie als verdachte en slachtoffer aangeduide personen inderdaad de verdachte en het slachtoffer zijn. Uit deze videocompilatie blijkt het volgende.

Omstreeks 22:33 uur treffen verdachte en het slachtoffer elkaar op de hoek van de Prins Hendrikkade en het Damrak, waarbij verdachte vlak achter het slachtoffer loopt. Direct na dit contactmoment is op de beelden waar te nemen dat het slachtoffer met versnelde pas en slingerend richting het Centraal Station loopt en enkele meters later op de grond valt. De verdachte rent weg van het slachtoffer en steekt de kruising van de Prins Hendrikkade en het Damrak over, in de richting van de Nieuwebrugsteeg. Zestien seconden later keert verdachte terug in beeld en loopt terug naar voornoemde kruising.

Gedurende zijn oversteek van het Damrak is ten slotte op de camerabeelden te zien dat verdachte met zijn rechterhand in zijn jaszak loopt. In de gracht op de hoek van het Damrak en de Prins Hendrikkade is op 27 januari 2016 door de politie een mes in het water aangetroffen. Alhoewel het steekincident zelf op de beelden niet goed is waar te nemen, is uit de camerabeelden voorafgaand aan het contactmoment tussen verdachte en slachtoffer geen afwijkend gedrag te zien bij het slachtoffer. Dat is daarna anders: het slachtoffer gaat rennen en valt na korte tijd hevig bloedend op straat en blijkt later twee verwondingen te hebben die duiden op penetrerend letsel door een scherp voorwerp.

Het slachtoffer overlijdt omstreeks 23:10 uur. Ook verdachte gedraagt zich na het contactmoment opvallend door ineens de andere kant op te lopen en later te rennen. Daarbij gaat hij kort in de richting van de plaats waar later een mes is aangetroffen, waarop zowel zijn DNA als het DNA van het slachtoffer zit. De rechtbank stelt op basis van het pathologisch rapport van 26 april 2016 vast dat het slachtoffer op gewelddadige wijze, ten gevolge van een steekverwonding in de borst, is overleden. Op zowel het aangetroffen mes als de kleding en plastic tas die verdachte gedurende zijn aanhouding droeg, zijn DNA-sporen van het slachtoffer aangetroffen.

Het lemmet van het mes bevat een DNA-spoor waarbij de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek meer dan 1.000.000 keer waarschijnlijker zijn als hypothese 1a waar is (bemonstering bevat celmateriaal van [slachtoffer] ) dan als hypothese 1b waar is (bemonstering bevat celmateriaal van een willekeurige andere persoon). Het heft van het mes bevat een DNA-mengspoor waarbij de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek meer dan 1.000.000 keer waarschijnlijker zijn als hypothese 1a waar is (bemonstering bevat celmateriaal van verdachte [verdachte] en minimaal één ander persoon) dan als hypothese 1b waar is (bemonstering bevat celmateriaal van twee willekeurige andere personen).

Op de plastic tas die bij verdachte is aangetroffen, alsmede op zijn broek en jas zijn bloedsporen aangetroffen waarvan de matchkans met het DNA-profiel van het slachtoffer kleiner is dan één op één miljard. Alternatieve scenario’s Het door de verdachte aangedragen alternatieve scenario dat hij de tas en kleding met het daarop aangetroffen bloed van het slachtoffer pas op 19 januari 2016 heeft gevonden, is volgens de rechtbank in strijd met hetgeen reeds is overwogen. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat de verdachte op 18 januari 2016 om 20:06 uur is bekeurd en daarbij al in het bezit was van de bewuste plastic tas van supermarktketen Lidl en al de kleding droeg die hij ten tijde van zijn aanhouding op 19 januari 2016 ook aan had.

Het door de raadsman naar voren gebrachte alternatieve scenario dat verdachte wellicht getuige is geweest van het geweldsincident, en vervolgens, toen hij hulp wilde bieden, in een opwelling het mes uit het slachtoffer heeft getrokken en zich daar in alle paniek van heeft ontdaan, is onvoldoende onderbouwd en onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt voorts op dat de verdachte ter terechtzitting op vragen van de rechtbank heeft ontkend de persoon op de camerabeelden te zijn, en derhalve zijn aanwezigheid op de plaats delict heeft ontkend.

Dit is in tegenspraak met het alternatieve scenario zoals door de raadsman naar voren gebracht. Voorwaardelijk opzet Vast staat dat het slachtoffer is overleden aan de gevolgen van massaal bloedverlies als gevolg van een steekverwonding in de borst. Door met een scherp voorwerp te steken in de linkerzijde van de borst, gelet op de kwetsbare en vitale organen die zich in dat deel van het menselijk lichaam bevinden, waaronder het hart en de longen, heeft verdachte op zijn minst welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden.

Het handelen van verdachte was naar het oordeel van de rechtbank naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het gevolg dat hij het slachtoffer dodelijk zou verwonden, dat verdachte dit gevolg bewust heeft aanvaard en op de koop heeft toegenomen. Conclusie Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die op 18 januari 2016 rond 22:33 uur het slachtoffer [slachtoffer] heeft gestoken met een mes, ten gevolge waarvan hij is overleden. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: op 18 januari 2016 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, die [slachtoffer] met een mes in de borst en de rug gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7De strafbaarheid van verdachte

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte – gelet op het advies van de deskundigen – in zeker mate ontoerekeningsvatbaar is, waaruit a contrario voortvloeit dat verdachte in zeker mate toerekeningsvatbaar en derhalve strafbaar is. De raadsman bepleit – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen – dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het feit niet aan cliënt kan worden toegerekend vanwege een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, hetgeen tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid leidt.

De raadsman voert aan dat de deskundigen niet expliciet tot de conclusie van ontoerekeningsvatbaarheid komen, maar dat hun rapportages die conclusie ook niet uitsluiten. Schizofrenie van het paranoïde type leidt er vrijwel altijd toe dat geconcludeerd wordt tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid, ook wanneer deskundigen geen preciezer oordeel kunnen geven dan verminderde toerekeningsvatbaarheid. De verdediging verwijst daarvoor naar de in de pleitnota opgenomen jurisprudentie. Zowel de psycholoog als de psychiater geven in soortgelijke bewoordingen aan dat de psychische problematiek van verdachte doorwerking had op het gedrag van verdachte en dat hij niet in staat lijkt te kunnen worden geacht om zijn wil geheel in vrijheid te bepalen.

De invloed van de stoornis op het gedrag van verdachte is nog aannemelijker nu een hoge mate van waanstress aannemelijk is en dat dat blijkens wetenschappelijke inzichten bijdraagt aan geweld. Verdachte kan derhalve geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro Justitiarapportage (psychiatrisch onderzoek), opgesteld door drs. [naam psychiater 1] , psychiater, onder supervisie van drs. [naam psychiater 2] , psychiater, van 13 april 2016. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

De medewerking van betrokkene is beperkt geweest. Betrokkene lijdt aan een paranoïde psychose, hoogstwaarschijnlijk in het kader van schizofrenie. Er is waarschijnlijk sprake van misbruik van verschillende drugs en alcohol en secundair antisociaal gedrag. Betrokkene lijdt vermoedelijk al jaren aan een ernstige chronische paranoïde psychose. In de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde feit waant hij te worden belaagd door onbekenden en vreest te zullen worden vermoord. Hij hoort stemmen en gebruikt middelen die de psychose kunnen verscherpen.

Betrokkene ontkent consistent iets met het ten laste gelegde te maken te hebben. Het is daarom niet mogelijk een direct causaal verband te schetsen tussen de bij hem vastgestelde voorlopige diagnose en het ten laste gelegde. Het is evenwel onwaarschijnlijk dat het gedrag van betrokkene bij de totstandkoming van het ten laste gelegde niet in enige mate beïnvloed werd door de ernstige en lang bestaande psychotische toestand waarin hij verkeerde. In welke mate zijn psychotische toestand hem heeft gehinderd bij het bepalen van en handelen naar zijn vrije wil is niet aan te geven.

Heruit volgt het advies om betrokkene het ten laste gelegde, indien bewezen, niet volledig toe te rekenen. Het floride paranoïde psychotisch beeld dat bij betrokkene gepaard gaat met doodsangsten is een belangrijke risicofactor die acuut gevaar kan geven. Het klinische risicoprofiel is ongunstig en ook toekomstgerelateerde risicofactoren laten een ongunstig beeld zien. Er lijkt enig besef van ziekte te bestaan, maar inzicht ontbreekt volledig. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de Pro Justitiarapportage (psychologisch onderzoek), opgesteld door mr. drs. [naam psycholoog] , psycholoog, van 12 april 2016.

Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: Er is bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens in de vorm van schizofrenie van het paranoïde type en van misbruik van diverse middelen. Er is bij betrokkene sprake van een ernstige psychiatrische stoornis waarvan ook sprake lijkt te zijn geweest ten tijde van het ten laste gelegde. De dagen voor het ten laste gelegde was hij waarschijnlijk psychotisch, gezien het feit dat hij diverse meldingen heeft gedaan dat hij dacht vermoord te zullen worden en tijdens het onderzoek kwamen deze wanen terug.

Er lijkt dus sprake van een langdurig (chronisch) psychotische episode. Het is aannemelijk dat de geconstateerde psychische problematiek heeft doorgewerkt op het gedrag van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde. De mate hiervan valt echter niet te bepalen. Betrokkene moet in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid in te kunnen zien, echter is hij niet in staat om zijn wil geheel in vrijheid te bepalen. De rechtbank wordt geadviseerd om betrokkene in zekere mate verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De exacte mate hiervan is niet te bepalen.

De kans op herhaling wordt vanuit psychopathologisch perspectief als verhoogd ingeschat. De rechtbank is van oordeel dat de rapportages op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de gedragsdeskundigen een deugdelijk gemotiveerde beschrijving hebben gegeven van de problematiek van verdachte. De rechtbank stelt vast dat de deskundigen geen mate van (on)toerekeningsvatbaarheid hebben aangegeven. De rechtbank neemt het oordeel van de deskundigen over en maakt dat tot het hare. De rechtbank zal op basis daarvan een oordeel geven over de mate van toerekenbaarheid van verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank is er bij verdachte sprake van een stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie van het paranoïde type, en misbruik van middelen. Ten tijde van het ten laste gelegde was verdachte psychotisch, hetgeen heeft geleid tot wanen en angsten van verdachte dat hij werd gevolgd en vermoord zou worden. Dit vindt steun in het dossier, nu verdachte zich meermalen bij de politie en een ziekenhuis heeft gemeld met een dergelijke boodschap. Volgens de deskundigen is voorts sprake van een langdurige (chronische) psychotische episode.

De rechtbank is op grond van deze bevindingen van oordeel dat de stoornis het gedrag en handelen van de verdachte in dusdanige mate heeft beïnvloed, dat er sprake was van een zeer geringe mogelijkheid om zijn handelen naar vrije wil te kunnen bepalen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van voorarrest, en dat verdachte tevens de maatregel tot tbs met dwangverpleging wordt opgelegd.

Voorts heeft de officier van justitie ten aanzien van het beslag gevorderd conform de door haar overgelegde en aan het dossier toegevoegde beslaglijst (bijlage II). 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat enkel een maatregel dient te worden opgelegd, en in het geval toch wordt overgegaan tot een strafoplegging, deze zich dient te beperken tot de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Ten aanzien van het beslag heeft de verdediging geen standpunt naar voren gebracht. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen oplegging van straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. 8.3.1 Motivering van de straf De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door het slachtoffer op de openbare weg met een mes in de borst en rug te steken. De aanleiding van het handelen van verdachte is tot nog toe onbekend gebleven. Het opzettelijk benemen van het leven van een ander behoort tot de zwaarste categorie misdrijven die de wet kent. De verdachte heeft het slachtoffer immers het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Diens familie en vrienden is daarmee onherstelbaar leed en verdriet aangedaan. Door zijn handelen draagt verdachte tevens bij aan in de samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid, temeer nu het delict heeft plaatsgevonden in de openbare ruimte.

Van de directe gevolgen van het feit zijn dan ook meerdere omstanders getuige geweest. De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 september 2016 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte zich eerder heeft schuldig gemaakt aan enkele strafbare feiten, maar deze zijn van een geheel andere aard dan het onderhavige feit. De rechtbank acht in de onderhavige zaak in beginsel een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Nu verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht en het belang van een spoedige behandeling zeer groot is, zal de rechtbank bij de strafoplegging afwijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest opleggen. 8.3.2 Terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte acht geslagen op de eerder genoemde rapporten van psycholoog [naam psycholoog] en psychiater [naam psychiater 1] van respectievelijk 12 april 2016 en 13 april 2016.

Daaruit blijkt dat verdachte lijdt aan ziekelijke stoornissen van zijn geestvermogens zoals hiervoor onder 7 vermeld, en dat er ten tijde van het ten laste gelegde een causaal verband bestond tussen de psychotische stoornis en het door verdachte gepleegde strafbare feit. In de voornoemde rapporten komt naar voren dat de kans op recidive vooral wordt bepaald door de hevige doodsangst die verdachte ervaart door de wanen die uit zijn psychose voortkomen. Betrokkene kan hierdoor aangezet worden zich – desnoods met geweld – te verdedigen. De verdachte bevestigt dit beeld door ter terechtzitting te verklaren dat hij nog altijd angst heeft dat hij vermoord zal worden.

Andere risicofactoren die in de rapportages naar voren komen zijn het middelengebruik en een bij verdachte ontwikkelde copingstijl die anti-sociaal gedrag heeft aangewakkerd, welk gedrag tot conflicten kan leiden. Verdachte zal langdurig klinisch psychiatrisch behandeld moeten worden. De behandeling dient zich te richten op de schizofrenie van het paranoïde type en het middelengebruik. Verdachte dient ingesteld te worden op medicatie en moeten leren omgaan met de beperkingen van zijn stoornis, waarbij voorts aandacht besteed zal worden aan cognitieve en sociotherapeutische modules.

Gelet op het onvoorspelbare gedrag dient een behandeling in een goed beveiligde setting plaats te vinden. De deskundigen achten een TBS-maatregel met bevel tot verpleging de meest aangewezen reactie. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare. Gelet op de aard van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de inhoud van voornoemde rapportages, is de rechtbank van oordeel dat verdachte thans onmiskenbaar een gevaar vormt voor de veiligheid van personen en dat behandeling van zijn stoornissen noodzakelijk en vereist is om herhaling van ernstige geweldsdelicten te voorkomen.

De rechtbank acht het dan ook onverantwoord om verdachte zonder behandeling in de maatschappij te laten terugkeren. Gelet op de inhoud van de rapportages van de psycholoog en de psychiater heeft de rechtbank geen vertrouwen dat verdachte kan worden behandeld binnen een kader met een voorwaardelijk karakter, noch in het kader van een deels voorwaardelijke straf met een fors aantal maanden gevangenisstraf boven het hoofd, noch in het kader van TBS met voorwaarden. Daarom zal de rechtbank de maatregel van TBS met dwangverpleging opleggen. Verdachte dient op grond van het vorenstaande ter beschikking gesteld te worden en van overheidswege te worden verpleegd, mede aangezien het bewezen geachte feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, stelt de rechtbank vast dat het bewezen geachte feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren. 8.3.3 Beslag De rechtbank stelt – met uitzondering van de hieronder genoemde voorwerpen – vast dat er ten aanzien van de ter terechtzitting door de officier van justitie overgelegde en aan het dossier toegevoegde beslaglijst geen verdere beslissingen van de rechtbank vereist zijn.

Onttrekking aan het verkeer Het volgende voorwerp is in beslag genomen: - 1.00 STK Mes Le Chef, beslagnummer [nummer] Nu dit voorwerp is aangetroffen in het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf, terwijl het kan dienen tot het begaan van een soortgelijk misdrijf en van zodanige aard kan zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer. Teruggave aan verdachte De volgende voorwerpen zijn in beslag genomen en worden aan verdachte teruggeven: - 1.00 STK Jas, beslagnummer [nummer] ;- 1.00 STK Blauw Poloshirt, beslagnummer [nummer] ;- 1.00 STK Blauw shirt, beslagnummer [nummer] ; - 1.00 PR Schoenen, beslagnummer [nummer] ; - 1.00 STK Broek, beslagnummer [nummer] .

9Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 38e en 287 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 10Beslissing Verklaart de impliciet primair ten laste gelegde moord niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op: doodslag Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 279 (tweehonderd negenenzeventig) dagen. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: - 1.00 STK Mes Le Chef, beslagnummer [nummer] . Gelast de teruggave aan J.P. Kaminski van: - 1.00 STK Jas, beslagnummer [nummer] ;- 1.00 STK Blauw Poloshirt, beslagnummer [nummer] ;- 1.00 STK Blauw shirt, beslagnummer [nummer] ; - 1.00 PR Schoenen, beslagnummer [nummer] ; - 1.00 STK Broek, beslagnummer [nummer] . Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzitter, mrs. R.A.J. Hübel en R.K. Pijpers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2016.

De jongste en oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.