Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2016:6634 ECLI:NL:RBAMS:2016:6634 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2016:6634 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2016:6634
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 15/8365 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2016 in de zaak tussen [eiseres] te [woonplaats] , eiseres en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: M.A. Boerhorst). Procesverloop Op 14 september 2015 heeft verweerder aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar 25 oktober 2015 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak (opnieuw) bezwaar ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBAMS:2016:6634 · Rechtbank Amsterdam: Naar het oordeel van de rechtbank maakt de op de naheffingsaanslag vermelde locatie waar geparkeerd is echter een zodanig essentieel onderdeel daarvan uit dat niet kan worden toegestaan dat parkeerbelasting, verschuldigd vanwege parkeren op een andere locatie, in de naheffingsaanslag wordt begrepen. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad van 20 december 1978 (ECLI:NL:HR:1978:AX2808). Dat zou anders zijn wanneer de in de naheffingsaanslag vermelde locatie op een duidelijke, ook voor eiseres kenbare, vergissing berust.

Keywords

AI generated
parking violation parking space replacement fee parking fee administrative offence allotment of parking spaces action for disturbance of possession

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht
Verweerder heeft dit bezwaarschrift op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de rechtbank om als beroepschrift in behandeling te nemen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1978:AX2808
De hand- of tekengelden worden door het Hof als een vergoeding gekwalificeerd, die uitbetaald wordt zodra een speler en een club in hoofdzaak overeenstemming hebben bereikt omtrent de voorwaarden waarop de speler bij de club in dienst zal treden. Deze vaststelling wettigt alleen dan de conclusie, dat een dergelijke vergoeding ook loon is, in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet, indien de door een club betaalde hand- of tekengelden zelve geen andere oorzaak of titel hebben of kunnen hebben, dan de tussen de betreffende speler en de club zojuist tot stand gekomen privaatrechtelijke dienstbetrekking, omtrent welke oorzaak in deze eerste overweging van het Hof niets blijkt. 2. ' s Hofs uitspraak in de tweede overweging ten aanzien van de andere oorzaak of titel voor de betaalde hand- of tekengelden is daarnaast enerzijds onbegrijpelijk omdat uit de uitspraak niet blijkt, waarom een vergoeding vooruit geen vergoeding voor goodwill is of kan zijn, anderzijds innerlijk tegenstrijdig en onvoldoende gemotiveerd omdat wel uit de uitspraak blijkt, dat het Hof ervan uitgaat, dat er een zekere verhouding bestaat tussen de grootte van de vergoeding en de deskundigheid van de speler en een vergoeding voor goodwill zich nu juist leent om die op het moment van het sluiten van een arbeidsovereenkomst bestaande deskundigheid te verdisconteren, doch het Hof niet aangeeft waarom desondanks geen sprake is van een vergoeding wegens inbreng van goodwill, en, ten slotte, onbegrijpelijk, omdat uit hetgeen hiervoren onder enerzijds en anderzijds omschreven werd in onderlinge samenhang ten opzichte van het in de eerste overweging vervatte oordeel, dat een dergelijke vergoeding loon is, niet blijkt waar de betaalde hand- of tekengelden geen andere oorzaak of titel hebben, dan de gesloten arbeidsovereenkomst, zodat noch de eerste overweging van 's Hofs uitspraak, noch de tweede overweging, noch deze beide samen voldoende gemotiveerd zijn.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 15/8365 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2016 in de zaak tussen [eiseres] te [woonplaats] , eiseres en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: M.A. Boerhorst). Procesverloop Op 14 september 2015 heeft verweerder aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar 25 oktober 2015 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak (opnieuw) bezwaar ingesteld.

Verweerder heeft dit bezwaarschrift op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de rechtbank om als beroepschrift in behandeling te nemen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Op 14 september 2015 is aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ter hoogte van € 56,20, bestaande uit € 1,30 parkeerbelasting en € 54,90 kosten van de naheffingsaanslag.

Verweerder heeft aan deze naheffingsaanslag ten grondslag gelegd dat de auto van eiseres, met kenteken [nummer] , op deze datum om 13.41 uur stond geparkeerd op het Olof Palmeplein ter hoogte van [nummer] te Amsterdam zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan.

2. Eiseres betwist de juistheid van de naheffingsaanslag en voert hiertoe aan dat zij op het bewuste tijdstip niet op het Olof Palmeplein stond geparkeerd.

3. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift en de nadere toelichting ter zitting op het standpunt gesteld dat de auto van eiseres op het bewuste tijdstip op de Th. Weeversweg, op de hoek met het Olof Palmeplein, stond geparkeerd. Bij het controleren van de auto heeft de scanauto de GPS-coördinaten geregistreerd, waarna een koppeling is gemaakt met het dichtstbijzijnde adres met een beschikbaar perceelnummer. De Th. Weeversweg heeft geen perceelnummers, zodat een koppeling is gemaakt met het adres Olof Palmeplein [nummer] . De parkeercontroleur heeft enkele minuten later nogmaals een controle uitgevoerd en heeft hierbij de auto van eiseres geparkeerd aangetroffen zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Feitelijk stond de auto van eiseres geparkeerd binnen het gebied van betaald parkeren en daarom had eiseres belasting moeten betalen. Dat heeft eiseres niet gedaan. Hoewel een onjuiste locatie in de naheffingsaanslag staat vermeld, is de naheffingsaanslag dus wel terecht opgelegd, aldus verweerder.

4. De rechtbank stelt voorop dat op verweerder de last rust om te bewijzen dat het belastbare feit, waarvoor de naheffingsaanslag is opgelegd, zich heeft voorgedaan. Eiseres heeft betwist dat zij op het bewuste tijdstip op het Olof Palmeplein ter hoogte van huisnummer [nummer] stond geparkeerd en heeft daarmee betwist dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van parkeren binnen een gebied waar parkeerbelasting verschuldigd was. Volgens verweerder is de naheffingsaanslag om die reden terecht opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank maakt de op de naheffingsaanslag vermelde locatie waar geparkeerd is echter een zodanig essentieel onderdeel daarvan uit dat niet kan worden toegestaan dat parkeerbelasting, verschuldigd vanwege parkeren op een andere locatie, in de naheffingsaanslag wordt begrepen. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad van 20 december 1978 (ECLI:NL:HR:1978:AX2808). Dat zou anders zijn wanneer de in de naheffingsaanslag vermelde locatie op een duidelijke, ook voor eiseres kenbare, vergissing berust.

Nu gelet op de toelichting in het verweerschrift en ter zitting van verweerder door verweerder bewust een koppeling is gemaakt met het adres Olof Palmeplein 112, is geen sprake van een duidelijke vergissing. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat het voor eiseres kenbaar was dat in de naheffingsaanslag een foutieve locatie staat vermeld. De onjuiste locatievermelding dient dan ook te leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag.

5. De rechtbank zal de bestreden uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag vernietigen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar; vernietigt de naheffingsaanslag en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van mr. H. van der Schaft, griffier, op 18 oktober 2016. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.