Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2016:3804 ECLI:NL:RBAMS:2016:3804 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2016:3804 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2016:3804
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 15/3577 uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2016 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, gemachtigde: mr. J.M.C. Niederer, en de korpschef van politie, verweerder, gemachtigden: mr. C.W.M. van Alphen en mr. M.P. Zeilmaker-Smit. Procesverloop Bij besluit van 17 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 5 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2016:3804 · Rechtbank Amsterdam: Hoewel de indiener van een Wob-verzoek ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wob geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, laat die bepaling onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Omdat misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Verwezen wordt naar de rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3783).

Keywords

AI generated
police permit missing case documents general police clause authorization to sue freedom of information access prefectural enforcement powers

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2014:4129
201311752/1/A3. Datum uitspraak: 19 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2013 in zaak nr. 13/4146 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2013 heeft de minister een door [appellante] ingediend verzoek om openbaarmaking van stukken betreffende een aan haar opgelegde verkeersboete, geweigerd te behandelen. [appellante] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
ECLI:NL:RVS:2016:1425
201505577/1/A3. Datum uitspraak: 25 mei 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Ermelo, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 juni 2015 in zaak nr. 14/8833 in het geding tussen: [wederpartij] en het college. Procesverloop Bij besluit van 31 juli 2014 heeft het college een verzoek van [wederpartij] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) buiten behandeling gelaten. Bij besluit van 16 december 2014 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2015:3783
201404547/1/A3. Datum uitspraak: 9 december 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2014 in zaak nr. 13/9304 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp. Procesverloop Bij besluit van 29 mei 2013 heeft het college een door [appellant] ingediend verzoek om informatie deels toegewezen. Bij besluit van 12 november 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en vermeld dat de door [appellant] verzonden faxen van 23 augustus 2013 en 1 november 2013, die volgens [appellant] ingebrekestellingen zijn, te vroeg zijn ingediend.
ECLI:NL:RVS:2016:1585
201506049/1/A3. Datum uitspraak: 8 juni 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de korpschef van politie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 juni 2015 in zaak nr. 15/165 in het geding tussen: [wederpartij A] en [wederpartij B] en de korpschef. Procesverloop Bij brief van 16 september 2014 heeft de korpschef een beslissing genomen op een verzoek van [wederpartij A] om openbaarmaking van documenten. [wederpartij A] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 18 december 2014 heeft de korpschef een beslissing genomen op een verzoek van [wederpartij B] om openbaarmaking van documenten. [wederpartij B] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
ECLI:NL:RVS:2016:1102
201504216/1/A3. Datum uitspraak: 26 april 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1A], wonend te [woonplaats], en [appellant sub 1B], wonend te [woonplaats], 2. het college van burgemeester en wethouders van Leiden, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 april 2015 in zaken nrs. 14/4861 en 12/4898 in het geding tussen: [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en het college. Procesverloop Bij brief van 28 januari 2014 heeft het college een verzoek van [appellant sub 1A] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2016:1623
201504624/1/V2. Datum uitspraak: 8 juni 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 21 mei 2015 in zaak nr. 15/895 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 20 mei 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 15/3577 uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2016 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, gemachtigde: mr. J.M.C. Niederer, en de korpschef van politie, verweerder, gemachtigden: mr. C.W.M. van Alphen en mr. M.P. Zeilmaker-Smit. Procesverloop Bij besluit van 17 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 5 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 14 september 2015 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2015. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de enkelvoudige kamer het onderzoek op 17 december 2015 heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting is op 12 mei 2016 behandeld door de meervoudige kamer. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Overwegingen 1. Aan eiser is een boete (met politie-zaaknummer [nummer] ) opgelegd wegens een verkeersovertreding. Eisers gemachtigde heeft op 16 februari 2015 bij de Politie Midden-Nederland verzocht om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op de beschikking met nummer [nummer] , waaronder in elk geval: - de voor en achterzijde van de aankondiging van de beschikking / mini-pv, een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal of een daarop gelijkend document zoals het overzicht zaakgegevens Mulder; - alle aktes en pv’s van beëdiging, alsook het besluit van aanstelling en de eventuele wijzigingsbesluiten van de betrokken opsporingsambtenaren; - de akte opsporingsbevoegdheid van de betrokken opsporingsambtenaren, de documenten die zien op scholing en bekwaamheid, een kopie identiteits- en legitimatiebewijs voor de uitgeoefende functie; - andere documenten waarvan u bekend is dat deze betrekking hebben op de genoemde bestuurlijke aangelegenheid, zoals foto’s of videomateriaal.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van 16 februari 2015 buiten behandeling gesteld op de grond dat, ondanks dat daarom is gevraagd, niet een specifieke machtiging is verstrekt.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat het verzuim om een specifieke, recente en originele machtiging te verstrekken, niet is hersteld en dat om die reden een gebrek aan het bezwaarschrift kleeft.

4. Bij het aanvullende besluit van 14 september 2015 heeft verweerder de motivering van het bestreden besluit gewijzigd door aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar primair ten grondslag te leggen dat de gemachtigde van eiser misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen. Dit geldt ook voor de bevoegdheid om bezwaar te maken. Subsidiair heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat geen originele, recente en specifieke machtiging is overgelegd.

5. De gemachtigde van eiser bestrijdt, voor zover hier van belang, dat hij misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en bezwaar te maken.

6. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

7. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2016:1425, kan ingevolge artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15, van het Burgerlijk Wetboek (BW), de bevoegdheid om bij een bestuursorgaan bezwaar te maken niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bezwaar dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig bezwaar. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

8. Hoewel de indiener van een Wob-verzoek ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wob geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, laat die bepaling onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Omdat misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Verwezen wordt naar de rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3783).

9. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat het door hem ingediende Wob-verzoek twee doelen dient. Zo wil hij de opgevraagde gegevens gebruiken om de aan eiser opgelegde boete te bestrijden en wil hij de gegevens gebruiken om informatie en context te bieden aan eiser. Verder heeft de gemachtigde ter zitting verklaard dat hij de stukken die hij met een Wob-verzoek verkrijgt, niet openbaar maakt.

10. Gelet op deze verklaring stelt de rechtbank vast dat het namens eiser gedane Wob-verzoek in elk geval niet is gedaan met het doel waarvoor de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek is toegekend. De twee door eiser genoemde beweegredenen acht de rechtbank verder weinig aannemelijk. Bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM), bij welke instantie administratief beroep tegen de boete kan worden ingediend, is door de gemachtigde immers gelijktijdig, namelijk op 16 februari 2015, om het zaaksoverzicht met betrekking tot de opgelegde boete verzocht. CVOM heeft bij brief van 2 april 2016 dat zaaksoverzicht aan de gemachtigde van eiser toegestuurd. Het zaaksoverzicht van CVOM bevat nooit minder informatie dan het zaaksoverzicht dat bij de politie berust. Verder acht de rechtbank niet aannemelijk dat met de bij verweerder opgevraagde stukken (zinvolle) informatie en/of context kan worden geboden aan degene aan wie de verkeersboete is opgelegd.

11. De rechtbank neemt ook in aanmerking dat het procesgedrag van de gemachtigde blijk geeft van handelingen waarvan hij geweten moet hebben dat die een tijdige besluitvorming onnodig konden bemoeilijken. Het verzoek is zo geformuleerd dat het voor verweerder niet mogelijk is om er volledig en adequaat op te kunnen beslissen. Onduidelijk is wat wordt bedoeld met ‘documenten die zien op scholing en bekwaamheid’ en met ‘andere documenten waarvan u bekend is dat deze betrekking hebben op de genoemde bestuurlijke aangelegenheid’. De vaagheid van het verzoek doet afbreuk aan de doelen waartoe het beweerdelijk is ingediend en maakt de op het verzoek te nemen besluiten onnodig extra vatbaar voor discussie in bezwaar- en beroepsprocedures. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1585), waarin een gelijkluidend Wob-verzoek aan de orde was.

12. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de gemachtigde van eiser als rechtsbijstandverlener een groot aantal procedures voert en heeft gevoerd betreffende verkeersboetes, informatieverzoeken met een beroep op de Wob en het niet tijdig nemen van besluiten. Hij maakt daarbij veelvuldig gebruik van zeer algemeen geformuleerde machtigingen, zoals hij ook in dit geval heeft gedaan.

13. Verder blijkt uit de door gemachtigde gehanteerde Algemene Voorwaarden en zijn website helpikhebeenboete.nl dat hij op basis van “no cure no pay” rechtsbijstand verleent. Een dergelijke wijze van rechtsbijstandverlening maakt dat de rechtsbijstandverlener rechtstreeks gebaat is bij het verbeuren van dwangsommen door het bestuursorgaan aan zijn cliënt en bij veroordeling van het bestuursorgaan tot betaling van een proceskostenvergoeding aan zijn cliënt. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat gemachtigde veel Wob-procedures voert waarin vaak aanspraak op dwangsommen wordt gemaakt.

14. Bovenstaande feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, brengen de rechtbank tot het oordeel dat gemachtigde de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven, zodanig dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Daarom heeft gemachtigde misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor de bevoegdheid om bezwaar te maken. Deze handelwijze moet aan eiser worden toegerekend, aangezien gemachtigde de handelingen namens eiser heeft verricht en hij hem daartoe heeft gemachtigd.

15. Verweerder heeft daarom terecht in het bestreden besluit het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het beroep ongegrond is. Nu sprake is van misbruik komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de (andere) beroepsgronden.

16. Verweerder heeft de rechtbank verzocht eiser, en indien mogelijk gemachtigde, te veroordelen in de proceskosten in bezwaar en in beroep.

17. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb kan een natuurlijke persoon slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een besluit waarin een bestuursorgaan zich op het standpunt stelt dat betrokkene misbruik maakt van recht, is in beginsel niet kennelijk onredelijk (zie de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1102). Dat is mogelijk anders indien de bestuursrechter op grond van dezelfde of vergelijkbare feiten en omstandigheden reeds eerder heeft aangenomen dat betrokkene misbruik van recht heeft gemaakt.

In dit geval is in deze zaak op 10 juni 2015 beroep ingesteld bij de rechtbank, terwijl de Afdeling daarvoor, namelijk op 27 mei en 28 mei 2015, in twee uitspraken (zie ECLI:NL:RVS:2016:1623 en ECLI:NL:RVS:2015:1630) had geoordeeld dat de gemachtigde in die zaken misbruik van recht heeft gemaakt op grond van deels dezelfde en deels vergelijkbare omstandigheden als die in de onderhavige zaak aan de orde zijn. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een veroordeling van eiser in de proceskosten. Het handelen van de gemachtigde moet ook op dit punt worden toegerekend aan eiser.

18. Over de door verweerder gevraagde vergoeding voor in de bezwaarfase gemaakte kosten overweegt de rechtbank. De gevorderde reiskosten zijn niet toewijsbaar, reeds omdat niet duidelijk is waarvoor reiskosten zijn gemaakt in relatie tot de behandeling van het bezwaar. Verder is de gevraagde vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in bezwaar niet toewijsbaar, omdat deze kosten worden geacht te behoren tot de normale organisatiekosten van verweerder aangezien het de behandeling van een bezwaarschrift betreft. De gevraagde vergoeding voor reiskosten in beroep in verband met de aanwezigheid van de gemachtigden van verweerder ter zitting van 27 oktober 2015 is toewijsbaar op basis van openbaar vervoer tweede klasse, zodoende een bedrag van (€ 13,60 + € 19,60 =) € 33,20.

Verder heeft verweerder ook vergoeding van kosten van rechtsbijstand gevraagd voor de behandeling van het beroep. Verweerder heeft hierover toegelicht dat haar organisatie als gevolg van het handelen van de gemachtigde van eiser wordt belast met onevenredige capacitaire inspanningen. Andere zaken zijn daardoor blijven liggen of zijn noodzakelijkerwijs extern uitbesteed. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat verweerder kosten heeft gemaakt als gevolg van de behandeling van dit beroep en ziet aanleiding aan te sluiten bij de forfaitaire tarieven van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.488,- (1 punt voor het verweerschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 27 oktober 2015 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 12 mei 2016, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Eiser zal in genoemde kosten worden veroordeeld, nu de wet niet de mogelijkheid biedt om de gemachtigde daartoe te veroordelen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt eiser in de proceskosten van verweerder tot een bedrag van € 1.521,20. Deze uitspraak is gedaan door mr.

J.T. Kruis, voorzitter, en mrs. M.A. Broekhuis en R. Hirzalla, leden, in aanwezigheid van mr. H. van Hoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2016. griffier voorzitter Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Afschrift verzonden op:

D: B SB