Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2016:2032 ECLI:NL:RBAMS:2016:2032 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2016:2032 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2016:2032
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 15/4897 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2016 in de zaak tussen [de man] , te Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr. W.G. Fischer), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. E.T. 't Jong). Procesverloop Bij besluit van 17 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een tijdelijke maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen. Bij besluit van 30 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2016:2032 · Rechtbank Amsterdam: Op grond van artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 komt een vreemdeling voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening slechts in aanmerking indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

Keywords

AI generated
commitment to a psychiatric hospital extension of detention deportation deportation despite health issues revocation of refugee status visa for temporary stay adoption leave

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2015:282
Datum uitspraak: 13 februari 2015 13/1349 WWB-V Centrale Raad van Beroep Grote kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2013, 11/2617 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) College van burgemeester en wethouders van Den Helder (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 25 juni 2013 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2015:3415
Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.
ECLI:NL:CRVB:2015:3803
14/4389 WMO, 15/5095 WMO, 14/4382 WMO, 15/5094 WMO, 14/4387 WMO, 15/5093 WMO Datum uitspraak: 26 november 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) van 11 juli 2014, 14/3244, 14/3260, 14/2925, 14/3265 en 14/2961 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellante 1] (appellante 1), [appellante 2] (appellante 2) en [appellante 3] (appellante 3), allen verblijvend te [woonplaats] , (appellanten) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr.
ECLI:NL:CRVB:2015:3834
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2015, 14/4474 (aangevallen uitspraak 1), 14/5856 (aangevallen uitspraak 2), 15/656 (aangevallen uitspraak 3), 14/3887 en 14/5609 (aangevallen uitspraak 4) Partijen: [betrokkene 1] te [woonplaats 1] (betrokkene 1), [betrokkene 2] te [woonplaats 2] (betrokkene 2), [betrokkene 3] te [woonplaats 3] (betrokkene 3), [betrokkene 4] te [woonplaats 3] (betrokkene 4) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens betrokkenen heeft mr.
ECLI:NL:CRVB:2016:622
15/7075 WMO15, 15/7249 WMO15, 15/7264 WMO15, 15/7336 WMO15, 15/7458 WMO15 15/8130 WMO, 15/8132 WMO, 15/8136 WMO, 15/8127 WMO, 16/952 WMO Datum uitspraak: 24 februari 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2015, 15/2577, 15/2583, 15/2887, 15/2983 en 15/2994 (aangevallen uitspraak) Partijen: [betrokkene 1] (betrokkene 1), [betrokkene 2] (betrokkene 2), [betrokkene 3] (betrokkene 3), [betrokkene 4] (betrokkene 4) en [betrokkene 5] (betrokkene 5), allen verblijvend te [woonplaats] , betrokkenen het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens betrokkenen zijn hoger beroepen ingesteld.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 15/4897 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2016 in de zaak tussen [de man] , te Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr. W.G. Fischer), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. E.T. 't Jong). Procesverloop Bij besluit van 17 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een tijdelijke maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen. Bij besluit van 30 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2016. De rechtbank heeft de zaken AMS 15/4826, 15/5026, 15/5856, 15/4870, 15/4897, 15/5086 en 15/5837 gevoegd behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens de overige eisers heeft mr. W.G. Fischer de beroepen toegelicht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. ’t Jong. Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevoegde zaken weer gesplitst.

Overwegingen 1.1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1974, stelt afkomstig te zijn uit Somalië en heeft geen rechtmatig verblijf (meer) in Nederland. Op 4 februari 2015 heeft eiser een melding en aanvraag ingediend om een tijdelijke maatwerkvoorziening. Verweerder heeft het verzoek aangemerkt als een aanvraag om een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015. 1.2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen op 3 april 2015 bezwaar gemaakt. Eiser wordt namelijk sinds 13 april 2015 in een voorziening van verweerder opgevangen, sinds kort aan het [adres] .

Met (een kantoorgenoot van) de gemachtigde van eiser is afgesproken in deze zaak geen hoorzitting te houden, maar de bezwaren uit de hoorzitting van 28 mei 2015 in een soortgelijk geval zo veel mogelijk mee te nemen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan onder meer ten grondslag gelegd dat eiser vanwege zijn verblijfsstatus en gelet op het koppelingsbeginsel op grond van de Wmo 2015 geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening. In het bestreden besluit is verder vermeld dat een bed-bad-broodvoorziening is ingericht en opengesteld, die vrij toegankelijk is voor elke vreemdeling zonder rechtmatig verblijf. Die bed-bad-broodvoorziening is namelijk een algemene voorziening en geen maatwerkvoorziening. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van het Fonds Gevolgen Vreemdelingenwetgeving (FGV).

3. Eiser stelt in beroep – samengevat – dat verweerder ten onrechte de geboden opvang niet in een besluit heeft vastgelegd. Voorts maakt eiser aanspraak op leefgeld bijvoorbeeld op grond van het FGV naar de norm van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva). 4.1. Eiser heeft verder een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht. Eiser heeft daartoe een verklaring omtrent inkomen en vermogen overgelegd. 4.2. Gelet op het voorgaande en gelet op hetgeen de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282) heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden toegewezen. Eiser hoeft in deze procedure geen griffierecht te betalen.

5. Op grond van artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 komt een vreemdeling voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening slechts in aanmerking indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

6. De rechtbank wijst voorts op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 26 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3415, ECLI:NL:CRVB:2015:3803 en ECLI:NL:CRVB:2015:3834). Uit deze uitspraken blijkt dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie verantwoordelijk is voor de opvang van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen en dat, anders dan voorheen, de door gemeenten getroffen specifieke opvangvoorzieningen voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen op wie het koppelingsbeginsel van toepassing is, niet (meer) worden aangemerkt als (maatschappelijke) opvang op grond van de Wmo 2015.

7. De besluitvorming van verweerder berust voor een deel op de Wmo 2015 en voor een deel op de bed-bad-broodvoorziening en het overig beleid van verweerder met betrekking tot vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. De Raad heeft in zijn uitspraak van 24 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:622) overwogen dat, gelet op de hierboven aangehaalde uitspraak ECLI:NL:CRVB:2015:3834, niet hij maar de Afdeling bevoegd is kennis te nemen van hoger beroepen gericht tegen uitspraken die zien op de bed-bad-broodvoorziening en het (overige) gemeentelijke FGV-beleid. Daarom zal de rechtbank de gronden in verband met de Wmo 2015 en de gronden in verband met het beleid van verweerder ten aanzien van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf afzonderlijk beoordelen. Aanspraak op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 8. Omdat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft, kan hij gelet op het voorgaande geen aanspraak maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Daarom was verweerder ook niet gehouden onderzoek te doen naar de noodzaak voor een maatwerkvoorziening.

9. De rechtbank zal het beroep voor zover het betreft de aanspraak op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 dan ook ongegrond verklaren. Aanspraken op grond van het beleid van verweerder 10. Verweerder heeft beleid ontwikkeld voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Er is een bed-bad-broodvoorziening ingericht en opengesteld en er is crisis- en ziekenboegopvang. Voorts kan grond van dit beleid een bepaalde categorie vreemdelingen een uitkering uit het FGV krijgen, te weten vreemdelingen met medische problematiek en juridisch perspectief.

11. Aan eiser wordt sinds 13 april 2015, dus na het maken van bezwaar en voor het nemen van het bestreden besluit, op grond van dit beleid opvang geboden in de crisisopvang. Zoals verweerder ter zitting heeft erkend had het toekennen van deze opvang in een besluit vastgelegd moeten worden. Het bestreden besluit vertoont daarom een gebrek en komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

12. Eiser heeft voorts niet onderbouwd dat hij voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van het FGV. Omdat het een aanvraagsituatie betreft, ligt het op de weg van eiser om zijn aanspraken te onderbouwen. Verweerder heeft daarom terecht besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van het FGV.

13. De rechtbank zal het beroep voor zover het betreft de aanspraken op grond van het beleid van verweerder dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij geen crisisopvang is toegekend. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder het toekennen van crisisopvang moet motiveren. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Proceskosten en griffierecht 14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Ten aanzien van de op de zitting gevoegd behandelde zaken is sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp). Dit heeft tot gevolg dat in de fase van beroep deze zaken ten aanzien van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moeten worden beschouwd als één zaak. De rechtbank verwijst naar het bepaalde in de artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbp.

Gelet op bijlage C2 bij het Bbp is de wegingsfactor 1,5. In beroep komt het bedrag aan proceskosten neer op € 1.488,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1,5). Omdat in deze zaak een vergoeding is toegekend voor het indienen van het beroepschrift wordt in de overige zaken voor deze proceshandeling geen meer vergoeding toegekend. Eiser heeft in deze procedure geen griffierecht betaald, zodat dat niet vergoed hoeft te worden. Beslissing I De rechtbank verklaart het beroep voor zover het betreft aanspraak op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 ongegrond.

Rechtsmiddel I Tegen dit deel van de uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Beslissing II De rechtbank - verklaart het beroep voor zover het betreft de aanspraken op grond van het beleid van verweerder gegrond; vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij op grond van het beleid geen crisisopvang is toegekend; draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.488,-.

Rechtsmiddel II Tegen dit deel van de uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2016. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: