Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBAMS:2015:8543 ECLI:NL:RBAMS:2015:8543 AI generated

ECLI:NL:RBAMS:2015:8543 · Rechtbank Amsterdam

Case Number ECLI:NL:RBAMS:2015:8543
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 15/388 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2015 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , Turkije, eiseres (gemachtigde: mr. A. Kotan), en de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: W. van den Berg). Procesverloop Bij besluit van 28 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder ambtshalve het recht van eiseres op een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) herzien. Bij besluit van 17 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 4:6 van de Awb; ECLI:NL:RBAMS:2015:8543 · Rechtbank Amsterdam: Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder haar recht op een Anw-uitkering met volledige terugwerkende kracht moet herzien. Het had verweerder duidelijk moeten zijn dat de invoering van het woonlandbeginsel in strijd was met artikel 6 van het Besluit 3/80. In dit kader heeft eiseres verwezen naar het advies van de Raad van State van 11 juli 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 32 878, nr. 4), het advies van prof. mr. F.J.L. Pennings van 7 januari 2012, de inbreukprocedure nr. 2013/4121 tegen Nederland, de publicaties van mr.

Keywords

AI generated
non-discrimination on grounds of nationality principle of non-refoulement unreasonableness of expulsion revision of the Treaty revision of asylum decision undue delay in asylum

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht
Weliswaar is hierdoor sprake van schending van het motiveringsbeginsel, maar de rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren.
artikel 4:6 van de Awb
Uit artikel 4:6 van de Awb volgt dat verweerder bevoegd is te volstaan met een verwijzing naar het eerdere besluit, tenzij van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik kan worden gemaakt.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2014:845
13/5274 ANW, 13/5275 ANW, 13/5276 ANW, 13/5277 ANW, 13/5278 ANW, 13/5279 ANW, 13/5280 ANW Datum uitspraak: 21 maart 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2013, 13/1950 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant) [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 7], allen woonachtig in Turkije (betrokkenen) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr.
ECLI:NL:CRVB:2014:1466
13/5281 ANW, 13/5282 ANW, 13/5283 ANW, 13/5284 ANW Datum uitspraak: 9 mei 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2013, 13/1950 e.a. (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant) [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] te Marokko (betrokkenen) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.J. Daalder, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens betrokkenen heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:RBAMS:2013:5315
De bruto nabestaandenuitkering wordt op een zodanig bedrag vastgesteld, dat na aftrek van de gebruikelijke belastingen, premies en kortingen, de netto nabestaandenuitkering gelijk is aan 70% van het netto minimumloon.
ECLI:NL:CRVB:2009:BI1217
07/4536 ANW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats], Turkije (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2007, 06/3451(hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb). Datum uitspraak: 2 april 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N. Türkkol, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2015:1984
13/2122 AOW Datum uitspraak: 12 juni 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 maart 2013, 12/3686 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L.J. de Rijke, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2015. Voor appellant is verschenen mr. De Rijke voornoemd.
ECLI:NL:RBAMS:2015:4634
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 14/8382 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2015 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] ( [woonplaats] ), eiseres (gemachtigde: mr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 15/388 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2015 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , Turkije, eiseres (gemachtigde: mr. A. Kotan), en de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: W. van den Berg). Procesverloop Bij besluit van 28 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder ambtshalve het recht van eiseres op een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) herzien. Bij besluit van 17 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2015. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1. Op 1 juli 2012 is de Wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid in werking getreden. Met deze wet is onder meer artikel 17 van de Anw gewijzigd. Door de wijziging van het derde lid van dat artikel wordt aan rechthebbenden die niet in Nederland, een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of Zwitserland wonen, een uitkering verstrekt ter hoogte van een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het (kort samengevat) in Nederland geldende bedrag aan nabestaandenuitkering.

Voor Turkije is dit percentage voor 2013 vastgesteld op 60%. Dit percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande woonachtig is en dat van Nederland, waarbij dat percentage nooit hoger dan 100% kan zijn. Voor de rechthebbenden die al voor 1 juli 2012 een Anw-uitkering ontvingen, is de ingangsdatum van de wijziging van artikel 17 van de Anw bepaald op 1 januari 2013.

2. Eiseres woont in Turkije en ontving vóór 1 juli 2012 een nabestaandenuitkering op grond van de Anw.

3. Bij besluit van 11 december 2012 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de hoogte van haar Anw-uitkering vanaf 1 januari 2013 wordt aangepast aan het kostenniveau van het woonland. Tegen dit besluit zijn door eiseres geen rechtsmiddelen ingesteld.

4. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in de uitspraak van 21 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:845) geoordeeld dat de vermindering van de nabestaandenuitkering van Anw-gerechtigden die in Turkije wonen en die de uitkering voor 1 juli 2012 ontvingen, in strijd is met artikel 6 van het Besluit 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden (Besluit 3/80). Dit artikel verbiedt dat door – aangepaste – nationale wetgeving uitkeringen op grond van het wonen in Turkije op een lager bedrag worden vastgesteld, aldus de Raad.

5. Bij het primaire besluit heeft verweerder naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 21 maart 2014 en 9 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1466, inzake in Marokko wonende Anw-gerechtigden) ambtshalve zijn eerdere besluit van 11 december 2012 tot toepassing van het woonlandbeginsel herzien. Deze herziening houdt in dat de Anw-uitkering van eiseres vanaf 1 maart 2014 niet meer wordt aangepast aan het kostenniveau van het woonland. Het bedrag dat eiseres vanaf 1 maart 2014 te weinig heeft ontvangen, zal door verweerder worden nabetaald.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hiertoe – kort samengevat – overwogen dat het besluit van 11 december 2012 rechtens onaantastbaar is geworden. De uitspraak van de Raad van 21 maart 2014 is de aanleiding geweest om dit besluit te herzien. Overeenkomstig zijn beleid (SB1076) en gelet op artikel 19, tweede lid, van de Anw heeft verweerder daarom de Anw-uitkering van eiseres vanaf de maand waarin de Raad uitspraak heeft gedaan, dus vanaf 1 maart 2014, herzien. Verweerder heeft geen bijzondere feiten en omstandigheden gezien om van dit uitgangspunt af te wijken. In hetgeen eiseres in bezwaar naar voren heeft gebracht heeft verweerder geen redenen gezien om de nabestaandenuitkering te herzien vanaf 1 januari 2013.

7. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder haar recht op een Anw-uitkering met volledige terugwerkende kracht moet herzien. Het had verweerder duidelijk moeten zijn dat de invoering van het woonlandbeginsel in strijd was met artikel 6 van het Besluit 3/80. In dit kader heeft eiseres verwezen naar het advies van de Raad van State van 11 juli 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 32 878, nr. 4), het advies van prof. mr. F.J.L. Pennings van 7 januari 2012, de inbreukprocedure nr. 2013/4121 tegen Nederland, de publicaties van mr.

A. Durmus in Asiel & Migrantenrecht 2011, nr. 9, en mr. dr. P.E. Minderhoud in Asiel & Migrantenrecht 2013, nr. 9, het Akdas-arrest (C-485/07) en de uitspraak van deze rechtbank van 22 augustus 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:5315). Eiseres is van mening dat het niet voor haar rekening dient te komen dat verweerder ondanks alle signalen star vasthield aan de opvatting dat de toepassing van het woonlandbeginsel niet in strijd was met internationale verdragen. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat in het bestreden besluit niet is ingegaan op haar beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Ten aanzien van dit beroep heeft eiseres aangevoerd dat in het verleden vergelijkbare situaties (de invoeringen van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) en de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (MKOB)) zijn geweest, waarbij de nabetalingen met volledige terugwerkende kracht zijn hersteld. Ook als gerechtigden geen bezwaar of beroep hadden ingesteld. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom in dit geval anders is gehandeld, aldus eiseres.

8. De rechtbank overweegt allereerst dat eiseres terecht heeft gesteld dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op het door haar al in bezwaar aangevoerde beroep op het gelijkheidsbeginsel. Weliswaar is hierdoor sprake van schending van het motiveringsbeginsel, maar de rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Niet is gebleken dat eiseres hierdoor is benadeeld, nu dit niet haar enige grond was om beroep in te stellen en verweerder ter zitting alsnog een motivering ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gegeven.

9. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de Anw wordt de nabestaandenuitkering bij wijziging van het inkomen herzien. Deze herziening gaat in op de eerste dag van de maand waarin de wijziging zich voordoet. Op grond van artikel 19, tweede lid, van de Anw gaat die herziening in met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de wijziging zich voordoet, indien wijziging van andere omstandigheden dan wijziging van het inkomen leidt tot een lagere uitkering. Indien dit leidt tot een hogere uitkering, gaat die herziening in op de dag, bedoeld in het eerste lid.

10. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 11 december 2012 in rechte onaantastbaar is. Hetgeen eiseres ten aanzien van dat besluit heeft aangevoerd, wat daar ook van zij, kan in deze procedure niet aan de orde komen en valt buiten de omvang van het geding. Die gronden behoeven dan ook geen bespreking.

11. Vooropgesteld moet worden dat er geen rechtsregel of –norm valt aan te wijzen die verweerder verplicht om ambtshalve een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden, besluit met volledige terugwerkende kracht te herzien. Het door verweerder gevoerde beleid bij het terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit ten voordele van de belanghebbende (SB1076), kent een dergelijke norm evenmin.

12. Namens eiseres is niet gesteld dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan verweerder van het besluit van 11 december 2012 had moeten terugkomen. In dit verband merkt de rechtbank op dat het vaste rechtspraak is dat rechterlijke uitspraken op zichzelf geen grond vormen voor het doorbreken van een rechtens onaantastbaar besluit waartegen niet (tijdig) in rechte is opgekomen. In het bestreden besluit heeft verweerder een uiteenzetting gegeven van zijn beleid inzake het terugkomen van een eerder, onherroepelijk geworden, besluit.

Uit artikel 4:6 van de Awb volgt dat verweerder bevoegd is te volstaan met een verwijzing naar het eerdere besluit, tenzij van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik kan worden gemaakt. In dat laatste geval hanteert verweerder als beleid dat hij zich in redelijkheid gehouden acht terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit indien dit besluit onmiskenbaar onjuist moet worden geacht. Dit beleid is door de Raad, onder meer in de uitspraak van 2 april 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI1217), in zijn rechtspraak aanvaard. In voornoemd beleid wordt ten aanzien van de te hanteren terugwerkende kracht een aantal gevallen onderscheiden.

Zo kan de onjuistheid van het besluit het gevolg zijn van een fout van verweerder. Daarvan is sprake als verweerder op basis van de gegevens die ten tijde van de toekenning beschikbaar waren of die bij een normaal onderzoek van verweerder beschikbaar zouden zijn geweest, de uitkering correct had kunnen vaststellen aan de hand van de toen geldende wetgeving en beleidsregels en de belanghebbende alle relevante informatie tijdig heeft verstrekt. Voorts kan een besluit op enig moment onjuist worden geacht als gevolg van een wijziging van het beleid van verweerder ten gunste van belanghebbenden.

In zo’n geval beslist verweerder per categorie van gevallen of, en zo ja met welke terugwerkende kracht, uitkeringen moeten worden herzien. Als het nieuwe beleid is gebaseerd op een rechterlijke uitspraak dan zal de beleidswijziging in het algemeen ingaan op de datum van de uitspraak. Herziening zal plaatsvinden met terugwerkende kracht van ten hoogste één jaar. In bijzondere gevallen kan de uitkering met een langere terugwerkende kracht worden herzien, maar ook dan tot ten hoogste de ingangsdatum van het nieuwe beleid dan wel de datum van de rechterlijke uitspraak.

13. Nu geen rechtsregel of –norm valt aan te wijzen die verweerder verplicht om ambtshalve een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden, besluit met volledige terugwerkende kracht te herzien en verweerder een geval als hier aan de orde beoordeelt aan de hand van de hiervoor (verkort) weergegeven uitgangspunten, ziet de rechtbank zich – zoals ook de Raad heeft gedaan in de uitspraak van 12 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1984) – voor de vraag gesteld of verweerder in strijd met deze uitgangspunten heeft gehandeld. In de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om die vraag bevestigend te beantwoorden.

14. De rechtbank stelt vast dat in dit geval de grond om terug te komen van het besluit van 11 december 2012 is gelegen in de uitspraak van de Raad van 21 maart 2014 in samenhang met het eerder genoemde beleid van verweerder. Omdat de toepasselijke wetgeving naar aanleiding van de uitspraak van de Raad niet is gewijzigd, heeft verweerder wetsinterpreterend beleid gemaakt door voor bepaalde groepen betrokkenen, waaronder de in Turkije wonende Anw-gerechtigden, de besluiten tot toepassing van het woonlandbeginsel te herzien per 1 maart 2014. Gezien voornoemde omstandigheden is eiseres in elk geval niet benadeeld met 1 maart 2014 als ingangsdatum van het buiten toepassing laten van het woonlandbeginsel.

15. Ten aanzien van het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel heeft verweerder zich ter zitting gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gelijke gevallen. Verweerder heeft toegelicht dat de vergelijking met MKOB-zaken niet opgaat, omdat de tegemoetkoming op basis van een nieuwe regeling alsnog aan de betrokkenen is uitbetaald. In het onderhavige geval is geen sprake van een nieuwe regeling. Voor wat betreft de vergelijking met Wet BEU-zaken heeft verweerder, aldus zo begrijpt de rechtbank hem, toegelicht dat in de toeslagzaken een ander bestuursorgaan – namelijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) – alsnog volledig is teruggekomen op eerdere besluiten.

Het is mogelijk dat het Uwv dit op basis van zijn beleid heeft gedaan, maar verweerder is niet gehouden dit ook te doen omdat hij zijn eigen beleid heeft inzake het terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder ten volle. Voor zover eiseres ook nog heeft bedoeld te stellen dat geen onderscheid mag worden gemaakt tussen betrokkenen die wel en betrokkenen die geen rechtsmiddelen hebben ingediend, sluit de rechtbank zich aan bij het oordeel daarover in de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 2 juli 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:4634).

In die uitspraak is geoordeeld dat geen sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid tussen die betrokkenen. Er is immers sprake van een juridisch relevant verschil. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Raad van 24 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2474). Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dan ook niet.

16. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Broekhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. van Breenen-van der Zee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2015. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.