Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBALM:2007:BA5343 ECLI:NL:RBALM:2007:BA5343 AI generated

ECLI:NL:RBALM:2007:BA5343 · Rechtbank Almelo

Case Number ECLI:NL:RBALM:2007:BA5343
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ALMELO STRAFVONNIS (schriftelijk vonnis PR) Parketnummer: 08/800304-07 Uitspraak 14 mei 2007 De politierechter in de Rechtbank te Almelo, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen: [verdachte], geboren te [plaats] op [datum] 1987, wonende te [plaats en adres], terechtstaande terzake dat: zij in of omstreeks de periode van 06 maart 2007 tot en met 10 maart 2007, te Hoge-Hexel, in de gemeente Wierden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een konijnenhok, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Legislator headnote

AI generated

art. 126i Sv, art. 359a Sv, art. 6 EVRM, art. 24 Sr, art. 310 Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBALM:2007:BA5343 · Rechtbank Almelo: Niettemin, ook al leidt de (verdenking van) diefstal van een konijnenhok hoogst waarschijnlijk niet tot een geschokte rechtsorde doch veeleer slechts tot een geringe rimpeling daarvan, dan zal nog steeds getoetst dienen te worden aan het strafprocesrecht, met name het bepaalde in art. 359a Sv. De politierechter zal dit doen aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in zijn arrest van 30 maart 2004, NJ 376 (nt. Buruma). Niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie lijkt dan een te vergaande reactie nu er geen sprake lijkt te zijn van niet-naleving van de specifiek onder art. 6 EVRM vallende rechten & vrijheden.

Keywords

AI generated
art. 126i Sv art. 359a Sv art. 6 EVRM art. 24 Sr art. 310 Wetboek van Strafrecht

Cited Legislation

AI generated
art. 126i Sv
Echter uit het proces-verbaal blijkt niet dat aan de vereisten van die bepaling is voldaan (derde lid van art. 126i Sv).
art. 359a Sv
Niettemin, ook al leidt de (verdenking van) diefstal van een konijnenhok hoogst waarschijnlijk niet tot een geschokte rechtsorde doch veeleer slechts tot een geringe rimpeling daarvan, dan zal nog steeds getoetst dienen te worden aan het strafprocesrecht, met name het bepaalde in art. 359a Sv.
art. 6 EVRM
Niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie lijkt dan een te vergaande reactie nu er geen sprake lijkt te zijn van niet-naleving van de specifiek onder art. 6 EVRM vallende rechten & vrijheden.
art. 24 Sr
359a Sv doch uit art. 24 Sr.
art. 310 Wetboek van Strafrecht
Het bewezene levert op: het misdrijf: "diefstal", strafbaar gesteld bij art. 310 Wetboek van Strafrecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ALMELO STRAFVONNIS (schriftelijk vonnis PR) Parketnummer: 08/800304-07 Uitspraak 14 mei 2007 De politierechter in de Rechtbank te Almelo, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen: [verdachte], geboren te [plaats] op [datum] 1987, wonende te [plaats en adres], terechtstaande terzake dat: zij in of omstreeks de periode van 06 maart 2007 tot en met 10 maart 2007, te Hoge-Hexel, in de gemeente Wierden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een konijnenhok, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Gezien de stukken; Gelet op het onderzoek ter terechtzitting; Gelet op het tegen verdachte verleende verstek; Gehoord de vordering van de officier van justitie. Ambtshalve overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie. In het door J. Goossen & E. G. J. Wolters, respectievelijk adspirant & brigadier van politie opgemaakte proces-verbaal blijkt uit de paragraaf “nader onderzoek” zoals gerelateerd op blz. 3 van dat proces-verbaal dat adspirant Goossen telefonisch contact heeft opgenomen . Die verbalisant heeft “…toen met een persoon die zich opgaf te zijn genaamd “Manon” een afspraak gemaakt om het konijnenhok te bekijken & eventueel te kopen.” Een dergelijke handelwijze kan slechts worden gekwalificeerd als een “pseudokoop” zoals geregeld in artikel 126 i Sv.

Echter uit het proces-verbaal blijkt niet dat aan de vereisten van die bepaling is voldaan (derde lid van art. 126i Sv). Noch de verbalisanten, noch de team-chef die het proces-verbaal voor “gezien” heeft getekend, noch de parketsecretaris met wie overleg is gevoerd, noch de officier van justitie ter zitting hebben blijk gegeven het strafvorderlijk kader van deze opsporingstactiek te onderkennen. Welke consequenties dienen te worden verbonden aan dit vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek ? Om te beginnen wordt opgemerkt dat de verdachte - die één keer door de politie is gehoord & ter zitting verstek heeft laten gaan - geen opmerkingen heeft gemaakt over de handelwijze van de opsporingsambtenaren.

Niettemin, ook al leidt de (verdenking van) diefstal van een konijnenhok hoogst waarschijnlijk niet tot een geschokte rechtsorde doch veeleer slechts tot een geringe rimpeling daarvan, dan zal nog steeds getoetst dienen te worden aan het strafprocesrecht, met name het bepaalde in art. 359a Sv. De politierechter zal dit doen aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in zijn arrest van 30 maart 2004, NJ 376 (nt. Buruma). Niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie lijkt dan een te vergaande reactie nu er geen sprake lijkt te zijn van niet-naleving van de specifiek onder art. 6 EVRM vallende rechten & vrijheden.

Ook voor bewijsuitsluiting ziet de politierechter geen aanleiding. Weliswaar acht de politierechter hier een “illegale pseudokoop” aan de orde, doch dit lijkt niet de pseudokoop die de wetgever voor ogen stond daar in de MvT par. 3.4 wordt gesproken over “…de risico’s die hieraan zijn verbonden & de inbreuk op de rechtsorde die met deze bevoegdheid gepaard kan gaan” (het citaat is ontleend aan een vonnis van de politierechter te Groningen van 13 april 2006, LJN : AW1838). Wel zal de politierechter een iets lagere straf opleggen dan gevorderd, doch dit vloeit niet voort uit art. 359a Sv doch uit art. 24 Sr.

Ten slotte merkt de politierechter nog op dat het verweer van de verdachte “ (ik heb) gedacht dat ik dat konijnenhok wel mee mocht nemen”, waarmee zij het litigieuze konijnenhok als een res nullius dan wel res derelicta lijkt aan te merken, faalt nu het slechts een speculatie van de verdachte betreft & niet het resultaat van enig onderzoek naar de eigendomssituatie van dat hok. De politierechter is door de inhoud van de bewijsmiddelen, waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij in de periode van 06 maart 2007 tot en met 10 maart 2007, te Hoge-Hexel, in de gemeente Wierden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een konijnenhok, toebehorende aan [benadeelde];

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden. De politierechter acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het bewezene levert op: het misdrijf: "diefstal", strafbaar gesteld bij art. 310 Wetboek van Strafrecht. De verdachte is deswege strafbaar aangezien van geen haar strafbaarheid uitsluitende omstandigheid is gebleken. De politierechter overweegt voor wat de straf betreft, dat op grond van de aard van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de hoogte van het vanwege het openbaar ministerie aangeboden transactiebedrag, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals hierna zal worden bepaald.

De na te noemen straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 23, 24 en 24 c van het Wetboek van Strafrecht. R E C H T D O E N D E: Verklaart bewezen, dat het tenlastegelegde in voege als boven omschreven door verdachte is begaan; Verstaat, dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven vermeld; Verklaart verdachte deswege strafbaar; Veroordeelt haar daarvoor tot een geldboete van EUR 130,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis. Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Aldus gewezen door Mr. Bloebaum, politierechter, in tegenwoordigheid van Endlich, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in de Rechtbank voornoemd, op 14 mei 2007.