Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBALK:2011:BU5174 ECLI:NL:RBALK:2011:BU5174 AI generated

ECLI:NL:RBALK:2011:BU5174 · Rechtbank Alkmaar

Case Number ECLI:NL:RBALK:2011:BU5174
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Eiser(es) heeft werkzaamheden voor gedaagde verricht, een en ander zoals vermeld op de destijds aan gedaagde toegezonden rekeningen(en), verklarende eiser(es) zich bereid op eerste verzoek afschrift van deze rekening(en) in het geding te brengen. Eiser(es) heeft uit dien hoofde opeisbaar van gedaagde te vorderen gekregen een bedrag van € 2.372,59.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBALK:2011:BU5174 · Rechtbank Alkmaar: Eiser(es) heeft uit hoofde het hiervoor omschreven van gedaagde te vorderen gekregen € 2.372,69 van welke bedrag een overzicht aan deze dagvaarding is gehecht (PRODUCTIE 1).” Productie 1 vermeldt: Datum Omschrijving bedrag 02-12-2010 201038800182/TEVEEL ONTVANGEN SALARIS 2010// € 2.372,69 “ Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 111 tweede lid onder d. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de dagvaarding onder meer de gronden van de eis te bevatten. Uit hetgeen eiser – uiterst summier – als grondslag heeft gesteld maakt de kantonrechter op dat eiser nakoming verlangt van een overeenkomst waarbij eiser werkzaamheden heeft verricht.

Keywords

AI generated
hardship exception complexity of proceedings insufficiently substantiated grievance irreparable harm extraordinary plea of nullity question of fundamental importance
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ALKMAAR Sector Kanton - locatie Alkmaar Zaaknr/rolnr.: 379409 \ CV EXPL 11-4814 WG Uitspraakdatum: 26 oktober 2011 Vonnis in de zaak van: de Staat der Nederlanden, meer in het bijzonder het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zetelend te ‘s-Gravenhage eiser gemachtigde: Van Arkel gerechtsdeurwaarders te Leiden tegen [naam] te [plaats] gedaagde in persoon procederende. Motivering Eiser – de Staat der Nederlanden - vordert bij dagvaarding van 16 augustus 2011 dat gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 2.372,69 te vermeerderen met rente en kosten. Naast de gebruikelijke tekstblokken met betrekking tot formele vereisten en buitengerechtelijk incassokosten stelt eiser slechts: “Eisende partij legt aan haar vordering het volgende ten grondslag:

1. Eiser(es) heeft werkzaamheden voor gedaagde verricht, een en ander zoals vermeld op de destijds aan gedaagde toegezonden rekeningen(en), verklarende eiser(es) zich bereid op eerste verzoek afschrift van deze rekening(en) in het geding te brengen. Eiser(es) heeft uit dien hoofde opeisbaar van gedaagde te vorderen gekregen een bedrag van € 2.372,59.

2. Eiser(es) heeft uit hoofde het hiervoor omschreven van gedaagde te vorderen gekregen € 2.372,69 van welke bedrag een overzicht aan deze dagvaarding is gehecht (PRODUCTIE 1).” Productie 1 vermeldt: Datum Omschrijving bedrag 02-12-2010 201038800182/TEVEEL ONTVANGEN SALARIS 2010// € 2.372,69 “ Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 111 tweede lid onder d. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de dagvaarding onder meer de gronden van de eis te bevatten. Uit hetgeen eiser – uiterst summier – als grondslag heeft gesteld maakt de kantonrechter op dat eiser nakoming verlangt van een overeenkomst waarbij eiser werkzaamheden heeft verricht.

Dit valt niet te rijmen met de omschrijving “teveel ontvangen salaris”. Geconcludeerd moet worden dat eiser geen dan wel een volstrekt onduidelijk, tegenstrijdige grondslag heeft gesteld, welk gebrek op grond van artikel 120 eerste lid Rv met nietigheid is bedreigd. Er is geen reden om eiser toe te laten dit gebrek te herstellen. Beslissing Verklaart de dagvaarding nietig. Veroordeelt eiser in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde gevallen en tot en met deze uitspraak begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. L. van der Heijden, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2011.

De griffier De kantonrechter