Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2026:722 ECLI:NL:PHR:2026:722 AI generated

ECLI:NL:PHR:2026:722 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2026:722
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 26/02043 Zitting 10 juli 2026 CONCLUSIE M.H. Wissink In de zaak 1. [verzoekster 1] 2. Ogim B.V. tegen Samenbinding B.V. 1Feiten en procesverloop 1.1 Bij vonnis van 17 februari 2026, zaaknummer C/16/26/79 F, heeft de rechtbank Midden-Nederland, op verzoek van Samenbinding B.V., Ogim B.V. in staat van faillissement verklaard. 1.2 Ogim B.V. heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Bij arrest van 19 mei 2026, zaaknummer 200.365.422, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. 1.3 Op 27 mei 2026 heeft [verzoekster 1] namens Ogim B.V. beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof door indiening in het Portaal van de Hoge Raad van een op 26 mei 2026 gedateerd verzoekschrift tot cassatie. [verzoekster 1] is indirect bestuurder van Ogim B.V. 1.4 Op 28 mei 2026 is door de griffie aan [verzoekster 1] medegedeeld dat een civiel cassatieberoep door tussenkomst van een cassatieadvocaat per procesinleiding dient te worden ingediend in het Portaal van de Hoge Raad.

Legislator headnote

AI generated

art. 426a lid 1 Rv, art. 6 EVRM; ECLI:NL:PHR:2026:722 · Parket bij de Hoge Raad: Rv) volgt dat het beroep in cassatie wordt ingesteld bij een procesinleiding die wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. 2.3 Het verzoekschrift dat op 27 mei 2026 door de griffie van de Hoge Raad is ontvangen, is niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Er is geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid om dit verzuim binnen twee weken te herstellen. 2.4 Nu de procesinleiding niet, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv, is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en dit verzuim niet binnen de geboden termijn is hersteld, dienen verzoeksters in hun beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Keywords

AI generated
art. 426a lid 1 Rv art. 6 EVRM

Cited Legislation

AI generated
art. 426a lid 1 Rv
2.4 Nu de procesinleiding niet, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv, is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en dit verzuim niet binnen de geboden termijn is hersteld, dienen verzoeksters in hun beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
art. 6 EVRM
426a lid 1 Rv, dat cassatieberoep wordt ingesteld door middel van een procesinleiding die wordt ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, is niet in strijd met art. 6 EVRM.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2025:1725
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 25/02805 Datum 21 november 2025 BESCHIKKING In de zaak van [verzoekster], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, hierna: verzoekster, tegen [verweerder], wonende te [woonplaats]. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de beschikking in de zaak C/15/336672 / FA RK 23-651 van de rechtbank Noord-Holland van 20 maart 2024; b. de beschikking in de zaak 200.342.599/01 van het gerechtshof Amsterdam van 17 december 2024. Verzoekster heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.
ECLI:NL:HR:2022:1605
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 22/01659 Datum 11 november 2022 BESCHIKKING In de zaak van [verzoeker] ,wonende te [woonplaats] , VERZOEKER tot cassatie, hierna: [verzoeker], tegen NAUTA DUTILH N.V.,gevestigd te Rotterdam. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: de beschikking in de zaak C/10/591473 / HA RK 20-144 van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2020; de beschikking in de zaak 200.290.360/01 van het gerechtshof Den Haag van 14 december 2021. [verzoeker] heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
ECLI:NL:HR:2022:1540
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 22/01946 Datum 21 oktober 2022 BESCHIKKING In de zaak van [verzoekster],wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, hierna: verzoekster, tegen [de bewindvoerder] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats]. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: de beschikking in de zaak 8875444 \ MP VERZ 20-1862 van de kantonrechter te Zutphen van 1 april 2021; de beschikking in de zaak 200.296.285 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 januari 2022.
ECLI:NL:HR:2001:AD4497
De verzoeken Met een op 27 augustus 2001 ter griffie van de Hoge Raad ingediend verzoekschrift heeft verzoeker - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot de Hoge Raad.
ECLI:NL:HR:1992:ZC0736
HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0736, NJ 1993/3, rov.
NJ 1993/3
HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0736, NJ 1993/3, rov.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 26/02043 Zitting 10 juli 2026 CONCLUSIE M.H. Wissink In de zaak 1. [verzoekster 1] 2. Ogim B.V. tegen Samenbinding B.V. 1Feiten en procesverloop 1.1 Bij vonnis van 17 februari 2026, zaaknummer C/16/26/79 F, heeft de rechtbank Midden-Nederland, op verzoek van Samenbinding B.V., Ogim B.V. in staat van faillissement verklaard. 1.2 Ogim B.V. heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Bij arrest van 19 mei 2026, zaaknummer 200.365.422, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. 1.3 Op 27 mei 2026 heeft [verzoekster 1] namens Ogim B.V. beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof door indiening in het Portaal van de Hoge Raad van een op 26 mei 2026 gedateerd verzoekschrift tot cassatie. [verzoekster 1] is indirect bestuurder van Ogim B.V. 1.4 Op 28 mei 2026 is door de griffie aan [verzoekster 1] medegedeeld dat een civiel cassatieberoep door tussenkomst van een cassatieadvocaat per procesinleiding dient te worden ingediend in het Portaal van de Hoge Raad.

Daarbij is vermeld dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een partij die zonder procesvertegenwoordiging door een cassatieadvocaat in een civiele zaak cassatieberoep instelt, in dat beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Verder is bericht dat het gebrek (indiening zonder tussenkomst cassatieadvocaat) kan worden hersteld door het verzoek tot cassatie binnen twee weken na binnenkomst op de griffie alsnog door een cassatieadvocaat via het Portaal van de Hoge Raad te laten indienen (uiterlijk op 10 juni 2026). 1.5 Op 8 juni 2026 heeft [verzoekster 1] uitstel verzocht tot 22 juni 2026 op de grond dat zij op zoek moet naar een andere advocaat.

De griffie heeft diezelfde dag geantwoord dat uitstel van de termijn voor herstel niet mogelijk is. 1.6 Op 11 juni 2026 heeft [verzoekster 1], in antwoord op een vraag van de griffie van de Hoge Raad, bericht de zaak te willen voortzetten. 2De ontvankelijkheid van het cassatieberoep 2.1 Met het oog op de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in verband met de indiening van de procesinleiding zonder tussenkomst van een cassatieadvocaat worden [verzoekster 1] en Ogim B.V. hierna gezamenlijk aangeduid als verzoeksters. 2.2 Uit art. 12 lid 2 Faillissementswet in verbinding met art. 426a lid 1 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna:

Rv) volgt dat het beroep in cassatie wordt ingesteld bij een procesinleiding die wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. 2.3 Het verzoekschrift dat op 27 mei 2026 door de griffie van de Hoge Raad is ontvangen, is niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Er is geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid om dit verzuim binnen twee weken te herstellen. 2.4 Nu de procesinleiding niet, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv, is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en dit verzuim niet binnen de geboden termijn is hersteld, dienen verzoeksters in hun beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Dat de persoon die zelf het cassatieberoep heeft ingesteld niet erin is geslaagd tijdig een advocaat bij de Hoge Raad bereid te vinden de procesinleiding te ondertekenen en in te dienen, maakt dit niet anders. Het vereiste van art. 426a lid 1 Rv, dat cassatieberoep wordt ingesteld door middel van een procesinleiding die wordt ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, is niet in strijd met art. 6 EVRM. 2.5 Gelet op het voorgaande dienen verzoeksters niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun cassatieberoep. 3Conclusie De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeksters in hun cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Plv. Zie rov 1.2 van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Vgl. HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1725, rov. 2; HR 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1605, rov. 2; HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1540, rov. 2; HR 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4497, rov. 3.2. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0736, NJ 1993/3, rov. 3 overwoog: “Volgens het in deze zaak toepasselijke art. 426a lid 1 Rv wordt het beroep in cassatie aangebracht bij een verzoekschrift, dat wordt getekend en ingediend door een advocaat bij de Hoge Raad.

Dit voorschrift is, anders dan [verzoeker] klaarblijkelijk meent, niet in strijd met art. 6 EVRM (EHRM 9 okt. 1979, Serie A no. 32, Airey, par. 26; EHRM 24 nov. 1986, Serie A no. 109, Gillow, par. 69; EHRM 27 aug. 1991, Serie A no. 209, Philis, par. 59).”. Zie voorts punt 3.7 van de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2022:902) voor HR 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1605.