Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2026:688 ECLI:NL:PHR:2026:688 AI generated

ECLI:NL:PHR:2026:688 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2026:688
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00022 B Zitting 7 juli 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [klaagster] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, hierna: de klaagster. 1Inleiding 1.1 De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (RK 24/021983), heeft bij beschikking van 11 december 2024 het klaagschrift van klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het klassiek beslag ex art. 94 Sv op twee schilderijen en tot een teruggave aan klaagster, ongegrond verklaard. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en J.H.

Legislator headnote

AI generated

art. 552a Sv, art. 94 Sv, artikel 116 Wetboek van Strafvordering, artikel 3:86 BW, artikel 3:86 lid 3 BW; ECLI:NL:PHR:2026:688 · Parket bij de Hoge Raad: Het recht van belanghebbende [betrokkene 1] blijft in deze dus het sterkere recht. Conclusie Het voorgaande heeft als gevolg dat klaagster niet als rechthebbende van de inbeslaggenomen schilderijen kan worden beschouwd. Daarom moet het klaagschrift ongegrond worden verklaard.

Keywords

AI generated
art. 552a Sv art. 94 Sv artikel 116 Wetboek van Strafvordering artikel 3:86 BW artikel 3:86 lid 3 BW

Cited Legislation

AI generated
art. 552a Sv
1Inleiding 1.1 De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (RK 24/021983), heeft bij beschikking van 11 december 2024 het klaagschrift van klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het klassiek beslag ex art.
art. 94 Sv
552a Sv, strekkende tot opheffing van het klassiek beslag ex art. 94 Sv op twee schilderijen en tot een teruggave aan klaagster, ongegrond verklaard.
artikel 116 Wetboek van Strafvordering
In een geval als het onderhavige stelt artikel 116 Wetboek van Strafvordering dat inbeslaggenomen goederen teruggegeven dienen te worden aan beslagene of aan de redelijkerwijs rechthebbende.
artikel 3:86 BW
Voor beoordeling van de onderhavige zaak is artikel 3:86 BW van belang.
artikel 3:86 lid 3 BW

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2012:BT8757
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. C. Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep. 1.2. De raadsvrouwe heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
ECLI:NL:HR:2012:BW8723
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal Knigge heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van het beroep. 1.2. De raadsman van de verdachte heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
ECLI:NL:HR:2018:2156
20 november 2018 Strafkamer nr.
ECLI:NL:PHR:2018:1305
2.2-2.3 en HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2156, alsmede de aan laatstgenoemde uitspraak voorafgaande conclusie van AG Knigge, ECLI:NL:PHR:2018:1305, meer in het bijzonder randnummer 4.2.
ECLI:NL:HR:2011:BQ8215
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. A.J. Fontijn, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
ECLI:NL:HR:2011:BQ8216
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. A.J. Fontijn, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00022 B Zitting 7 juli 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [klaagster] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, hierna: de klaagster. 1Inleiding 1.1 De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (RK 24/021983), heeft bij beschikking van 11 december 2024 het klaagschrift van klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het klassiek beslag ex art. 94 Sv op twee schilderijen en tot een teruggave aan klaagster, ongegrond verklaard. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en J.H.

Tonino, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2Het procesverloop 2.1 Op grond van de gedingstukken kan van het volgende worden uitgegaan. 2.2 Op 28 juni 2024 zijn op grond van art. 94 Sv twee schilderijen in beslag genomen. 2.3 De klaagster heeft op 4 september 2024 een klaagschrift ingediend bij de rechtbank strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave van de in beslag genomen schilderijen aan klaagster. Op 10 oktober 2024 heeft vervolgens ook [betrokkene 1] een klaagschrift ingediend. In dit klaagschrift wordt eveneens verzocht om opheffing van het beslag en tot teruggave van de in beslag genomen schilderijen. 2.4 Op de zitting van 11 december 2024 zijn beide klaagschriften gelijktijdig, maar niet gevoegd door de rechtbank in openbare raadkamer behandeld. 2.5 Het beklag van klaagster is door de rechtbank ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in dat verband het volgende overwogen: “Overwegingen In 1998 zijn van [klaagster] meerdere schilderijen gestolen, waaronder beide inbeslaggenomen schilderijen. In 2012 heeft belanghebbende [betrokkene 1] beide schilderijen gekocht op een veiling en van een zekere [betrokkene 2] . [betrokkene 1] wilde de schilderijen dit jaar zelf weer verkopen via [A] waar de schilderijen werden opgemerkt door een kenner. [klaagster] is hiervan in kennis gesteld. Vervolgens heeft [klaagster] een en ander kenbaar gemaakt bij de politie, waarna er strafvorderlijk beslag is gelegd op de schilderijen.

Belanghebbende [betrokkene 1] stelt dat hij de schilderijen ooit te goeder trouw heeft gekocht op een veiling, hij derhalve eigenaar is geworden en dat [klaagster] geen revindicatierecht (meer) heeft. In een geval als het onderhavige stelt artikel 116 Wetboek van Strafvordering dat inbeslaggenomen goederen teruggegeven dienen te worden aan beslagene of aan de redelijkerwijs rechthebbende. Voor beoordeling van de onderhavige zaak is artikel 3:86 BW van belang. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.

Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van de diefstal, als zijn eigendom opeisen, tenzij, de verkrijger als natuurlijke persoon, heeft gekocht van een persoon die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken, anders dan als veilinghouder, zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte. Om te kunnen vaststellen wie als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt, is artikel 3:86 eerste lid BW in dit geval van doorslaggevend belang nu het eventuele revindicatierecht van de oorspronkelijke eigenaar, in dit geval [klaagster] , op grond van artikel 3:86 lid 3 BW na het verstrijken van de periode van drie jaar na de diefstal niet meer ingeroepen kan worden, wat er overigens ook zij van de omstandigheden waaronder belanghebbende [betrokkene 1] als de latere verkrijger de litigieuze schilderijen heeft verkregen.

Het recht van belanghebbende [betrokkene 1] blijft in deze dus het sterkere recht. Conclusie Het voorgaande heeft als gevolg dat klaagster niet als rechthebbende van de inbeslaggenomen schilderijen kan worden beschouwd. Daarom moet het klaagschrift ongegrond worden verklaard.

5De beslissing

De raadkamer verklaart het klaagschrift ongegrond.” 2.6 Uit de door mij bij de rechtbank opgevraagde beschikking van (eveneens) 11 december 2024 blijkt dat de rechtbank het klaagschrift van belanghebbende [betrokkene 1] gegrond heeft verklaard en aan hem de teruggave van de twee schilderijen heeft gelast. Uit namens mij ingewonnen inlichtingen blijkt dat de daadwerkelijke teruggave nog niet heeft plaatsgevonden en de schilderijen bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ) zijn gedeponeerd. 3Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 3.1 Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank ten aanzien van de schilderijen op 11 december 2024 twee beschikkingen heeft gewezen;

één in de zaak van de klaagster en één in de zaak van [betrokkene 1] . Nu ten aanzien van de in beslag genomen schilderijen sprake is van een onherroepelijke beschikking waarin de teruggave daarvan is gelast, kan de klaagster bij gebrek aan belang niet in het cassatieberoep worden ontvangen. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt immers dat een onherroepelijke beschikking waarin de teruggave van een in beslag genomen voorwerp is gelast, ertoe leidt dat het beslag op dat voorwerp is beëindigd. De klaagster heeft dan ook geen belang bij vernietiging van de bestreden beschikking, nu de beklagrechter naar wie de zaak zou worden verwezen of teruggewezen vanwege het eindigen van het beslag enkel tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster kan komen. 3.2 Ik wijs er hier op dat de Hoge Raad over situaties als de onderhavige op 27 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BT8757) het volgende heeft opgemerkt:

“2.4. Opmerking verdient nog het volgende. Het gaat in het onderhavige geval om een zaak waarin door verschillende partijen afzonderlijk klaagschriften zijn ingediend die betrekking hebben op hetzelfde inbeslaggenomen voorwerp. Voor een evenwichtige en doelmatige afdoening van zulke zaken verdient het aanbeveling dat de rechter - wanneer dat redelijkerwijs mogelijk is - bevordert dat dergelijke klaagschriften gevoegd worden behandeld en vervolgens in één beschikking worden beoordeeld, zodat een daartegen gericht beroep ook de beslissing kan betreffen ten aanzien van de andere klager.” Alleen als op deze wijze wordt gehandeld kan door de klagers tegen het oordeel van de rechtbank op beide klaagschriften in cassatie worden opgekomen. 4Slotsom Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Ik merk in dat verband op dat uit de kennisgeving van inbeslagneming volgt dat [betrokkene 3] als beslagene is aangemerkt. [betrokkene 4] is werkzaam voor het veilinghuis dat de hier centraal staande schilderijen moest verkopen. Verder volgt uit deze kennisgeving dat [betrokkene 1] als eigenaar van beide schilderijen is aangemerkt. In een tevens tot de stukken behorend mutatierapport staan zowel [betrokkene 4] als [betrokkene 1] als beslagene vermeld. HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8723, rov. 2.2-2.3 en HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2156, alsmede de aan laatstgenoemde uitspraak voorafgaande conclusie van AG Knigge, ECLI:NL:PHR:2018:1305, meer in het bijzonder randnummer 4.2.

Zie o.a. HR 6 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8215, rov. 2.2-2.3, HR 6 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8216, rov. 2.2-2.3, HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8757, rov. 2.3, HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8723, rov. 2.3, HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2156, rov. 2 en HR 23 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1315, rov. 2.4. De Hoge Raad heeft dit nadien meermaals herhaald, recentelijk in HR 23 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1315, rov. 2.5. Zie HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO0610 en de conclusie van AG Knigge van 19 juni 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW8723, randnrs. 5.4-5.18.