Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2026:670 ECLI:NL:PHR:2026:670 AI generated

ECLI:NL:PHR:2026:670 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2026:670
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/05059 Zitting 3 juli 2026 CONCLUSIE F. Ibili In de zaak [verzoeker] , wonende te [plaats] , Suriname, verzoeker tot cassatie, hierna: verzoeker tegen de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst), verweerder in cassatie, hierna: de Staat 1Inleiding 1.1 In deze nationaliteitszaak rijst de vraag of de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN is gestuit door de verstrekking van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet (art. 15 lid 4 RWN).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2026:670 · Parket bij de Hoge Raad: Het feit dat verzoeker achteraf bezien niet daadwerkelijk een visum nodig had om naar Nederland te reizen, maakt niet dat daarmee het verkregen visum ineens moet worden aangemerkt als een paspoort.’ 3.7 Het middel keert zich (in onderdeel III) tegen (de overwegingen die hebben geleid tot) het oordeel van de rechtbank dat de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN niet is gestuit door de verstrekking van een reisdocument in de zin van art. 15 lid 4 RWN. Aan de klacht wordt ten grondslag gelegd dat de SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname verzoeker vanaf 25 oktober 2010, de datum waarop hij de Surinaamse nationaliteit verkreeg, niet als Nederlander hebben aangemerkt, terwijl op grond van de uitspraak in HR 26 juni 2015 achteraf gezien blijkt dat dit onjuist was.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2015:766
27 maart 2015 Eerste Kamer 14/01861 EE/TT Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: De STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst),zetelende te Den Haag, VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. M.M. van Asperen, t e g e n [verweerster],wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. G.E.M. Later. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat en [verweerster].
ECLI:NL:RVS:2020:423
201504577/2/A3, 201507057/2/A3, 201508588/2/A3, 201601993/2/A3, 201604943/1/A3 en 201608752/1/A3.
ECLI:NL:HR:2020:593
Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/09/552812 / HA RK 18-233 van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2019.
ECLI:NL:HR:2015:1749
26 juni 2015 Eerste Kamer 14/03881 EE/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst),zetelende te ’s-Gravenhage, VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. M.M. van Asperen, t e g e n [verweerder],wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat en [verweerder].
NJ 2015/439
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1749, NJ 2015/439, m.nt.
ECLI:NL:RBDHA:2025:17900
Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 24-634 Zaaknummer: C/09/676442 Datum beschikking: 30 september 2025 Beschikking op het op 25 november 2024 ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker] , verzoeker, wonende te [district] , Suriname, advocaat: mr. A.M.J.M. Louwerse te Purmerend. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de IND”), zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. [medewerker IND] . Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, met bijlagen; - de brief van 20 januari 2025 van de IND; - de brief van 14 februari 2025, met bijlagen, van verzoeker; - de brief van 22 mei 2025 van verzoeker; - de brief van 17 juli 2025, met bijlagen, van de IND; - de brief van 21 augustus 2025 van verzoeker. Op 9 september 2025 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoeker en mr. [medewerker IND] namens de IND. Verzoeker is zelf niet op de mondelinge behandeling verschenen. Verzoek en het standpunt van de IND Het verzoekschrift strekt tot:1) vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker; althans 2) vaststelling tot wanneer verzoeker dan wél Nederlander is geweest; 3) herkrijging van de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht, indien verzoeker het Nederlanderschap heeft verloren; een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van de IND in de kosten van het geding. De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. Feiten Verzoeker is op [geboortedatum] 1955 geboren te [geboorteplaats] (Suriname). Bij zijn geboorte verkreeg verzoeker van rechtswege de Nederlandse nationaliteit. In 1975 is verzoeker vanuit Suriname in Nederland gaan wonen. Uit de Basisregistratie Personen volgt als datum van eerste inschrijving in Nederland 10 september 1975. Op 25 november 1975 (verzoeker was toen meerderjarig) werd Suriname onafhankelijk en trad de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS) in werking. Op grond van artikel 3 van deze overeenkomst behield verzoeker de Nederlandse nationaliteit, omdat hij weliswaar in Suriname is geboren maar bij inwerkingtreding van de TOS in Nederland zijn hoofdverblijf had. Op 21 oktober 2008 is verzoeker vanuit Nederland teruggekeerd naar Suriname met gebruikmaking van de voorzieningen van de Remigratiewet. Bij besluit van 25 oktober 2010 van de President van de Republiek Suriname is aan verzoeker met ingang van 25 oktober 2010 de Surinaamse nationaliteit verleend, waarbij verzoeker erop is gewezen dat hij al het mogelijke moet doen om zijn vorige nationaliteit te verliezen omdat anders de Surinaamse nationaliteit kan worden ingetrokken. Bij brief van 30 december 2010 heeft de Sociale Verzekeringsbank verzoeker schriftelijk geïnformeerd dat hij de Nederlandse nationaliteit van rechtswege zou hebben verloren. Verzoeker beschikt over een Surinaams paspoort, geldig tot [datum] 2027. Beoordeling De rechtbank stelt voorop dat het verzoek is gegrond op artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Op basis van dit artikel is de rechtbank enkel bevoegd om tot vaststelling van het Nederlanderschap van een persoon over te gaan of tot vaststelling dat die persoon het Nederlanderschap niet bezit. In geschil is of verzoeker (nog steeds) in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker stelt dat dit het geval is en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Op 25 oktober 2010 verkreeg verzoeker de Surinaamse nationaliteit. Verzoeker woonde toen twee jaar in Suriname en beschikte op dat moment ook over de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 15 lid 1 onder c RWN (oud) gaat het Nederlanderschap verloren indien – kort gezegd – tevens sprake is van een andere nationaliteit en een onafgebroken verblijf van tien jaar in het land van die andere nationaliteit. Op 25 oktober 2020 woonde verzoeker een ononderbroken periode van tien jaar in Suriname met zowel de Nederlandse als de Surinaamse nationaliteit, zodat in beginsel werd voldaan aan genoemde voorwaarde voor het verlies van het Nederlanderschap. Echter, volgens verzoeker kan hij zich met succes beroepen op de uitzondering van artikel 15 lid 4 RWN (oud) omdat hij de tienjaarstermijn heeft gestuit doordat hij in 2012 en 2017 bij de Nederlandse ambassade in Suriname mondeling heeft gevraagd om een document waarmee hij naar Nederland kon reizen. Verzoeker bedoelde daarmee een Nederlands paspoort. Aan verzoeker zijn reisvisa verstrekt. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de verstrekte visa in dit geval als documenten zoals genoemd in artikel 2 van de Paspoortwet kwalificeren, zoals bijvoorbeeld een ‘nationaal paspoort’, ‘laissez-passer’ of ‘noodpaspoort’. Als gevolg van het ‘stuiten’ van de tienjaarstermijn is verzoeker het Nederlanderschap niet verloren en is hij nog altijd Nederlander. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit wél heeft verloren, stelt verzoeker zich op het standpunt dat hij de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht zou moeten herkrijgen vanwege: 1) schending van het evenredigheidsbeginsel en 2) omdat – met inachtneming van artikel 12 lid 4 IVBPR – sprake is geweest van willekeur toen verzoeker bij zijn vertrek naar Suriname in oktober 2008 werd verplicht om de Surinaamse nationaliteit aan te vragen. De IND stelt zich op het standpunt dat de verliestermijn van tien jaar als bedoeld in artikel 15 lid 4 RWN (oud) niet is gestuit, zodat verzoeker op 25 oktober 2020 het Nederlanderschap heeft verloren. Het beroep op het vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel gaat volgens de IND niet op. De IND wijst in dit verband op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en de voor verzoeker openstaande optieprocedure van artikel 6 lid 1, onderdeel p RWN. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit niet al op 25 oktober 2010, de datum waarop hij de Surinaamse nationaliteit verkreeg, heeft verloren op grond van artikel 15, lid 1 onder a RWN, omdat de uitzonderingen van lid 2 onder a en b van toepassing zijn (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1749). Stuiting tienjaarstermijn? Partijen zijn het er over eens dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder c RWN in die zin dat verzoeker sinds 25 oktober 2010 in het bezit is (geweest) van een dubbele nationaliteit en een ononderbroken periode van tien jaar zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland of de in deze bepaling bedoelde gebieden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verzoeker deze periode heeft gestuit. Artikel 15, lid 1 onderdeel c jo. lid 4 RWN (geldend op 1-10-2010) luidt: 1. “Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren: a. (…); b. (…); c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband;…. d. (…); (…); (…); De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.” Verzoeker heeft aangevoerd dat de tienjaarstermijn is gestuit met de aanvraag en verkrijging van een visum om naar Nederland te reizen, omdat dat in dit geval gelijk is te stellen aan het verkrijgen van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en motiveert dat als volgt In de beschikking van 27 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:766, R.O. 3.6.1.) oordeelt de Hoge Raad: “Uit de tekst en de strekking van art. 61 BVVN, bezien in samenhang met art. 15 lid 4 RWN, volgt dat de opsomming in art. 61 lid 1 BVVN van de documenten die kunnen gelden als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, limitatief is. Dit limitatieve karakter strookt voorts met het door de wetgever bij de inrichting van het nationaliteitsrecht benadrukte belang van rechtszekerheid (vgl. Kamerstukken II 1998-1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 26-27)”. De rechtbank ziet, gelet op het benadrukte belang van rechtszekerheid, aanleiding om deze strikte uitleg van de Hoge Raad ten aanzien van documenten die gelden als verklaring omtrent het bezit van Nederlanderschap, analoog toe te passen op ‘reisdocumenten in de zin van de Paspoortwet’. In artikel 2, lid 1 van de Paspoortwet staat een limitatieve opsomming van documenten die kwalificeren als reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden. Een visum valt onder de Rijksvisumwet en is dus geen paspoort in de zin van de Paspoortwet. De advocaat van verzoeker stelt zich op het standpunt dat een visum alleen kan worden verstrekt aan niet-Nederlanders. En omdat verzoeker (als gevolg van de reeds genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015) in 2012 en 2017 nog steeds Nederlander was, zijn volgens de advocaat ten onrechte reisvisa aan hem verleend en had dat een paspoort moeten zijn. In dat geval had verzoeker de tienjaarstermijn van artikel 15 lid 1 onder c RWN gestuit en stond zijn Nederlanderschap niet ter discussie, zo betoogt verzoeker. De rechtbank volgt deze redenatie niet. Een aanvraag in de zin van de Paspoortwet gaat ervan uit dat je een beroep doet op je Nederlanderschap. Daarmee wordt de tienjaarstermijn nadrukkelijk gestuit. Verzoeker heeft geen beroep gedaan op zijn Nederlanderschap, maar ging er zelf vanuit dat hij het Nederlanderschap al verloren was. Het feit dat verzoeker achteraf bezien niet daadwerkelijk een visum nodig had om naar Nederland te reizen, maakt niet dat daarmee het verkregen visum ineens moet worden aangemerkt als een paspoort. Artikel 15, lid 1 onderdeel c De rechtbank begrijpt dat verzoeker zich vervolgens op het standpunt stelt dat de Nederlandse autoriteiten hem in de positie hebben gebracht, waarin hij het Nederlanderschap heeft verloren en dat daarom artikel 15 lid 1, onder c, RWN niet op hem van toepassing is. Verzoeker moest immers de Surinaamse nationaliteit aanvragen op straffe van verlies van zijn remigratie-uitkering. Hierdoor is de situatie ontstaan dat verzoeker een dubbele nationaliteit kreeg. Pas na de uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015 kon verzoeker weten dat hij het Nederlanderschap niet op grond van artikel 15 lid 1, onder a RWN had verloren. Tot het moment van de uitspraak van de Hoge Raad gold voor verzoeker dat hij op grond van de Surinaamse remigratieregeling alles in het werk moest stellen om zijn Nederlanderschap te verliezen. Hij heeft dit ook gedaan, terwijl hij achteraf het Nederlanderschap bleek te hebben behouden. Ook de Staat ging ervan uit dat verzoeker het Nederlanderschap al eerder had verloren. Als gevolg hiervan heeft verzoeker de verliestermijn niet tijdig gestuit en is hij vervolgens zijn Nederlanderschap verloren. De rechtbank overweegt als volgt. In de RWN is bepaald wie Nederlander is en op welke wijze het Nederlanderschap wordt verkregen of verloren gaat. De verliesgrond van artikel 15 lid 1, onder c, RWN treedt van rechtswege in. De RWN kent geen hardheidsclausule. Voor een beroep op dwaling of op omstandigheden die een beroep op een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zouden kunnen rechtvaardigen is, binnen het bestek van deze procedure, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geen plaats (Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8544). De rechtbank zal de argumentatie van verzoeker hierna wel bij de evenredigheidstoets betrekken. Deelconclusie I Verzoeker heeft op 25 oktober 2020 het Nederlanderschap van rechtswege verloren. Toetsing aan evenredigheidsbeginsel De Hoge Raad heeft bij beschikking van 3 april 2020, (ECLI:NL:HR:2020:593), voor zover van belang, het volgende overwogen: “3.5 Hetgeen hiervoor (…) is overwogen, komt in de kern erop neer dat [verweerster] vanaf haar geboorte in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit, dat zij deze nationaliteit nog bezat toen zij op 19 december 2001 naar Suriname terugkeerde en dat zij deze nationaliteit bij gelegenheid van haar verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 30 april 2004 behield. Bij die stand van zaken is er geen grond (…) om de tienjaarstermijn van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN op een later tijdstip te doen aanvangen dan op 30 april 2004, dat wil zeggen op het tijdstip waarop [verweerster] (i) in het bezit van zowel de Nederlandse als de Surinaamse nationaliteit, (ii) als meerderjarige (iii) haar hoofdverblijf in Suriname had, een en ander als bedoeld in art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN. Het vorenstaande strookt met het in de wetsgeschiedenis van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN benadrukte belang van de in het nationaliteitsrecht gewenste rechtszekerheid.6 3.6 De rechtbank heeft het vorenstaande miskend. (….) 3.7.1 Indien in de procedure na terugwijzing komt vast te staan dat de verliesgrond van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN is ingetreden en dat [verweerster] als gevolg daarvan haar Nederlanderschap heeft verloren, dient de rechtbank – met inachtneming van hetgeen het HvJEU heeft overwogen in het Tjebbes-arrest7 – na te gaan of voor [verweerster] het verlies van de Nederlandse nationaliteit, dat voor haar het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten meebrengt, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat betreft de gevolgen ervan voor haar situatie en, in voorkomend geval, voor die van haar gezinsleden, uit het oogpunt van het Unierecht.8 Daarbij kan ook in aanmerking worden genomen dat van [verweerster] in de periode voorafgaand aan de (…) uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015 niet kon worden gevergd een poging te doen de tienjaarstermijn van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN te stuiten op de wijze vermeld in art. 15 lid 4 RWN, gelet op de in die periode (en ook nog nadien (…)) door de Nederlandse autoriteiten gehuldigde rechtsopvatting (…). Nu een onderdaan van een lidstaat tegenover de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, de rechten kan inroepen die behoren bij zijn door art. 20 VWEU verleende status van burger van de Unie,9 kan de uitkomst van deze evenredigheidstoetsing ertoe leiden dat de rechtbank dient te beslissen dat [verweerster] de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht herkrijgt. Daaraan doet niet af dat de huidige RWN geen grondslag biedt voor een dergelijke herkrijging met terugwerkende kracht van het Nederlanderschap.10 (…) 3.7.2 Opmerking verdient dat er geen grond is (…) om het toepassingsgebied van de hiervoor in 3.7.1 bedoelde evenredigheidstoetsing en de daaraan verbonden mogelijkheid van herkrijging met terugwerkende kracht van het Nederlanderschap, te beperken tot bestuursrechtelijke procedures, zodat voor een en ander ook plaats is in een procedure op de voet van art. 17 RWN. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 7 HvJEU 12 maart 2019, zaak C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189 (Tjebbes), punt 40, onder verwijzing naar HvJEU 2 maart 2010, zaak C-135/08, ECLI:EU:C:2010:104 (Rottmann), punten 55-56. 8 Zie voor de nadere invulling van deze evenredigheidstoetsing HvJEU 12 maart 2019, zaak C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189 (Tjebbes), punten 44-46, en ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, rov. 11.2. 9 Zie HvJEU 10 mei 2017, zaak C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354 (Chavez-Vilchez), punt 60. 10 Zie voor de verplichting van de minister van Buitenlandse Zaken om art. 20 VWEU aldus toe te passen, ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, rov. 11.1 en 11.3.” De rechtbank zal met inachtneming van het voorgaande beoordelen of het beroep op het (unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel slaagt. Verkort weergegeven zal de rechtbank daarbij beoordelen of het verlies van de Nederlandse nationaliteit, dat het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten met zich brengt, in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel, wat betreft de gevolgen ervan voor de situatie van elke betrokkene en in voorkomend geval voor die van zijn gezinsleden, bezien vanuit het oogpunt van het Unierecht. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:423), rechtsoverweging 11.2, overwogen dat en waarom naar haar oordeel als moment waarop dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel heeft te gelden het moment van het verlies van het Nederlanderschap. Bij de toetsing dienen niet alleen de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap die zich op dat moment reeds hadden gemanifesteerd te worden betrokken, maar ook de gevolgen die op dat moment redelijkerwijze voorzienbaar waren. Het is daarbij aan betrokkene om concreet te onderbouwen dat op het moment van het verlies van het Nederlanderschap redelijkerwijs voorzienbaar was dat hij zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten of verplichtingen uit zou gaan oefenen. De Hoge Raad heeft in zijn hiervoor vermelde beschikking van 3 april 2020 de rechtbank op voormelde overweging van de Raad van State gewezen. De rechtbank zal in deze zaak het door de Raad van State gehanteerde peilmoment hanteren en de evenredigheidstoets aanleggen op het moment van het verlies van rechtswege van het Nederlanderschap, dus op 25 oktober 2020. Hierna zal de rechtbank ingaan op de door verzoeker naar voren gebrachte argumenten. Heeft de Staat verzoekster in deze positie gebracht? Verzoeker heeft betoogd dat de Staat hem in de positie heeft gebracht dat hij een dubbele nationaliteit verkreeg, waarna hij vervolgens door het handelen van de Staat in de onmogelijkheid verkeerde om de verliestermijn te stuiten en hij zodoende het Nederlanderschap is kwijtgeraakt. Dit betoog gaat niet op. Op zichzelf is juist dat verzoeker door deelname aan de remigratieregeling een dubbele nationaliteit verkreeg en dat hij door de (naar later bleek: onjuiste) opvatting van de Staat – in zijn geval neergelegd in de brief van de Sociale Verzekeringsbank – in ieder geval tot aan de uitspraak van de Hoge Raad in 2015 in de veronderstelling is geweest dat hij de verliestermijn van artikel 15, lid 1, onder c, RWN niet kon stuiten. Dit betekent echter niet dat hij door het verlies van het Nederlanderschap onevenredig is getroffen. Verzoeker heeft ervoor gekozen om naar Suriname terug te keren op basis van de Remigratiewet en daarbij gebruik te maken van de daaraan verbonden financiële voordelen. Verzoeker was daartoe niet verplicht. Het is een vrije keuze van verzoeker geweest gebruik te maken van de remigratieregeling en daar de voordelen van te genieten. De nadelige gevolgen, die bij verzoeker bekend moeten worden verondersteld, moeten echter ook voor rekening van verzoeker blijven. Verzoeker heeft door deelname aan de remigratieregeling uitdrukkelijk te kennen gegeven bereid te zijn zijn Nederlandse nationaliteit op te geven. Hij heeft vervolgens de daartoe vereiste stappen ook daadwerkelijk gezet. Daarnaast bood de Remigratiewet de mogelijkheid op een keuze tot remigratie binnen een jaar terug te komen. Verzoeker heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Een beroep op de evenredigheidstoets kan verzoeker daarom niet baten. Bescherming van het familie- en gezinsleven en toegang tot medische zorg Verzoeker heeft verder aangevoerd dat hij – samengevat – door het verlies van het Unieburgerschap, met reisvisa steeds voor slechts korte perioden bij zijn familie in Nederland kan verblijven, terwijl hij op zijn oude dag en vanwege zijn ernstige medische situatie juist in de buurt van zijn familie wil zijn om te kunnen worden verzorgd. Ook staat het verlies van het Unieburgerschap er volgens verzoeker aan in de weg om – ondanks dat hij AOW en een werkgeverspensioen uit Nederland ontvangt – gebruik te kunnen maken van de medische voorzieningen in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat ook dit betoog verzoeker in het licht van de evenredigheidstoets niet baat. Het is begrijpelijk dat hij behoefte heeft aan steun van zijn familie en dat het voor hem omslachtig is dat hij visa moet aanvragen voor een bezoek aan familie in Nederland. Dit is echter het gevolg van zijn eigen keuze om gebruik te maken van de remigratieregeling. Verzoeker heeft er bewust voor gekozen meer met Suriname verbonden te zijn dan met Nederland. Daarbij komt dat het recht op gezondheidszorg geen individueel afdwingbaar recht is, zodat een beroep hierop in het kader van de evenredigheidstoets buiten beschouwing moet blijven. De rechtbank begrijpt dat verzoeker bovendien een beroep doet op het zogenoemde “Tjebbes”-arrest (het verlies van Unieburgerschap) in combinatie met de uitspraak van de Hoge Raad van 3 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:593) en daarmee op artikel 15 van de RWN (oud). De rechtbank overweegt dat de RWN sinds 1 april 2022 in artikel 6 lid 1 onder p voorziet in een exclusieve administratiefrechtelijke procedure voor een eventuele unierechtelijke evenredigheidstoets. Omdat het verzoek na 1 april 2022 is ingediend, komt de rechtbank in deze procedure aan deze toets niet toe. Voor zover verzoeker een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft willen doen om tot vaststelling van het Nederlanderschap te komen, kan dit beroep niet slagen. De wijzen waarop de Nederlandse nationaliteit kan worden verkregen, zijn limitatief opgesomd in de RWN en daaronder is niet begrepen een verkrijging door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel. Deelconclusie II Dat het verlies van het Unieburgerschap aldus niet onevenredig is voor verzoeker maakt dat er geen uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt dat hij van rechtswege het Nederlanderschap heeft verloren per 25 oktober 2020. Beroep op artikel 12, lid 4 IVBPR: willekeur? Tenslotte stelt verzoeker zich op het standpunt dat, toen hij in oktober 2008 als Nederlander naar Suriname verhuisde, aan hem is opgelegd de Surinaamse nationaliteit aan te vragen en hem – in strijd met artikel 12, lid 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) – vervolgens in 2020 automatisch het Nederlanderschap is ontnomen door hem onjuist voor te lichten (waardoor verzoeker niet wist dat hij een termijn op een bepaalde manier kon stuiten). Als gevolg hiervan kan hij alleen nog maar kort Nederland bezoeken. Artikel 12 van het IVBPR luidt: 1. Een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft, binnen dit grondgebied, het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er zijn verblijfplaats vrijelijk te kiezen. 2. Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten. 3. De bovengenoemde rechten kunnen aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, nodig zijn ter bescherming van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden of van de rechten en vrijheden van anderen en verenigbaar zijn met de andere in dit Verdrag erkende rechten. 4. Aan niemand mag willekeurig het recht worden ontnomen naar zijn eigen land terug te keren. De rechtbank wijst is van oordeel dat het beroep van verzoeker op deze bepaling niet slaagt. Het feit dat verzoeker sinds 25 oktober 2020 niet meer als Nederlander naar Nederland kan terugkeren is gebaseerd op specifieke (remigratie)regelgeving waar verzoeker zelf voor heeft gekozen en waar hij ook de (financiële) voordelen van heeft genoten en is dus niet willekeurig. Conclusie Het voorgaande betekent dat verzoeker het Nederlanderschap heeft verloren per 25 oktober 2020. De rechtbank zal hetgeen is verzocht daarom afwijzen. Proceskosten De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe afwijzen. Beslissing De rechtbank: wijst het verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, mr. A. Emmens en mr. A.P. de Klerk, rechters, bijgestaan door mr. M.G.J. Konings als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/05059 Zitting 3 juli 2026 CONCLUSIE F. Ibili In de zaak [verzoeker] , wonende te [plaats] , Suriname, verzoeker tot cassatie, hierna: verzoeker tegen de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst), verweerder in cassatie, hierna: de Staat 1Inleiding 1.1 In deze nationaliteitszaak rijst de vraag of de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN is gestuit door de verstrekking van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet (art. 15 lid 4 RWN).

In het bijzonder komt aan bod wat moet worden verstaan onder een reisdocument in de zin van de Paspoortwet. Op de achtergrond speelt dat de Nederlandse autoriteiten, naar uit HR 26 juni 2015 achteraf blijkt, ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat verzoeker met de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit van rechtswege het Nederlanderschap heeft verloren (art. 15 lid 1 sub a RWN). 1.2 Verder komt aan bod of het verlies van het Nederlanderschap op grond van art. 15 lid 1 sub c RWN verenigbaar is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel op grond van de rechtspraak van het HvJ EU.

In dat verband rijst de vraag of de rechtbank een toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel heeft mogen uitvoeren in het kader van deze procedure op grond van art. 17 RWN, terwijl de Unierechtelijke evenredigheidstoets met ingang van 1 april 2022 is ingebed in de bestuursrechtelijke optieprocedure van art. 6 RWN, die door de wetgever is bedoeld als een ‘exclusieve procedure’. 2Feiten en procesverloop 2.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. 2.2 Verzoeker is op [geboortedatum] 1955 geboren te [plaats] , Suriname.

Bij zijn geboorte verkreeg hij van rechtswege de Nederlandse nationaliteit. 2.3 In 1975 is verzoeker vanuit Suriname in Nederland gaan wonen. Uit de Basisregistratie Personen volgt als datum van eerste inschrijving in Nederland 10 september 1975. 2.4 Op 25 november 1975 werd Suriname onafhankelijk en trad de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (hierna: TOS) in werking. Op grond van art. 3 TOS behield verzoeker de Nederlandse nationaliteit, omdat hij weliswaar in Suriname is geboren maar bij inwerkingtreding van de TOS in Nederland zijn hoofdverblijf had. 2.5 Op 21 oktober 2008 is verzoeker vanuit Nederland teruggekeerd naar Suriname met gebruikmaking van de voorzieningen van de Remigratiewet. 2.6 Bij besluit van 25 oktober 2010 van de president van de Republiek Suriname is aan verzoeker de Surinaamse nationaliteit verleend.

Daarbij is verzoeker erop gewezen dat hij al het mogelijke moet doen om zijn vorige nationaliteit te verliezen, omdat anders het besluit tot verlening van de Surinaamse nationaliteit kan worden ingetrokken. 2.7 Bij brief van 30 december 2010 heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) verzoeker schriftelijk geïnformeerd dat zij op 27 december 2010 bewijs heeft ontvangen waaruit blijkt dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit van rechtswege heeft verloren. 2.8 Verzoeker beschikt over een Surinaams paspoort dat geldig is tot 28 april 2027. 2.9 In deze procedure, ingeleid op 25 november 2024, heeft verzoeker op grond van art. 17 RWN een verzoek ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap, althans vaststelling tot wanneer hij dan wel Nederlander is geweest, en herkrijging van de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht indien hij het Nederlanderschap heeft verloren.

De Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) heeft hiertegen verweer gevoerd. 2.10 Bij beschikking van 30 september 2025 heeft de rechtbank Den Haag het verzoek afgewezen. 2.11 Verzoeker is tijdig in cassatie gekomen van deze beschikking (hierna: de bestreden beschikking). De Staat is in cassatie niet verschenen. 3Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Deze zaak gaat over het verlies van het Nederlanderschap op grond van art. 15 lid 1 sub c RWN. In de voor deze zaak relevante versie (geldend op 1 oktober 2010) luidt deze bepaling als volgt:

‘1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren: (…)c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband’. 3.2 Aan deze bepaling ligt het vermoeden ten grondslag dat een Nederlander die langdurig in het buitenland verblijft, de noodzakelijke band met het Koninkrijk der Nederlanden verloren heeft en derhalve, indien is voldaan aan de voorwaarden van art. 15 lid 1 sub c RWN, geen aanspraak meer kan maken op de Nederlandse nationaliteit.

Ten behoeve van de rechtszekerheid, een leidend beginsel in het Nederlandse nationaliteitsrecht, treedt het verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in, zodra is voldaan aan de voorwaarden van art. 15 lid 1 sub c RWN. 3.3 Partijen zijn het erover eens dat in dit geval sprake is van de situatie zoals bedoeld in art. 15 lid 1 sub c RWN: verzoeker is sinds 25 oktober 2010, de datum waarop hij de Surinaamse nationaliteit verkreeg, in het bezit (geweest) van een dubbele nationaliteit (de Surinaamse en Nederlandse) en heeft tijdens zijn meerderjarigheid een ononderbroken periode van (meer dan) tien jaar zijn hoofdverblijf buiten Nederland of de in de bepaling genoemde gebieden (in Suriname). 3.4 Aan de orde is of de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN is gestuit op grond van het vierde lid van deze bepaling.

Daarin is (in de voor deze zaak relevante versie geldend op 1 oktober 2010) het volgende bepaald: ‘De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.’ 3.5 Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN is gestuit met de aanvraag en verkrijging van een visum om naar Nederland te reizen in 2012 en 2017, omdat dat in dit geval gelijk is te stellen aan het aanvragen en het verkrijgen van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet.

De rechtbank heeft dit standpunt van verzoeker verworpen: ‘In de beschikking van 27 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:766, r.o. 3.6.1) oordeelt de Hoge Raad: “Uit de tekst en de strekking van art. 61 BVVN, bezien in samenhang met art. 15 lid 4 RWN, volgt dat de opsomming in art. 61 lid 1 BVVN van de documenten die kunnen gelden als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, limitatief is. Dit limitatieve karakter strookt voorts met het door de wetgever bij de inrichting van het nationaliteitsrecht benadrukte belang van rechtszekerheid (vgl. Kamerstukken II 1998-1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 26-27)”.

De rechtbank ziet, gelet op het benadrukte belang van rechtszekerheid, aanleiding om deze strikte uitleg van de Hoge Raad ten aanzien van documenten die gelden als verklaring omtrent het bezit van Nederlanderschap, analoog toe te passen op ‘reisdocumenten in de zin van de Paspoortwet’. In artikel 2, lid 1 van de Paspoortwet staat een limitatieve opsomming van documenten die kwalificeren als reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden. Een visum valt onder de Rijksvisumwet en is dus geen paspoort in de zin van de Paspoortwet.’ 3.6 Verder heeft verzoeker aangevoerd dat een visum alleen kan worden verstrekt aan niet-Nederlanders.

Aangezien verzoeker, als gevolg van de uitspraak in HR 26 juni 2015, in 2012 en 2017 nog Nederlander was, zijn door de Nederlandse ambassade in Suriname aan hem ten onrechte reisvisa verleend en had dat een Nederlands paspoort moeten zijn. In dat geval had verzoeker de tienjaarstermijn in art. 15 lid 1 sub c RWN gestuit. Ook dit standpunt van verzoeker heeft de rechtbank verworpen: ‘Een aanvraag in de zin van de Paspoortwet gaat ervan uit dat je een beroep doet op je Nederlanderschap. Daarmee wordt de tienjaarstermijn nadrukkelijk gestuit. Verzoeker heeft geen beroep gedaan op zijn Nederlanderschap, maar ging er zelf vanuit dat hij het Nederlanderschap al verloren was.

Het feit dat verzoeker achteraf bezien niet daadwerkelijk een visum nodig had om naar Nederland te reizen, maakt niet dat daarmee het verkregen visum ineens moet worden aangemerkt als een paspoort.’ 3.7 Het middel keert zich (in onderdeel III) tegen (de overwegingen die hebben geleid tot) het oordeel van de rechtbank dat de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN niet is gestuit door de verstrekking van een reisdocument in de zin van art. 15 lid 4 RWN. Aan de klacht wordt ten grondslag gelegd dat de SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname verzoeker vanaf 25 oktober 2010, de datum waarop hij de Surinaamse nationaliteit verkreeg, niet als Nederlander hebben aangemerkt, terwijl op grond van de uitspraak in HR 26 juni 2015 achteraf gezien blijkt dat dit onjuist was.

De Nederlandse nationaliteit van verzoeker is door de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 25 oktober 2010 niet verloren gegaan op grond van art. 15 lid 1 sub a RWN. De Nederlandse ambassade in Suriname kon verzoeker als Nederlander dus geen reisvisa verstrekken in 2012 en 2017; een visum wordt immers alleen verstrekt aan vreemdelingen. De door verzoeker in 2012 en 2017 verzochte en verkregen visa moeten volgens het middel dan ook worden aangemerkt als een reisdocument in de zin van art. 15 lid 4 RWN. 3.8 Bij de behandeling van de klacht stel ik het volgende voorop.

In cassatie staat vast dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit niet reeds op 25 oktober 2010, de datum waarop hij de Surinaamse nationaliteit verkreeg, heeft verloren op grond van art. 15 lid 1 sub a RWN, omdat de uitzonderingen van het tweede lid, sub b en c, van art. 15 RWN van toepassing zijn. Dit volgt uit de eerdergenoemde uitspraak in HR 26 juni 2015. Dit betekent dat verzoeker ook na het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit op 25 oktober 2010 Nederlander is gebleven. 3.9 Het standpunt van de SVB in haar brief van 30 december 2010 en van de Nederlandse ambassade in Suriname bij de verstrekking van reisvisa in 2012 en 2017 was derhalve rechtens onjuist.

Dit betekent dat verzoeker zowel in 2010 als in 2012 en 2017 nog de Nederlandse nationaliteit had. Tegen deze achtergrond begrijp ik wel waarom het middel de klacht in deze sleutel plaatst. Gelet op het standpunt van SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname had van verzoeker, in ieder geval tot de uitspraak in HR 26 juni 2015, redelijkerwijs niet kunnen worden verwacht een poging te doen om de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN te stuiten, wanneer hij zijn Nederlandse nationaliteit wenste te behouden. Verzoeker verkeerde immers in de veronderstelling, net als de SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname, dat hij geen Nederlander meer was.

Strikt genomen had verzoeker wel tot stuiting van de verliestermijn van tien jaar kunnen overgaan na de uitspraak in HR 26 juni 2015, maar dan moest hij wel op de hoogte zijn van deze mogelijkheid. Kennelijk was hij hiervan niet op de hoogte, anders had hij in 2017 geen visum aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Suriname. Verzoeker is hierover kennelijk ook niet persoonlijk ingelicht door de Nederlandse ambassade in Suriname. 3.10 De vraag rijst of met de hiervoor vermelde omstandigheid, waarbij de SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname, naar uit HR 26 juni 2015 achteraf blijkt, ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat verzoeker met de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 25 oktober 2010 van rechtswege de Nederlandse nationaliteit heeft verloren, rekening dient te worden gehouden bij de uitleg van art. 15 lid 4 RWN.

Op grond van deze bepaling wordt de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN gestuit door de verstrekking van ‘een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet’. In dit geval rijst de vraag wat moet worden verstaan onder ‘een reisdocument in de zin van de Paspoortwet’. 3.11 Art. 2 lid 1 Paspoortwet geeft een opsomming van reisdocumenten in de zin van de Paspoortwet. Blijkens deze bepaling zijn reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden: (a) nationaal paspoort, (b) diplomatiek paspoort, (c) dienstpaspoort, (d) reisdocument voor vluchtelingen, (e) reisdocument voor vreemdelingen, (f) nooddocument en (g) andere reisdocumenten, bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen.

Aan de restcategorie onder (g) van art. 2 lid 1 Paspoortwet is uitvoering gegeven in art. 1.2 Paspoortbesluit, waarin het faciliteitenpaspoort en het tweede paspoort zijn vastgesteld als andere reisdocumenten. Gelet op de tekst van art. 2 lid 1 Paspoortwet en de mogelijkheid om andere reisdocumenten bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen, kan worden aangenomen dat de opsomming van reisdocumenten in art. 2 lid 1 Paspoortwet limitatief is bedoeld. Het oordeel van de rechtbank in de bestreden beschikking (‘In artikel 2, lid 1 van de Paspoortwet staat een limitatieve opsomming van documenten die kwalificeren als reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden.’) sluit hierbij aan. 3.12 Hierbij komt nog het volgende.

Het doel van de Paspoortwet is ‘het waarborgen en begrenzen van het uit het recht het land te verlaten voortvloeiende recht op een reisdocument’. De Paspoortwet regelt, voor zover van belang, de aanspraken op een reisdocument van Nederlanders (art. 9, 10, 16 e.v.) en van in het Europese of Caribische deel van Nederland, dan wel Aruba, Curaçao of Sint Maarten toegelaten vreemdelingen (art. 11 e.v.). Indien een persoon geen recht heeft op een reisdocument in de zin van de Paspoortwet, kan hij voor het verkrijgen van toegang tot het Europese of Caribische deel van Nederland, dan wel Aruba, Curaçao of Sint Maarten (uitzonderingen daargelaten) een visum aanvragen op grond van de Rijksvisumwet.

Aldus beschouwd zijn de Paspoortwet en de Rijksvisumwet complementair aan elkaar. 3.13 Uit dit stelsel van beide wetten, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat een visum op grond van de Rijksvisumwet niet kan worden aangemerkt als een reisdocument in de zin van de Paspoortwet. Een visum op grond van de Rijksvisumwet veronderstelt dat de betrokkene geen Nederlander is. Het oordeel van de rechtbank (‘Een visum valt onder de Rijksvisumwet en is dus geen paspoort in de zin van de Paspoortwet.’) sluit hierbij aan. 3.14 Op grond van het voorgaande zal de klacht van het middel (in onderdeel III) moeten falen.

Uit de omstandigheid dat verzoeker in 2012 en 2017 bij de Nederlandse ambassade in Suriname een visum heeft aangevraagd en verkregen om naar Nederland te kunnen reizen, kan niet worden afgeleid dat hij een beroep heeft gedaan op zijn Nederlanderschap met het oog op de stuiting van de verliestermijn van tien jaar op grond van art. 15 lid 4 RWN. In 2012 en 2017 verkeerde verzoeker, net als de SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname, in de veronderstelling dat hij geen Nederlander meer was. Dat verzoeker met zijn aanvraag voor een visum in 2012 en 2017 zou hebben beoogd, althans geacht moet worden te hebben beoogd, een beroep te doen op zijn Nederlanderschap, is dan ook niet goed denkbaar.

Dit betekent dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat verzoeker, na verloop van een periode van tien jaar vanaf het moment dat verzoeker op 25 oktober 2010 de Surinaamse nationaliteit verkreeg, derhalve op 25 oktober 2020, het Nederlanderschap op grond van art. 15 lid 1 sub c RWN van rechtswege heeft verloren. Van een stuiting van de verliestermijn van tien jaar op grond van art. 15 lid 4 RWN op de door verzoeker aangevoerde gronden is derhalve geen sprake. 3.15 Voor zover in het middel de klacht besloten zou liggen dat verzoeker het Nederlanderschap heeft behouden op grond van het vertrouwensbeginsel, omdat het niet tijdig stuiten van de verjaring van de verliestermijn van tien jaar is te wijten aan, achteraf gezien, onjuiste informatie van de SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname, gaat de klacht eraan voorbij dat de Nederlandse nationaliteit niet kan worden behouden door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. 3.16 Met het voorgaande is echter niet gezegd dat op geen enkele manier rekening kan worden gehouden met de hiervoor vermelde omstandigheid dat verzoeker, net als de SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname, naar uit HR 26 juni 2015 achteraf blijkt, ten onrechte in de veronderstelling verkeerde dat hij met de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 25 oktober 2010 van rechtswege het Nederlanderschap had verloren op grond van art. 15 lid 1 sub a RWN.

Het lijkt mij dat met deze omstandigheid, zonder hieraan beslissende betekenis toe te kennen, rekening kan worden gehouden in het kader van de Unierechtelijke evenredigheidstoets op grond van de rechtspraak van het HvJ EU over het verlies van het Unieburgerschap. In deze zin ook HR 3 april 2020, rov. 3.7.1 (mijn onderstreping): ‘Indien in de procedure na terugwijzing komt vast te staan dat de verliesgrond van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN is ingetreden en dat [verweerster] als gevolg daarvan haar Nederlanderschap heeft verloren, dient de rechtbank – met inachtneming van hetgeen het HvJEU heeft overwogen in het Tjebbes-arrest – na te gaan of voor [verweerster] het verlies van de Nederlandse nationaliteit, dat voor haar het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten meebrengt, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat betreft de gevolgen ervan voor haar situatie en, in voorkomend geval, voor die van haar gezinsleden, uit het oogpunt van het Unierecht.

Daarbij kan ook in aanmerking worden genomen dat van [verweerster] in de periode voorafgaand aan de (…) uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015 niet kon worden gevergd een poging te doen de tienjaarstermijn van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN te stuiten op de wijze vermeld in art. 15 lid 4 RWN, gelet op de in die periode (en ook nog nadien …) door de Nederlandse autoriteiten gehuldigde rechtsopvatting (…). (…)’. 3.17 Verzoeker heeft in deze zaak een beroep gedaan op de Unierechtelijke evenredigheidstoets op grond van de rechtspraak van het HvJ EU over het verlies van het Unieburgerschap.

Verzoeker heeft aangevoerd dat de Staat hem in de positie heeft gebracht dat hij een dubbele nationaliteit verkreeg, waarna hij vervolgens door het handelen van de Staat in de onmogelijkheid verkeerde om de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN te stuiten en hij zodoende het Nederlanderschap is kwijtgeraakt. Verzoeker heeft voorts aangevoerd dal hij door het verlies van het Unieburgerschap, met reisvisa steeds voor slechts korte perioden bij zijn familie in Nederland kan verblijven, terwijl hij op zijn oude dag en vanwege zijn ernstige medische situatie juist in de buurt van zijn familie wil zijn om te kunnen worden verzorgd.

Ook zou het verlies van het Unieburgerschap verzoeker beletten om, ondanks dat hij een AOW en werkgeverspensioen uit Nederland ontvangt, gebruik te maken van de medische voorzieningen in Nederland. 3.18 Bij de toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel heeft de rechtbank beoordeeld of het verlies van de Nederlandse nationaliteit, dat het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten met zich brengt, in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel, wat betreft de gevolgen ervan voor de situatie van elke betrokkene en in voorkomend geval voor die van zijn gezinsleden, bezien vanuit het oogpunt van het Unierecht.

De rechtbank heeft het standpunt van verzoeker hierover niet gevolgd en het beroep op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel verworpen. Tegen dat oordeel wordt in cassatie (in onderdeel II) opgekomen. Kort gezegd bevat de klacht een uiteenzetting van de omstandigheden met betrekking tot verzoeker waaruit zou blijken dat het verlies van de Nederlandse nationaliteit op grond van art. 15 lid 1 sub c RWN in strijd zou zijn met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Volgens het middel heeft de rechtbank dit miskend, althans is het oordeel van de rechtbank hierover onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd. 3.19 Ik meen dat aan een inhoudelijke beoordeling van deze klacht niet kan worden toegekomen en leg dit als volgt uit.

Met ingang van 1 april 2022 heeft de wetgever de Unierechtelijke evenredigheidstoets verankerd in de optieprocedure van art. 6 lid 1 sub p RWN. Deze bepaling luidt als volgt: ‘Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: (…) p. de vreemdeling die het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren, indien met dat verlies het Unieburgerschap verloren ging en op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar was dat dit tot onevenredige gevolgen uit het oogpunt van het Unierecht zou leiden.

De herkrijging geschiedt met terugwerkende kracht tot en met het moment waarop het Nederlanderschap verloren ging. Het tweede lid is niet van toepassing; (…).’ Het derde lid van art. 6 RWN bepaalt: ‘De autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, beoordeelt aan de hand van de haar overgelegde stukken de gronden waarop de verklaring berust. Indien de verklaring strekt tot herkrijging van het Nederlanderschap als bedoeld in het eerste lid, onder p, vraagt de autoriteit advies aan Onze Minister. Indien aan de vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.’ 3.20 Hiermee heeft de wetgever de Unierechtelijke evenredigheidstoets ingebed in de optieprocedure van art. 6 RWN.

Een weigering van een bevestiging door de bevoegde autoriteit op grond van art. 6 lid 1 sub p jo. lid 3 RWN is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Hiertegen staat een bestuursrechtelijke rechtsgang open; bezwaar wordt ingediend bij de burgemeester en beroep bij de rechtbank, sector bestuursrecht. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is in hoogste instantie bevoegd om hierover te oordelen. Kortom, de optieprocedure van art. 6 RWN is bestuursrechtelijk van aard. 3.21 Volgens de parlementaire geschiedenis voorziet art. 6 lid 1 sub p RWN in ‘een exclusieve procedure’ voor een toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel:

‘Aan artikel 6, eerste lid, RWN wordt een nieuw optierecht toegevoegd waarmee een persoon wiens Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan, dat Nederlanderschap onder bepaalde omstandigheden met terugwerkende kracht kan herkrijgen. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel biedt dit optierecht een exclusieve procedure om de in het arrest bedoelde toetsing aan het evenredigheidsbeginsel te verrichten, en het Nederlanderschap zo nodig met terugwerkende kracht te herkrijgen.’ In voetnoot 3 in de aangehaalde passage wordt het volgende vermeld:

‘Tot dat moment kan de vereiste toetsing aan het evenredigheidsbeginsel plaatsvinden binnen de huidige paspoortprocedure, en de verzoekschriftprocedure als bedoeld in artikel 17 RWN. Het herkrijgen van het Nederlanderschap en daarmee het Unieburgerschap kan worden ontleend aan artikel 20 VWEU, zie ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423 en HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:593.’ 3.22 De Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 vermeldt over art. 6 lid 1 sub p RWN: ‘Paragraaf 18.4. Procedure voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel Paragraaf 18.4.1.

Exclusieve procedure De optieprocedure van artikel 6, eerste lid, aanhef onder p RWN biedt een exclusieve procedure om de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vanuit het oogpunt van het Unierecht te verrichten en het Nederlanderschap op deze grond eventueel te herkrijgen. Vanaf 1 april 2022, de datum van inwerkingtreding van de Rijkswet van 17 november 2021 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap om te voorzien in een grondslag voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in gevallen waarin het Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan en in verlenging van de termijn voor van rechtswege verlies, Staatsblad 2021 572, is het dus niet meer mogelijk om deze toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vanuit het oogpunt van het Unierecht te verrichten in andere procedures, zoals een verzoekschriftprocedure tot vaststelling van het Nederlanderschap ex artikel 17 RWN, de aanvraag van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet of de verstrekking van een Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap.

Als in het kader van een van deze procedures vóór 1 april 2022 om een evenredigheidstoets is verzocht, worden deze toets en deze procedure, en eventuele vervolgprocedures, (ook na 1 april 2022) voltooid. Als wordt vastgesteld dat een dergelijke verzoeker onevenredige gevolgen heeft ondervonden van het verlies van het Unieburgerschap wordt het Nederlanderschap met terugwerkende kracht herkregen op grond van artikel 20 VWEU en hoeft de verzoeker dus niet meer te opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder p RWN.’ 3.23 Uit het voorgaande blijkt dat volgens de uitdrukkelijke bedoelingen van de wetgever de rechtbank Den Haag (civiel) met ingang van 1 april 2022 niet langer bevoegd is om in het kader van een procedure op grond van art. 17 RWN te oordelen over de Unierechtelijke evenredigheid van het verlies van het Nederlanderschap op grond van art. 15 RWN.

Die beoordeling is met ingang van 1 april 2022 voorbehouden aan de autoriteit die bevoegd is tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen in de zin van art. 6 RWN. Komt het tot een procedure, dan is de bestuursrechter bevoegd. 3.24 In dit verband is van belang dat in HR 3 april 2020 over de Unierechtelijke evenredigheidstoets is geoordeeld dat ‘er geen grond is – anders dan de Staat in cassatie heeft aangevoerd – om het toepassingsgebied van de (…) evenredigheidstoetsing en de daaraan verbonden mogelijkheid van herkrijging met terugwerkende kracht van het Nederlanderschap, te beperken tot bestuursrechtelijke procedures, zodat voor een en ander ook plaats is in een procedure op de voet van art. 17 RWN.’ Deze uitspraak heeft echter betrekking op de situatie vóór de wetswijziging van 1 april 2022.

In die periode kon de Unierechtelijke evenredigheidstoets aan de orde worden gesteld in het kader van een procedure op grond van art. 17 RWN.De uitspraak in HR 3 april 2020 kan niet afdoen aan de uitdrukkelijke keuze van de wetgever om de Unierechtelijke evenredigheidstoets met ingang van 1 april 2022 exclusief in te bedden in de bestuursrechtelijke regeling van art. 6 RWN en te onttrekken aan de civielrechtelijke regeling van art. 17 RWN. 3.25 Vanuit het Unierecht zie ik evenmin bezwaren tegen de ‘exclusieve procedure’ van art. 6 lid 1 sub p RWN.

De vraag hoe de beoordeling van het beroep op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel procedureel moet worden vormgegeven, is een aangelegenheid van de interne rechtsorde van de EU-lidstaten. Volgens het HvJ EU staat het de lidstaten vrij om procedureregels vast te stellen die moeten zorgen voor de bescherming van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen ‘mits deze regels met name het doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigen doordat zij het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken om de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten uit te oefenen’.

Naar mijn mening voldoet de ‘exclusieve procedure’ van art. 6 lid 1 sub p RWN aan dit vereiste. In het kader van de optieprocedure kan een beroep op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel doeltreffend worden getoetst, zonder (dat op voorhand kan worden gezegd of aanwijzingen bestaan) dat het in de praktijk onmogelijk of uiterst moeizaam is om de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten uit te oefenen. 3.26 Terug naar de onderhavige zaak. In feitelijke instantie heeft de IND gewezen op de ‘exclusieve procedure’ van art. 6 lid 1 sub p RWN en betoogd dat vanaf 1 april 2022 ‘het niet meer mogelijk is om (…) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vanuit het oogpunt van het Unierecht te verrichten in procedures, zoals een verzoekschriftprocedure tot vaststelling van het Nederlanderschap ex artikel 17 RWN (…)’.

Verzoeker heeft dit standpunt bestreden onder verwijzing naar de uitspraak in HR 3 april 2020: ‘De Staat stelt in zijn advies dat dit [Unierechtelijke evenredigheidstoets, A-G] niet meer mogelijk zou zijn vanaf 1 april 2022 maar dat staat nergens in de wet. De Hoge Raad heeft hier juist overwogen dat de evenredigheidstoets niet exclusief beperkt is tot bestuursrechtelijke procedures. Ook in de huidige wet staat hierop geen uitzondering.’ 3.27 Tijdens mondelinge behandeling bij de rechtbank op 9 september 2025 is aandacht geweest voor de ‘exclusieve procedure’ van art. 6 lid 1 sub p RWN. 3.28 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank over de ‘exclusieve procedure’ van art. 6 lid 1 sub p RWN het volgende overwogen:

‘De rechtbank begrijpt dat verzoeker bovendien een beroep doet op het zogenaamde “Tjebbes”-arrest (het verlies van Unieburgerschap) in combinatie met de uitspraak van de Hoge Raad van 3 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:593) en daarmee op artikel 15 van de RWN (oud). De rechtbank overweegt dat de RWN sinds 1 april 2022 in artikel 6 lid 1 onder p voorziet in een exclusieve administratiefrechtelijke procedure voor een eventuele unierechtelijke evenredigheidstoets. Omdat het verzoek na 1 april 2022 is ingediend, komt de rechtbank in deze procedure aan deze toets niet toe.’ 3.29 Deze overwegingen zijn zonder meer juist en hadden de rechtbank tot de conclusie moeten leiden dat het beroep van verzoeker op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel zich niet leent voor behandeling in de onderhavige procedure op grond van art. 17 RWN, aangezien het inleidende verzoek is gedaan (op 25 november 2024 en daarmee ruim) na de wetswijziging van 1 april 2022.

Sinds de wetswijziging behoort de toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel volgens de uitdrukkelijke bedoelingen van de wetgever tot de exclusieve bevoegdheid van de bestuursrechter. Het geschil tussen verzoeker en de Staat over de Unierechtelijke evenredigheidstoets is geen geschil betreffende burgerlijke rechten, waarvan de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen (art. 112 lid 1 Grondwet); verzoeker heeft immers geen burgerlijk recht aan zijn verzoek op deze grond ten grondslag gelegd. Aan de vraag naar een aanvullende rechtsbescherming van de civiele rechter wordt derhalve niet toegekomen.

Naar mijn mening had de rechtbank zich in dit geval dan ook onbevoegd moeten verklaren voor zover het verzoek is gebaseerd op de Unierechtelijke evenredigheidstoets. 3.30 De rechtbank heeft de ‘exclusieve procedure’ van art. 6 lid 1 sub p RWN en de gevolgen hiervan voor procedures die zijn ingesteld na 1 april 2022, weliswaar onderkend, maar nagelaten om zich onbevoegd te verklaren voor zover het verzoek uitnodigt tot een toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. In tegenspraak met de hiervoor in 3.28 weergegeven overwegingen over de ‘exclusieve procedure’ van art. 6 lid 1 sub p RWN, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker op de Unierechtelijke evenredigheidstoets inhoudelijk beoordeeld en afgewezen:

‘Toetsing aan evenredigheidsbeginsel (…)De rechtbank zal met inachtneming van het voorgaande beoordelen of het beroep op het (unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel slaagt. Verkort weergegeven zal de rechtbank daarbij beoordelen of het verlies van de Nederlandse nationaliteit, dat het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten met zich brengt, in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel, wat betreft de gevolgen ervan voor de situatie van elke betrokkene en in voorkomend geval voor die van zijn gezinsleden, bezien vanuit het oogpunt van het Unierecht. (…) Deelconclusie II Dat het verlies van het Unieburgerschap aldus niet onevenredig is voor verzoeker maakt dat er geen uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt dat hij van rechtswege het Nederlanderschap heeft verloren per 25 oktober 2020.’ 3.31 Uit de hiervoor aangehaalde overwegingen blijkt dat de rechtbank de competentieverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter heeft miskend, door in een civiele procedure (art. 17 RWN) een Unierechtelijke evenredigheidstoets uit te voeren die volgens de uitdrukkelijke bedoelingen van de wetgever met ingang van 1 april 2022 exclusief is voorbehouden aan de bestuursrechter (art. 6 lid 1 sub p RWN).

Nu de Hoge Raad aan de schending van de competentieverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter, bij gebreke van een daartoe strekkende klacht, ambtshalve geen consequenties kan verbinden, komt de bestreden beschikking op deze grond niet voor vernietiging in aanmerking.Ik meen dat verzoeker geen belang heeft bij de klacht van het middel (in onderdeel II). Het middel bestrijdt niet het oordeel van de rechtbank dat zij in deze procedure niet toekomt aan de Unierechtelijke evenredigheidstoets, omdat ‘de RWN sinds 1 april 2022 in artikel 6 lid 1 onder sub p voorziet in een exclusieve administratiefrechtelijke procedure voor een eventuele Unierechtelijke evenredigheidstoets’.

Deze overweging is zelfstandig dragend voor de beslissing van de rechtbank om het verzoek op grond van art. 17 RWN niet in te willigen. Aangenomen dat de klacht van het middel (in onderdeel II) wel zou slagen, zou dat betekenen dat de rechtbank zich in de verwijzingsprocedure alsnog onbevoegd dient te verklaren. 3.32 Tot slot merk ik nog op dat het verzoeker vrijstaat om in het kader van de optieprocedure van art. 6 lid 1 sub p RWN alsnog een beroep te doen op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De mogelijkheid om een optieverklaring af te leggen op grond van art. 6 lid 1 sub p RWN is niet gebonden aan een termijn. 3.33 De slotsom is dat het cassatiemiddel geen doel treft. 4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1749, NJ 2015/439, m.nt. S.F.M. Wortmann. HvJ EU 12 maart 2019, C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189, AB 2019/180, m.nt. V.M. Bex-Reimert en P.R. Rodrigues; JV 2019/102, m.nt. S. Peers. Zie p. 2 van de in cassatie bestreden beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17900. Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, 25 november 1975, Trb. 1975, 132. Wet van 22 april 1999, houdende regels inzake het treffen van voorzieningen ten behoeve van remigratie, Stb. 1999, 232.

Vgl. p. 3, zesde alinea van de bestreden beschikking. Zie conclusie A-G Vlas, onder 2.4, voor HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:761, NJ 2015/242, m.nt. S.F.M. Wortmann; JV 2015/259, m.nt. G.R. de Groot. Kamerstukken I 1999-2000, 25 891 (R 1609), nr. 201b, p.

11. Zie p. 3, vijfde alinea van de bestreden beschikking. Bestreden beschikking, p. 4, eerste en tweede alinea. HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1749, NJ 2015/439, m.nt. S.F.M. Wortmann. Bestreden beschikking, p. 4, derde alinea, halverwege. Onderdeel I bevat een inleiding; onderdeel II wordt hierna behandeld. Deze uitzonderingen luiden als volgt: ‘Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger (a) die in het land van die andere nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft; (b) die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad; (…).’ Zie p. 3, vierde alinea van de bestreden beschikking.

Vgl. standpunt IND, eerste aanleg, d.d. 17 juli 2025, p. 5: ‘Ten overvloede wordt opgemerkt dat, vanuit een oogpunt van eigen verantwoordelijkheid, van Nederlanders die in den vreemde wonen mag worden verlangd dat zij zich adequaat laten voorlichten omtrent de op dat moment geldende regelgeving met betrekking tot het behoud van het Nederlanderschap. Het ligt op hun weg om zich te vergewissen van de consequenties die het wonen als bipatride Nederlander in een ander land dan Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten of een van de landen waar het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, zou hebben voor het Nederlanderschap.

Door de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland en door het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt bovendien consequent voorlichting gegeven met betrekking tot de RWN, onder andere door middel van het publiceren van informatie op de website Nederland wereldwijd van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Op de websites van de Rijksoverheid en de Immigratie- en Naturalisatiedienst is eveneens informatie te vinden over het verlies van het Nederlanderschap. Als gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015 is overigens in Suriname door de Nederlandse overheid voor personen die geboren zijn in Suriname en die door die uitspraak (…) de Nederlandse nationaliteit hebben behouden een speciaal informatieblad d.d. 23 november 2015 bekend gemaakt, waarin wordt aangegeven op welke datum de verliestermijn van artikel 15 lid 1 onder c RWN aanvangt en op welke wijze die termijn kan worden gestuit (…).

De Nederlandse overheid is overigens niet verplicht burgers individueel aan te schrijven omtrent wetswijzigingen, daargelaten de vraag in hoeverre dit praktisch uitvoerbaar is’. In dit verband wijs ik erop dat volgens de Nationale Ombudsman de burger de dupe is van gebrekkige informatievoorziening vanuit de overheid over het verlies van het Nederlanderschap van rechtswege; zie Rapport Verlies Nederlanderschap. ‘En toen was ik mijn Nederlanderschap kwijt…’, 10 mei 2016, rapportnr. 2016/145, p. 36 e.v. Een van de aanbevelingen van de Ombudsman is om de betrokkenen ‘actief en gericht te informeren.’ (p.

38) Rijkswet van 26 september 1991, houdende het stellen van regelen betreffende de verstrekking van reisdocumenten (Paspoortwet), Stb. 1991, 498. Besluit van 15 oktober 2020, houdende regels betreffende het verstrekken van reisdocumenten, ​​Stb.​ 2020, 418. Vgl. HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:766, rov. 3.6.1, met betrekking tot de opsomming in art. 61 lid 1 Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (Besluit van 15 april 2002, Stb. 2002, 231) van de documenten die kunnen gelden als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap in de zin van art. 15 lid 4 RWN. Bestreden beschikking, p. 4, tweede alinea, voorlaatste volzin. Kamerstukken II 1987-1988, 20 393 (R 1343), nr. 3, p.

9. Vgl. M.J.C. Koens/M.L.H. Gelauff, T&C Personen- en familierecht, Paspoortwet, Inleidende opmerkingen, aant.

1. Zie voor deze uitzonderingen het Akkoord en uitvoeringsovereenkomst van Schengen en visumvrijstellingsovereenkomsten met niet-EU-landen (https://www.consilium.europa.eu/nl/policies/eu-visa-policy/) en de Regeling vrijstelling visumplicht Rijksvisumwet, Stcrt. 2018, 34529. Rijkswet van 23 augustus 2016, houdende bepalingen omtrent de verlening van visa voor de toegang tot de landen van het Koninkrijk, Stb. 2016, 320. Bestreden beschikking, p. 4, tweede alinea, slot. Bestreden beschikking, p. 5, tweede alinea. Vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8544, rov. 3.3.2 en HR 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:331, NJ 2022/160, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.1.2. HvJ EU 12 maart 2019, C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189, AB 2019/180, m.nt. V.M. Bex-Reimert en P.R. Rodrigues; JV 2019/102, m.nt. S. Peers. Zie ook H. de Voer, Tjebbes-optie. Met terugwerkende kracht het Nederlanderschap terugkrijgen, A&MR 2022/5, p. 265; G.R. de Groot, in zijn noot onder Rb. Den Haag 16 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:4678, JV 2021/146, nr.

12. HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:593, NJ 2020/183, m.nt. S.F.M. Wortmann. Over de invulling van de Unierechtelijke evenredigheidstoets, zie HvJ EU 12 maart 2019, C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189, punt 44 e.v. en ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, AB 2020/173, m.nt. P.R. Rodrigues; JV 2020/67, m.nt. G.R. de Groot. Bestreden beschikking, vanaf p. 5, derde alinea. Rijkswet van 17 november 2021 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap om te voorzien in een grondslag voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in gevallen waarin het Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan en in verlenging van de termijn voor van rechtswege verlies, Stb. 2021, 572.

De administratieve behandeling van optieverklaringen op grond van art. 6 RWN is geregeld in het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap. Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, toelichting bij art. 6 lid 3, paragraaf 21.3.8.1. Ik verwijs steeds naar de versie van deze handleiding die geldt op 1 juli 2026. Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, toelichting bij art. 6 lid 3, paragraaf 21.3.9.1 e.v. Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, toelichting bij art. 6 lid 3, paragraaf 21.3.10. Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, toelichting bij art. 6 lid 3, paragraaf 21.3.10.

Vgl. G.R. de Groot/M. Tratnik, Nederlands nationaliteitsrecht (Monografieën Privaatrecht nr. 14), 2021, p. 128; G.R. de Groot, Groene Serie Personen- en familierecht, Nationaliteitsrecht, art. 6 RWN, Kernoverzicht, aant. A10; art. 6, aant. 21.1. Kritiek bij de keuze van de wetgever voor een bestuursrechtelijke procedure bij G.R. de Groot, Groene Serie Personen- en familierecht, Nationaliteitsrecht, art. 6 RWN, aant. 17.1; H. de Voer, Tjebbes-optie. Met terugwerkende kracht het Nederlanderschap terugkrijgen, A&MR 2022/5, p. 269-270. Kamerstukken II 2020-2021, 35 859 (R 2157), nr. 3, p. 2; zie ook p.

10. In het geval van verzoeker is de bevoegde autoriteit de Minister van Buitenlandse Zaken. Zie art. 2 sub a en art. 35 e.v. Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap. Zie 3.20 van mijn conclusie. HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:593, NJ 2020/183, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.7.2. Zie ook de parlementaire geschiedenis aangehaald in 3.21 van mijn conclusie. Anders H. de Voer, Tjebbes-optie. Met terugwerkende kracht het Nederlanderschap terugkrijgen, A&MR 2022/5, p. 270. HvJ EU 12 maart 2019, C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189, punt 41. Tot dezelfde conclusie komt ABRvS 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5370, JV 2026/7, m.nt. H. de Voer, rov. 8.4. Standpunt van IND, brief van 17 juli 2025, p.

5. Reactie van verzoeker, brief van 21 augustus 2025, p.

2. Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 3 (‘Adv. man zegt optieprocedure is niet exclusief. In Tjebbes arrest paragraaf 42, 43 en 45 staat ook dat rechterlijke instanties aan het evenredigheidsbeginsel moet kunnen toetsen.’), p. 4 (‘IND: (…) Geldt ook voor toetsing aan evenredigheidsbeginsel. N.a.v. Tjebbes wettelijke regeling vastgesteld. Mogelijkheden voor om verklaring te vragen. Lijkt me betere weg.’) en p. 5 (‘R: is dat al ingezet? Adv: nee nog niet. Wilde eerst van u horen of hij het is verloren in 2020. Inefficiënt als je zo langs 2 loketten moet.’).

Bestreden beschikking, p. 7, derde alinea. Zie 2.9 van mijn conclusie. Vgl. HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:560, NJ 2025/244, m.nt. L.A.D. Keus, rov. 3.2; HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, NJ 2025/27, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.2.2. Vgl. C.N.J. Kortmann in zijn noot, onder 8 en 11, onder HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1456, AB 2014/71, over de verhouding tussen onbevoegdheid en niet-ontvankelijkheid in het kader van de competentieverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter. Bestreden beschikking, p. 5, vanaf de derde alinea.

Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/273; Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/52. Vgl. A.C. van den Blink, De procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap, Een stap op weg naar integratie van gewone en administratieve rechtspraak?, 1989, p.

11. Bestreden beschikking, p. 7, derde alinea.