Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2026:533 ECLI:NL:PHR:2026:533 AI generated

ECLI:NL:PHR:2026:533 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2026:533
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03047 P Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte], gevestigd te [plaats], hierna: de verdachte Inleiding 1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 26 juli 2024 (parketnr. 22-000534-22) het vonnis waarvan beroep bevestigd, en daarmee het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 9.000,- en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:1:16 lid 2 Sv, artikel 511i Sv; ECLI:NL:PHR:2026:533 · Parket bij de Hoge Raad: In dat geval moet de regeling van artikel 6:1:16 lid 2 Sv en artikel 511i Sv uitkomst bieden. Het aangevoerde is dus geen middel van cassatie als bedoeld in de wet.

Keywords

AI generated
artikel 6:1:16 lid 2 Sv artikel 511i Sv

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:1:16 lid 2 Sv
In dat geval moet de regeling van artikel 6:1:16 lid 2 Sv en artikel 511i Sv uitkomst bieden.
artikel 511i Sv
In dat geval moet de regeling van artikel 6:1:16 lid 2 Sv en artikel 511i Sv uitkomst bieden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2001:ZD2434
HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2434; HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2881, en HR 17 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1348.
ECLI:NL:HR:2001:ZD2881
De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van Kerckhof aan het Koninkrijk België toelaatbaar verklaard ter strafvervolging van Kerckhof ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. Ong Sien Hien, advocaat te Rotterdam een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de opgeëiste persoon in het beroep.
ECLI:NL:HR:2019:1348
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 18/01218 Datum 17 september 2019 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 maart 2018, nummer 21/000968-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [de betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, hierna: de betrokkene.
ECLI:NL:HR:2015:512
3 maart 2015 Strafkamer nr.
ECLI:NL:PHR:2015:143
de conclusie a-g Bleichrodt van 27 januari 2015 bij HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:512 (ECLI:NL:PHR:2015:143, onder 4) evenals de conclusie van zijn hand van 12 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:461, onder 11.
ECLI:NL:PHR:2020:461
de conclusie a-g Bleichrodt van 27 januari 2015 bij HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:512 (ECLI:NL:PHR:2015:143, onder 4) evenals de conclusie van zijn hand van 12 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:461, onder 11.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03047 P Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte], gevestigd te [plaats], hierna: de verdachte Inleiding 1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 26 juli 2024 (parketnr. 22-000534-22) het vonnis waarvan beroep bevestigd, en daarmee het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 9.000,- en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Er bestaat samenhang de strafzaak tegen de betrokkene, 24/03048. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. M.J.J.E. Stassen, advocaat in Tilburg, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel 4. Het middel bevat twee deelklachten. Ten eerste wordt verwezen naar hetgeen in de strafzaak namens de betrokkene is aangevoerd met betrekking tot de legitimiteit van de huurovereenkomst na 1 januari 2020 en wordt aangevoerd dat de overwegingen van het hof op dat punt onbegrijpelijk, ongemotiveerd en innerlijk tegenstrijdig zijn.

5. Ten tweede wordt aangevoerd dat er in de periode van 1 augustus 2018 tot 1 januari 2020 een volstrekt legale situatie bestond, zodat de huurpenningen (ik begrijp: over die periode) niet als wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden gezien. Het vonnis van de rechtbank 6. Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank houdt, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende in: “Het standpunt van de verdediging. De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat betrokkene geen wederrechtelijk verkregen vermogen heeft verkregen.

De huurovereenkomst is ingegaan op 1 augustus 2018. Het uitgangspunt daarbij was dat het verhuurder werd gebruikt in overeenstemming met de regels. Dat dit vanaf 2020 niet meer het geval was, kan verdachte niet worden aangerekend. Vergelijk in dit opzicht de situatie dat een huurder van een woning een hennepkwekerij begint: het is dan niet zonder meer zo dat de huurpenningen die de verhuurder ontvangt wederrechtelijk verkregen voordeel vertegenwoordigen. (…) Het oordeel van de rechtbank (…) De bewezenverklaring in de strafzaak komt – kort gezegd en voor zover relevant voor de ontnemingsprocedure – neer op het volgende.

Veroordeelde heeft in de periode van 1 januari 2020 tot en met eind april 2020 de stallen 3a en 4a verhuurd, terwijl hij wist dat deze stallen na 1 januari 2020 niet meer voldeden aan het Besluit emissiearme huisvesting. Anders dan de raadsman acht de rechtbank het, op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen, aannemelijk dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door het verhuren van de stallen 3a en 4a in de maanden januari 2020 tot en met april 2020. Het primaire verweer treft geen doel. In 2018 heeft verdachte de stallen verhuurd voor een periode tot en met mei 2020, terwijl hij wist dat de stallen vanaf januari 2020 niet meer aan de regelgeving zouden voldoen bij het bedrijfsmatig gebruik, zoals beoogd.

De op handen zijnde illegale situatie was bij het aangaan van de huurovereenkomst al te voorzien en is kennelijk op de koop toegenomen. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank volgt de officier van justitie en de raadsman ten aanzien van het standpunt onder a., hetgeen betekent dat de rechtbank uitgaat van € 9.000,- (€ 2.250,- x 4 maanden) wederrechtelijk verkregen huurinkomsten. Conclusie De rechtbank is van oordeel dat liet wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 9.000,- .” De bespreking van het middel 7.

Voor zover het middel de klacht bevat dat het arrest in de onderhavige zaak zou moeten worden vernietigd gelet op hetgeen in de samenhangende strafzaak is aangevoerd, merk ik op dat het vaste rechtspraak is dat een cassatiemiddel een stellige en duidelijke klacht betreft over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. In een ontnemingszaak kan derhalve niet met vrucht worden opgeworpen dat eventuele gebreken in de strafzaak noodzakelijkerwijs moeten leiden tot cassatie in de ontnemingszaak.

In dat geval moet de regeling van artikel 6:1:16 lid 2 Sv en artikel 511i Sv uitkomst bieden. Het aangevoerde is dus geen middel van cassatie als bedoeld in de wet.

8. Voor zover het middel daarnaast de klacht bevat dat de motivering van het wederrechtelijk verkregen voordeel onbegrijpelijk of onvoldoende is gemotiveerd omdat in de periode van 1 augustus 2018 tot 1 januari 2020 geen strafbare feiten zijn gepleegd, berust het op een onjuiste lezing van het arrest. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend op € 9.000,-, bestaande uit vier maal een huursom van € 2.250,- en ziet kennelijk op de periode van vier maanden van 1 januari 2020 tot en met eind april 2020. Er is dus geen wederrechtelijk verkregen voordeel berekend over de periode van 1 augustus 2018 tot 1 januari 2020. De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Afronding 9. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2434; HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2881, en HR 17 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1348. Zie ook A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 270. Vgl. de conclusie a-g Bleichrodt van 27 januari 2015 bij HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:512 (ECLI:NL:PHR:2015:143, onder 4) evenals de conclusie van zijn hand van 12 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:461, onder 11.