Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2026:497 ECLI:NL:PHR:2026:497 AI generated

ECLI:NL:PHR:2026:497 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2026:497
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 maart 2022 bij de rechtbank, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte onder A. Het proces-verbaal van bevindingen van 19 februari 2022 van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , pagina’s 1 t/m 10 van het politiedossier, te weten een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met bijlagen van de politie Landelijke Eenheid, team Utrecht, genummerd PL0900-2022049507, opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Landelijke Eenheid, gesloten op 20 februari 2022.

Legislator headnote

AI generated

art. 359a Sv, art. 341 lid 4 sv; ECLI:NL:PHR:2026:497 · Parket bij de Hoge Raad: “Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte volstaat het hof ten aanzien van het ten laste gelegde, conform artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen.

Keywords

AI generated
art. 359a Sv art. 341 lid 4 sv

Cited Legislation

AI generated
art. 359a Sv
Bij aanname dat cliënt door optreden van politie (van gelegenheid dief gemaakt) is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds was gericht, is sprake van schending van het tallon-criterium (uitlokking), wat een vormfout ex art. 359a sv oplevert.
art. 341 lid 4 sv
Bij bewijsuitsluiting, enkel bekennende verklaring over, doch: art. 341 lid 4 sv: bekennende verklaring cl.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2022:1823
afdeling strafrecht parketnummer: 23-000537-21 datum uitspraak: 22 juni 2022 VERSTEK (niet-gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-046374-21 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1985, zonder bekende woon- of verblijfplaats. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
ECLI:NL:GHAMS:2022:3256
afdeling strafrecht parketnummer: 23-000015-21 datum uitspraak: 17 november 2022 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 december 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-295401-20 tegen [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01] 1999, adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2022. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 19 november 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee (2), in elk geval één (lok)tas(sen), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan de Politie Eenheid Amsterdam, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 2. hij op of omstreeks 19 november 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland een of meerdere blikje(s) drank, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [winkel01] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Bespreking van de door de raadsvrouw gevoerde verweren Geldigheid dagvaarding De raadsvrouw heeft met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde aangevoerd dat de dagvaarding onvoldoende specifiek is omdat de processen-verbaal in het politiedossier wat betreft de weggenomen goederen onderling tegenstrijdig zijn én in strijd zijn met het aanvullend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant01] en de door aangever afgelegde verklaring bij de raadsheer-commissaris. De dagvaarding dient daarom ten aanzien van feit 2 partieel nietig te worden verklaard. Het hof verwerpt dit verweer. Blijkens de reactie van de verdachte op de beschuldigingen van de winkeldiefstal, hij heeft verklaard dat hij de twee blikjes gekocht heeft met zijn bankkaart, en de door de verdediging gevoerde verweren, was het voor de verdachte duidelijk waarvan hij werd verdacht en waartegen hij zich diende te verdedigen. Ook overigens voldoet de dagvaarding aan de daarin in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen, zodat deze geldig is. Ontvankelijkheid De raadsvrouw heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het Tallon-criterium is geschonden omdat de verdachte er niet op uit was om (zoiets waardevols als) tassen te stelen. Zijn opzet op deze diefstal is gecreëerd door de inzet van de lokmiddelen door de politie. De actie was speciaal gericht op de verdachte. Dat is in strijd met de richtlijnen. Bovendien kwam de gecreëerde situatie niet overeen met een normaal straatbeeld en stond de in burger geklede politieagent op een grotere afstand van de loktassen dan één meter. Ook ontbrak een ondertekend bevel van de officier van justitie voor de inzet van de lokmiddelen. Het gevolg hiervan is dat de verdachte geen eerlijk proces meer kan hebben en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van feit 1. Het hof gaat op basis van de dossierstukken uit van de volgende gang van zaken. Politieambtenaren van het Prioteam van het Team Openbaar Vervoer bevonden zich op 19 november 2020 op de Dam in Amsterdam. Daar werden zij via de portofoon geattendeerd op een groep van vier mannen, waarvan werd vermoed dat zij zich met zakkenrollen bezig hielden. Een van de politieambtenaren volgde de mannen van de Dam naar het Rokin. Gezien werd dat de mannen stopten bij de [winkel01] , dat twee van hen, onder wie de verdachte, daar naar binnen gingen, dat de verdachte twee blikjes drinken pakte en in zijn jaszak wegmoffelde en dat de andere man onder andere een bakje nootjes in zijn jaszak deed, waarna de mannen zonder te betalen naar buiten liepen. Daarna werd gezien dat de vier mannen weer bij elkaar kwamen, op een bankje bij het water gingen zitten en het gestolen eten en drinken onderling deelden. Vervolgens is op basis van een door de officier van justitie verleend en ondertekend bevel tot inzet van een lokmiddel op het Rokin een fiets geplaatst met op de bagagedrager een lokschoudertas en daarnaast op de grond een lokrugtas. Een politieambtenaar is vervolgens op (ongeveer) een meter afstand van ‘zijn’ fiets gaan staan, zo blijkt ook uit de zich in het dossier bevindende foto van de situatie, en keek vanuit de deuropening van een opticien naar brillen in de winkel. Gezien werd onder meer dat de verdachte een van de andere mannen op de loktassen wees, dat deze man de tassen pakte en de rugtas direct aan de verdachte overgaf, waarna ze wegliepen. Vervolgens zijn deze man en de verdachte aangehouden. Gelet op deze gang van zaken is naar het oordeel van het hof geen sprake van een schending van het zogenaamde Tallon-criterium. Verdachte is door de inzet van het lokmiddel niet gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. Verdachte had immers kort voor de diefstal van de loktassen al een (winkel)diefstal gepleegd. Verder blijkt uit voormelde weergave dat de inzet van de loktassen ook overigens niet op een onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Er was sprake van een natuurlijk straatbeeld, verbalisant stond op (ongeveer) een meter afstand van de loktassen en de inzet van het lokmiddel heeft plaatsgevonden op basis van een door de officier van justitie getekend bevel. Bewijs De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 2 ten laste gelegde omdat het bewijs van deze diefstal onvoldoende overtuigend is. Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat het proces-verbaal van aangifte van 20 november 2020 vragen oproept, welke tijdens het onderzoek niet genoegzaam zijn beantwoord. Het hof zal dat proces-verbaal daarom niet voor het bewijs gebruiken. Dit leidt echter niet tot het oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het hof baseert dit oordeel onder meer op het proces-verbaal van bevindingen van de politieambtenaren [verbalisant02] , [verbalisant03] en [verbalisant01] . Niet aannemelijk is geworden dat [verbalisant01] de diefstal niet heeft kunnen zien vanuit zijn positie voor de winkel, zoals door de raadsvrouw is betoogd. Zijn bevindingen worden bovendien bevestigd door de waarnemingen van de aangever. Bij zijn verhoor door de raadsheer-commissaris heeft de aangever verklaard hoe de diefstal op 19 november 2020 precies is verlopen en dat hij destijds de camerabeelden heeft uitgekeken die zijn waarnemingen en vermoedens bevestigden. Het hof acht daarom ook het onder 2 ten laste gelegde bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op 19 november 2020 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, twee loktassen, die toebehoorden aan de Politie Eenheid Amsterdam, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen; 2. hij op 19 november 2020 te Amsterdam meerdere blikjes drank, die toebehoorden aan [winkel01] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: diefstal. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 bewezen-verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 450,-, subsidiair negen dagen hechtenis, met aftrek van € 50,- per dag in voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal en een diefstal van twee loktassen. Voor beide feiten geldt dat deze naast financiële schade ook overlast met zich meebrengen. Hoewel het in dit geval bij een van de feiten toevalligerwijs om twee zogeheten loktassen ging, levert de diefstal van een rugzak en een schoudertas, waarin zich niet zelden waardevolle goederen zoals betaalmiddelen, sleutels of een telefoon bevinden, in de regel groot ongemak voor de gedupeerde eigenaar op. Het plegen van dergelijke delicten tast ook het gevoel van veiligheid bij bezoekers van het centrum van Amsterdam aan. Op dit soort diefstallen, waarvan toeristen vaak het slachtoffer zijn, dienen daarom straffen van serieus te nemen omvang te volgen, in casu acht het hof daarom een vrijheidsbenemende straf aangewezen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 oktober 2022 was hij ten tijde van deze feiten niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie weken passend en geboden. Het hof gaat daarmee boven de eis van de officier van justitie uit omdat deze naar het oordeel van het hof onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en evenmin in lijn is met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. W.S. Ludwig en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 november 2022. Mr. Kuiper is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
ECLI:NL:HR:2008:BE9817
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
NJ 2009/224
HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9817, NJ 2009/224, HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:62, NJ 2018/232, m.nt.
ECLI:NL:HR:2018:62
23 januari 2018 Strafkamer nr.
NJ 2018/232
HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9817, NJ 2009/224, HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:62, NJ 2018/232, m.nt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02800 Zitting 19 mei 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de verdachte 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 4 juli 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-000963-22) wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 41 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest.

Voorts heeft het hof, in plaats van de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, in de zaken met parketnummers 16-200646-17 en 21-004728-19 een taakstraf voor de duur van respectievelijk 90 uren en 120 uren bevolen. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.J. Lamers, advocaat in Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld. 2Het middel 2.1 De verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van diefstal van een lokportemonnee. Het middel is gericht tegen de verwerping door het hof van het verweer van de verdediging strekkende primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en subsidiair tot bewijsuitsluiting wegens schending van het Tallon-criterium. 3Het gevoerde verweer 3.1 Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2022 het woord gevoerd overeenkomstig de door hem aan het hof overgelegde en aan dat proces-verbaal gehechte pleitnota.

Deze houdt – voor zover hier van belang – het volgende in: “'primair verzoek: OM niet-ontvankelijk; zwaarste rechtsgevolg aan onrechtmatig handelen politie. 1359a Sv geschonden: tallon-criterium Verdediging van mening dat art. 359a Sv is geschonden: vorm verzuimd in voorbereidend onderzoek, die niet meer kan worden hersteld waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken (althans situatie dat vormverzuim/onrechtmatig handelen van bepalende invloed is geweest in verloop opsporingsonderzoek i.c./de vervolging van cliënt in tll feit). Relevant juridisch kader: 359a Sv.

HR 1 december 2020 & HR afvoerpijp. Feitelijke situatie: Inzet lokmiddel (portemonnee) in supermarkt. Koffer met tas erop. Relevant is: hoe lag portemonnee? Cliënt stelt: zag portemonnee open en bloot met briefjes van 50 in zicht liggen (zowel de portemonnee als het aanwezige briefgeld was duidelijk zichtbaar op het moment dat cliënt de uitgang van de winkel passeerde). Juist dat zou hem ertoe hebben gebracht de portemonnee weg te nemen, terwijl zijn opzet aanvankelijk in het geheel niet was gericht op het wegnemen van een portemonnee, noch op zakkenrollen/een vermogensdelict in het algemeen (zoeken van bonnen voor statiegeld).

Verdediging stelt zich op het standpunt dat de kennelijke set-up met dit lokmiddel geen natuurlijk uitziend straatbeeld was en aldus afwijkend was van gewone situatie ter plaatse (niet slechts koffers met tassen, zoals in dossier als voorbeelden zijn bijgevoegd). Op deze manier kan het politieoptreden ook haar rechtvaardiging niet meer vinden in de bestrijding van veelvoorkomende criminaliteit. Ter onderbouwing van standpunt cliënt: heeft raadsman op 21 februari 2022 per mail aan de officier van justitie verzocht: “nader pv omtrent precieze inzet van het lokmiddel, in het bijzonder ten aanzien van het (‘de’) portemonnee, en het daarin aanwezige briefgeld.” In het daarop ontvangen aanvullend pv is wederom niet geheel duidelijk hoe open de tas was (weer van redelijk verre afstand).

Wat wel lijkt op te vallen is dat, in ieder geval meer dan in het eerste pv (PL0900 2022049507, ‘p2’), duidelijk(er) een wit (geld)biljet in beeld is. Hiermee wordt het standpunt van cliënt (dat de portemonnee duidelijk in zicht was) meer bevestigd. Voorts vindt dit standpunt ondersteuning in de opmerking dat naar elkaar gezegd zou zijn ‘kijk een portemonnee’; evenals in het korte tijdspanne waarop, en de latere beschrijving door de politie van hoe, het gebeurd is (niet een waarin de tas wordt opengemaakt). Bij aanname dat cliënt door optreden van politie (van gelegenheid dief gemaakt) is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds was gericht, is sprake van schending van het tallon-criterium (uitlokking), wat een vormfout ex art. 359a sv oplevert. 2Verzoek verbinden rechtsgevolg: (hr afvoerpijp; hr 1 december 2020). i.

Belang geschonden voorschrift: recht op eerlijk proces (6 evrm); zin en zuiverheid rechtshandhaving, rechtsstatelijke waarborg en om opsporingsambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden. ii. Ernst verzuim: gaat niet om bijv. bestrijding van georganiseerde misdrijf, dus gelet op eisen van proportionaliteit en subsidiariteit te ver gegaan. iii. Nadeel verdachte en cliënt getroffen in belang dat geschonden voorschrift poogt te beschermen (schutznorm): in verleiding gekomen en door gelegenheid dief geworden; belang voorschrift o.a. dat burgers niet tot diefstal worden uitgelokt. a.

Primair: niet ontvankelijkheid OM: kan geen sprake meer zijn van eerlijk proces ex 6 evrm; onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces dat niet meer kan worden gecompenseerd; waardoor “the proceedings as a whole were not fair”. Indien OM wel ontvankelijk; subsidiair verzoek: b. Bewijsuitsluiting: bewijs door verzuim verkregen, belangrijk strafvorderlijk voorschrift ernstig is geschonden. Indien OM wel ontvankelijk; rechtsgevolg van bewijsuitsluiting nodig om eerlijk proces te verzekeren, althans vormverzuimen als dezen in de toekomst te voorkomen/structurele vormfout te voorkomen. i.

Bij bewijsuitsluiting, enkel bekennende verklaring over, doch: art. 341 lid 4 sv: bekennende verklaring cl. – dat hij de portemonnee heeft weggenomen; hoewel hij daar voordat hij dit zag liggen niet de intentie had – onvoldoende om tot veroordeling te komen. Conclusie: verzoek bewijsuitsluiting toe te passen en cliënt bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs vrij te spreken. Voor zover wel voldoende wettig en overtuigend bewijs aangenomen: Meer subsidiaire verzoek: t.a.v. geschonden 359a Sv: c. Strafvermindering: Mocht u op basis van voorgaande argumentatie wel een schending van art. 359a sv aannemen en hier nog geen ander rechtsgevolg aan hebben verbonden, verzoek ik u tot strafvermindering over te gaan: sprake van daadwerkelijk nadeel door het verzuim: door uitlokking van gelegenheid dief gemaakt, dit nadeel kan gecompenseerd worden d.m.v. strafvermindering; gerechtvaardigd in licht van het belang van het geschonden voorschrift de ernst van het verzuim.” 3.2 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte in aanvulling daarop onder meer het volgende verklaard:

“Ik verzoek u het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair bewijs uit te sluiten, meer subsidiair te komen tot strafvermindering. De inzet van lokmiddelen schuurt altijd met mijn rechtsgevoel. Kunnen we nou zeggen dat die loktas paste in het normale straatbeeld? Een koffer met een tas daarop [winkelcentrum] komt wel vaker voor, daar kan ik in meegaan. Maar wat als die loktas openstond met daarin een portemonnee waar bankbiljetten uitstaken? Dat vind ik geen normaal straatbeeld, dat vind ik de kat op het spek binden. Stak dat geld uit die portemonnee en werd mijn cliënt dan bewogen tot wat hij al van plan was. (…) De inzet van dit lokmiddel heeft heel gericht plaatsgevonden.

In eerste instantie dacht ik dat een dergelijk middel slecht in een neutrale situatie werd toegepast. De uitspraken van het hof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2022:1823 en ECLI:NL:GHAMS:2022:3256, zien op een situatie waar al duidelijk is dat een verdachte op rooftocht is. En de gebruikte middelen daarbij sluiten beter aan bij het normale straatbeeld.” 4De beslissing van het hof 4.1 Het arrest van het hof houdt – voor zover hier van belang – het volgende in: “Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

Daartoe is aangevoerd dat de politie een lokmiddel op onrechtmatige wijze heeft ingezet. De lokkoffer met de loktas met in een zijvak van die tas een uitstekende lokportemonnee is op zo’n manier geplaatst dat er zichtbaar geld uit de portemonnee stak. Hierdoor paste het lokmiddel niet in het normale straatbeeld. Daarmee is het Tallon-criterium geschonden en is verdachte gebracht tot ander handelen dan waarop zijn opzet was gericht. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging.

Het hof stelt op basis van de beelden vast dat een koffer is geplaatst met daarop een tas en in een zijvak van die tas – duidelijk zichtbaar – een portemonnee. Deze wijze van het inzetten van een lokportemonnee gebeurt vaker en is rechtmatig. Verder is op de beelden te zien dat aan de bovenkant van de portemonnee een witte rand te zien is. Er steekt dus iets uit de portemonnee. Dat uit de portemonnee iets uitsteekt (geld), is niet zo ongebruikelijk dat het niet past in het normale straatbeeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat een meegedragen portemonnee kostbare zaken bevat, zoals contant geld, bankpassen en identiteitsbewijzen, ongeacht of deze zaken nou wel of niet van buitenaf zichtbaar zijn.

Het hof is van oordeel dat verdachte niet is verleid of gebracht tot het begaan van een strafbaar feit, terwijl zijn opzet van tevoren daar niet van tevoren al op was gericht. Daarbij is ook van belang dat verbalisanten het lokmiddel pas hebben ingezet nadat was waargenomen dat [medeverdachte] uit een prullenbak door anderen weggegooide kassabonnen pakte en daarmee de Albert Heijn inliep in gezelschap van verdachte, en de verbalisanten er op grond van deze waarneming van uitgingen dat verdachte en [medeverdachte] kennelijk vermogensdelicten wilden plegen.

Het Tallon-criterium is aldus niet geschonden. De inzet van het lokmiddel was rechtmatig. Het hof acht het openbaar ministerie dan ook wel ontvankelijk in de vervolging. (…) Overweging met betrekking tot het bewijs Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Voor wat betreft het standpunt van de verdediging dat de wijze van het inzetten van het lokmiddel onrechtmatig was en (subsidiair) moet lijden tot bewijsuitsluiting en daarmee tot vrijspraak, verwijst het hof naar het hierboven opgenomen oordeel dat de inzet van het lokmiddel wel rechtmatig was. De bevindingen van de verbalisanten kunnen daarom wel worden gebruikt voor het bewijs. Verdachte heeft het feit bekend. Naar het oordeel van het hof was sprake van medeplegen. Immers, [medeverdachte] wees verdachte op de portemonnee, waarna zij zich gezamenlijk richting de rolkoffer begaven en verdachte de portemonnee heeft gepakt.

Verdachte en [medeverdachte] zijn daarna samen de Albert Heijn uitgelopen. Buiten de Albert Heijn heeft verdachte de portemonnee aan [medeverdachte] overgegeven. Deze omstandigheden maken dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 19 februari 2022 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, een portemonnee (met inhoud), die aan politie (Landelijke Eenheid) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.” 4.2 De door het hof gebezigde bewijsmiddelen zijn in een aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a jo. 415 Sv als volgt weergegeven:

“Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte volstaat het hof ten aanzien van het ten laste gelegde, conform artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen.

1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 maart 2022 bij de rechtbank, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte onder A.

2. Het proces-verbaal van bevindingen van 19 februari 2022 van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , pagina’s 1 t/m 10 van het politiedossier, te weten een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met bijlagen van de politie Landelijke Eenheid, team Utrecht, genummerd PL0900-2022049507, opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Landelijke Eenheid, gesloten op 20 februari 2022.

3. De eigen waarneming van het hof bij de videobeelden, die deel uitmaken van het dossier onder bestandsnaam ‘ [verdachte] Camerabeelden lokportemonnee VID-20230122-WA0004’. Het hof neemt op de beelden waar dat bij de ingang van de Albert Heijn een rolkoffer staat met daarop een schoudertas. In het zijvak van die schoudertas is een portemonnee zichtbaar, waarbij aan de bovenkant van de portemonnee een witte rand is te zien.” 5De bespreking van het middel 5.1 Uit de vaststellingen van het hof komt het volgende naar voren. Verbalisanten zagen dat de [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) bij een Albert Heijn uit een prullenbak weggegooide kassabonnen pakte en daarmee de Albert Heijn inliep in gezelschap van de verdachte.

De verbalisant gingen er op grond van deze waarneming van uit dat de verdachte en [medeverdachte] vermogensdelicten wilden plegen en zijn daarom overgegaan tot het inzetten van een lokmiddel. Zij hebben een koffer met daarop een tas en in een zijvak van die tas – duidelijk zichtbaar – een portemonnee bij de ingang van de Albert Heijn geplaatst. Aan de bovenkant van de portemonnee is een witte rand te zien. [medeverdachte] wees de verdachte op de portemonnee, waarna zij zich gezamenlijk richting de rolkoffer begaven en de verdachte de portemonnee heeft gepakt.

Zij zijn daarna samen de Albert Heijn uitgelopen. Buiten de Albert Heijn heeft de verdachte de portemonnee aan [medeverdachte] overgegeven. 5.2 De verdediging heeft op grond van art. 359a Sv primair verzocht om niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, subsidiair om bewijsuitsluiting (en meer subsidiair om strafvermindering), omdat de inzet van de lokportemonnee onrechtmatig was. Daartoe is aangevoerd dat de wijze van aanbieden van het lokmiddel zozeer afwijkt van het normale straatbeeld, dat de verdachte is gebracht tot een ander handelen dan waarop zijn opzet voorafgaand aan dat handelen was gericht. 5.3 Het hof heeft dit verweer verworpen.

Daarbij heeft het hof vooropgesteld dat de toegepaste inzet van de lokportemonnee vaker gebeurt en rechtmatig is. Naar het oordeel van het hof is de verdachte niet verleid of gebracht tot het begaan van een strafbaar feit, terwijl zijn opzet van tevoren daar niet van tevoren al op was gericht. Het hof achtte de omstandigheid dat iets (geld) uit de portemonnee steekt, niet zo ongebruikelijk dat het niet past in het normale straatbeeld. Volgens het hof is het een feit van algemene bekendheid dat een meegedragen portemonnee kostbare zaken bevat, zoals contant geld, bankpassen en identiteitsbewijzen, ongeacht of deze zaken nou wel of niet van buitenaf zichtbaar zijn.

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat het lokmiddel pas is ingezet nadat de verbalisanten, door het gedrag van de verdachte en [medeverdachte] , de indruk kregen dat zij vermogensdelicten wilden plegen. 5.4 Het middel klaagt in de eerste plaats dat het oordeel van het hof dat de wijze waarop de lokportemonnee is ingezet paste in het normale straatbeeld onjuist en onbegrijpelijk is. Verder wordt betwist dat het een feit van algemene bekendheid is dat een meegedragen portemonnee kostbare zaken bevat, zoals contant geld, bankpassen en identiteitsbewijzen, ongeacht of deze zaken wel of niet van buitenaf zichtbaar zijn.

Tot slot wordt betoogd dat de omstandigheid dat [medeverdachte] weggegooide kassabonnen uit de prullenbak haalde het oordeel dat het opzet van de verdachte gericht was op het stelen van een portemonnee uit een tas, zonder nadere motivering, niet kan dragen. 5.5 Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het plaatsen van een lokfiets teneinde personen die zich schuldig maken aan fietsendiefstal op heterdaad te kunnen betrappen, op zichzelf niet ongeoorloofd is, ook al steunt dit handelen niet op een specifieke wettelijke regeling. Het gebruik van een dergelijk lokmiddel is in het algemeen niet onrechtmatig indien daardoor (a) de verdachte niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht, en (b) de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet zijn geschonden.

De enkele omstandigheid dat het aantreffen van een lokfiets de verdachte op het idee heeft gebracht deze te stelen maakt het plaatsen van die fiets door de politie teneinde aldus personen die zich schuldig maken aan fietsendiefstal op heterdaad te kunnen betrappen niet ongeoorloofd. Aan de omstandigheid dat het aantreffen van een lokfiets de verdachte op het idee heeft gebracht de fiets te stelen kan niet worden ontleend dat verdachtes opzet niet reeds was gericht op het stelen van een fiets. Ik zou menen dat dergelijke uitgangspunten evenzo gelden voor de inzet van een lokportemonnee. 5.6 Anders dan de steller van het middel impliceert, lijkt de Hoge Raad voor de rechtmatigheid van de inzet van een lokmiddel niet van belang te achten of het gebruikte middel ‘een significante afwijking’ vormde ten opzichte van de gewone situatie.

Voor zover het middel tegen dat onderdeel van het oordeel van het hof opkomt, klaagt het daarover reeds hierom tevergeefs. 5.7 Tegen de achtergrond van deze rechtspraak en gelet op de hiervoor aangehaalde vaststellingen van het hof, komt het oordeel van het hof dat de verdachte in de voorliggende zaak niet is verleid of gebracht tot het begaan van een strafbaar feit, terwijl zijn opzet daar niet van tevoren al op was gericht, en aldus de inzet van de lokportemonnee niet onrechtmatig was, mij niet onjuist of onbegrijpelijk voor. In weerwil van het middel kon het hof daarbij onder meer betrekken dat de verbalisanten op grond van hun waarneming van de gedragingen van de verdachte en de medeverdachte ervan uitgingen dat zij kennelijk vermogensdelicten wilden plegen.

Daarbij merk ik nog op dat – hoewel er een zeker verband lijkt te hebben bestaan tussen het eerdere handelen van de verdachten en de inzet van het lokmiddel – het niet zo was dat de inzet van de lokportemonnee specifiek op de verdachten was gericht. De koffer met tas met portemonnee stond bij de ingang van de Albert Heijn (op [station] ). Iedere passant had de portemonnee kunnen stelen, maar alleen de verdachten hebben dat gedaan. 6Slotsom 6.1 Het middel faalt. 6.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Ik merk op dat het hof ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaken met parketnummer 16-200646-17 en 21-004728-19 in strijd met de wet telkens vervangende hechtenis heeft bevolen waarvan de duur langer is dan de duur van de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf. Ik meen echter dat de Hoge Raad de uitspraak van het hof op dit punt niet hoeft te vernietigen, nu het gaat om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten. 6.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Uit de bewijsmiddelen van de rechtbank kan worden afgeleid dat het een vestiging van Albert Heijn op [station] betreft. HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9817, NJ 2009/224, HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:62, NJ 2018/232, m.nt. N. Rozemond en HR 12 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:149. Zie ook randnr. 3 van de noot van Rozemond bij HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:62, NJ 2018/232. Vrij naar Rozemond in zijn eerdergenoemde noot. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:10, NJ 2022/81.