Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2026:473 ECLI:NL:PHR:2026:473 AI generated

ECLI:NL:PHR:2026:473 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2026:473
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04637 Zitting 9 juni 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 27 november 2023 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-004448-19) wegens 2 primair "feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van schuldwitwassen, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een voorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 120 uren, te vervangen door zestig dagen hechtenis. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 23/04688.

Legislator headnote

AI generated

artikel 72 Sr, art. 6 lid 1 EVRM; ECLI:NL:PHR:2026:473 · Parket bij de Hoge Raad: Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan schuldwitwassen. Nu twee kasrondes hebben plaatsgevonden, is sprake van het meermalen plegen van dit feit.” 2.5 Het onder feit 2 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde (feitelijk leiding geven aan) schuldwitwassen is als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 420quater Sr. Op schuldwitwassen was tot 1 januari 2015 een gevangenisstraf van één jaar gesteld. Sinds 1 januari 2015 is op dat misdrijf een gevangenisstraf van twee jaren gesteld. 2.6 Het onder 2 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde feit is volgens de tenlastelegging begaan in of omstreeks de periode van 15 december 201 tot en met 1 november 2016.

Keywords

AI generated
artikel 72 Sr art. 6 lid 1 EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 72 Sr
2.7 Op grond van artikel 70, aanhef en onder 2°, Sr in verbinding met het tweede lid van artikel 72 Sr beloopt de verjaringstermijn wat betreft het tenlastegelegde (feitelijk leiding geven aan) schuldwitwassen ten hoogste tweemaal zes jaren.
art. 6 lid 1 EVRM
Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2013:CA1610
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
ECLI:NL:HR:2026:52
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01932 Datum 20 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 mei 2024, nummer 21-005784-19, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, hierna: de verdachte.
ECLI:NL:GHAMS:2023:2848
afdeling strafrecht parketnummer: 23-004448-19 datum uitspraak: 27 november 2023 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-993031-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de vertegenwoordiger van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 november 2011 tot en met 6 september 2012 te Amsterdam en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, iemand, te weten [bedrijf] , (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) -ter verkrijging van een geldlening in het kader van de Regeling SGO- een opnameformulier Regeling SGO (Doc-000741-000742 en/of Doc-064, pg. 003/004 en/of Doc-000737-000738 en/of Doc-000745/000746) bij [bedrijf] ingediend, dat in strijd met de waarheid (onder meer) inhield dat - [BV 1] B.V., als Startersfonds, een bedrag van 500.000 euro stort aan [BV 2] B.V. in verband met een participatie in deze technostarter. (Doc-000739-000742) - [BV 1] B.V., als Startersfonds, een bedrag van 500.000 euro stort aan [BV 2] B.V. in verband met een participatie in deze technostarter. (Doc-000736-000738) - [BV 1] B.V., als Startersfonds, een bedrag van 500.000 euro stort aan [BV 3] B.V. in verband met een participatie in deze technostarter. (Doc-000743-000746) waardoor verdachte en/of zijn mededader(s) de suggestie heeft/hebben gewekt dat - [BV 1] B.V. en/of haar mededader(s) conform de geldleningsovereenkomst met kenmerk [kenmerk] (Doc-066-001) voor het verkrijgen van participaties eigen geldelijke middelen heeft/hebben ingebracht of zou inbrengen in het investeringsbudget van die technostarter(s) en/of -de participatie(s) genoemd op het/de opnameformulier(en) daadwerkelijk tot die bedragen heeft/hebben plaatsgevonden en/of - [BV 1] B.V recht had op (een) geldlening(en) in het kader van de Regeling SGO, waardoor [bedrijf] is bewogen tot de uitbetaling van (een) geldlening(en) ten bedrage van 750.000 euro, althans enig geldbedrag; 2. primair[BV 2] B.V.in of omstreeks de periode van 15 december 2011 tot en met 1 november 2016 te Amsterdam en/of te Amstelveen en/of te Aerdenhout, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 500.000 euro, in elk geval 200.000 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl [BV 2] B.V. wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot het plegen van genoemd strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven; en/of [BV 3] B.V. in of omstreeks de periode van 21 augustus 2012 tot en met 1 november 2016 te Amsterdam en/of te Amstelveen en/of te Aerdenhout, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 250.000 euro, in elk geval 175.000 euro dan wel 100.000 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl [BV 3] B.V. wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot het plegen van genoemd(e) strafbare feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven; 2. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 15 december 2011 tot en met 1 november 2016 te Amsterdam en/of te Amstelveen en/of te Aerdenhout, althans in Nederland, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 750.000 euro, in elk geval 375.000 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde Naar het oordeel van het hof is niet wettig bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is tenlastegelegd. Het hof zal de verdachte, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd en door de raadsman is verzocht, daarvan vrijspreken. Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde Het hof stelt de volgende redengevende feiten en omstandigheden vast. De verdachte was in de tenlastegelegde periode van 15 december 2011 tot en met 1 november 2016 bestuurder (middellijk, via [BV 4] B.V.) van twee vennootschappen, namelijk [BV 3] (vanaf 1-1-2013) en [BV 2] B.V. (hierna: [BV 2] ). Ook was hij (eveneens middellijk, via [BV 4] B.V.) bestuurder van [BV 5] B.V. De verdachte verrichtte betalingen voor deze vennootschappen, of gaf daartoe opdrachten. De medeverdachte [medeverdachte] was oprichter en (middellijk, via [BV 6] B.V. (verder: [BV 6] )) bestuurder van het startersfonds [BV 1] BV (verder: [BV 1] ). Dit startersfonds had een overeenkomst met het Ministerie van Economische Zaken gesloten in het kader van de Seed Capital regeling, en heeft in het kader van die overeenkomst geldbedragen ontvangen van het Ministerie. Voor het Ministerie voerde [bedrijf] (de rechtsvoorganger van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) de Seed Capital regeling uit. Deze regeling had als doel het door de overheid ondersteunen van startende innovatieve bedrijven bij het verkrijgen van voldoende risicokapitaal. De regeling bood de mogelijkheid voor een startersfonds om een investering in een technostarter voor 50% te financieren met een lening van het ministerie. De overige 50% moest worden gedaan door het fonds. In het kader van de regeling werden door de overheid renteloze leningen verstrekt, waarbij de lening werd uitgegeven voor (maximaal) hetzelfde bedrag als door onafhankelijke investeerders in de innovatieve bedrijven werd geïnvesteerd. Het fonds dat een lening ontving van de overheid, had op grond van de regeling en de gesloten overeenkomst geen aflossings- of terugbetalingsverplichting. Wel moest het fonds een percentage van (eventuele) inkomsten betalen aan de overheid. Door [BV 1] werd tweemaal een opnameformulier bij [bedrijf] ten behoeve van [BV 2] (onder meer handelend onder de naam [naam 1] ) en eenmaal een opnameformulier ten behoeve van [BV 3] ingediend. De bedragen die naar aanleiding van deze opnameformulieren werden uitgekeerd aan [BV 1] bedroegen drie maal € 250.000,00. Diverse bankafschriften in het dossier tonen de daarop volgende geldstromen, waarin de verdachte al dan niet middels de vennootschappen [BV 2] en/of [BV 3] een rol speelde. De verdachte wordt in het onder 2 (onder primair) tenlastegelegde verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan opzetwitwassen dan wel schuldwitwassen van één of meerdere geldbedragen, gepleegd door één of twee vennootschappen, namelijk [BV 2] en [BV 3] . De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde witwassen van drie geldbedragen. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte – net als door de rechtbank – dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde witwassen. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte wist noch had moeten vermoeden dat de van [BV 1] ontvangen gelden van misdrijf afkomstig waren. De verdachte was niet op de hoogte van de verplichtingen van [BV 1] jegens het Ministerie van Economische zaken op grond van de Seed Capital regeling. Hij zelf had geen contractuele relatie met het Ministerie en was ook niet op enige andere manier betrokken bij de overeenkomst tussen [BV 1] en [bedrijf] . Er is geen bewijs dat de verdachte heeft samengewerkt met [BV 1] bij het verkrijgen van de bedragen of dat hij er weet van had dat de stortingen die hij van [BV 1] ontving bedoeld waren om de indruk te wekken dat [BV 1] aan haar (private) investeringsplicht had voldaan. De verdachte heeft ook op geen enkele wijze getracht geldstromen of transacties te verhullen. Het hof overweegt hierover als volgt. Het hof stelt vast dat er, nadat de geldbedragen door [bedrijf] op de bankrekeningen van [BV 1] waren gestort er drie kasrondes – waaronder wordt verstaan het doorboeken van ontvangen gelden – hebben plaatsgevonden, die hieronder zullen worden beschreven. Eerste kasronde (15 t/m 23 december 2011) De eerste kasronde blijkt uit bankafschriften van [BV 2] , [BV 1] , [BV 6] en [BV 5] . In een periode van negen dagen vinden de volgende overboekingen plaats: 15 december 2011 - [bedrijf] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 1] ; 17 december 2011 - [BV 1] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 2] , onder de vermelding “participatie”; 22 december 2011 [BV 2] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 5] onder de vermelding “overeenkomst dd 22/11/2011”; [BV 5] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 6] onder de vermelding “overeenkomst dd 22/11/2011”; 23 december 2011 [BV 6] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 1] onder de vermelding “storting participatie [naam 1]”; [BV 1] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 2] ; [BV 2] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 5] ; en [BV 5] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 6] onder de vermelding “overeenkomst dd 22/11/2011”. Via de hiervoor omschreven manier is het geldbedrag dat [bedrijf] naar [BV 1] heeft overgemaakt via een kasronde binnen ruim een week weer teruggestort op de betaalrekening van [BV 1] , terwijl voor die geldstromen geen grondslag bestond. Dat (ten dele) sprake zou zijn geweest van leningen, acht het hof, mede op het gebrek aan enige onderbouwing daarvan, ongeloofwaardig. Vervolgens is het geld via [BV 2] en [BV 5] uiteindelijk (weer) bij [BV 6] terechtgekomen. Niet is gebleken dat de verdachte ten tijde van de eerste kasronde wetenschap of een vermoeden had van een criminele herkomst van de gelden, evenmin is komen vast te staan dat hij een redelijk vermoeden had moeten hebben. Het hof acht dan ook niet bewezen dat [BV 2] dan wel de verdachte (als feitelijk leidinggever) zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen voor wat betreft (het geld van) de eerste kasronde. De verdachte zal dan ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. De verdachte heeft na de hiervoor beschreven kasronde, te weten op 8 februari 2012, een e-mail gestuurd aan [advocaat], advocaat van [BV 1] en medeverdachte [medeverdachte] , waarin hij laat weten dat het geldbedrag van € 250.000,00 niet naar [naam 1] is gegaan, maar dat [BV 2] wel als vehikel is gebruikt en dat dat nooit zijn bedoeling is geweest. Uit (de bewoordingen in) die e-mail maakt het hof op dat de verdachte in ieder geval vanaf dat moment op zijn minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de gelden die door [BV 2] en [BV 5] zijn ontvangen en zijn doorgestort tijdens de hierna te noemen tweede en derde kasrondes van misdrijf afkomstig waren. Tijdens het doorstorten van de bedragen in deze kasrondes moet de verdachte zich er van bewust zijn geweest dat hij en de vennootschappen ‘als vehikel’ werden gebruikt, en dat het dus niet om reguliere betalingen tussen rechtspersonen ging. Het hof betrekt hierbij dat van een grondslag voor deze betalingen niet is gebleken. Tweede kasronde (23 en 24 juli 2012) De bankafschriften van [BV 2] , [BV 1] , [BV 6] en [BV 5] tonen de volgende overboekingen. 19 juli 2012 - [bedrijf] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 1] ; 23 juli 2012 [BV 1] boekt tweemaal een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 2] onder de vermelding “participatie”; [BV 2] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 5] ; [BV 5] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 6] onder de vermelding “overeenkomst dd 22/11/2011”; [BV 6] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 1] onder de vermelding “lening”; [BV 1] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 2] onder de vermelding “participatie”; 24 juli 2012 [BV 2] boekt een bedrag van € 50.000,00 naar [BV 5] ; [BV 5] boekt een bedrag van € 50.000,00 naar [BV 6] onder de vermelding “overeenkomst dd 22/11/2011”; [BV 2] boekt een bedrag van € 50.000,00 naar de privérekening van de verdachte; en [BV 2] boekt een bedrag van € 145.000,00 naar een andere bankrekening van [BV 2] . Het van [bedrijf] ontvangen geldbedrag van € 250.000,00 is via bovenstaande overboekingen uiteindelijk slechts ten dele bij [BV 2] terechtgekomen. Derde kasronde (6 t/m 13 september 2012) Een derde kasronde wordt zichtbaar in de bankafschriften van [BV 3] , [BV 1] , [BV 6] en [BV 5] . Daaruit blijken de volgende overboekingen: 6 september 2012 [bedrijf] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 1] ; [BV 1] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 3] onder de vermelding “tbv participatie [BV 1] BV”; 9 september 2012 - [BV 3] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 5] onder de vermelding “Overeenkomst dd.16augustus2012”; 10 september 2012 [BV 5] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 6] onder de vermelding “overeenkomst dd 16/8/2012”; [BV 6] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 1] onder de vermelding “lening”; en [BV 1] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [BV 3] onder de vermelding “tbv participatie [BV 1] BV”. Na ontvangst van het geldbedrag op de bankrekening van [BV 3] , heeft de verdachte op 10 september 2012 een iMessage-bericht aan [naam 2] gestuurd, inhoudende “er staat weer EUR 250k op. Zou jij EUR 150k naar [BV 5] willen betalen ( [rekeningnummer 1] ) en EUR 100k aan [BV 2] BV ( [rekeningnummer 2] )?”.De verzochte betaling van € 150.000,00 naar [BV 5] wordt, evenals drie andere overboekingen, in de daarop volgende dagen gedaan. 11 september 2012 [BV 3] boekt een bedrag van € 150.000,00 over naar [BV 5] onder de vermelding “Overeenkomstdd.16augustus2012”; [BV 5] boekt een bedrag van € 75.000,00 over naar [BV 6] onder de vermelding “overeenkomst dd 16/8/2012”; 12 september 2012 - [BV 3] boekt een bedrag van € 100.000,00 over naar [BV 5] ; en 13 september 2012 - [BV 5] boekt tweemaal een bedrag van € 50.000,00 over naar de verdachte. Voornoemde geldstromen maken dat de voor [BV 3] bedoelde gelden ter hoogte van € 250.000,00 uiteindelijk verdeeld zijn over andere rechtspersonen, waaronder [BV 6] , en de verdachte als natuurlijk persoon. Conclusie Het hof is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte ten tijde van de tweede en derde kasrondes op zijn minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de gelden van misdrijf afkomstig waren. De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het uitvoeren van de kasrondes, terwijl hem al wel was gebleken dat er eerder sprake was van het via verschillende rechtspersonen doorboeken van gelden. De stelling van de verdediging dat de verdachte ‘op geen enkele wijze heeft getracht geldstromen of transacties te verhullen’ wordt hiermee als feitelijk onjuist gepasseerd. De stelling van de verdachte dat hij niet kon vermoeden dat [BV 1] zich bezig zou houden met ‘subsidiefraude’ én dat ook niet hoefde te vermoeden wordt op grond van bovenstaande als ongeloofwaardig terzijde gesteld. De verdachte was ten tijde van de kasrondes middellijk bestuurder van [BV 2] en feitelijk de baas bij [BV 3] en heeft verklaard dat hij verantwoordelijk was voor en (aan [naam 2] ) opdracht gaf tot het overmaken van gelden, en voor de hierboven beschreven overboekingen. Het ontvangen en overmaken van geld paste binnen de normale bedrijfsvoering van de beide rechtspersonen. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de onder 2 primair tenlastegelegde gedragingen zijn verricht in de sfeer van deze rechtspersonen en daarmee dat die redelijkerwijs aan de rechtspersonen kunnen worden toegerekend. Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat wettig en overtuigend bewezen is dat [BV 2] en [BV 3] zich schuldig hebben gemaakt aan schuldwitwassen van (tweemaal € 250.000,00) in totaal € 500.000,00. Feitelijk leidinggeven Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld en de rol van de verdachte bij de door de rechtspersonen begane strafbare feiten, stelt het hof vast dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan schuldwitwassen. Nu twee kasrondes hebben plaatsgevonden, is sprake van het meermalen plegen van dit feit. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: [BV 2] B.V. in de periode van 15 december 2011 tot en met 1 november 2016 in Nederland geldbedragen van in totaal 250.000 euro heeft overgedragen, terwijl [BV 2] B.V. redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat geld -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven; en [BV 3] B.V. in de periode van 21 augustus 2012 tot en met 1 november 2016 in Nederland geldbedragen van in totaal 250.000 euro heeft overgedragen, terwijl [BV 3] B.V. redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat geld -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van schuldwitwassen, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De raadsman heeft verzocht geen straf of maatregel op te leggen dan wel een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen feitelijk leidinggeven aan schuldwitwassen. Twee vennootschappen hebben in het kader van de Seed Capital regeling diverse geldbedragen ontvangen van het startersfonds [BV 1] . De vennootschappen speelden een rol in zogenoemde kasrondes waarin de ten behoeve van die vennootschappen ontvangen gelden, die toebehoorden aan [bedrijf] , werden rondgepompt. Middels het doorstorten van de gelden naar verschillende (rechts)personen, waardoor de herkomst van het geld werd verhuld, leverde de verdachte als feitelijk leidinggever van die gedragingen een essentiële bijdrage aan het witwassen van die gelden. Dergelijke witwashandelingen vormen een bedreiging van de legale economie en tasten de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Bovendien hebben de rechtspersonen en verdachte als feitelijk leidinggever daarmee bijgedragen aan het misbruik maken van een investeringsfonds van de overheid. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 oktober 2023 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld en heeft hij na het plegen van het bewezenverklaarde feit geen nieuwe strafbare feiten begaan. Een rechterlijk pardon, zoals door de verdediging verzocht, is gelet op de ernst van de feiten niet aan de orde. Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden, terwijl die overschrijdingen niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen vierentwintig maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen en met een eindarrest binnen vierentwintig maanden nadat hoger beroep is ingesteld. Het hof constateert dat de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep elk langer hebben geduurd dan deze termijnen. Gelet op de overschrijding van ruim een jaar in eerste aanleg en de overschrijding van ongeveer twee jaren in hoger beroep, in combinatie met de ouderdom van de feiten, ziet het hof aanleiding tot vermindering van de taakstraf tot 120 uren, naast voornoemde oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Vordering van de benadeelde partij Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland De benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.300.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en het gevorderde bedrag verlaagd tot € 850.000,00. Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden. Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis. Verklaart de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte de eigen kosten dragen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. M. Lolkema en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 november 2023. mr. M. Lolkema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
ECLI:NL:HR:2022:906
als schriftelijke bescheiden: uittreksels van de Kamer van Koophandel - betreffende [A] BV d.d.
ECLI:NL:HR:2020:838
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 18/03142 Datum 12 mei 2020 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 11 juli 2018, nummer 21/006182-14, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04637 Zitting 9 juni 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 27 november 2023 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-004448-19) wegens 2 primair "feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van schuldwitwassen, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een voorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 120 uren, te vervangen door zestig dagen hechtenis. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 23/04688.

In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. 1.4 Het vierde middel, dat klaagt over de verjaring van het onder 2 primair (impliciet subsidiair) bewezenverklaarde feit, slaagt. Om die reden beperk ik de bespreking van de middelen tot het vierde middel. Ingeval de Hoge Raad anders oordeelt, ben ik graag bereid aanvullend te concluderen. 2Het vierde middel 2.1 Het vierde middel bevat de klacht dat het recht op strafvervolging ten aanzien van (een deel van) de onder 2 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde feiten wegens verjaring is komen te vervallen. 2.2 Aan de verdachte is onder 2 primair ten laste gelegd dat:

“ [A] B.V. in of omstreeks de periode van 15 december 2011 tot en met 1 november 2016 te [plaats] en/of te [plaats] en/of te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 500.000 euro, in elk geval 200.000 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl [A] B.V. wist of redelijkerwijs had moeten, vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot het plegen van genoemd strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven; en/of [B] B.V. in of omstreeks de periode van 21 augustus 2012 tot en met 1 november 2016 te [plaats] en/of te [plaats] en/of te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 250.000 euro, in elk geval 175.000 euro dan wel 100.000 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(eh) gebruik heeft gemaakt, terwijl [B] B.V. wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot het plegen van genoemd(e) strafbare feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;” 2.3 Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:

“ [A] B.V. in de periode van 15 december 2011 tot en met 1 november 2016 in Nederland geldbedragen van in totaal 250.000 euro heeft overgedragen, terwijl [A] B.V. redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat geld -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven; en [B] B.V. in de periode van 21 augustus 2012 tot en met 1 november 2016 in Nederland geldbedragen van in totaal 250.000 euro heeft overgedragen, terwijl [B] B.V. redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat geld -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.” 2.4 Het hof heeft de bewezenverklaring als volgt gemotiveerd:

“Het hof stelt de volgende redengevende feiten en omstandigheden vast. De verdachte was in de tenlastegelegde periode van 15 december 2011 tot en met 1 november 2016 bestuurder (middellijk, via [C] B.V.) van twee vennootschappen, namelijk [B] (vanaf 1-1-2013) en [A] B.V. (hierna: [A] ). Ook was hij (eveneens middellijk, via [C] B.V.) bestuurder van [D] B.V. De verdachte verrichtte betalingen voor deze vennootschappen, of gaf daartoe opdrachten. De [medeverdachte] was oprichter en (middellijk, via [E] B.V. (verder: [E] )) bestuurder van het startersfonds [F] BV (verder: [F] ).

Dit startersfonds had een overeenkomst met het Ministerie van Economische Zaken gesloten in het kader van de Seed Capital regeling, en heeft in het kader van die overeenkomst geldbedragen ontvangen van het Ministerie. Voor het Ministerie voerde AgentschapNL (de rechtsvoorganger van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) de Seed Capital regeling uit. Deze regeling had als doel het door de overheid ondersteunen van startende innovatieve bedrijven bij het verkrijgen van voldoende risicokapitaal. De regeling bood de mogelijkheid voor een startersfonds om een investering in een technostarter voor 50% te financieren met een lening van het ministerie.

De overige 50% moest worden gedaan door het fonds. In het kader van de regeling werden door de overheid renteloze leningen verstrekt, waarbij de lening werd uitgegeven voor (maximaal) hetzelfde bedrag als door onafhankelijke investeerders in de innovatieve bedrijven werd geïnvesteerd. Het fonds dat een lening ontving van de overheid, had op grond van de regeling en de gesloten overeenkomst geen aflossings- of terugbetalingsverplichting. Wel moest het fonds een percentage van (eventuele) inkomsten betalen aan de overheid. Door [F] werd tweemaal een opnameformulier bij AgentschapNL ten behoeve van [A] (onder meer handelend onder de naam [naam] ) en eenmaal een opnameformulier ten behoeve van [B] ingediend.

De bedragen die naar aanleiding van deze opnameformulieren werden uitgekeerd aan [F] bedroegen drie maal € 250.000,00. Diverse bankafschriften in het dossier tonen de daarop volgende geldstromen, waarin de verdachte al dan niet middels de vennootschappen [A] en/of [B] een rol speelde. De verdachte wordt in het onder 2 (onder primair) tenlastegelegde verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan opzetwitwassen dan wel schuldwitwassen van een of meerdere geldbedragen, gepleegd door één of twee vennootschappen, namelijk [A] en [B] . De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde witwassen van drie geldbedragen.

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte - net als door de rechtbank - dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde witwassen. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte wist noch had moeten vermoeden dat de van [F] ontvangen gelden van misdrijf afkomstig waren. De verdachte was niet op de hoogte van de verplichtingen van [F] jegens het Ministerie van Economische zaken op grond van de Seed Capital regeling. Hij zelf had geen contractuele relatie met het Ministerie en was ook niet op enige andere manier betrokken bij de overeenkomst tussen [F] en AgentschapNL.

Er is geen bewijs dat de verdachte heeft samengewerkt met [F] bij het verkrijgen van de bedragen of dat hij er weet van had dat de stortingen die hij van [F] ontving bedoeld waren om de indruk te wekken dat [F] aan haar (private) investeringsplicht had voldaan. De verdachte heeft ook op geen enkele wijze getracht geldstromen of transacties te verhullen. Het hof overweegt hierover als volgt. Het hof stelt vast dat er, nadat de geldbedragen door AgentschapNL op de bankrekeningen van [F] waren gestort er drie kasrondes - waaronder wordt verstaan het doorboeken van ontvangen gelden - hebben plaatsgevonden, die hieronder zullen worden beschreven.

Eerste kasronde (15 t/m 23 december 2011) De eerste kasronde blijkt uit bankafschriften van [A] , [F] , [E] en [D] . In een periode van negen dagen vinden de volgende overboekingen plaats; 15 december 2011 - AgentschapNL boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [F] ; 17 december 2011 - [F] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [A] , onder de vermelding "participatie"; 22 december 2011 - [A] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [D] onder de vermelding "overeenkomst dd 22/11/2011"; - [D] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [E] onder de vermelding "overeenkomst dd 22/11/2011"; 23 december 2011 - [E] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [F] onder de vermelding “storting participatie [naam] "; - [F] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [A] ; - [A] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [D] ; en - [D] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [E] onder de vermelding “overeenkomst dd 22/11/2011".

Via de hiervoor omschreven manier is het geldbedrag dat AgentschapNL naar [F] heeft overgemaakt via een kasronde binnen ruim een week weer teruggestort op de betaalrekening van [F] , terwijl voor die geldstromen geen grondslag bestond. Dat (ten dele) sprake zou zijn geweest van leningen, acht het hof, mede op het gebrek aan enige onderbouwing daarvan, ongeloofwaardig. Vervolgens is het geld via [A] en [D] uiteindelijk (weer) bij [E] terechtgekomen. Niet is gebleken dat de verdachte ten tijde van de eerste kasronde wetenschap of een vermoeden had van een criminele herkomst van de gelden, evenmin is komen vast te staan dat hij een redelijk vermoeden had moeten hebben.

Het hof acht dan ook niet bewezen dat [A] dan wel de verdachte (als feitelijk leidinggever) zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen voor wat betreft (het geld van) de eerste kasronde. De verdachte zal dan ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. De verdachte heeft na de hiervoor beschreven kasronde, te weten op 8 februari 2012, een e-mail gestuurd aan [betrokkene 1] , advocaat van [F] en [medeverdachte] , waarin hij laat weten dat het geldbedrag van € 250.000,00 niet naar [naam] is gegaan, maar dat [A] wel als vehikel is gebruikt en dat dat nooit zijn bedoeling is geweest.

Uit (de bewoordingen in) die e-mail maakt het hof op dat de verdachte in ieder geval vanaf dat moment op zijn minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de gelden die door [A] en [D] zijn ontvangen en zijn doorgestort tijdens de hierna te noemen tweede en derde kasrondes van misdrijf afkomstig waren. Tijdens het doorstorten van de bedragen in deze kasrondes moet de verdachte zich er van bewust zijn geweest dat hij en de vennootschappen ‘als vehikel’ werden gebruikt, en dat het dus niet om reguliere betalingen tussen rechtspersonen ging.

Het hof betrekt hierbij dat van een grondslag voor deze betalingen niet is gebleken. Tweede kasronde (23 en 24 juli 2012) De bankafschriften Van [A] , [F] , [E] en [D] tonen de volgende overboekingen. 19 juli 2012 - AgentschapNL boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [F] ; 23 juli 2012 - [F] boekt tweemaal een bedrag van € 250.000,00 over naar [A] onder de vermelding "participatie"; - [A] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [D] ; - [D] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [E] onder de vermelding “overeenkomst dd 22/11/2011"; - [E] boekt een bedrag van € 250.0000,00 over naar [F] onder de vermelding "lening"; - [F] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [A] onder de vermelding “participatie”; 24 juli 2012 - [A] boekt een bedrag van € 50.000,00 naar [D] ; - [D] boekt een bedrag van € 50.000,00 naar [E] onder de vermelding “overeenkomst dd 22/11/2011"; - [A] boekt een bedrag van € 50.000,00 naar de privérekening van de verdachte; en - [A] boekt een bedrag van € 145.000,00 naar een andere bankrekening van [A] .

Het van AgentschapNL ontvangen geldbedrag van € 250.000,00 is via bovenstaande overboekingen uiteindelijk slechts ten dele bij [A] terechtgekomen. Derde kasronde (6 t/m 13 september 2012) Een derde kasronde wordt zichtbaar in de bankafschriften van [B] , [F] , [E] en [D] . Daaruit blijken de volgende overboekingen: 6 september 2012 - AgentschapNL boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [F] ; - [F] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [B] onder de vermelding "tbv participatie [F] BV"; 9 september 2012 [B] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [D] onder de vermelding “Overeenkomst dd. 16augustus2012”; 10 september 2012 - [D] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [E] onder de vermelding “overeenkomst dd 16/8/2012”; - [E] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [F] onder de vermelding “lening”; en - [F] boekt een bedrag van € 250.000,00 over naar [B] onder de vermelding “tbv participatie [F] BV".

Na ontvangst van het geldbedrag op de bankrekening van [B] , heeft de verdachte op 10 september 2012 een iMessage-bericht aan [betrokkene 2] gestuurd, inhoudende “er staat weer EUR 250k op. Zou jij EUR 150k naar [D] willen betalen ( [rekeningnummer 1] ) en EUR 100k aan [A] BV ( [rekeningnummer 2] ) ?". De verzochte betaling van € 150.000,00 naar [D] wordt, evenals drie andere overboekingen, in de daarop volgende dagen gedaan. 11 september 2012 - [B] boekt een bedrag van € 150.000,00 over naar [D] onder de vermelding “Overeenkomstdd. 16augustus 2012”; - [D] boekt een bedrag van € 75.000,00 over naar [E] onder de vermelding “overeenkomst dd 16/8/2012”; 12 september 2012 - [B] boekt een bedrag van € 100.000,00 over naar [D] ; en 13 september 2012 - [D] boekt tweemaal een bedrag van € 50.000,00 over naar de verdachte.

Voornoemde geldstromen maken dat de voor [B] bedoelde gelden ter hoogte van € 250.000,00 uiteindelijk verdeeld zijn over andere rechtspersonen, waaronder [E] , en de verdachte als natuurlijk persoon. Conclusie Het hof is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte ten tijde van de tweede en derde kasrondes op zijn minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de gelden van misdrijf afkomstig waren. De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het uitvoeren van de kasrondes, terwijl hem al wel was gebleken dat er eerder sprake was van het via verschillende rechtspersonen doorboeken van gelden.

De stelling van de verdediging dat de verdachte ‘op geen enkele wijze heeft getracht geldstromen of transacties te verhullen’ wordt hiermee als feitelijk onjuist gepasseerd. De stelling van de verdachte dat hij niet kon vermoeden dat [F] zich bezig zou houden met ‘subsidiefraude’ én dat ook niet hoefde te vermoeden wordt op grond van bovenstaande als ongeloofwaardig terzijde gesteld. De verdachte was ten tijde van de kasrondes middellijk bestuurder van [A] en feitelijk de baas bij [B] en heeft verklaard dat hij verantwoordelijk was voor en (aan [betrokkene 2] ) opdracht gaf tot het overmaken van gelden, en voor de hierboven beschreven overboekingen.

Het ontvangen en overmaken van geld paste binnen de normale bedrijfsvoering van de beide rechtspersonen. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de onder 2 primair tenlastegelegde gedragingen zijn verricht in de sfeer van deze rechtspersonen en daarmee dat die redelijkerwijs aan de rechtspersonen kunnen worden toegerekend. Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat wettig en overtuigend bewezen is dat [A] en [B] zich schuldig hebben gemaakt aan schuldwitwassen van (tweemaal € 250.000,00) in totaal € 500.000,00. Feitelijk leidinggeven Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld en de rol van de verdachte bij de door de rechtspersonen begane strafbare feiten, stelt het hof vast dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan schuldwitwassen. Nu twee kasrondes hebben plaatsgevonden, is sprake van het meermalen plegen van dit feit.” 2.5 Het onder feit 2 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde (feitelijk leiding geven aan) schuldwitwassen is als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 420quater Sr. Op schuldwitwassen was tot 1 januari 2015 een gevangenisstraf van één jaar gesteld. Sinds 1 januari 2015 is op dat misdrijf een gevangenisstraf van twee jaren gesteld. 2.6 Het onder 2 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde feit is volgens de tenlastelegging begaan in of omstreeks de periode van 15 december 201 tot en met 1 november 2016.

Het hof heeft die periode bewezenverklaard en heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van schuldwitwassen, meermalen gepleegd”. 2.7 Op grond van artikel 70, aanhef en onder 2°, Sr in verbinding met het tweede lid van artikel 72 Sr beloopt de verjaringstermijn wat betreft het tenlastegelegde (feitelijk leiding geven aan) schuldwitwassen ten hoogste tweemaal zes jaren. Daaruit vloeit voort dat het bewezenverklaarde feit is verjaard voor zover dat is begaan twaalf jaar voorafgaand aan het wijzen van het arrest door de Hoge Raad. 2.8 Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat het bewezenverklaarde in de kern betrekking heeft op het (feitelijk leidinggeven) aan het overdragen van 250.000 euro door de rechtspersoon [A] B.V op 23 en 24 juli 2012 en op het (feitelijk leidinggeven) aan het overdragen van 250.000 euro door de rechtspersoon [B] B.V in de periode van 6 tot en met 13 september 2012.

Gelet daarop bestaat er een belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak. 2.9 Vervolgens is de vraag of de Hoge Raad de zaak zelf af kan doen door het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging of dat de zaak dient te worden teruggewezen naar het hof. Deze laatste optie bestaat omdat de tenlastelegging ziet op de periode van 15 december 2011/21 augustus 2012 tot en met 1 november 2016. Nog niet voor die hele periode is de verjaringstermijn van twaalf jaren verstreken. De drie in de bewijsoverwegingen van het hof geïdentificeerde ‘kasrondes’ zijn wel allemaal van meer dan twaalf jaar geleden.

De meest recente dateert van september 2012. 2.10 Het lijkt erop dat de verdachte met een partiële intrekking van het cassatieberoep heeft willen bewerkstelligen dat de zaak voor het niet al verjaarde deel van de tenlastegelegde periode niet meer aan de feitenrechter kan worden voorgelegd, althans dat dit zinloos zou zijn. De intrekking betreft immers de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde, de vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde (opzet)witwassen, de vrijspraak van het onder 2 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde schuldwitwassen t.a.v. enig ander bedrag dan het bewezenverklaarde bedrag van € 250.000,-, de vrijspraak voor zover onder 2 primair cumulatief tenlastegelegd, van het opdracht geven dan wel feitelijk leidinggeven aan het (schuld)witwassen door [B] B.V. en de niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in haar vordering.

Kennelijk is hiermee bedoeld andere witwasgevallen dan de twee bewezen geachte maar inmiddels verjaarde kasrondes, van welke gevallen het hof min of meer impliciet zou hebben vrijgesproken, te onttrekken aan het cassatieberoep en daarmee ook aan het oordeel van de rechter die na een eventuele terugwijzing over de zaak zou moeten oordelen. 2.11 Ik zie echter twee redenen waarom dit gevolg uitblijft. Ten eerste is in cassatie niet uit te sluiten dat met de in de tenlastelegging opgenomen bedragen, ook voor zover het gaat om de bedragen die in de twee kasrondes zijn betrokken, na afloop van die kasrondes nog witwashandelingen zijn verricht, zoals het gebruiken of voorhanden hebben van (gedeelten van) dat geld. 2.12 Ten tweede moet worden voorbijgegaan aan de beperking van het cassatieberoep voor zover die inhoudt dat het niet is gericht tegen het onder 2 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde schuldwitwassen t.a.v. enig ander bedrag dan het bewezenverklaarde bedrag van € 250.000,-.

Ik wijs daartoe op de regel neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, zoals die is toegepast in HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:52. In die zaak was het witwassen van bitcoins tenlastegelegd tot een bedrag van € 3.594.634,56. Dit was het totaalbedrag van een aantal transacties waarbij bitcoins waren omgezet in euro’s. Het hof achtte bewezen dat een deel van dit bedrag (10,65%) een criminele herkomst had. Het sprak daarom vrij van het tenlastegelegde totaalbedrag en achtte bewezen dat de verdachte meermalen witwashandelingen had verricht met “aanzienlijke geldbedragen en aanzienlijke hoeveelheden bitcoins”.

Volgens de cassatieakte was het beroep niet gericht tegen “de beslissingen van het hof omtrent de onderdelen van het (…) tenlastegelegde waarvan het hof de [verdachte] heeft vrijgesproken”. De Hoge Raad ging aan deze beperking voorbij en ik meen dat dat ook in deze zaak dient te gebeuren. 2.13 Gelet hierop bestaat er reden de zaak na gedeeltelijke vernietiging terug te wijzen naar het hof. 3Afronding 3.1 Het vierde middel slaagt. 3.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep is verstreken.

Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Als de Hoge Raad deze conclusie volgt, zal het hof waarnaar de zaak wordt teruggewezen bij de (eventuele) strafoplegging met deze overschrijding rekening kunnen houden. 3.3 Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 3.4 Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de beslissingen over het onder 2 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde, alsmede de strafoplegging en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak met inachtneming van het bovenstaande opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG ECLI:NL:GHAMS:2023:2848. De verdachte is bij vonnis 25 november 2019 door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde. Het cassatieberoep is op 24 december 2025 namens de verdachte partieel ingetrokken. Ik kom hier nog op terug. Stb. 2014, 445. Vgl. 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:906. Vgl. HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:838, waarin de partiële verjaring geen invloed had op de kwalificatie en er geen aanleiding bestond voor vermindering van de opgelegde straf.

Deze partiële intrekking van het cassatieberoep kan ik niet goed plaatsen omdat dit witwassen wel bewezen is verklaard. Ik zie geen aanwijzingen dat het hof de tenlastelegging zo heeft uitgelegd dat de in de tenlastelegging opgenomen bedragen enkel zien op het geld dat in de drie kasrondes is betrokken.