Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2026:468 ECLI:NL:PHR:2026:468 AI generated

ECLI:NL:PHR:2026:468 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2026:468
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01148 Zitting 19 mei 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, hierna: de verdachte 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 28 maart 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001769-21) wegens 1. “als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en 2. “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van het voorarrest.

Legislator headnote

AI generated

art. 141 Sr, art. 437 lid 2 Sv; ECLI:NL:PHR:2026:468 · Parket bij de Hoge Raad: De opmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte geen feitelijke geweldshandelingen heeft gepleegd lees ik niet als een specificatie van de klacht dat de verdachte geen significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd, maar lijkt mij een onderdeel van de in de toelichting opgenomen uiteenzetting van het bestreden oordeel van het hof. Daarbij acht ik van belang dat het staande rechtspraak is dat de voor art. 141 Sr vereiste significante of wezenlijke bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn en het middel uitdrukkelijk niet klaagt over (de juistheid van) het juridisch kader dat het hof heeft gehanteerd.

Keywords

AI generated
art. 141 Sr art. 437 lid 2 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 141 Sr
Daarbij acht ik van belang dat het staande rechtspraak is dat de voor art. 141 Sr vereiste significante of wezenlijke bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn en het middel uitdrukkelijk niet klaagt over (de juistheid van) het juridisch kader dat het hof heeft gehanteerd.
art. 437 lid 2 Sv
2.3 Als een cassatiemiddel in de zin van art. 437 lid 2 Sv kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2022:41
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 21/02362 B Datum 25 januari 2022 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 januari 2021, nummer RK 20/2780, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de klager.
ECLI:NL:HR:2002:AE1171
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 2 april 1999 - de verdachte ter zake van "het medeplegen van: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III (oud)" en "het medeplegen van: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie (oud)" veroordeeld tot één maand gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van éénduizend gulden, subsidiair twintig dagen hechtenis.
ECLI:NL:HR:2001:ZD2434
HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:41, HR 19 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1171 en HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2434, NJ 2001/296.
NJ 2001/296
HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:41, HR 19 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1171 en HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2434, NJ 2001/296.
ECLI:NL:HR:2013:132
2 juli 2013 Strafkamer nr. 12/01887 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 maart 2012, nummer 22/000562-11, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C. Krijger, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2Beoordeling van het middel 2.1. Het middel klaagt onder meer dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat ten aanzien van de verdachte sprake is geweest van het "in vereniging" plegen van openlijk geweld. 2.2.1. Overeenkomstig hetgeen bij inleidende dagvaarding onder 1 subsidiair is tenlastegelegd, is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: "hij op 17 mei 2010 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, de Poolsterstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het: - plaatsen en houden van het hoofd en/of de nek van [slachtoffer] in een krachtige armklem en vervolgens - terwijl [slachtoffer] op de grond ligt, meermalen, telkens met kracht trappen en/of schoppen op/tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] en - meermalen, slaan en/of stompen op/tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer]." 2.2.2.
NJ 2013/407
HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132, NJ 2013/407.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01148 Zitting 19 mei 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, hierna: de verdachte 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 28 maart 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001769-21) wegens 1. “als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en 2. “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van het voorarrest.

Voorts heeft het hof de door de rechtbank opgelegde straf voor het in de zaak met parketnummer 03-702646-17 onder feit 1 bewezen verklaarde feit, welk feit niet aan het oordeel van het hof was onderworpen, bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van een week. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 25/01199, 25/01200, 25/01197, 25/01198, 25/01277, 25/01279, 25/01299, 25/01288, 25/01275, 25/01280 en 25/01146. In die zaken zal ik, voor zover in de zaken middelen zijn ingediend, vandaag ook concluderen. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte.

D. Bektesevic, advocaat in Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. In de toelichting bij het middel staat vermeld dat de toelichting op korte termijn wordt aangevuld. Nadere schriftelijke toelichtingen kunnen ter rolzitting worden overgelegd dan wel tot aan de dag voor de rolzitting worden ingediend (art. 4.3.9.2 Procesreglement). Op 10 februari 2026 heeft de Hoge Raad de steller van het middel bericht dat de eerste zitting (de rechtsdag) in de onderhavige zaak zou plaatsvinden op 24 maart 2026 van dit jaar. Tot op heden is geen toelichting op het cassatiemiddel bij de Hoge Raad binnengekomen. 2Het middel 2.1 Het middel komt op tegen de in de zaak met parketnummer 03-702616-15 onder 2 bewezen verklaarde openlijke geweldpleging in vereniging en bevat de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat het geweld ‘in vereniging’ is gepleegd als bedoeld in art. 141 Sr, in die zin dat de verdachte daaraan een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd, noch dat het opzet van de verdachte op dat geweld was gericht. 2.2 Onder het kopje “Toelichting” worden de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof geciteerd en is een verwijzing opgenomen naar de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

Daarbij wordt verder opgemerkt dat het hof: - aan zijn beslissing het juiste juridisch kader ten grondslag heeft gelegd en het middel daarover niet klaagt; - heeft vastgesteld dat de verdachte geen feitelijke geweldshandelingen heeft gepleegd. Vervolgens wordt in de toelichting de kern van het middel herhaald, namelijk dat uit de bewijsvoering niet genoegzaam kan blijken dat de bijdrage van de verdachte aan het door de medeverdachten gepleegde geweld significant of wezenlijk was dat die bijdrage de conclusie rechtvaardigt dat de verdachte dit geweld ‘in vereniging’ heeft gepleegd.

De toelichting houdt tot slot in dat deze op korte termijn zal worden aangevuld. Zoals gezegd is deze nadere toelichting niet binnengekomen. 2.3 Als een cassatiemiddel in de zin van art. 437 lid 2 Sv kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Dat houdt in dat het cassatiemiddel dient aan te geven waarom de door het hof gegeven beslissing onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn. 2.4 De in het middel neergelegde klachten dat (i) de significante of wezenlijke bijdrage en (ii) het opzet van de verdachte niet uit de bewijsvoering van het hof kan blijken, worden in de schriftuur niet nader geëxpliciteerd.

De opmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte geen feitelijke geweldshandelingen heeft gepleegd lees ik niet als een specificatie van de klacht dat de verdachte geen significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd, maar lijkt mij een onderdeel van de in de toelichting opgenomen uiteenzetting van het bestreden oordeel van het hof. Daarbij acht ik van belang dat het staande rechtspraak is dat de voor art. 141 Sr vereiste significante of wezenlijke bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn en het middel uitdrukkelijk niet klaagt over (de juistheid van) het juridisch kader dat het hof heeft gehanteerd.

Het middel bedoelt dus kennelijk te klagen dat de (niet-gewelddadige) handelingen van de verdachte niet kunnen worden aangemerkt als een significante of wezenlijke bijdrage, maar daarover houdt de schriftuur verder niets in. Datzelfde geldt voor de klacht dat het opzet van de verdachte niet uit de bewijsvoering volgt. 2.5 Bij gebrek aan een nadere toelichting meen ik dat de voorgestelde klachten niet voldoen aan de vereiste mate van duidelijkheid en dat derhalve geen sprake is van een cassatiemiddel als bedoeld in art. 437 lid 2 Sv. Mocht de Hoge Raad daar anders over denken dan meen ik dat het middel zonder nadere toelichting evident kansloos is en om die reden geen behandeling in cassatie rechtvaardigt. 3Slotsom 3.1 Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G In de zaken 25/01200, 25/01198 en 25/01280 zijn geen middelen ingediend en is het cassatieberoep om die reden reeds niet-ontvankelijk verklaard. Zie o.a. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:41, HR 19 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1171 en HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2434, NJ 2001/296. A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2022, p. 270 e.v. Zie o.a. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132, NJ 2013/407. Vgl. HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1451 en de daaraan voorafgaande conclusie van (destijds plv.) A-G Van Wees (ECLI:NL:PHR:2024:653).