Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2026:442 ECLI:NL:PHR:2026:442 AI generated

ECLI:NL:PHR:2026:442 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2026:442
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04185 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 6 november 2024 door het gerechtshof Amsterdam wegens “mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4° en 6° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Legislator headnote

AI generated

art. 440 Sv, art. 410 lid 1 Sv, art. 264 Sv, art. 322 Sv, art. 322 lid 4 Sv; ECLI:NL:PHR:2026:442 · Parket bij de Hoge Raad: Borgers merkt in zijn annotatie op dat wat hem betreft uit dit arrest niet mag worden afgeleid dat de leden 3 en 4 van art. 322 Sv thans (geheel) overeenkomstige toepassing vinden op de procedure na terug- of verwijzing door de Hoge Raad, omdat ook nu uitgangspunt is dat het gerecht waarnaar is terug- of verwezen, het onderzoek ter terechtzitting in zijn geheel opnieuw moet aanvangen. Dat brengt volgens hem “met zich dat er – afgezien van het gebruikmaken van eerder afgelegde verklaringen – geen ruimte bestaat om de concreet in art. 322 lid 4 Sv genoemde beslissingen, voor zover die zijn genomen in de instantie voorafgaande aan de ver- of terugwijzing door de Hoge Raad, in stand te laten in de procedure na ver- of terugwijzing”.

Keywords

AI generated
art. 440 Sv art. 410 lid 1 Sv art. 264 Sv art. 322 Sv art. 322 lid 4 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 440 Sv
art. 410 lid 1 Sv
Dat na terug- of verwijzing van de zaak een geheel nieuwe behandeling dient plaats te vinden, past ook bij de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de niet-toepasselijkheid van art. 410 lid 1 Sv en de daarmee samenhangende bepalingen en het desondanks onverkort gelden van art.
art. 264 Sv
263, tweede tot en met vijfde lid en art. 264 Sv wat betreft de opgave door de verdediging van getuigen.
art. 322 Sv
art. 322 lid 4 Sv

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2024:156
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 21/05187 Datum 13 februari 2024 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 december 2021, nummer 23-002349-17, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, hierna: de verdachte.
ECLI:NL:GHAMS:2023:457
afdeling strafrecht parketnummer: 23-000599-21 datum uitspraak: 23 februari 2023 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-993003-19 tegen [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1971, adres: [adres01] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
ECLI:NL:GHAMS:2024:3060
afdeling strafrecht parketnummer: 23-000329-24 datum uitspraak: 6 november 2024 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadslieden) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 13 februari 2024- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-730038-14 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1973, zonder vaste woon-of verblijfplaats hier te lande, (post)adres: [adres 1] . Procesgang De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 9 december 2021 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan, de verdachte vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en de verdachte ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 2.500,00. De advocaat-generaal heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 13 februari 2024 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde – kort gezegd: medeplegen van mensenhandel – en de strafoplegging en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024. De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadslieden en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover na terugwijzing door de Hoge Raad in hoger beroep nog aan de orde –ten laste gelegd dat: 1.zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 april 2014 te Uithoorn, in elk geval in Nederland en/of te Singapore en/of te Indonesië en/of te Frankrijk en/of te België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: huishoudelijke werkzaamheden en/of au pair werkzaamheden) dan wel met onder eerder genoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan zij, verdachte en/of (één of meer van) haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] /of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: huishoudelijke werkzaamheden en/of au pair werkzaamheden) en/of opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] immers heeft zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (ten aanzien van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] geen en/of weinig inkomsten hadden in hun land van herkomst en/of de financiële verantwoordelijkheid hadden voor hun gezin en/of niet beschikten over een geldige verblijfstitel in Nederland en/of in Nederland niemand kenden waarop zij terug konden vallen/of de Nederlandse en/of de Engelse taal niet machtig waren en/of de weg in Nederland niet kenden - ( (al dan niet via een tussenpersoon) contact gelegd met die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of - die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gevraagd of zij bij haar en/of haar mededader(s) in Nederland in de huishouding en/of als au pair wilde(n)/kon(den) gaan werken en/of - die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gezegd dat zij 300 euro en/of 350 euro en/of zes miljoen roepia per maand zouden kunnen verdienen als kinderoppas en/of met (lichte) hulp in de huishouden en/of dat zij eens per week en/of eens per twee weken een vrije dag zou(den) hebben en/of tegen extra betaling elke dag zou(den) moeten werken en/of - die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gezegd dat zij, verdachte en/of haar mededader(s), de reiskosten voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] van Singapore en/of Indonesië naar Nederland en/of Frankrijk en/of België zou(den) betalen en/of (vervolgens) het visum en/of het ticket voor de reis van Singapore en/of Indonesië naar Nederland en/of Frankrijk en/of België geregeld en/of bekostigd en/of - die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] van het vliegveld in Parijs en/of België en/of Schiphol opgehaald en/of (per auto en/of per trein) naar haar, verdachtes, en/of haar mededaders’ woning gebracht en/of (vervolgens) aldaar gehuisvest (in de woning [adres 2] ) en/of - het paspoort van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] in bewaring genomen en/of op verzoek geweigerd dat paspoort terug te geven en/of - die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] zeven dagen per week, althans nagenoeg dagelijks van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat, laten werken en die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] duidelijk gemaakt dat zij pas zonder haar, verdachte en/of haar mededader(s) naar buiten mocht(en) gaan als het werk in huis klaar was (hetgeen nooit het geval was) en/of (zodoende) belet dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] sociale contacten opbouwde(n) en/of een afhankelijkheidspositie voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gecreëerd en/of in stand gehouden en/of - die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] geen, geen, althans weinig, salaris betaald en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] duidelijk gemaakt dat zij haar, verdachte en/of haar mededader(s) nog eengroot geldbedrag moest(en) betalen vanwege de opgebouwde schuld als zij (voortijdig) weg zou(den) gaan en (zodoende) gedwongen en/of aangemoedigd om bij haar, verdachte en/of haar mededader(s) te blijven wonen en/of te (blijven) werken onder bovengenoemde omstandigheden door welke feiten en/of omstandigheden voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan, waaraan zij zich niet heeft/hebben kunnen onttrekken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Bewijsoverweging Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde. De verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) hebben tezamen en in vereniging door misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie de aangeefsters geworven, vervoerd en gehuisvest. De Hoge Raad heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat niet enkel de meest excessieve vormen van misbruik kunnen worden aangemerkt als arbeidsuitbuiting. Gelet op de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die aan de aangeefsters zijn opgelegd, en het economisch voordeel dat door verdachten is behaald, kan worden vastgesteld dat sprake was van arbeidsuitbuiting. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat ook zonder het vereiste van een ‘excessieve situatie’ vrijspraak dient te volgen. De aangeefsters hebben elkaar over en weer beïnvloed. Volgens de verdediging kan het oogmerk van uitbuiting niet worden bewezen. De aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die deze voor de aangeefsters meebracht, en het economisch voordeel dat de verdachten daarmee zouden hebben behaald waren niet dusdanig dat kan worden gesproken van uitbuiting. Het is de vraag of de aangeefsters daadwerkelijk vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week beschikbaar moesten zijn. Uit het dossier komt niet naar voren dat sprake was van complexe zorg voor de kinderen. Daarnaast zorgden [verdachte] en een andere oppas ook voor de kinderen. De aangeefsters hebben niet consistent verklaard over de beperkingen die de tewerkstelling voor hen meebracht. [verdachte] heeft de paspoorten van de aangeefsters niet onder zich gehouden met als doel de aangeefsters in haar macht te hebben. Daarnaast was het loon naar de maatstaven van de aangeefsters voldoende. Verder kan [medeverdachte] volgens de verdediging niet als medepleger worden aangemerkt. Juridisch kader mensenhandel In artikel 273f, aanhef en eerste lid sub 1º, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is als mensenhandel strafbaar gesteld het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting door aanwending van dwangmiddelen. Ingevolge sub 4º is tevens schuldig aan mensenhandel degene die een ander dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid dan wel enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid. In artikel 273f, aanhef en eerste lid sub 6º, Sr is als mensenhandel strafbaar gesteld het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander. Voor een bewezenverklaring ter zake van het misdrijf als bedoeld in sub 6º is vereist dat het opzet van de verdachte behalve op het voordeel trekken ook (al dan niet voorwaardelijk) gericht was op de uitbuiting van een ander. Dwangmiddelen Om tot een bewezenverklaring van mensenhandel te komen, moet naast deze strafbaar gestelde gedragingen sprake zijn van aanwending van de in sub 1º genoemde dwangmiddelen. Deze kunnen bestaan uit ‘misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’. Deze dwangmiddelen beïnvloeden de wil en dienen te leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid. Een nadere invulling voor het begrip ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ kan worden gevonden in de memorie van toelichting bij één van de voorlopers van de huidige bepaling. Daarin schrijft de wetgever dat een dergelijk misbruik wordt verondersteld indien de prostituee in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Met deze toelichting heeft de wetgever bedoeld het bestanddeel inzake misbruik te objectiveren en daarmee de bescherming van de bepaling uit te breiden. Volgens het zesde lid van artikel 273f Sr dient onder ‘kwetsbare positie’ mede te worden verstaan: “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan”. Een kwetsbare positie kan onder meer het gevolg zijn van illegale binnenkomst of illegaal verblijf of ongedocumenteerde status. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 5 februari 2002 en 27 oktober 2009 uiteen gezet dat uit de omstandigheid dat het slachtoffer illegaal in Nederland verblijft, volgt dat een afhankelijke positie mag worden verondersteld. Uitbuiting Het in artikel 273f lid 1 Sr voorkomende bestanddeel ‘uitbuiting’ is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de ratio van dit (impliciete) bestanddeel van de bepaling is gelegen in strafbaarstelling van een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij. Daarbij kan worden gedacht aan tewerkstelling onder dwang of het misbruik maken van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken. Als voorbeeld wordt genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden. De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van deze bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt (in een geval als dit) onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Opzet Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het bewijs van door ‘misbruik’-handelen toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer als bedoeld in die bepaling. Naast dit opzetvereiste geldt een ander, zwaarder opzetvereiste ten aanzien van de uitbuiting, namelijk in de vorm van het oogmerk van uitbuiting. Feiten en omstandigheden Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte [verdachte] is geboren in [geboorteland] en op haar negentiende naar Nederland geëmigreerd. Ten tijde van het tenlastegelegde woonde zij inmiddels zo’n 20 jaar in Nederland. Zij is getrouwd met de medeverdachte [medeverdachte] . Samen hebben zij drie kinderen: [naam 1] (geboren op [geboortedag 2] 2010), [naam 2] (geboren op [geboortedag 3] 2012) en [naam 3] (geboren in 2014, na de ten laste gelegde periode). [verdachte] heeft daarnaast nog een zoon uit een vorige relatie: [naam 4] (geboren op [geboortedag 4] 1992). In de ten laste gelegde periode was het gezin woonachtig op het adres [adres 2] . [verdachte] en [medeverdachte] zochten hulp bij de verzorging van hun jonge kinderen. Vanwege de medische problemen van hun kinderen, zochten zij iemand die ook ’s nachts beschikbaar was. Omdat het in Nederland moeilijk was om dergelijke hulp te vinden, heeft [verdachte] daartoe contact gelegd met tussenpersonen in Indonesië. Uiteindelijk zijn de aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] (hierna: de aangeefsters) allen op enig moment in de ten laste gelegde periode naar Nederland gekomen, met als doel geld te verdienen met hun werkzaamheden voor [verdachte] en [medeverdachte] . Zij leefden in hun land van herkomst in armoedige omstandigheden en waren dringend op zoek naar werk om hun families financieel te ondersteunen. De aangeefsters zijn met toeristenvisa of transitvisa naar Nederland gereisd. Er is hen geen andere verblijfsrechtelijke titel verleend en er is voor hen geen tewerkstellingsvergunning aangevraagd. [verdachte] en [medeverdachte] hebben de reis naar Nederland bekostigd. Voorafgaand aan de komst naar Nederland heeft [verdachte] telefonisch contact gehad met elk van de aangeefsters. Voor geen van de aangeefsters is een schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. Er waren geen werktijden afgesproken. Wel werden de volgende mondelinge afspraken gemaakt. De aangeefsters zouden bij een werkweek van zeven dagen twee vrije dagen per maand krijgen. Als de aangeefsters op die vrije dagen toch werkten, zouden zij extra geld krijgen. [verdachte] heeft met de aangeefsters afgesproken dat zij een salaris van ongeveer 350 euro per maand zouden verdienen. Toen de aangeefsters ieder voor zich op enig moment in de ten laste gelegde periode aankwamen in Europa (in Parijs, België of op Schiphol), haalde [verdachte] , al dan niet samen met [medeverdachte] , de aangeefsters op en bracht hen naar hun woning in [adres 2]. De aangeefsters hebben allen vervolgens enige tijd gewoond en gewerkt in die woning van de verdachten. De kosten van eten en inwoning werden door [verdachte] en [medeverdachte] gedragen. Hun salaris -voor zover dit werd uitbetaald- werd steeds overgemaakt op rekeningen van anderen dan van aangeefsters, zodat aangeefsters er zelf niet over beschikten. De werkzaamheden van de aangeefsters bestonden uit het zorgen voor (één van) de kinderen van [verdachte] en [medeverdachte] , en taken van huishoudelijke aard. Zoals de verdachte zelf heeft verklaard, moesten de aangeefsters zeven dagen per week beschikbaar zijn, met maximaal twee vrije dagen per maand. Overdag en ’s avonds verrichtten de aangeefsters huishoudelijke taken en/of pasten op de kinderen. Op grond van de verklaringen van de aangeefsters gaat het hof ervan uit dat dat minstens twaalf uur per dag het geval was. Dit aantal uur heeft de verdachte overigens ook niet betwist. Het hof sluit niet uit dat de aangeefsters, zoals door de verdediging is aangevoerd, tussendoor af en toe tijd hadden om op de bank te zitten, te eten of gebruik te maken van hun telefoon. Vaststaat echter dat de aangeefsters ook tijdens die momenten beschikbaar moesten zijn. Dit geldt ook voor het door de verdediging naar voren gebrachte rustmoment tijdens het slapen van de kinderen overdag. Op dat moment hadden de aangeefsters nog steeds niet de vrijheid om te doen wat zij wilden. Zij moesten in de kamer met de kinderen blijven en stil zijn om de kinderen niet wakker te maken. De verdachten hielden er rekening mee dat een van de kinderen in de nacht naar het ziekenhuis gebracht moest worden en wilden voor die mogelijkheid dat er ook ’s nachts hulp van aangeefsters beschikbaar was. De aangeefsters spraken de Nederlandse taal niet. Zij begaven zich doorgaans slechts in het bijzijn van [verdachte] of met de kinderen buiten de woning. Ook moesten de aangeefsters hun paspoort aan [verdachte] afgeven. Het hof gaat, anders dan de verdediging, ervan uit dat de aangeefsters hierna niet de beschikking hadden over hun paspoort. In dat verband acht het hof met name van belang dat [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 heeft verklaard dat het veiliger was om de paspoorten onder haar te nemen omdat de aangeefsters haar kinderen dan niet konden meenemen naar Indonesië. Met deze doelstelling van het innemen van de paspoorten ligt het, naar het oordeel van het hof, in het geheel niet voor de hand dat de aangeefsters hun paspoort tot hun eigen beschikking hadden. Daar komt nog bij dat enkele aangeefsters het gezin hebben verlaten en daarna zijn aangetroffen zonder hun paspoort. Het hof hecht daarom waarde aan de verklaringen van de aangeefsters dat zij geen beschikking hadden over hun paspoort en deze ook niet kregen wanneer zij [verdachte] daar om vroegen. [slachtoffer 1] was in de periode van september 2011 tot ongeveer februari 2012 werkzaam voor [verdachte] en [medeverdachte] . In die periode werkte er drie à vier dagen per week ook een andere oppas: [naam 5] . [slachtoffer 1] heeft na de eerste maand van haar dienstverband twee maandsalarissen van in totaal 700 euro uitbetaald gekregen door overmaking van dat bedrag aan haar familie in Indonesië. [verdachte] heeft daarna namens haar drie keer 200 euro betaald voor [naam 6] (het hof berijpt: een soort gezamenlijk spaarsysteem), maar dit geld heeft ze nooit teruggekregen. [slachtoffer 1] heeft tijdens haar dienstverband één vrije dag opgenomen. In december 2011 heeft [slachtoffer 1] [verdachte] laten weten dat ze weg wilde. [verdachte] heeft tegen haar gezegd dat ze dan 3.000 euro moest betalen wegens gemaakte kosten. De verklaring van [slachtoffer 1] op dit punt wordt ondersteund door sms’jes van [verdachte] waarin zij schrijft dat [slachtoffer 1] dit bedrag moet terugbetalen. [slachtoffer 1] is eind januari, begin februari 2012 vertrokken. [slachtoffer 2] heeft van 10 mei 2012 tot en met oktober 2012 bij [verdachte] en [medeverdachte] gewerkt. Zij heeft het salaris van drie maanden uitbetaald gekregen. Het geld is - op verzoek van [slachtoffer 2] - betaald aan een vriendin in Indonesië. De overige maanden heeft zij niet uitbetaald gekregen. Tijdens haar tewerkstelling heeft zij een maand samen met een tante voor de kinderen gezorgd. [slachtoffer 2] heeft voorts ook een periode gelijktijdig met [naam 5] gewerkt. Zij is in oktober 2012 vertrokken na een ruzie met [medeverdachte] . Later heeft [verdachte] haar gevraagd of ze weer wilde komen werken. Dat heeft ze gedaan, in december 2013. Ze werkte daar toen gelijktijdig met de hierna te noemen [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] heeft bij [verdachte] en [medeverdachte] verbleven en gewerkt in de periode van augustus 2013 tot december 2013. Zij heeft ongeveer 130 euro betaald gekregen. [slachtoffer 3] heeft dit geld voor extra gewerkte dagen ontvangen. Het geld is gestort op de rekening van de ouders van [slachtoffer 3] . Verder heeft ze geen salaris ontvangen. In een gedeelte van de periode dat [slachtoffer 3] bij [verdachte] en [medeverdachte] werkte, werkte er ook een andere oppas. [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben gelijktijdig bij [verdachte] en [medeverdachte] gewoond en gewerkt. Zij zijn samen in maart 2014 begonnen en hebben daar gewerkt tot aan het moment van de aanhouding van de verdachten op 29 april 2014. Zij hebben het salaris voor de maand maart 2014 uitbetaald gekregen op een rekening in Indonesië. [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben geen vrije dagen gehad of opgenomen. De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster in hun geheel onbetrouwbaar zijn en daarom niet als bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof volgt dit standpunt niet, reeds omdat de inhoud van een zeer groot deel van de verklaringen overeenkomt met de inhoud van de verklaringen van de verdachte en door de verdediging dan ook niet wordt betwist. Waar de verklaringen wel zijn betwist en door het hof als bewijs worden gebruikt, heeft het hof hierboven gemotiveerd waarom het de verklaring op dat specifieke punt tevens betrouwbaar acht. Wat de verdediging ten aanzien van de mogelijke onderlinge beïnvloeding van de aangeefsters heeft aangevoerd, doet evenmin af aan de feiten en omstandigheden zoals in het voorgaande door het hof vastgesteld. Daarbij geldt ook hier dat de hiervoor aangenomen feiten grotendeels niet worden betwist door de verdediging. Op de enkele punten waarop de feiten afwijken van het door de verdediging geschetste scenario, heeft het hof deze afwijking niet enkel gebaseerd op door de verdediging betwiste verklaringen van de aangeefsters. Oordeel van het hof Handelingen en dwangmiddelen Gelet op de bovenstaande vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte] door misbruik te maken van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters hen hebben geworven, vervoerd en gehuisvest, en hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en au pair werkzaamheden. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de aangeefsters zich in een situatie bevonden die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren. De aangeefsters verbleven illegaal in Nederland en hadden niet de beschikking over hun paspoorten. Zij spraken geen Nederlands, en waren onbekend met de Nederlandse cultuur en samenleving. Er was geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. De aangeefsters kwamen uit armoedige omstandigheden in Indonesië en hadden in Nederland geen beschikking over hun inkomen. Zij waren hierdoor voor huisvesting, eten en communicatie afhankelijk van de verdachten. Ook is een aantal aangeefsters voorgehouden dat zij een schuld moesten betalen aan verdachten als zij (voortijdig) zouden vertrekken. Met de advocaat-generaal concludeert het hof dat de aangeefsters zich in een kwetsbare positie bevonden en dat er sprake was van een uit de feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van misleiding van de aangeefsters door de verdachten. Ten aanzien van de vraag of [verdachte] en [medeverdachte] zich bewust moeten zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de aangeefsters waaruit dit overwicht en deze kwetsbare positie voortvloeiden, overweegt het hof als volgt. [verdachte] komt uit [geboorteland] en woonde al geruime tijd in Nederland. Zij is getrouwd met [medeverdachte] , een Nederlandse man. Zij heeft enige tijd in Nederland gewerkt en kan dus bekend worden verondersteld met de arbeidsmarkt en werkomstandigheden die in Nederland de norm zijn. Zij wist ook dat vrouwen die in Indonesië als kinderoppas werken het niet breed hebben. Ook de overige hierboven genoemde omstandigheden waren haar bekend. Ook [medeverdachte] wist dat de aangeefsters afkomstig waren uit Indonesië en de Nederlandse taal niet spraken. Ook moet hij kennis hebben gehad van de zeer lage bedragen die zijn uitbetaald aan de aangeefsters, zeker in verhouding tot de uren die zij werkten en beschikbaar moesten zijn. [medeverdachte] deed immers de financiële administratie van het gezin. Daarnaast wist [medeverdachte] dat de paspoorten van de aangeefsters niet door henzelf werden bewaard. Over de verblijfsstatus van de aangeefsters heeft [medeverdachte] verklaard dat hij er vanuit ging dat [verdachte] dit – al dan niet met de hulp van een bureau – goed geregeld had. Het hof hecht aan deze verklaring geen waarde. Aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning en tewerkstellingsvergunning worden strenge voorwaarden gesteld. Dit is een algemeen bekend feit. Daar komt bij dat [medeverdachte] – blijkens aangetroffen formulieren en garantstellingen – veelvuldig betrokken was bij de IND-procedures van Indonesische familieleden die op bezoek kwamen bij [verdachte] . Hij was bovendien de kostwinner en degene die de administratie deed. Dat [medeverdachte] ervan uitging dat [verdachte] in een periode van enkele jaren voor vijf huishoudelijke hulpen een verblijfsstatus en een tewerkstellingsvergunning had kunnen verkrijgen zonder dat [medeverdachte] daarbij werd betrokken (in het bijzonder voor het aanleveren voor de administratieve bescheiden), acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. In dat kader is ook nog opvallend dat [medeverdachte] zich ook niet heeft bekommerd om de fiscale afwikkeling van de betalingen aan de aangeefsters. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan dan dat [medeverdachte] zich bewust is geweest van de verblijfsstatus van de aangeefsters. Met deze kennis moet [medeverdachte] hebben geweten dat de aangeefsters van de verdachten afhankelijk waren. Het hof concludeert dat beide verdachten misbruik hebben gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters. (Oogmerk van) uitbuiting Vervolgens ligt de vraag voor of sprake was van (het oogmerk van) uitbuiting. Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat gelet op de aard en de duur van de tewerkstelling, de beperkingen die deze voor de aangeefsters heeft meegebracht, en het economisch voordeel dat daarmee door [verdachte] en [medeverdachte] is behaald, kan worden vastgesteld dat sprake is van (het oogmerk van) uitbuiting. De aangeefsters moesten vanaf ’s ochtens vroeg, zeven dagen per week beschikbaar zijn, met maximaal twee vrije dagen per maand. Ook verwachtten de verdachten dat er ’s nachts hulp beschikbaar was voor het geval een van de kinderen ziek was of naar het ziekenhuis moest. Voor deze zeer vergaande mate van beschikbaarheid en het werk dat gedaan moest worden, ontvingen de aangeefsters een naar Nederlandse maatstaven heel laag salaris, dat bovendien niet of slechts gedeeltelijk werd uitbetaald. De aangeefsters maakten lange dagen; zij hielden zich van ’s ochtends vroeg tot in de avond bezig met de verzorging van de kinderen en huishoudelijke werkzaamheden. Vanwege de gezondheidsproblemen van de kinderen hadden zij meer zorg nodig, hetgeen het werk intensiever maakte. De aangeefsters begaven zich doorgaans slechts in het bijzijn van [verdachte] of met de kinderen buiten de woning. Alleen al omdat de aangeefsters in verregaande mate voor het gezin beschikbaar moesten zijn hadden zij weinig vrijheid. Daar komt bij dat de aangeefsters op uitnodiging van de verdachten illegaal in Nederland waren en door toedoen van de verdachten niet over hun paspoort en inkomen beschikten. Een aantal van hen is gezegd dat zij bij voortijdig vertrek een groot bedrag aan de verdachten zouden moeten terugbetalen. De aangeefsters bevonden zich bovendien in een land dat zij niet kenden en spraken geen Nederlands. Aldus werden de aangeefsters door de door de verdachten gecreëerde omstandigheden feitelijk sterk in hun bewegingsvrijheid beperkt. Dat het afgenomen paspoort drie van de aangeefsters uiteindelijk niet heeft belet bij de verdachten weg te gaan, doet daar niet aan af. De verdachten hebben een aanzienlijk economisch voordeel behaald met de tewerkstelling van de aangeefsters. Omdat in Nederland geen specifieke en algemeen verbindende cao voor inwonend huispersoneel voor de uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden en kinderverzorging bestaat, ziet het hof aanleiding om voor het bepalen van het economisch voordeel bij het minimumloon aansluiting te zoeken. Het minimumuurloon tussen 2011 en 2014 lag tussen de € 8,22 en € 8,63. [slachtoffer 1] heeft in totaal 146 dagen gewerkt, [slachtoffer 2] 174 dagen, [slachtoffer 3] 173 dagen en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] 43 dagen. Zoals reeds in het voorgaande besproken, gaat het hof ervan uit dat zij minstens twaalf uren per dag hebben gewerkt. Gelet op het aantal uren dat de aangeefsters hebben gewerkt, het minimumloon dat destijds gold, het beperkte salaris dat wel door [verdachte] is uitbetaald en de door de verdachten gemaakte kosten, is het hof van oordeel dat sprake was van een aanzienlijk economisch voordeel. Het hof is dan ook op grond van alle voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat sprake is van uitbuiting. Dat de verdachten hiertoe bovendien het oogmerk hebben gehad blijkt uit hun handelen. Nadat [verdachte] bemerkte dat een 24 uur per dag beschikbare hulp in Nederland moeilijk te verkrijgen is, ging zij daarnaar op zoek in Indonesië. Vervolgens hebben de verdachten de aangeefsters bewust de hiervoor genoemde lange dagen laten werken, hebben zij zelf in overwegende mate de beperkingen veroorzaakt en hebben zij aanzienlijk economisch voordeel behaald. Op grond van het voorgaande is het hof eveneens van oordeel dat het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van de aangeefsters bewezenverklaard kan worden. Medeplegen Ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt het hof als volgt. Betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof het volgende af. [verdachte] was degene die, al dan niet met behulp van een tussenpersoon, contact legde met de aangeefsters in Indonesië en ervoor zorgde dat zij naar Nederland konden komen. Zij sprak dezelfde taal als de aangeefsters, zij stuurde hen aan en zij was hun aanspreekpunt. [medeverdachte] was zich bewust van de reden waarom gebruik is gemaakt van Indonesische vrouwen. Hij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij de kinderen niet naar een opvang in Nederland hadden gebracht. Dat had te maken met cultuurverschil en met opvattingen over hygiëne. Het inschakelen van Indonesische mensen die in Nederland woonden, werkte niet goed. Zij waren ’s nachts niet aanwezig, zo verklaarde [medeverdachte] , terwijl het mogelijk was dat de verdachten ’s nachts acuut naar het ziekenhuis moesten. [medeverdachte] heeft samen met [verdachte] [slachtoffer 1] opgehaald op Schiphol, en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in België. De aangeefsters woonden en werkten in het huis waar zowel [verdachte] als [medeverdachte] woonachtig waren. [medeverdachte] was dus dagelijks getuige van de omstandigheden waaronder de aangeefsters werkten, profiteerde van de door de aangeefsters verrichtte werkzaamheden en werkte mee aan hun huisvesting door de aangeefsters toe te staan in de woning te verblijven. Dat hij niet of nauwelijks met de aangeefsters communiceerde, doet daar niet aan af. [medeverdachte] deed de financiële administratie van het gezin en was kostwinner. Hij moet dus op de hoogte zijn geweest van de financiële situatie van het gezin, de kosten die ten behoeve van de aangeefsters zijn gemaakt en de salarissen die (deels) zijn uitbetaald aan de aangeefsters. Daarnaast wist [medeverdachte] ook waar de paspoorten van de aangeefsters werden bewaard. Dit vonden hij en [verdachte] naar eigen zeggen veilig. [medeverdachte] heeft hiermee bijgedragen aan de totstandkoming, de verdere verwezenlijking en de instandhouding van de uitbuiting van de aangeefsters. Dat het initiatief voor het werven mogelijk meer uitging van [verdachte] , doet hier niet aan af. De verdachten vervulden ieder een eigen, elkaar over en weer aanvullende rol. Het hof is dan ook van oordeel dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] is komen vast te staan en dat het ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen verklaard. Lex certa Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, indien het hof tot een bewezenverklaring van het oogmerk van uitbuiting komt, dit leidt tot schending van het lex certa-beginsel. De verdediging heeft zich in de onderbouwing van het verweer niet zozeer verzet tegen het oordeel van de Hoge Raad dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft toegepast en evenmin gesteld dat dit oordeel redelijkerwijs niet voorzienbaar was. De verdediging stelt, zo begrijpt het hof, dat het hof op basis van het arrest van de Hoge Raad niet tot een bewezenverklaring van mensenhandel hoeft te komen en dat een bewezenverklaring daarom – in samenhang met de onduidelijkheid omtrent de strekking van de wetsbepaling – tot een onaanvaardbare mate van rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid leidt. Het hof verwerpt dit beroep. Allereerst merkt het hof op dat het beginsel niet in de weg staat aan de geleidelijke verfijning van de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid langs de weg van rechterlijke uitlegging, zolang die uitlegging redelijkerwijs kan worden voorzien. De Hoge Raad heeft in zijn arrest overwogen dat het gehanteerde vereiste van een “excessieve situatie” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is een nadere invulling van de uitleg van de wetsbepaling die de Hoge Raad tot dan toe hanteerde. Er is dan ook sprake van een verfijning als hiervoor bedoeld. Dat het hof vervolgens op basis van die verfijning tot een andere weging van de feiten en omstandigheden komt, kan niet alsnog tot een schending van het beginsel leiden. Daarbij merkt het hof nog op dat de Hoge Raad niet enkel heeft overwogen dat een vereiste van een “excessieve situatie” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, maar ook dat de vrijspraak kennelijk berust op de onjuiste opvatting dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, geen bewezenverklaring van mensenhandel toelaten. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.zij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 april 2014 in Nederland en/of te Indonesië en/of te Frankrijk en/of te België tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en voornoemde [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] telkens met één van de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten: huishoudelijke werkzaamheden en/of au pair werkzaamheden, en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] immers heeft zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander ten aanzien van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , terwijl zij, verdachte en haar mededader wisten dat die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] weinig inkomsten hadden in hun land van herkomst en/of de financiële verantwoordelijkheid hadden voor hun gezin en niet beschikten over een geldige verblijfstitel in Nederland en/of in Nederland niemand kenden waarop zij terug konden vallen of de Nederlandse en/of de Engelse taal niet machtig waren en de weg in Nederland niet kenden - al dan niet via een tussenpersoon contact gelegd met die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en - die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gevraagd of zij bij haar en haar mededader in Nederland in de huishouding en/of als au pair wilden werken en - die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gezegd dat zij 300 euro en/of 350 euro en/of zes miljoen roepia per maand zouden kunnen verdienen als kinderoppas en/of met (lichte) hulp in het huishouden en/of dat zij eens per twee weken een vrije dag zouden hebben en/of tegen extra betaling elke dag zouden werken en - die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gezegd dat zij, verdachte en haar mededader, de reiskosten voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] van Indonesië naar Nederland zouden betalen en vervolgens het visum en het ticket voor de reis van Indonesië naar Nederland geregeld en bekostigd en - die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in Parijs en/of België en/of van Schiphol opgehaald en per auto of per trein naar haar, verdachtes en haar mededaders’ woning gebracht en vervolgens aldaar gehuisvest in de woning (aan de) [adres 2] en - het paspoort van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in bewaring genomen en op verzoek geweigerd dat paspoort terug te geven en - die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] nagenoeg dagelijks van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat laten werken en een afhankelijkheidspositie voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gecreëerd en in stand gehouden en - die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] weinig salaris betaald en [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] duidelijk gemaakt dat zij haar, verdachte en/of haar mededader nog een groot geldbedrag moesten betalen vanwege de opgebouwde schuld als zij (voortijdig) weg zouden gaan en zodoende aangemoedigd om bij haar, verdachte en haar mededader te blijven wonen en te blijven werken onder bovengenoemde omstandigheden door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] een afhankelijkheidssituatie is ontstaan, waaraan zij zich niet hebben kunnen onttrekken. Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4° en 6° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan de duur van voorarrest, eventueel aangevuld met een volledig voorwaardelijke straf. Daarnaast heeft hij in strafmatigende zin verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de duur van de procedure en de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat de Hoge Raad het arrest van het hof van 9 december 2021 heeft vernietigd wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging. Nu de Hoge Raad de strafoplegging in het geheel heeft vernietigd, dient het hof derhalve een straf op te leggen voor zowel het onder 1 bewezenverklaarde, als het reeds eerder door het hof onder 2 en 3 bewezenverklaarde. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel, mensensmokkel en het tewerkstellen van vijf illegaal in Nederland verblijvende vrouwen. Gedurende een langere periode heeft zij op verschillende momenten vrouwen uit Indonesië laten overkomen om te laten werken in het gezin van haar en haar echtgenoot, de medeverdachte. De vrouwen zorgden voor hun kinderen en verrichten huishoudelijke werkzaamheden. Zij maakten lange dagen en moesten zeven dagen per week beschikbaar zijn. Zij kregen niet of nauwelijks vrij en hun zeer lage salaris werd niet of slechts deels uitbetaald. De vrouwen spraken de Nederlandse taal niet en hun paspoorten waren door de verdachten ingenomen. Voor huisvesting, eten en communicatie waren de vrouwen afhankelijk van de verdachten, omdat zijzelf geen beschikking hadden over geld. Door aldus te handelen hebben de verdachten ernstig misbruik gemaakt van de afhankelijke en kwetsbare positie waarin zij de vrouwen hebben gebracht en hen in hun persoonlijke vrijheid aangetast. Als gevolg van de uitbuiting van deze goedkope arbeidskrachten waren de verdachten in staat aanzienlijk te besparen op arbeidskosten. Zij hebben kennelijk enkel oog gehad voor hun eigen financiële gewin en hebben zich niet bekommerd om de schade die hun handelen aan de vrouwen heeft toegebracht. Daarbij hebben zij bewust de garanties aan hun laars gelapt die de Nederlandse wetgeving biedt op het terrein van beloning en werktijden. Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, enkel een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Het hof heeft de indruk gekregen dat de verdachte het laakbare van haar handelen niet inziet. Daarom acht het hof een voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw op deze wijze au pairs of huishoudelijke hulp voor zich te laten werken. In beginsel acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend. Het hof houdt echter in strafmatigende zin rekening met de volgende omstandigheden. Bij de strafoplegging houdt het hof er ten voordele van de verdachten rekening mee dat artikel 273f Sr in 2013 is gewijzigd, waarbij onder meer de maximum straf is verhoogd. Deze wijziging trad op 15 november 2013 in werking. Nu het onder 1 ten laste gelegde deels voor die datum is gepleegd, zal het hof de eerdere bepaling als richtsnoer nemen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 oktober 2024 is zij niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. De verdachte kan daarom worden aangemerkt als first offender. Verder houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep zijn toegelicht en die uit het dossier naar voren komen. De lengte van de strafprocedure heeft haar sporen nagelaten op haar mentale welzijn. Het werk van haar echtgenoot viel weg en er werd beslag gelegd op hun rekeningen. Uiteindelijk zijn zij daarom met hun gezin naar [land] verhuisd waar zij nog steeds woonachtig zijn. Haar echtgenoot probeert werk te vinden als [werk] en de verdachte zorgt voor hun drie kinderen. Op dit moment hebben zij het niet breed. Daarnaast stelt het hof vast dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De verdachte is op 29 april 2014 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 29 juni 2017 vonnis gewezen. In eerste aanleg is aldus sprake geweest van een overschrijding van de redelijke termijn. Vervolgens heeft de verdachte hoger beroep ingesteld op 4 juli 2017, waarna het hof op 9 december 2021 arrest heeft gewezen. Ook in deze fase was aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Hierna heeft het openbaar ministerie op 16 december 2021 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 13 februari 2024 arrest gewezen, het arrest van het hof partieel vernietigd en teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam. Ook in de cassatiefase is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof zal deze overschrijdingen van de redelijke termijn – van in totaal 3 jaar en 9 maanden – verdisconteren in de strafmaat. Het hof acht alles afwegende, en in het bijzonder rekening houdende met de ouderdom van de feiten, de overschrijding van de redelijke termijn, de lange duur van de strafprocedure en de nadelige gevolgen die de procedure voor het leven van de verdachte heeft gehad, een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Beslag Het hof zal gelasten dat de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen worden teruggegeven aan de verdachte: een sealbag met daarin documenten (beslagnummer 4749382); een telefoonabonnement, Lycamobile (beslagnummer 4749653); 21 aparte reisbescheiden omtrent Parijs (beslagnummer 4748511). Vordering van de benadeelde partijen De benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben zich ieder in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vorderingen zijn als volgt opgebouwd: [slachtoffer 1] : Materieel: € 6.051,80 aan gederfde inkomsten; Immaterieel: € 1.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. [slachtoffer 2] : Materieel: € 7.119,00 aan gederfde inkomsten; Immaterieel: € 1.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. [slachtoffer 3] : Materieel: € 5.333,25 aan gederfde inkomsten; Immaterieel: € 7.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.333,35, bestaande uit € 5.333,25 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Op 3 juli 2017 en 13 juli 2017 is onderscheidenlijk door de verdachte en het openbaar ministerie tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De benadeelde partij heeft zich in die fase van het proces niet opnieuw gevoegd. Op 20 juni 2020 is de benadeelde partij overleden. De advocaat van de benadeelde partij heeft namens de erfgenaam ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 te kennen gegeven dat de oorspronkelijke vordering wordt gehandhaafd. Na terugwijzing heeft de advocaat zich namens de erfgenaam opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering door middel van een wensenformulier van 3 april 2024. Het hof overweegt dat de vordering op de voet van artikel 6:106, tweede lid, tweede volzin, BW vatbaar is voor overgang onder algemene titel op de erfgenaam, maar dat het strafgeding niet voorziet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van de benadeelde partij overneemt. Dat brengt met zich dat, nu de vordering bij vonnis niet in haar geheel is toegewezen, deze voor het gedeelte dat in eerste aanleg is toegewezen kan worden beoordeeld, omdat deze op grond van het bepaalde in artikel 421, tweede lid, Sv in hoger beroep van rechtswege voortduurt. [slachtoffer 4] : - Materieel: € 1.807,10 aan gederfde inkomsten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. [slachtoffer 5] : - Materieel: € 1.807,10 aan gederfde inkomsten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd de vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] volledig toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de advocaat-generaal gevorderd deze toe te wijzen tot een bedrag van € 7.833,25, bestaande uit € 5.333,25 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Oordeel van het hof Materieel Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachten rechtstreeks materiële schade hebben geleden, bestaande uit gederfde inkomsten. De verdediging heeft de vorderingen inhoudelijk niet betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen tot de gevorderde bedragen aan materiële schade zullen worden toegewezen. Immaterieel De benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben naast materiële schade ook vergoeding van immateriële schade gevorderd. Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals opgenomen in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW brengt mee dat de benadeelde partij onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in de eer of goede naam, is het de vraag of een benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast in de zin van voornoemd artikel. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake als de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval geestelijk letsel is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor het aannemen van een aantasting in de persoon op andere wijze is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. De benadeelde partijen hebben in hun vordering ieder voor zich - kort gezegd - aangevoerd dat zij hebben geleden doordat de situatie die hen van tevoren was voorgespiegeld, in werkelijkheid anders bleek te zijn. Zij moesten lange dagen maken, hadden weinig vrij en kregen niet of te weinig betaald. Zij hadden geen enkele privacy, voelden zich minderwaardig en de verstandhouding met de verdachten was slecht. [slachtoffer 3] heeft daarnaast aangevoerd dat zij gezondheidsklachten heeft gekregen door de omstandigheden waarin zij terecht is gekomen. Dat [slachtoffer 3] lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het onder 1 tenlastegelegde, acht het hof onvoldoende onderbouwd. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben niet aangevoerd dat zij door het onder 1 tenlastegelegde lichamelijk letsel hebben opgelopen. Nu evenmin sprake is van schade in de eer of goede naam, ligt de vraag voor of de benadeelde partijen ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast. Gelet op het bovenstaande juridisch kader acht het hof hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van voornoemd artikel. Zo zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid en doet zich hier niet een situatie voor waarin uit de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan reeds volgt dat van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat in de onderhavige zaak geen wettelijke grondslag bestaat voor vergoeding van de gevorderde immateriële schade. De vorderingen zullen dan ook in zoverre worden afgewezen. Conclusie Het voorgaande houdt in dat het hof als volgt beslist op de vorderingen. [slachtoffer 1] De vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.051,80, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen. [slachtoffer 2] De vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.119,00, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen. [slachtoffer 3] De vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 5.333,25, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen. [slachtoffer 4] De vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.807,10, bestaande uit materiële schade. [slachtoffer 5] De vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.807,10, bestaande uit materiële schade. Het hof zal de vorderingen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen data en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 197a, 197c en 273f van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1. een sealbag met daarin documenten (beslagnummer 4749382); 2. een telefoonabonnement, Lycamobile (beslagnummer 4749653); 3. 21 aparte reisbescheiden omtrent Parijs (beslagnummer 4748511). Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.051,80 (zesduizend eenenvijftig euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.051,80 (zesduizend eenenvijftig euro en tachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 januari 2012. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.119,00 (zevenduizend honderdnegentien euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.119,00 (zevenduizend honderdnegentien euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 70 (zeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 oktober 2012. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.333,25 (vijfduizend driehonderddrieëndertig euro en vijfentwintig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.333,25 (vijfduizend driehonderddrieëndertig euro en vijfentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 61 (eenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 december 2013. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 april 2014. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 april 2014. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.I.M. van Bergen, mr. E. de Greeve en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2024. De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […] […] Kamerstukken II, vergaderjaar 1988/89, 21 027, nr. 3, p. 3 en 4 (MvT). Het dwangmiddel ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ vindt zijn oorsprong in artikel 250a (oud) Sr, dat is geïncorporeerd in artikel 273a (oud) Sr; het huidige artikel 273f Sr, met dien verstande dat dit dwangmiddel in artikel 273f Sr als ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ is terechtgekomen. Deze voorbeelden volgen uit: Kamerstukken II, vergaderjaar 2011/12, 33 309, nr. 3, p. 16 (MvT). Kamerstukken II, vergaderjaar 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 18 (MvT). Memorie van Toelichting bij artikel 273a (oud) Sr. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, r.o. 2.6.1 (Chinese horeca); herhaald in HR 11 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:534 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, r.o. 2.5.1. (Chinese horeca) HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099 (Chinese horeca)
ECLI:NL:HR:2004:AN7638
De bestreden beschikking De Rechtbank heeft het door klaagster ingediende klaagschrift strekkende tot opheffing van in België en Luxemburg gelegde beslagen niet-ontvankelijk verklaard wat betreft het beslag ten aanzien van "[A] N.V." en voor het overige ongegrond verklaard. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur, houdende een middel van cassatie, ingediend. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klaagster niet-ontvankelijk zal verklaren in het beroep en subsidiair - bij aanvullende conclusie - tot verbetering van de bestreden beschikking en verwer-ping van het beroep voor het overige.
ECLI:NL:HR:2014:1496
1 juli 2014 Strafkamer nr. 13/00445 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 2 januari 2013, nummer 23/003375-10, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
NJ 2014/441
het overzichtsarrest van de Hoge Raad inzake het oproepen en horen van getuigen ter terechtzitting van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04185 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 6 november 2024 door het gerechtshof Amsterdam wegens “mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4° en 6° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van een aantal in beslag genomen voorwerpen en heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/04186. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. 2De procesgang 2.1 De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor (onder meer) het meermalen medeplegen van mensenhandel.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 9 december 2021 vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van mensenhandel (en haar veroordeeld voor de overige twee ten laste gelegde feiten). De advocaat-generaal bij het hof heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. 2.2 Bij arrest van 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:156 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam vernietigd omdat – kort gezegd – de vrijspraak “kennelijk op de onjuiste opvatting [berust] dat slechts de meest excessieve vormen van misbruik kunnen worden aangemerkt als arbeidsuitbuiting en dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang beschouwd, daarom geen bewezenverklaring van de tenlastegelegde mensenhandel toelaten”.

De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof, “maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging” en wees de zaak terug naar het hof Amsterdam “opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan”. Na terugwijzing van de zaak heeft het hof Amsterdam de verdachte veroordeeld voor het meermalen medeplegen van mensenhandel, tegen welke veroordeling het huidige cassatieberoep zich richt. 3Het eerste middel 3.1 In het middel wordt geklaagd dat de afwijzing van het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte] als getuige te horen op de grond dat de verdediging reeds tijdens de inhoudelijke behandeling van de eerste procedure in hoger beroep afstand van voornoemde getuige heeft gedaan, onjuist dan wel onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen is omkleed. 3.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021, op welke terechtzitting de zaak werd behandeld in de procesfase voorafgaande aan de eerste cassatieprocedure bij de Hoge Raad, houdt onder meer in:

“De voorzitter maakt voorts melding van het e-mailbericht van mr. I.N. Weski van 11 november 2021, houdende de mededeling dat de verdediging in de zaak van de verdachte [verdachte] afstand doet van het horen van [medeverdachte] als getuige, en houdende onderzoekswensen, te weten het verzoek tot het afspelen van videobestanden op de terechtzitting van heden, het horen van de aangeefsters als getuigen en het horen [betrokkene 1] als getuige. Voorts maakt de voorzitter melding van de bij e-mailbericht van 12 november 2021 door de advocaat-generaal gegeven reactie op deze onderzoekswensen, inhoudende dat zij zich verzet tegen het horen van alle verzochte getuigen.

Deze correspondentie is eveneens in de dossiers gevoegd.” 3.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024, op welke terechtzitting de zaak na terugwijzing door de Hoge Raad werd behandeld, houdt onder meer het volgende in, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel: “De voorzitter maakt melding van de volgende bij het hof ingekomen stukken. In de zaken van beide verdachten: - een e-mailbericht van de raadsman van 17 oktober 2024, inhoudende een aantal verzoeken tot nader onderzoek en het verzoek de zitting van heden een regiekarakter te geven; (…) De raadslieden worden in de gelegenheid gesteld de verzoeken om onderzoek, aangekondigd in de mail van 17 oktober 2024, te doen naar voren te brengen en toe te lichten.

Mr. Weski voert in beide zaken het volgende aan: Ik verzoek namens beide cliënten de volgende personen te horen als getuige: (…) 19. Beide cliënten over en weer in elkaars zaken. (…) Aangezien het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, is het criterium van het verdedigingsbelang aan de orde. Dit geldt echter niet voor de getuigen die reeds zijn gehoord. (…) Tot slot wenst de verdediging beide cliënten te horen in elkaars zaken. De verdediging wenst vragen te stellen over de paspoorten van de aangeefsters en eventueel over het wel of niet behaalde economisch voordeel.

Met betrekking tot het horen van [verdachte] in de zaak van [medeverdachte] merk ik in het bijzonder het volgende op. De rol van [medeverdachte] lag net iets anders. [verdachte] was degene die contact legde met personen in Indonesië. Zij sprak de taal. In de verklaringen van de aangeefsters staat ook dat zij geen contact hadden met [medeverdachte] . De ruzie die in de app-berichten te lezen is, speelde zich niet af tussen [medeverdachte] en de aangeefsters. [verdachte] dient in de zaak van [medeverdachte] dus te worden gehoord over wat zijn rol was.

U houdt mij voor dat [verdachte] hierover eerder is gehoord. Dat klopt. De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld haar standpunt met betrekking tot de onderzoekswensen van de verdediging kenbaar te maken. Zij voert het volgende aan: Gelet op het tijdstip van het indienen van de verzoeken, dienen de verzoeken te worden getoetst aan het noodzaakscriterium. De raadslieden hadden de verzoeken eerder kunnen indienen. Ik verwijs naar een arrest van uw hof van 23 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:457. Het gaat erom of de ‘procedure as a whole’ eerlijk is geweest.

Ik meen dat alle verzoeken dienen te worden afgewezen. (…) Ook het horen van de verdachten in elkaars zaken (verzoek 19) is eerder ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2018 verzocht door de verdediging. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 en 25 november 2021 lees ik op pagina 3 dat de verdediging in de zaak van [verdachte] afstand heeft gedaan van het horen van [medeverdachte] als getuige, die niet ter terechtzitting aanwezig was. Ik verwijs naar het arrest van uw hof uit 2023 dat ik zojuist heb genoemd en verzoek u dit verzoek om proceseconomische redenen af te wijzen.

De verdediging wenst de verdachten in elkaars zaken te horen over de paspoorten. Ik verwijs naar pagina A 06 191 van het procesdossier, waar staat beschreven dat [medeverdachte] tijdens het binnentreden de paspoorten uit een plastic tas uit de kast haalde. Het is duidelijk dat [medeverdachte] wist waar de paspoorten lagen. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 verklaard dat zij bang was dat de aangeefsters zouden vertrekken met haar kinderen. Het is duidelijk dat zij de paspoorten had ingenomen. Daarom zie ik geen noodzaak tot het horen van de verdachten in elkaars zaken. (…) De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op het standpunt van de advocaat-generaal dat het noodzaakscriterium van toepassing is.

Hij deelt in dat verband mede: Wij zijn van mening dat het criterium van het verdedigingsbelang geldt, tenzij de verzochte getuigen al eerder zijn gehoord. Dat geldt ook voor het verzoek om [medeverdachte] in de zaak van [verdachte] te horen als getuige, ook al heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 afstand gedaan van het horen van [medeverdachte] in de zaak van [verdachte] .” 3.4 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024 heeft het hof het verzoek van de verdediging om de medeverdachte [medeverdachte] te horen als volgt afgewezen:

“Het verzoek tot het horen van de verdachten in elkaars zaken (verzoek 19) wordt afgewezen. De verdediging heeft in de zaak van [verdachte] reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 afstand gedaan van het horen van [medeverdachte] als getuige. Om die reden wordt het verzoek om [medeverdachte] in de zaak van [verdachte] te horen afgewezen. (…) Evenmin ziet het hof in de arresten van de Hoge Raad in onderhavige zaken aanleiding om de verdachten (nogmaals) in elkaars zaak te horen als getuige.” 3.5 In de toelichting op het middel wordt met twee klachten opgekomen tegen ‘s hofs afwijzing van het getuigenverzoek. 3.6 De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof “louter lijkt te rusten op de door de verdediging in eerdere procesfase gedane afstand van deze getuige”, terwijl “niet of niet zonder meer gesteld kan worden dat deze afstand of waiver zich ook uitstrekt tot de procesfase na terugwijzing door de Hoge Raad”. 3.7 Het hof heeft, zoals hiervoor onder randnummer 3.4 reeds is weergegeven, aan zijn afwijzing van het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte] als getuige te horen ten grondslag gelegd dat “[d]e verdediging (…) reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 afstand [heeft] gedaan van het horen van [medeverdachte] als getuige”.

Gelet daarop meen ik dat deze klacht als een rechtsklacht moet worden opgevat – inhoudende dat ’s hofs afwijzing van het verzoek om [medeverdachte] als getuige te horen op de (enkele) grond dat de verdediging reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 afstand heeft gedaan van het horen van [medeverdachte] als getuige, op de onjuiste rechtsopvatting berust dat als de verdediging in hoger beroep (ondubbelzinnig) afstand heeft gedaan van het horen een getuige en de zaak vervolgens door de Hoge Raad wordt beoordeeld en teruggewezen of verwezen naar het hof om – in ieder geval ten aanzien van de beslissingen over het ten laste gelegde feit waarop het getuigenverzoek ziet – opnieuw te worden berecht en afgedaan, de verdediging in de daaropvolgende procedure in hoger beroep niet kan terugkomen van deze afstand en het opnieuw verzoeken om deze getuige te horen met andere woorden (onder alle denkbare omstandigheden, waaronder derhalve alle denkbare motiveringen van zo’n verzoek) zinloos is. 3.8 Ik stel het volgende voorop.

In het geval dat in een cassatieprocedure de Hoge Raad een uitspraak vernietigt en de zaak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, op de voet van art. 440 Sv terugwijst naar het hof of verwijst naar een ander hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan, is het de taak van de rechter die na verwijzing of terugwijzing moet oordelen om het onderzoek binnen de uit de beslissing van de Hoge Raad voortvloeiende grenzen “geheel opnieuw aan te vangen en te voltooien, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit”. Voor de beoordeling van de voorliggende rechtsopvatting is van belang te weten wat onder het ‘geheel opnieuw aanvangen en voltooien’ in de hier bedoelde zin moet worden verstaan en welk ‘tegendeel’ mogelijk uit de wet voortvloeit. 3.9 Corstens schrijft dat onder “opnieuw berechten en afdoen” moet worden verstaan “dat de zaak weer terugkeert naar de stand waarin deze zich bevond voordat het rechtsgeding in de instantie waarvan de beslissing is vernietigd, aanving.” Het betekent een geheel nieuwe behandeling met het oog op de op de voet van art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen.

Met AG Van Dorst meen ik dat vernietiging van een rechterlijke einduitspraak “impliceert dat die uitspraak niet meer bestaat en dat ook het onderzoek dat daaraan vooraf is gegaan, geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden” en dat dit tot gevolg heeft “dat de rechter naar wie de zaak wordt verwezen, zelfstandig een geheel nieuw onderzoek dient in te stellen”. Die rechter is met andere woorden “in geen enkel opzicht gebonden door (tussen)beslissingen van de eerdere rechter noch door gedragingen van procespartijen of derden op de eerdere zitting”.

Daaruit vloeit volgens Van Dorst voort dat de verdachte vrij is in het betrekken van zijn – al dan niet nieuwe – positie, zoals het voeren van een (niet eerder aangevoerd) verweer. Dat na terug- of verwijzing van de zaak een geheel nieuwe behandeling dient plaats te vinden, past ook bij de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de niet-toepasselijkheid van art. 410 lid 1 Sv en de daarmee samenhangende bepalingen en het desondanks onverkort gelden van art. 263, tweede tot en met vijfde lid en art. 264 Sv wat betreft de opgave door de verdediging van getuigen. 3.10 Het voorgaande betekent echter niet dat gebeurtenissen op de eerdere zitting nadien geen enkele rol meer kunnen of mogen spelen, omdat het enkele feit dat de einduitspraak is vernietigd nog niet betekent dat de eerdere zitting alsnog geacht wordt niet te hebben bestaan.

De rechter mag na terug- of verwijzing van de zaak tijdens het onderzoek ter terechtzitting aandacht besteden aan hetgeen op een eerdere terechtzitting is voorgevallen en daarbij kennisnemen van het daarvan opgemaakte proces-verbaal, mits de rechter louter tot zijn oordeel komt op de grondslag van zijn ter terechtzitting opnieuw verrichte en voltooide onderzoek. Wel mag hij gebruikmaken van op de eerdere terechtzitting afgelegde getuigenverklaringen. Het voorgaande “laat echter onverlet dat hetgeen daar is geschied nadien nog slechts bij hoge uitzondering een rol kan spelen.

Want vernietiging van een rechterlijke beslissing is op zichzelf al een sanctie die tot gevolg heeft dat ook fouten waarop de vernietiging niet steunt, nadien in beginsel niet meer relevant zijn”. 3.11 Uit het voorgaande moet mijns inziens worden afgeleid (a) dat het de verdediging vrijstaat om na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad een nieuwe positie te betrekken, (b) dat zij derhalve getuigenverzoeken mag doen die zij eerder niet zinvol achtte en (c) dat haar daarom door de rechter niet kan worden tegengeworpen dat zij in de procesfase voorafgaande aan de beoordeling van de zaak door de Hoge Raad reeds afstand heeft gedaan van het horen van een getuige (en evenmin dat het verzoek om die getuige te horen derhalve moet worden verworpen).

Hieruit vloeit voort dat de hiervoor onder randnummer 3.7 weergegeven rechtsopvatting van het hof onjuist is en dat de afwijzing van het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte] te horen op de grond dat de verdediging reeds tijdens de inhoudelijke behandeling van de eerste procedure in hoger beroep afstand van deze getuige heeft gedaan, op een onjuiste rechtsopvatting berust. Het middel klaagt daarover terecht. 3.12 Gelet op het slagen van deze klacht meen ik dat de tweede deelklacht (inhoudende dat na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad sprake is “van de door Keulen genoemde situatie dat er een ander licht is geworpen op de feiten en omstandigheden (…) bij het begin van de berechting – in casu de eerste procedure in hoger beroep – [zo]dat verdachte en diens raadsman niet aan die eerdere afstandsverklaring kunnen worden gehouden”), geen bespreking meer behoeft.

Datzelfde geldt voor het tweede cassatiemiddel waarin wordt geklaagd over het oordeel van het hof met betrekking tot de schending van de redelijke termijn in de feitelijke instanties. Mocht de Hoge Raad hierover anders denken, dan ben ik bereid aanvullend te concluderen. 4Afronding 4.1 Het eerste middel is terecht voorgesteld, zodat het tweede middel niet behoeft te worden besproken. 4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer 23-000329-24 (ECLI:NL:GHAMS:2024:3060). Deze rechtsklacht is in (de toelichting op) het middel niet nader gemotiveerd. Een rechtsklacht behoeft echter niet te worden gemotiveerd: Vgl. HR 2 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7638 in combinatie met de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Jörg van 4 november 2003. In cassatie is onbestreden dat de verdediging op die terechtzitting ‘afstand heeft gedaan’ van het horen van [medeverdachte] als getuige. Vgl. het overzichtsarrest van de Hoge Raad inzake het oproepen en horen van getuigen ter terechtzitting van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt.

M.J. Borgers, rov. 2.69 en oudere arresten zoals HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308 m.nt. T.M. Schalken, rov. 5.3 en HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3964, NJ 2010/262 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.3. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 1045, waarin hij verwijst naar HR 26 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9867, NJ 1988/261, m.nt. G.J.M. Corstens en HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6253, NJ 2007/286, m.nt. D.H. de Jong. Dat leid ik af uit HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4270.

Zie zijn conclusie voorafgaande aan HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308, m.nt. T.M. Schalken, randnr.

5. Vgl. HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3964, NJ 2010/262 m.nt. P.A.M. Mevis, HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5546, NJ 2013/34, rov. 3.3 en 3.4 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.70-2.72. Vgl. de conclusie van A-G Van Dorst voorafgaande aan HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308, m.nt. T.M. Schalken, randnr 6. HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308, m.nt. T.M. Schalken, rov. 5.4. Vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0403, NJ 2011/607, m.nt. M.J. Borgers.

Borgers merkt in zijn annotatie op dat wat hem betreft uit dit arrest niet mag worden afgeleid dat de leden 3 en 4 van art. 322 Sv thans (geheel) overeenkomstige toepassing vinden op de procedure na terug- of verwijzing door de Hoge Raad, omdat ook nu uitgangspunt is dat het gerecht waarnaar is terug- of verwezen, het onderzoek ter terechtzitting in zijn geheel opnieuw moet aanvangen. Dat brengt volgens hem “met zich dat er – afgezien van het gebruikmaken van eerder afgelegde verklaringen – geen ruimte bestaat om de concreet in art. 322 lid 4 Sv genoemde beslissingen, voor zover die zijn genomen in de instantie voorafgaande aan de ver- of terugwijzing door de Hoge Raad, in stand te laten in de procedure na ver- of terugwijzing”.

Dat spreekt volgens hem ook voor zich, nu de reden voor cassatie de onjuistheid van één van die beslissingen kan betreffen. Vgl. de conclusie van A-G Van Dorst voorafgaande aan HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308, m.nt. T.M. Schalken, randnr.

7. De stellers van het middel wijzen op de conclusie van Keulen van 3 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:630, randnrs. 53 en 56, waarin hij schrijft dat als de verdediging “expressly and in an unequivocal manner” afstand doet van het ondervragingsrecht, daaraan, in het geval later alsnog om een getuigenverhoor wordt verzocht, betekenis kan worden gehecht bij de vraag of het verhoor van op de terechtzitting nog niet gehoorde getuigen noodzakelijk is, maar dat daarbij wel een vereiste is dat deze afstand van het horen van de getuigen ofwel ‘waiver’ “plaatsvindt in full awareness of the facts of the case. Indien de berechting ander licht werpt op de feiten en omstandigheden die bij het begin van de berechting bekend waren, en tegen de achtergrond waarvan afstand van het ondervragingsrecht is gedaan, kunnen de verdachte en zijn raadsman daar niet langer aan gehouden worden. Het is daarbij aan de raadsman om over het voetlicht te brengen welke feiten en omstandigheden meebrengen dat de verdediging niet langer aan de eerdere afstand van recht gebonden is.”