Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2026:305 ECLI:NL:PHR:2026:305 AI generated

ECLI:NL:PHR:2026:305 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2026:305
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/02737 Zitting 27 maart 2026 CONCLUSIE B.J. Drijber In de zaak van [betrokkene] , verzoeker tot cassatie, hierna: betrokkene, advocaat: mr. G.E.M. Later, tegen De Officier van Justitie in het Arrondissementsparket Gelderland, verweerder in cassatie, hierna: de officier van justitie, niet verschenen. 1Inleiding en samenvatting 1.1 In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank na een referteverklaring van betrokkene een aanvullende zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden. In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank heeft beslist na het verlopen van de wettelijke beslistermijn van drie weken, zodat zij geen aansluitende zorgmachtiging kon verlenen voor de duur van twaalf maanden, maar slechts voor de duur van zes maanden. 1.2 Naar mijn mening slaagt het cassatieberoep.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2026:305 · Parket bij de Hoge Raad: Die zaak is door de Hoge Raad zelf afgedaan door te bepalen dat de betreffende zorgmachtiging slechts kon worden verleend voor maximaal zes maanden, hetgeen in de onderhavige zaak ook dient te gebeuren (1.4). 3.3 Ik stel het volgende voorop. 3.4 Artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Een zorgmachtiging die aansluit op een zorgmachtiging verleend voor zes maanden kan door de rechter worden verleend voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz). 3.5 Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBGEL:2025:7360
beschikking RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats: Arnhem Zaakgegevens: C/05/453803 / FA RK 25-2283 Datum uitspraak: 31 juli 2025 Beschikking zorgmachtiging naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van: [naam betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,hierna te noemen betrokkene,wonend in [woonplaats] ,advocaat mr. M.A. Smits te Nijmegen. 1Procesverloop 1.1.
ECLI:NL:HR:2025:86
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 24/03476 Datum 17 januari 2025 BESCHIKKING In de zaak van [betrokkene], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, hierna: betrokkene, advocaat: G.E.M.
ECLI:NL:HR:2026:398
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 25/01917 Datum 13 maart 2026 BESCHIKKING In de zaak van [betrokkene], wonende te [plaats], VERZOEKER tot cassatie, hierna: betrokkene, advocaat: G.E.M.
ECLI:NL:HR:2024:1811
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 24/03324 Datum 6 december 2024 BESCHIKKING In de zaak van [betrokkene], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, hierna: betrokkene, advocaat: G.E.M.
ECLI:NL:HR:2021:818
Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/16/506684/FA RK 20-4466 van de rechtbank Midden-Nederland van 10 augustus 2020 en naar de beschikking in de zaak C/10/602131/FA RK 20-6049 van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2020. Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift is aan deze beschikking gehecht. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van 27 augustus 2020 en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad op de wijze als vermeld onder 3.8 en 3.9 in de conclusie. 2Uitgangspunten en feiten 2.1 In deze uitspraak komt aan de orde of de rechter een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder b, Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna:
NJ 2021/234
3.3 en 3.4, onder vergelijkende verwijzing naar HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:818, NJ 2021/234, m.nt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/02737 Zitting 27 maart 2026 CONCLUSIE B.J. Drijber In de zaak van [betrokkene] , verzoeker tot cassatie, hierna: betrokkene, advocaat: mr. G.E.M. Later, tegen De Officier van Justitie in het Arrondissementsparket Gelderland, verweerder in cassatie, hierna: de officier van justitie, niet verschenen. 1Inleiding en samenvatting 1.1 In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank na een referteverklaring van betrokkene een aanvullende zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden. In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank heeft beslist na het verlopen van de wettelijke beslistermijn van drie weken, zodat zij geen aansluitende zorgmachtiging kon verlenen voor de duur van twaalf maanden, maar slechts voor de duur van zes maanden. 1.2 Naar mijn mening slaagt het cassatieberoep.

De kwestie van het overschrijden van de wettelijke beslistermijn (na referteverklaring van betrokkene) is meermaals in cassatie aan de orde geweest. Ik meen dat de Hoge Raad ook deze zaak zelf kan afdoen door te bepalen dat de zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal zes maanden.

2. Feiten en procesverloop 2.1 Op 25 februari 2025 heeft de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met uiterlijk 25 augustus 2025. 2.2 Bij verzoekschrift, binnengekomen op 4 juli 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen voor de duur van twaalf maanden. Bij het verzoekschrift zijn diverse bijlagen gevoegd, waaronder de medische verklaring van de onafhankelijk psychiater, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. 2.3 Op 14 juli 2025 heeft de rechtbank een e-mailbericht van de advocaat van betrokkene ontvangen met een referteverklaring en een verzoek om de zaak schriftelijk af te doen. 2.4 Bij e-mailbericht van 15 juli 2025 heeft de rechtbank de advocaat van betrokkene bericht akkoord te zijn met de referteverklaring. 2.5 De rechtbank heeft afgezien van een mondelinge behandeling en bij beschikking van 31 juli 2025 ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor diverse vormen van zorg voor de duur van twaalf maanden, geldig tot en met 31 juli 2026 (hierna: de bestreden beschikking). 2.6 Namens betrokkene is op 10 augustus 2025 – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de bestreden beschikking.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. 3Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel bevat één onderdeel, dat zich richt tegen de beslissing van de rechtbank over de duur van de verleende machtiging. Volgens het onderdeel is het onbegrijpelijk dat de rechtbank een aansluitende zorgmachtiging heeft verleend voor de duur van twaalf maanden, nu de rechtbank de wettelijke beslistermijn heeft overschreden en om die reden slechts een zorgmachtiging had mogen verlenen voor de duur van zes maanden. 3.2 Het onderdeel wordt nader toegelicht onder 1.1 t/m 1.4 van de procesinleiding.

Omdat de rechtbank niet binnen drie weken na ontvangst van het verzoek van de officier van justitie heeft beslist, was de bestaande zorgmachtiging vervallen en kon daarom geen vervolgmachtiging worden verleend voor de duur van twaalf maanden (1.1). Nu de rechtbank op 31 juli 2025 op het verzoek van 4 juli 2025 heeft beslist, was de bestaande machtiging al verlopen (1.2). De rechtbank kon enkel nog een zorgmachtiging verlenen voor de duur van zes maanden (1.3). De Hoge Raad heeft eerder beslist in een zaak van betrokkene waarin de rechtbank eveneens de wettelijke beslistermijn had overschreden.

Die zaak is door de Hoge Raad zelf afgedaan door te bepalen dat de betreffende zorgmachtiging slechts kon worden verleend voor maximaal zes maanden, hetgeen in de onderhavige zaak ook dient te gebeuren (1.4). 3.3 Ik stel het volgende voorop. 3.4 Artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Een zorgmachtiging die aansluit op een zorgmachtiging verleend voor zes maanden kan door de rechter worden verleend voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz). 3.5 Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz).

Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur ervan is verstreken, vervalt de eerdere zorgmachtiging, in afwijking van artikel 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz, van rechtswege als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of door het verstrijken van de beslistermijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijnen is sprake van aansluiting van de vervolgmachtiging op de lopende machtiging als bedoeld in artikel 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend. 3.6 Ook na het verstrijken van de beslistermijn van artikel 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz kan de rechter nog beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging.

De rechter kan dan echter slechts op grond van artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden. Van een aansluitende zorgmachtiging is dan immers geen sprake omdat de voorgaande machtiging dan al is vervallen. 3.7 Uit het voorgaande volgt dat het onderdeel gegrond is. In dit geval was de lopende zorgmachtiging verleend voor de duur van maximaal zes maanden, tot en met uiterlijk 25 augustus 2025. De officier van justitie heeft op 4 juli 2025, dus (ruim) vóórdat de geldigheidsduur van de lopende zorgmachtiging zou verstrijken, een verzoekschrift voor een vervolgmachtiging ingediend.

De advocaat van betrokkene heeft de rechtbank per e-mailbericht laten weten dat betrokkene zich refereerde aan het oordeel van de rechtbank, welk bericht de rechtbank heeft ontvangen vóór het verlopen van de termijn waarbinnen zij moest beslissen op het verzoek. Die termijn bedroeg uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). De rechtbank moest dus uiterlijk op 25 juli 2025 op het verzoek beslissen. Dat heeft de rechtbank niet gedaan. Het gevolg daarvan is dat de lopende machtiging van rechtswege is geëindigd op de dag na de laatste dag waarop de rechtbank haar beslissing had moeten geven, dus op 26 juli 2025 (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). 3.8 Gelet op het vorenstaande voert het onderdeel terecht aan dat de op 31 juli 2025 verleende zorgmachtiging niet aansluit op een eerdere zorgmachtiging.

De rechtbank kon daarom de zorgmachtiging niet verlenen voor de duur van maximaal twaalf maanden, maar voor maximaal zes maanden. 3.9 De bestreden beschikking dient dan ook vernietigd te worden voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging zal worden verleend voor de duur van twaalf maanden. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen, zoals eerder in soortgelijke zaken ook is gedaan, door de duur van de verleende zorgmachtiging te beperken tot maximaal zes maanden, dus tot en met uiterlijk 31 januari 2026. 4Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van de rechtbank Gelderland, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal twaalf maanden tot en met 31 juli 2026, en tot afdoening als hiervoor onder 3.9 vermeld.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De feiten en het procesverloop zijn ontleend aan de beschikking van de rechtbank Gelderland van 31 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7360 en het bijbehorende procesdossier. Dit volgt onder andere uit het historisch overzicht (productie 9 van het procesdossier). Productie 10 van het procesdossier. Productie 11 van het procesdossier. Door omstandigheden die los staan van deze zaak kon niet eerder dan heden worden geconcludeerd. HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86, JGz 2025/17, m.nt. R.B.M. Keurentjes.

Zie hierover Kamerstukken II 2020-2021, 35 667, nr. 3, p.

14. Zie recent HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:398, alsmede HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86, JGz 2025/17, m.nt. R.B.M. Keurentjes, HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811, r.o. 3.3 en 3.4, onder vergelijkende verwijzing naar HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:818, NJ 2021/234, m.nt. J. Legemaate, r.o. 3.1.3. Zie ook de conclusie van A-G Coenraad van 21 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1106 onder 3.22-3.24 voor HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811. Zie HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86, r.o. 3.7, onder verwijzing naar HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811, r.o. 3.7. Zie o.a. het historisch overzicht (productie 9 van het procesdossier). Zie producties 10 en 11 van het procesdossier.