Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2026:257 ECLI:NL:PHR:2026:257 AI generated

ECLI:NL:PHR:2026:257 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2026:257
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

De ontploffing is veroorzaakt doordat onbedoeld een vonk van elektrostatische ontlading het flitspoeder in de beschadigde Cobra heeft bereikt en ontstoken. Hierbij geldt dat de oorzaak van de beschadiging onbekend is en de Cobra zich in beschadigde toestand in de trui van de verdachte bevond, voordat hij hem eruit pakte om weg te gooien.

Legislator headnote

AI generated

art. 158 Sr; ECLI:NL:PHR:2026:257 · Parket bij de Hoge Raad: Schadebeeld en de aan- of afwezigheid van gemorst flitspoeder zoals zichtbaar op foto’s van de plaats delict zijn als bewijs gebruikt om tegen de hypotheses af te wegen. De bewijskracht zal worden bepaald voor de (combinatie van de) onderzoeksresultaten ten aanzien: • Het zichtbare schadebeeld in de coupé. • Het zichtbare schadebeeld van de rechterjasmouw van de verdachte. • De uiterlijke kenmerken van de witte trui en de spijkerbroek van de verdachte. • De uiterlijke kenmerken van de vloer en de stoelen nabij de ontploffing. Kennis over het specifieke COBRA vuurwerkartikel dat ontploft is, is daarbij zeer relevant.

Keywords

AI generated
art. 158 Sr

Cited Legislation

AI generated
art. 158 Sr

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2025:933
afdeling strafrecht parketnummer: 23-001059-24 datum uitspraak: 3 april 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 april 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-076529-23 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 september 2024 en 20 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman, de gemachtigde van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de vertegenwoordiger van de benadeelde partij [benadeelde 2] naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat: Primair hij op of omstreeks 3 december 2022 te Schagen, althans in Nederland, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door (zwaar) vuurwerk, althans een explosief voorwerp aan te steken en/of tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten het treinstel en/of het aanwezige meubilair in de trein en/of de goederen van de medereizigers en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de reizigers die in het treinstel aanwezig waren, te duchten was; Subsidiair hij op of omstreeks 3 december 2022 te Schagen, althans in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam in een treinstel, een (beschadigd) stuk (illegaal) vuurwerk (Cobra 6), in aanraking heeft laten komen met vuur, althans enige hittebron en/of met (statische) elektriciteit, (waardoor het tot ontbranding is gekomen) en/of (vervolgens) het tot ontbranding gekomen stuk vuurwerk (althans die Cobra 6) heeft weggegooid en/of een stuk (illegaal) vuurwerk (Cobra 6) heeft opengemaakt en/of (deels) heeft leeggeschud, waardoor het stuk vuurwerk tot ontsteking/ontbranding is gekomen waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat er in die trein een ontploffing teweeg is gebracht en daardoor gemeen gevaar voor het treinstel en/of het aanwezige meubilair en/of de goederen van de medereizigers, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de reizigers in het treinstel, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de reizigers in het treinstel, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, ontstond. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof, anders dan de rechtbank, tot een bewezenverklaring komt. Bewijsoverweging Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte wist dat hij een Cobra 6 bij zich had. De advocaat-generaal acht op basis van het dossier wettig en overtuigend bewezen dat de Cobra beschadigd was toen de verdachte deze uit zijn zak haalde, en dat de Cobra vervolgens is ontploft doordat een vonk van elektrostatische ontlading het flitspoeder in de beschadigde Cobra heeft bereikt en heeft ontstoken. Er is sprake van culpoze veroorzaking van een ontploffing. Het meenemen van een Cobra in een volle treinwagon is op zichzelf al aanmerkelijk onvoorzichtig. De verdachte had daarnaast gedronken. Dat de verdachte vervolgens in die volle treinwagon de Cobra uit zijn zak haalt, maakt dat hij aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld, zodat het subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde bepleit. Hij heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij de Cobra uit de buidel/zak van zijn hoodie haalde en dat deze, vermoedelijk als gevolg van statische elektriciteit, spontaan ontplofte toen hij deze weg wilde weggooien. Nergens uit blijkt dat de verdachte het stuk vuurwerk zou hebben aangestoken. Evenmin is aannemelijk dat de verdachte de Cobra heeft leeggeschud. Volgens het NFI-rapport van 27 februari 2025 zou dat zonder gereedschap niet mogelijk zijn geweest of zou dit tenminste één tot enkele minuten hebben geduurd. Het is wel aannemelijk dat het stuk vuurwerk beschadigd was, omdat de verdachte heeft verklaard dat de buidel/zak van zijn trui van binnen zwart was en dat hij denkt dat dat kruit was. Daarom kan het mede gelet op het voornoemde NFI-rapport niet worden uitgesloten dat de Cobra spontaan tot ontploffing is gekomen als gevolg van elektrostatische ontlading die is ontstaan door wrijving in de buidel/zak van zijn hoodie. Opzet op de ontploffing kan niet worden bewezen, omdat de verdachte niet de bedoeling heeft gehad de Cobra tot ontploffing te brengen. Er is evenmin sprake van schuld. De verdachte heeft geen invloed gehad op het ontstaan van de ontploffing. Hij heeft enkel het stuk vuurwerk willen weggooien, aldus de raadsman. Oordeel van het hof Op 3 december 2022 had de verdachte in een trein, die ter hoogte van het station Schagen reed, een stuk vuurwerk, te weten een Cobra, bij zich. Dit stuk vuurwerk is op enig moment ontploft. Hierdoor is schade ontstaan aan het in het treinstel aanwezige meubilair en hebben diverse medereizigers letsel opgelopen. Het hof gaat net als de rechtbank ervan uit dat de verdachte wist dat hij de Cobra bij zich had toen hij de trein instapte. Het hof acht het (zeer) onaannemelijk dat, zoals de verdachte heeft verklaard, een bekende van hem, ene [getuige 1] , de Cobra ongemerkt in de buidel/zak van zijn hoodie gedaan zou hebben. Te meer, omdat de hoodie, zo is te zien op een foto in het dossier, strak om zijn buik zat en de Cobra, zo heeft de verdachte verklaard, de lengte had van een telefoon. Daar komt bij dat getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte de Cobra uit zijn zak van zijn trui haalde en zei: “kijk eens wat wij bij ons hebben”. Daarnaast heeft getuige [getuige 1] verklaard dat de verdachte in de trein de Cobra vast had in zijn rechterhand. Het hof gaat er verder van uit dat het ging om een Cobra 6 en dat de verdachte ook hiervan op de hoogte was. De verdachte heeft verklaard dat hij eerder die avond of nacht voornoemde [getuige 1] had gezien met een pakje Cobra’s 6. Getuige [getuige 1] heeft in de trein gezien dat de verdachte in zijn hand een zwarte staaf vasthad met daarop groene letters met de naam Cobra en het getal 6. Het NFI heeft in het meest recente rapport van 27 februari 2025 de in het treinstel aangetroffen kartonsnippers onderzocht. Deze snippers vertonen overeenkomsten met een Super Cobra 6. De vraag die vervolgens voorligt, is hoe de Cobra is ontploft. Het NFI heeft in het laatstgenoemde rapport naar aanleiding van het dossier en de verklaring van de verdachte drie hypotheses nader onderzocht: De ontploffing is veroorzaakt doordat onbedoeld een vonk van elektrostatische ontlading het flitspoeder in de beschadigde Cobra heeft bereikt en ontstoken. Hierbij geldt dat de oorzaak van de beschadiging onbekend is en de Cobra zich in beschadigde toestand in de trui van de verdachte bevond, voordat hij hem eruit pakte om weg te gooien. De ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte de lont van de Cobra heeft aangestoken. De ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte de Cobra zelf heeft opengemaakt en deels leeggeschud in de prullenbak, waarbij de wrijving tussen koker en flitspoeder onbedoeld tot ontsteking heeft geleid. NFI-onderzoek heeft uitgewezen dat alle hypotheses op voorhand technisch gezien mogelijk zijn. Het NFI heeft voor het bepalen van de bewijskracht van de onderzoeksresultaten rekening gehouden met het zichtbare schadebeeld in de coupé, het zichtbare schadebeeld van de rechter jasmouw van de verdachte, de uiterlijke kenmerken van de witte trui en de spijkerbroek van de verdachte en de uiterlijke kenmerken van de vloer en de stoelen nabij de ontploffing. De bewijskracht van de onderzoeksresultaten is voor drie groepen Cobra vuurwerkartikelen met verschillende hoeveelheden flitspoeder apart getoetst. Het NFI komt per groep tot de volgende conclusies: Groep A, Cobra met oorspronkelijk twee gram flitspoeder Om onder hypothese 1 en 3 te kunnen passen, moet een vuurwerkartikel meer dan twee gram flitspoeder bevatten. Deze hypotheses vallen daarom af. Als het ontplofte vuurwerkartikel uit groep A komt, blijft alleen hypothese 2 als mogelijke ontstekingswijze over. Groep B, Cobra met oorspronkelijk meer dan 2 en minder dan 10 gram flitspoeder Om onder hypothese 2 te kunnen passen, moet een artikel twee gram – en niet meer – flitspoeder bevatten. Hypothese 2 valt voor groep B daarom af. Het niet aantreffen van zichtbaar flitspoeder op de trui en broek van de verdachte en ook niet op de stoel en de vloer tussen de verdachte en de plek van de ontploffing is iets waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is dan wanneer hypothese 1 waar is. Groep C, Cobra met oorspronkelijk meer dan 10 gram flitspoeder Hypothese 2 valt om dezelfde reden als bij groep B af. Het niet aantreffen van zichtbaar flitspoeder op de trui en broek van de verdachte en ook niet op de stoel en de vloer tussen de verdachte en de plek van de ontploffing is waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is dan wanneer hypothese 1 waar is. De Super Cobra 6 valt in groep C. Mede gelet hierop en ook overigens is het hof met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat het dossier onvoldoende steun biedt voor het scenario dat de verdachte de Cobra zou hebben aangestoken. Hypothese 2, zoals door het NFI in het voornoemde rapport is beschreven, valt daarom af als mogelijke ontstekingswijze. Blijven over de hypotheses 1 en 3. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de Cobra heeft opengemaakt en (deels) heeft leeggeschud in de prullenbak, waarbij de wrijving tussen de koker en het flitspoeder tot een ontsteking heeft geleid, zoals door het NFI beschreven onder hypothese 3. Daarbij gaat het hof, naast de resultaten van het voornoemde NFI-rapport, waaruit volgt dat voor een groep C Cobra hypothese 3 waarschijnlijker is dan hypothese 1, uit van de volgende feiten en omstandigheden. Een van de verbalisanten heeft in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal beschreven dat hij direct na het incident ter plaatse was en de verdachte hoorde zeggen: ‘Toen ik in de trein zat pakte ik het vuurwerk uit mijn zak. Ik wilde dit leeggooien in de prullenbak in de trein. Ineens ontplofte het stuk vuurwerk.’, een opvallende en specifieke uitspraak. Daarnaast heeft getuige [getuige 1] verklaard dat hij zag dat de verdachte een Cobra in zijn rechterhand had en dat hij zag dat de verdachte daar iets van afhaalde. Daarmee gaat het hof voorbij aan de verklaring van de verdachte – dat hij tegen de verbalisant in plaats van ‘leeggooien’ ‘weggooien’ had gezegd en dat hij niet iets van de Cobra heeft afgehaald. Dat het openen van een Cobra moeizaam gaat, zoals ook volgt uit voornoemd NFI-rapport, brengt het hof evenmin tot een ander oordeel, nu van een onmogelijkheid geen sprake is en de verdachte de Cobra al enige tijd in zijn bezit had hetgeen hem de mogelijkheid en de tijd gaf om de kunststof dop van de Cobra te verwijderen. Tot slot is de vraag of de verdachte opzettelijk heeft gehandeld of dat de ontploffing aan zijn schuld is te wijten. Het hof acht met de advocaat-generaal en de raadsman niet bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld, zodat hij van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Het handelen van de verdachte moet wel worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig, zodat het aan zijn schuld te wijten is geweest dat een ontploffing is teweeg gebracht. Immers is de verdachte met een Cobra 6 een volle trein ingestapt, nadat hij die avond en nacht een aanzienlijke hoeveelheid alcohol gedronken had. Hij heeft de Cobra in de trein laten zien aan zijn vrienden en heeft de Cobra opengemaakt en (deels) leeggeschud in de prullenbak, waarna de Cobra tot ontploffing is gekomen. Het subsidiair ten laste gelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 3 december 2022 te Schagen aanmerkelijk onvoorzichtig in een treinstel, een stuk illegaal vuurwerk (Cobra 6), heeft opengemaakt en (deels) heeft leeggeschud, waardoor het stuk vuurwerk tot ontsteking is gekomen waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat er in die trein een ontploffing teweeg is gebracht en daardoor gemeen gevaar voor het aanwezige meubilair en/of de goederen van de medereizigers en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de reizigers in het treinstel ontstond. Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezen verklaarde levert op: de eendaadse samenloop van aan zijn schuld ontploffing te wijten zijn, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat en aan zijn schuld ontploffing te wijten zijn, terwijl daardoor gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft in een volle trein een Cobra tot ontploffing laten komen. De verdachte heeft daarmee niet alleen gevaar veroorzaakt voor goederen, maar ook voor zwaar lichamelijk letsel bij hemzelf en zijn medereizigers. Naast de schade aan het meubilair in het treinstel, heeft een aanzienlijk aantal medereizigers gehoorschade opgelopen. Enkele medereizigers hebben zelfs blijvende gehoorschade opgelopen en zullen in de toekomst last blijven houden van tinnitus. Twee van de slachtoffers hebben ter terechtzitting in hoger beroep in hun spreekrechtverklaring indringend uiteengezet dat zij hun leven lang nog met de gevolgen van de gehoorschade zullen moeten leven. Een van hen moet hierdoor zelfs gehoorapparaten dragen. Het hof houdt aan de andere kant ook rekening met het feit dat het incident ook voor de verdachte aanzienlijke gevolgen heeft gehad en nog steeds heeft. Hij heeft letsel opgelopen aan zijn hand en heeft naar aanleiding van het feit EMDR-therapie moeten ondergaan. Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 21 maart 2024 en hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht. De Raad beschrijft dat de verdachte al sinds zijn twaalfde bij een transportbedrijf werkt en dat hij bezig was met het behalen van zijn BBL, niveau twee diploma. Het Dynamisch Risico Profiel, gebaseerd op de uitkomsten vanuit het onderzoek van de Raad, is (heel) laag, hetgeen betekent dat er vrijwel geen criminogene factoren in het leven van de verdachte zijn die de kans op herhaling van zijn delictgedrag vergroten. De gevolgen voor de verdachte van het onderhavige feit zijn aanzienlijk. Hij denkt veelvuldig aan het incident, hetgeen van invloed lijkt te zijn op zijn dagelijks functioneren. Indien de rechter van mening is dat de verdachte de Cobra 6 bewust tot ontploffing heeft gebracht, adviseert de Raad de verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen, gezien de schade voor de medereizigers en de schade voor goederen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zijn opleiding inmiddels heeft afgerond, dat hij nog steeds bij het transportbedrijf werkt en dat hij momenteel als vrachtwagenchauffeur rijdt. Het incident doet hem nog steeds veel. Zijn rechterhand zit door het incident onder de littekens, hetgeen hem herinnert aan wat er is gebeurd. Het hof heeft ter terechtzitting ook de indruk gekregen dat de verdachte zich ervan bewust is dat het incident een enorme impact heeft op het leven van de slachtoffers en dat het hem tot op de dag van vandaag nog steeds veel doet. Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf voor de duur van 50 uren passend en geboden. Vorderingen van de benadeelde partijen Het hof heeft in hoger beroep niet meer te oordelen over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] . De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en de benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.767,08, bestaande uit: Materieel: Eigen risico zorgverzekering: € 184,83 Gemiste werkuren: € 82,25 Immaterieel: € 6.500,00 De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verwezen naar het standpunt dat hij in eerste aanleg heeft ingenomen, inhoudende dat dat de materiële schade niet wordt betwist en de immateriële schade dient te worden begroot op € 5.000,00, zodat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.267,08 en dat de benadeelde partij ten aanzien van de overige immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks de gevorderde materiële schade heeft geleden. Deze posten zijn door de verdediging niet betwist en komen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen. Voorts is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderbouwing van de vordering voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde had na het voorval een harde piep in zijn beide oren. De KNO-arts heeft tinnitus geconstateerd, hetgeen blijvende gehoorschade is. Hierdoor heeft de benadeelde ook een aantal maanden last gehad van slaapproblemen. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) naar maatstaven van billijkheid vast op € 5.000,00. Het hof neemt daarbij in aanmerking de ernst van het feit en het toegebrachte letsel, en de toegekende schadevergoedingen in vergelijkbare gevallen. Ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade zal de vordering worden afgewezen. Het hof wijst de vordering daarmee toe tot een bedrag van € 5.267,08, bestaande uit € 267,08 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum. Het hof zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. [benadeelde 4] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 22.855,43 bestaande uit: Materieel: Eigen risico zorgverzekering: € 842,35 Aanschaf gehoorapparaten: € 938,50 Reiskosten: € 74,58 Toekomstige kosten gehoorapparaten: € 11.000,00 Immaterieel: € 10.000,00 De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verwezen naar het standpunt dat hij in eerste aanleg heeft ingenomen, inhoudende dat € 938,50 wegens materiële schade (de eerste aanschaf van gehoorapparaten) en hooguit € 5.000,00 aan immateriële schade redelijk is en dat de vordering voor het overige moet worden afgewezen of de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks de gevorderde materiële schade heeft geleden. Deze posten zijn door de verdediging niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist en komen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Ten aanzien van de toekomstige kosten overweegt het hof op dat uit de toelichting van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de huidige medische toestand van de verdachte niet zal verbeteren en dat hij de rest van zijn leven gehoorapparaten zal moeten dragen. Het hof acht daarom aannemelijk dat de benadeelde deze kosten in de toekomst zal blijven maken. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen. Eveneens is uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderbouwing van de vordering voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde heeft immers verwondingen aan het hoofd, blijvende gehoorschade en tinnitus aan beide oren opgelopen. De benadeelde zal zijn hele leven gehoorapparaten moeten dragen. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) naar maatstaven van billijkheid vast op € 10.000,00. Het hof neemt daarbij in aanmerking de ernst van het feit en het toegebrachte letsel, en de toegekende schadevergoedingen in vergelijkbare gevallen. Het hof wijst de vordering daarmee toe tot een bedrag van € 22.855,43, bestaande uit € 12.855,43 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum. Het hof zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. [benadeelde 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.190,54, bestaande uit: Materieel: Eigen risico zorg: € 184,83 Reiskosten: € 5,71 Immaterieel: € 5.000,00 De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verwezen naar het standpunt dat hij in eerste aanleg heeft ingenomen, inhoudende dat de reiskosten naar de advocaat niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden, bestaande uit het gevorderde eigen risico en de reiskosten, met uitzondering van de reiskosten naar de advocaat en het politiebureau. Het hof is met de raadsman van oordeel dat deze laatstgenoemde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De overige materiële schade is door de verdediging niet betwist en komen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen. Ook is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderbouwing van de vordering voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde heeft gehoorverlies binnen het spraakgebied aan beide oren. Ook is gebleken dat sprake is van tinnitus. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) naar maatstaven van billijkheid vast op € 5.000,00. Het hof neemt daarbij in aanmerking de ernst van het feit en het toegebrachte letsel, en de toegekende schadevergoedingen in vergelijkbare gevallen. Het hof wijst de vordering daarmee toe tot een bedrag van € 5.188,41, bestaande uit € 188,41 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum. Het hof zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. [benadeelde 5] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.238,99, bestaande uit: Materieel: Winterjas (brandgaten as): € 39,99 Bril op sterkte (krassen op glas): € 199,00 Immaterieel: € 5.000,00 De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en heeft de vordering ter zake van de immateriële schade verlaagd met € 1000,00. De advocaat-generaal heeft gevorderd enkel de immateriële schade toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verwezen naar het standpunt dat hij in eerste aanleg heeft ingenomen, inhoudende dat de materiële schade kan worden toegewezen en dat benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks de gevorderde materiële schade heeft geleden. Deze posten zijn door de verdediging niet betwist en komen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd dat zij lichamelijk letsel heeft opgelopen, door middel van bijvoorbeeld een verklaring van een arts, of op andere wijze in de persoon is aangetast. Nadere bewijsvoering op dit punt zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof wijst de vordering daarmee toe tot een bedrag van € 238,99 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum. Het hof zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. NS Groep NV De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.164,72 aan materiële schade, zijnde de kosten met betrekking tot het herstel van het treinstel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verwezen naar het standpunt dat hij in eerste aanleg heeft ingenomen, inhoudende dat de vordering dient te worden afgewezen of dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vordering die thans voorligt is hoger dan het bedrag in het originele schaderapport. Dit behoeft een nadere toelichting. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderbouwing van de vordering is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Deze kosten zijn door de verdediging, gelet op de gegeven onderbouwing, onvoldoende gemotiveerd betwist en komen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Het hof gaat ervan uit dat het schaderapport van 3 december 2022 een voorlopige raming van de kosten betrof. Het hof gaat uit van de specificatie van 14 december 2022 die bij de vordering is gevoegd, aangezien daarin alle posten nauwgezet en specifiek worden benoemd en onderbouwd. Het hof wijst de vordering daarmee toe tot een bedrag van € 10.164,72 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum. Het hof zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 55, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n en 158 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.267,08 (vijfduizend tweehonderdzevenenzestig euro en acht cent) bestaande uit € 267,08 (tweehonderdzevenenzestig euro en acht cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.267,08 (vijfduizend tweehonderdzevenenzestig euro en acht cent) bestaande uit € 267,08 (tweehonderdzevenenzestig euro en acht cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 december 2022. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 22.855,43 (tweeëntwintigduizend achthonderdvijfenvijftig euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 12.855,43 (twaalfduizend achthonderdvijfenvijftig euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 22.855,43 (tweeëntwintigduizend achthonderdvijfenvijftig euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 12.855,43 (twaalfduizend achthonderdvijfenvijftig euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 december 2022. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.188,41 (vijfduizend honderdachtentachtig euro en eenenveertig cent) bestaande uit € 188,41 (honderdachtentachtig euro en eenenveertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.188,41 (vijfduizend honderdachtentachtig euro en eenenveertig cent) bestaande uit € 188,41 (honderdachtentachtig euro en eenenveertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 december 2022. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 238,99 (tweehonderdachtendertig euro en negenennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5] , ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 238,99 (tweehonderdachtendertig euro en negenennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 december 2022. Vordering van de benadeelde partij NS Groep NV Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij NS Groep NV ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.164,72 (tienduizend honderdvierenzestig euro en tweeënzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd NS Groep NV, ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10.164,72 (tienduizend honderdvierenzestig euro en tweeënzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 december 2022. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 april 2025. De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
ECLI:NL:HR:2025:659
Is dit de locatie van ontstaan van de brand? 2) Waaruit blijkt dit dan? 3) Moet ik uit omcirkeling van foto’s 58/61 afleiden dat dit dan de brandhaard was? Hier was grootste hitte-inwerking? Door mij, [verbalisant 4] , werden de vragen van de Officier van Justitie, in overleg met [verbalisant 5] , als volgt beantwoord:
ECLI:NL:HR:2024:1398
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/04003 Datum 15 oktober 2024 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 oktober 2022, nummer 23-002651-20, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte.
NJ 2025/72
Zie ook HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, NJ 2025/72 m.nt.
ECLI:NL:PHR:2025:292
mijn conclusie van 11 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:292, onder 2.6.
ECLI:NL:HR:2010:BL5630
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01362 J Zitting 17 maart 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 3 april 2025 door het gerechtshof Amsterdam wegens subsidiair “de eendaadse samenloop van aan zijn schuld ontploffing te wijten zijn, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat en aan zijn schuld ontploffing te wijten zijn, terwijl daardoor gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat’’ veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen jeugddetentie.

Verder heeft het hof beslist over de vorderingen van de benadeelde partijen en in verband daarmee aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven. 1.2 Namens de verdachte heeft R.J. Wortelboer, advocaat in Heerhugowaard, één middel van cassatie voorgesteld. 2Het middel 2.1 Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld, zodat het aan zijn schuld te wijten is geweest dat een ontploffing is gevolgd. 2.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 3 december 2022 te [plaats] aanmerkelijk onvoorzichtig in een treinstel, een stuk illegaal vuurwerk (Cobra 6), heeft opengemaakt en (deels) heeft leeggeschud, waardoor het stuk vuurwerk tot ontsteking is gekomen waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat er in die trein een ontploffing teweeg is gebracht en daardoor gemeen gevaar voor het aanwezige meubilair en/of de goederen van de medereizigers en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de reizigers in het treinstel ontstond.’’ 2.3 De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van bevindingen van 3 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 16-18). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen): Op 3 december 2022 kregen wij de opdracht om te gaan naar [plaats] . Aldaar zou een cobra (vuurwerk) ontploft zijn in de trein. Op 3 december 2022, om 02:22 uur, waren wij ter plaatse op het station [plaats] . Wij zagen dat een trein stil stond. Aangekomen bij de trein konden wij de trein betreden.

Wij, verbalisanten, roken direct de geur van brand en zagen dat de trein vol rook stond. Wij zagen één man met letsel aan zijn rechterhand. Ook klaagden diverse mensen over piepende oren. De man die gewond was aan zijn rechterhand bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] -2005 te [geboorteplaats] . Wij, verbalisanten, zagen dat er wonden aan zijn hand zaten. Wij zagen dat de wimpers van [verdachte] verschroeid waren. Ik, [verbalisant] , hoorde [verdachte] het volgende zeggen: ‘Toen ik in de trein zat pakte ik het vuurwerk uit mijn zak.

Ik wilde dit leeggooien in de prullenbak in de trein. Ineens ontplofte het stuk vuurwerk.’ Wij, verbalisanten, hebben de plaats van de ontploffing gezien. Wij, verbalisanten, zagen dat de zetels en vloer bezaaid lagen met snippers en verkoolde deeltjes. Ook zagen wij een zwart grijze vlek vanuit de vuilnisbak over de gehele ruit en wand doorlopen in de richting van het plafond. Verder zagen wij, verbalisanten, dat de deksel van de stalen cq ijzeren vuilnisbak ontbrak. Ook zagen wij, verbalisanten, diverse bloedspatten en vlekken op de vloer.

2. Een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict (Station [plaats] ) van 20 januari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 36-39). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Op 3 december 2022 kwam ik, naar aanleiding van een ontploffing, voor forensisch onderzoek aan op de locatie NS Station [plaats] . Voorafgaand aan het door mij ingestelde forensische onderzoek, verkreeg ik de volgende informatie: Er zou mogelijk een stuk vuurwerk zijn afgegaan in een treincoupé in de rijdende trein van [plaats] naar [plaats] .

De trein zou na het incident gestald zijn op het NS station [plaats] . Bevindingen In de coupé werd op een zitting van twee stoelen een klep van een prullenbak aangetroffen. Bij onderzoek bleek het de klep te zijn van een prullenbak behorende bij de stoelen waar de klep was aangetroffen. Boven de prullenbak was een ruit. Op de binnenzijde van de ruit was grijskleurige waaiervormige roetvorming te zien. Op de stoelen bij de prullenbak was eveneens grijze roetvorming. In de coupé werden diverse stukjes karton aangetroffen, die ik herkende als afkomstig van vuurwerk.

Er werd een stukje aangetroffen voorzien van een gedeelte van een afbeelding van een slangenkop van een Cobra. Ik herkende deze afbeelding als afkomstig van een stuk zwaar illegaal vuurwerk, type Cobra. Verder werd een gedeformeerd blikje aangetroffen. Het blikje was op verschillende punten opengescheurd door druk. Gevaarzetting Ten tijde van het afgaan van de explosie was de coupé van de trein vol met personen. Deze zaten op de stoelen of stonden in de coupé bij elkaar. Door de explosie is er in de afgesloten coupé een drukgolf vrijgekomen die samen met hitte en vuurverschijnselen ervoor kunnen zorgen dat het nabij gelegen blikje samen met vuurwerkresten door de coupé wordt geslingerd.

Door de explosie kan/kon (zwaar) lichamelijk letsel ontstaan bij de personen die in de coupé aanwezig waren. Tevens was er door de explosie gemeen gevaar voor goederen ontstaan in de coupé. Samenvatting Gezien het aantreffen van grijze roetvorming in de vorm van een waaier boven de prullenbak en op de binnenzijde van de ruit kan gesteld worden dat de explosie in of nabij de prullenbak had plaatsgevonden. Door het aantreffen van kleine deeltjes papier afkomstig van vuurwerk kan gesteld worden dat de explosie was veroorzaakt door vuurwerk.

3. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Explosievenonderzoek naar aanleiding van een ontploffing in een treincoupé in [plaats] op 3 december 2022’ van 27 februari 2025, opgemaakt door [deskundige] . Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Op 3 december 2022 heeft een ontploffing plaatsgevonden in een treincoupé. Eerder NFI-onderzoek heeft uitgewezen dat: • De ontploffing aan de bovenkant van een prullenbak bij een raam plaatsvond; • Het ontplofte explosief een COBRA vuurwerkartikel met flitspoeder is geweest;

• Er niet meer dan enkele grammen flitspoeder is ontploft. In dit rapport is aanvullend NFI-onderzoek beschreven dat tot doel had om diverse technische aspecten in deze zaak uit te diepen en om inzicht te verschaffen in de wijze van ontsteken van het vuurwerk. Op voorhand zijn drie hypotheses opgegeven. Hypothese 1 beschrijft wat er volgens de verdachte is gebeurd. Hypotheses 2 en 3 zijn naar voren gebracht door het Openbaar Ministerie: • Hypothese 1: De ontploffing is veroorzaakt doordat onbedoeld een vonk van elektrostatische ontlading het flitspoeder in de beschadigde COBRA heeft bereikt en ontstoken.

Hierbij geldt dat de oorzaak van de beschadiging onbekend is en de COBRA zich in beschadigde toestand in de trui van de verdachte bevond, voordat hij hem eruit pakte om weg te gooien. • Hypothese 2: De ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte de lont van de COBRA heeft aangestoken. • Hypothese 3: De ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte de COBRA zelf heeft opengemaakt en deels leeggeschud in de prullenbak, waarbij de wrijving tussen koker en flitspoeder onbedoeld tot ontsteking heeft geleid. NFI-onderzoek heeft uitgewezen dat alle hypotheses op voorhand technisch gezien mogelijk zijn.

Schadebeeld en de aan- of afwezigheid van gemorst flitspoeder zoals zichtbaar op foto’s van de plaats delict zijn als bewijs gebruikt om tegen de hypotheses af te wegen. De bewijskracht zal worden bepaald voor de (combinatie van de) onderzoeksresultaten ten aanzien: • Het zichtbare schadebeeld in de coupé. • Het zichtbare schadebeeld van de rechterjasmouw van de verdachte. • De uiterlijke kenmerken van de witte trui en de spijkerbroek van de verdachte. • De uiterlijke kenmerken van de vloer en de stoelen nabij de ontploffing. Kennis over het specifieke COBRA vuurwerkartikel dat ontploft is, is daarbij zeer relevant.

Daarom is de bewijskracht voor drie groepen COBRA vuurwerkartikelen apart getoetst. In alle gevallen is aangenomen dat tussen het tijdstip van de ontploffing en het tijdstip van het nemen van de foto’s, niemand bij de twee stoelen naast de ontploffing heeft schoongemaakt. Groep A. COBRA met oorspronkelijk 2 gram flitspoeder Om onder Hypotheses 1 en 3 te kunnen passen moet een vuurwerkartikel meer dan twee gram flitspoeder bevatten. Hypotheses 1 en 3 vallen dus bij voorbaat af voor Groep A en alleen Hypothese 2 blijft als mogelijke ontstekingswijze over.

Groep B. COBRA met oorspronkelijk meer dan 2 en minder dan 10 gramflitspoeder Voor deze groep zijn alleen Hypotheses 1 en 3 mogelijk. Hypothese 2 kan direct uitgesloten worden voor Groep B, omdat het waargenomen schadebeeld hiervoor te beperkt is. Voor de overgebleven set van hypotheses geldt: Het niet aantreffen van zichtbaar flitspoeder op de trui en broek van de verdachte en ook niet op de stoel en de vloer tussen de verdachte en de plek van de ontploffing is iets waarschijnlijker wanneer Hypothese 3 waar is dan wanneer Hypothese 1 waar is. Groep C.

COBRA met oorspronkelijk meer dan 10 gramflitspoeder Voor deze groep zijn om dezelfde reden als bij Groep B alleen Hypotheses 1 en 3 mogelijk. Voor deze set van hypotheses geldt: Het niet aantreffen van zichtbaar flitspoeder op de trui en broek van de verdachte en ook niet op de stoel en de vloer tussen de verdachte en de plek van de ontploffing is waarschijnlijker wanneer Hypothese 3 waar is dan wanneer Hypothese 1 waar is. Dit NFI-onderzoek heeft enkele aanwijzingen opgeleverd (snippermatch en toetsing verklaring verdachte) dat het vuurwerkartikel een ‘Super COBRA 6’ geweest kan zijn.

De ‘Super COBRA 6’ valt in Groep C.

4. De eigen waarneming van het hof gedaan op de terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2025. Deze eigen waarneming houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Op foto 10 op pagina 26 van het politiedossier is te zien dat de verdachte een trui draagt die strak om zijn buik zit.

5. Een proces-verbaal verhoor getuige van 8 januari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina 157). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 januari 2023 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige]: [verdachte] [het hof begrijpt: de verdachte] haalde die cobra uit zijn zak van zijn trui en zei: “kijk eens wat wij bij ons hebben”.

6. Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 13 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 111-113). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 december 2022 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [aangever]: Op 3 december 2022 ben ik in de trein naar [plaats] gestapt. Schuin voor mij zat een groepje jongens. Ik zag een van de jongens iets uit zijn zak halen. Ik zag dat die jongen een cobra in zijn rechterhand had. Ik zag namelijk een zwarte staaf in zijn hand met groene letters erop met de naam Cobra en het getal 6 erop. Ik zag dat hij daar iets van afhaalde. Op het moment dat ik mij omdraaide zag ik een felle witte flits en kreeg ik een enorme pijn in mijn oren, ik voelde een soort lichte druk. Ik zag dat de coupé helemaal vol rook stond.

7. Een proces-verbaal verhoor minderjarige verdachte van 25 januari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 163-171). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 25 januari 2023 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte: V= Heb jij die avond/nacht in [plaats] iemand met vuurwerk gezien? A= Ja. [betrokkene 2] had een pakje cobra’s bij zich. V= Wat voor cobra’s waren dat? A= Cobra 6. Telefoonvormig qua lengte, zwart, Cobra logo erop, de tekst en een zes.

V= Hoe liet je hem zien aan [getuige] [het hof begrijpt: getuige [getuige] ]? A= Ik haalde hem [het hof begrijpt: de Cobra] uit mijn vest.” 2.4 Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring de volgende bewijsoverweging in het arrest opgenomen: “Oordeel van het hof Op 3 december 2022 had de verdachte in een trein, die ter hoogte van het station [plaats] reed, een stuk vuurwerk, te weten een Cobra, bij zich. Dit stuk vuurwerk is op enig moment ontploft. Hierdoor is schade ontstaan aan het in het treinstel aanwezige meubilair en hebben diverse medereizigers letsel opgelopen.

Het hof gaat net als de rechtbank ervan uit dat de verdachte wist dat hij de Cobra bij zich had toen hij de trein instapte. Het hof acht het (zeer) onaannemelijk dat, zoals de verdachte heeft verklaard, een bekende van hem, ene [betrokkene 2] , de Cobra ongemerkt in de buidel/zak van zijn hoodie gedaan zou hebben. Te meer, omdat de hoodie, zo is te zien op een foto in het dossier, strak om zijn buik zat en de Cobra, zo heeft de verdachte verklaard, de lengte had van een telefoon. Daar komt bij dat [getuige] heeft verklaard dat de verdachte de Cobra uit zijn zak van zijn trui haalde en zei:

“kijk eens wat wij bij ons hebben”. Daarnaast heeft [aangever] verklaard dat de verdachte in de trein de Cobra vast had in zijn rechterhand. Het hof gaat er verder van uit dat het ging om een Cobra 6 en dat de verdachte ook hiervan op de hoogte was. De verdachte heeft verklaard dat hij eerder die avond of nacht voornoemde [betrokkene 2] had gezien met een pakje Cobra’s 6. [aangever] heeft in de trein gezien dat de verdachte in zijn hand een zwarte staaf vasthad met daarop groene letters met de naam Cobra en het getal 6. Het NFI heeft in het meest recente rapport van 27 februari 2025 de in het treinstel aangetroffen kartonsnippers onderzocht.

Deze snippers vertonen overeenkomsten met een Super Cobra 6. De vraag die vervolgens voorligt, is hoe de Cobra is ontploft. Het NFI heeft in het laatstgenoemde rapport naar aanleiding van het dossier en de verklaring van de verdachte drie hypotheses nader onderzocht:

1. De ontploffing is veroorzaakt doordat onbedoeld een vonk van elektrostatische ontlading het flitspoeder in de beschadigde Cobra heeft bereikt en ontstoken. Hierbij geldt dat de oorzaak van de beschadiging onbekend is en de Cobra zich in beschadigde toestand in de trui van de verdachte bevond, voordat hij hem eruit pakte om weg te gooien.

2. De ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte de lont van de Cobra heeft aangestoken.

3. De ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte de Cobra zelf heeft opengemaakt en deels leeggeschud in de prullenbak, waarbij de wrijving tussen koker en flitspoeder onbedoeld tot ontsteking heeft geleid. NFI-onderzoek heeft uitgewezen dat alle hypotheses op voorhand technisch gezien mogelijk zijn. Het NFI heeft voor het bepalen van de bewijskracht van de onderzoeksresultaten rekening gehouden met het zichtbare schadebeeld in de coupé, het zichtbare schadebeeld van de rechterjasmouw van de verdachte, de uiterlijke kenmerken van de witte trui en de spijkerbroek van de verdachte en de uiterlijke kenmerken van de vloer en de stoelen nabij de ontploffing.

De bewijskracht van de onderzoeksresultaten is voor drie groepen Cobra vuurwerkartikelen met verschillende hoeveelheden flitspoeder apart getoetst. Het NFI komt per groep tot de volgende conclusies: Groep A, Cobra met oorspronkelijk twee gramflitspoeder Om onder hypothese 1 en 3 te kunnen passen, moet een vuurwerkartikel meer dan twee gram flitspoeder bevatten. Deze hypotheses vallen daarom af. Als het ontplofte vuurwerkartikel uit groep A komt, blijft alleen hypothese 2 als mogelijke ontstekingswijze over. Groep B, Cobra met oorspronkelijk meer dan 2 en minder dan 10 gramflitspoeder Om onder hypothese 2 te kunnen passen, moet een artikel twee gram - en niet meer - flitspoeder bevatten.

Hypothese 2 valt voor groep B daarom af. Het niet aantreffen van zichtbaar flitspoeder op de trui en broek van de verdachte en ook niet op de stoel en de vloer tussen de verdachte en de plek van de ontploffing is iets waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is dan wanneer hypothese 1 waar is. Groep C, Cobra met oorspronkelijk meer dan 10 gramflitspoeder Hypothese 2 valt om dezelfde reden als bij groep B af. Het niet aantreffen van zichtbaar flitspoeder op de trui en broek van de verdachte en ook niet op de stoel en de vloer tussen de verdachte en de plek van de ontploffing is waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is dan wanneer hypothese 1 waar is.

De Super Cobra 6 valt in groep C. Mede gelet hierop en ook overigens is het hof met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat het dossier onvoldoende steun biedt voor het scenario dat de verdachte de Cobra zou hebben aangestoken. Hypothese 2, zoals door het NFI in het voornoemde rapport is beschreven, valt daarom af als mogelijke ontstekingswijze. Blijven over de hypotheses 1 en 3. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de Cobra heeft opengemaakt en (deels) heeft leeggeschud in de prullenbak, waarbij de wrijving tussen de koker en het flitspoeder tot een ontsteking heeft geleid, zoals door het NFI beschreven onder hypothese 3.

Daarbij gaat het hof, naast de resultaten van het voornoemde NFI-rapport, waaruit volgt dat voor een groep C Cobra hypothese 3 waarschijnlijker is dan hypothese 1, uit van de volgende feiten en omstandigheden. Een van de verbalisanten heeft in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal beschreven dat hij direct na het incident ter plaatse was en de verdachte hoorde zeggen: ‘Toen ik in de trein zat pakte ik het vuurwerk uit mijn zak. Ik wilde dit leeggooien in de prullenbak in de trein. Ineens ontplofte het stuk vuurwerk.’, een opvallende en specifieke uitspraak.

Daarnaast heeft [aangever] verklaard dat hij zag dat de verdachte een Cobra in zijn rechterhand had en dat hij zag dat de verdachte daar iets van afhaalde. Daarmee gaat het hof voorbij aan de verklaring van de verdachte – dat hij tegen de verbalisant in plaats van ‘leeggooien’ ‘weggooien’ had gezegd en dat hij niet iets van de Cobra heeft afgehaald. Dat het openen van een Cobra moeizaam gaat, zoals ook volgt uit voornoemd NFI-rapport, brengt het hof evenmin tot een ander oordeel, nu van een onmogelijkheid geen sprake is en de verdachte de Cobra al enige tijd in zijn bezit had hetgeen hem de mogelijkheid en de tijd gaf om de kunststof dop van de Cobra te verwijderen.

Tot slot is de vraag of de verdachte opzettelijk heeft gehandeld of dat de ontploffing aan zijn schuld is te wijten. Het hof acht met de advocaat-generaal en de raadsman niet bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld, zodat hij van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Het handelen van de verdachte moet wel worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig, zodat het aan zijn schuld te wijten is geweest dat een ontploffing is teweeg gebracht. Immers is de verdachte met een Cobra 6 een volle trein ingestapt, nadat hij die avond en nacht een aanzienlijke hoeveelheid alcohol gedronken had.

Hij heeft de Cobra in de trein laten zien aan zijn vrienden en heeft de Cobra opengemaakt en (deels) leeggeschud in de prullenbak, waarna de Cobra tot ontploffing is gekomen. Het subsidiair ten laste gelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.” 2.5 De tenlastelegging is toegesneden op art. 158 Sr, dat luidt: “Hij aan wiens schuld brand, ontploffing of overstroming te wijten is, wordt gestraft: 1° met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat; 2° met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat; 3° met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.” 2.6 Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in aanmerkelijke onvoorzichtigheid die verwijtbaar is.

“Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Daarbij geldt dat niet al uit de ernst van de gevolgen kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin”. 2.7 De steller van het middel klaagt allereerst over het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte als “aanmerkelijk onvoorzichtig” moet worden aangemerkt.

In de schriftuur wordt betoogd dat er door de verdachte geen handelingen zijn verricht die op zichzelf als onvoorzichtig kunnen worden aangemerkt (zoals bijvoorbeeld het aansteken van een lont). Het gaat volgens de steller van het middel eerder om meer alledaagse handelingen, waarbij het volgen van een explosie niet voor de hand ligt. 2.8 Het hof heeft op grond van de volgende vaststellingen geoordeeld dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld: i. de verdachte wist dat hij een Cobra 6 bij zich had toen hij een volle trein instapte; ii. de verdachte had die avond en nacht een aanzienlijke hoeveelheid alcohol gedronken; iii. de verdachte heeft de Cobra 6 in de trein laten zien aan zijn vrienden; iv. de verdachte heeft de Cobra 6 opengemaakt en (deels) leeggeschud in de prullenbak, waarna de Cobra tot ontploffing is gekomen. 2.9 De vraag in cassatie is allereerst of met deze vaststellingen het oordeel dat de verdachte “aanmerkelijk onvoorzichtig” heeft gehandeld, toereikend is gemotiveerd.

Anders dan de steller van het middel meen ik dat dit het geval is. Uit de bovenstaande vaststellingen blijkt dat de verdachte na het nuttigen van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol met illegaal en gevaarlijk vuurwerk een volle trein is binnengestapt, dit vuurwerk vervolgens heeft opengemaakt en de inhoud heeft leeggeschud in een prullenbak. Van alledaagse handelingen is daarmee allerminst sprake. Ik benadruk dat het in de onderhavige zaak om een illegaal explosief gaat. De verdachte heeft door de Cobra 6 voorhanden te hebben reeds in strijd gehandeld met geschreven rechtsnormen.

Bovendien heeft hij, door vervolgens dit illegale explosief in een volle trein zonder voorzorgsmaatregelen te demonteren en het daarna ook nog eens leeg te schudden, gehandeld in strijd met ongeschreven zorgvuldigheidsnormen. Wat mij betreft, mag worden verwacht dat iemand die illegaal vuurwerk in zijn bezit heeft, rekening houdt met het gevaarlijke karakter daarvan en zijn gedrag daarop aanpast. Doet hij dit niet, dan mag hij minimaal worden geacht aanmerkelijk onvoorzichtig te hebben gehandeld. 2.10 Vervolgens wordt door de steller van het middel aangevoerd dat nu niet voorzienbaar was dat als gevolg van de handelingen van de verdachte een ontploffing zou kunnen optreden, evenmin sprake is van een situatie waarvan kan worden gezegd dat deze redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend.

Nu het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de ontploffing aan de schuld van de verdachte te wijten is geweest, begrijp ik de steller van het middel zo, dat hij van mening is dat de handelingen van de verdachte evenmin “verwijtbaar” zijn, omdat de ontploffing niet voorzienbaar was. 2.11 De factor voorzienbaarheid komt als zodanig niet voor in de onder 2.6 van deze conclusie weergegeven standaardoverwegingen van de Hoge Raad inzake schuld, maar zit als het ware ingebakken in de vereiste verwijtbaarheid (de subjectieve kant van de schuld).

Volgens De Hullu en Van Kempen veronderstelt verwijtbaarheid dat de verdachte moest kunnen voorzien dat bepaald gedrag onvoorzichtig zou zijn en tot bepaalde gevolgen zou kunnen leiden. De verdachte had daarom anders moeten handelen. Met Vellinga meen ik dat bij de invulling van het voorzienbaarheidsbegrip maatgevend moet zijn hetgeen de gemiddelde burger had “kunnen en behoren te (voor)zien”. Hierbij kan worden betrokken of de gedragingen van de verdachte in strijd zijn met geschreven of ongeschreven rechts-, verkeers- of zorgvuldigheidsnormen die voor hem golden.

Ik licht dit toe. Veel vormen van gedrag zijn vastgelegd in veiligheidsvoorschriften en andere regels die erop zijn gericht om ernstige gevolgen te voorkomen. Door deze voorschriften kan de voorzienbaarheid van die gevolgen in sterke mate worden geobjectiveerd, vooral wanneer het gedrag plaatsvindt binnen een streng gereguleerd rechtsterrein, zoals het verkeer of de zorg. Vanwege de aard van deze voorschriften moet en kan een ieder voorzien dat het overtreden ervan kan leiden tot de ernstige gevolgen (zoals bijvoorbeeld de dood, zwaar lichamelijk letsel of een ontploffing en het daarmee samenhangende gevaar voor personen).

Bij meer alledaagse gedragingen, die plaatsvinden in een minder of niet gereguleerde context, is de voorzienbaarheid echter lastiger aan te tonen en zal de rechter hieraan meer aandacht moeten besteden. In zulke situaties moet de rechter ongeschreven zorgvuldigheidsnormen formuleren om de culpa nader in te vullen. Deze normen moeten worden afgeleid uit wat een gemiddelde burger in de gegeven omstandigheden uit voorzorg had moeten doen of juist had moeten nalaten. Dit betekent dat in elk afzonderlijk geval andere normen op een andere manier van belang kunnen zijn, waardoor het belangrijk is dat de feitenrechter duidelijk inzicht geeft in welke normen in de betreffende situatie bepalend zijn.

Kortom, dat de voorzienbaarheid een uiting is van de subjectieve component van culpa staat er niet aan in de weg deze factor tot op zekere hoogte te objectiveren. 2.12 Ik heb onder 2.6 van deze conclusie het algemene door de Hoge Raad gehanteerde beoordelingskader voor ‘schuld’ en onder 2.11 de in de literatuur gehanteerde uitgangspunten omtrent ‘voorzienbaarheid’ weergegeven. Ik zal hieronder in aanvulling daarop nog twee arresten van de Hoge Raad uitlichten waarin de factor voorzienbaarheid van belang was. 2.13 Het gaat allereerst om een arrest van 29 juni 2010.

In deze zaak had de verdachte wasbenzine over een nog brandend kampvuur gesprenkeld, waardoor onder andere een horizontale steekvlam ontstond en omstanders gewond raakten. De deskundigen hadden bij het hof verklaard dat de waargenomen effecten – in het bijzonder de horizontale steekvlam – niet in de literatuur waren beschreven en vooraf niet door hen waren voorzien. Het hof sprak de verdachte vrij. De verdachte had volgens het hof weliswaar onvoorzichtig gehandeld door in strijd met de waarschuwingen op de fles wasbenzine deze toch op open vuur te sprenkelen, maar het hof leidde uit de verklaringen van de deskundigen af dat de verdachte – als gemiddelde burger – de gevolgen niet had kunnen en moeten voorzien.

Daarom konden de gedragingen van de verdachte geen schuld in strafrechtelijke zin opleveren. Het openbaar ministerie stelde cassatieberoep in tegen deze vrijspraak, maar tevergeefs: de Hoge Raad liet dit oordeel in stand. Nu het in deze zaak ging om een door het openbaar ministerie ingesteld cassatieberoep tegen een vrijspraak betracht ik enige voorzichtigheid bij het trekken van conclusies, maar het lijkt me dat in ieder geval kan worden gezegd dat uit dit arrest blijkt dat een deskundigenoordeel dat de voorzienbaarheid van de gevolgen ondergraaft een contra-indicatie is voor het aannemen van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid, ook als de verdachte een veiligheidsvoorschrift heeft genegeerd.

Van onvoorzichtigheid in strafrechtelijke zin kan immers pas worden gesproken wanneer de verdachte als gemiddelde burger de gevolgen had moeten en kunnen voorzien. 2.14 Daar staat tegenover dat de ruimte voor de verdachte om zich te disculperen door aan te voeren dat het ingetreden gevolg niet voorzienbaar was, mijns inziens veel minder groot is als zijn gedragingen betrekking hebben op illegale stoffen/middelen. Ik wijs in dit verband op een arrest van 12 maart 2024. In die zaak had een ontploffing van de door de verdachte en zijn medeverdachte zelf gefabriceerde springstof TATP plaatsgevonden in een portiekwoning.

Een van de door de stellers van het middel aangevoerde argumenten hield in dat “niet bewezen is verklaard dat de ontploffing een gevolg is geweest van enige (agressieve) handeling van verdachte (en/of een medeverdachte)” waarmee zij, zo begreep mijn voormalig ambtgenoot Hofstee, de motivering en de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof over het bestaan van een causaal verband tussen de handelingen van de verdachte en het intreden van de explosie en het daarmee samenhangende gevaar ter discussie stelden. De klacht faalde volgens Hofstee, omdat het “het oordeel van het hof over de aanwezigheid van een causaal verband tussen de onvoorzichtige gedragingen en de explosie geenszins onbegrijpelijk is.

Het in het verlengde daarvan liggende kennelijke oordeel van het hof dat toerekening hiervan aan de verdachte redelijkerwijs mogelijk is, is eveneens niet onbegrijpelijk, omdat het zonder veiligheidsmaatregelen open en bloot bewaren van een zelf gefabriceerde springstof meebrengt dat het voor de verdachte redelijkerwijs was te voorzien dat deze tot ontploffing zou kunnen komen”. De Hoge Raad deed de zaak af met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 2.15 In de onderhavige zaak heeft het hof kennelijk geoordeeld dat het aanmerkelijk onvoorzichtige handelen van de verdachte verwijtbaar was, omdat het gevolg daarvan – de ontploffing – was te voorzien.

Dat het hof geen specifieke overwegingen heeft gewijd aan de vraag of het voor een gemiddeld persoon voorzienbaar was dat het explosief specifiek door wrijving tot ontploffing zou komen, lijkt mij niet problematisch. Het gaat er immers om of in algemene zin kan worden gezegd dat de verdachte had moeten voorzien dat hij met zijn gedragingen een explosie zou kunnen veroorzaken en de ontploffing is niet een zodanig abnormaal gevolg van het handelen van de verdachte dat die niet redelijkerwijs aan de verdachte mag worden toegerekend. Van een gemiddeld burger mag worden verwacht dat hij weet dat men niet moet stunten met, dan wel morrelen aan, vuurwerk/explosieven, zeker als het gaat om een Cobra, waarvan het gevaarlijke karakter algemeen bekend is.

Nu uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte dit wel heeft gedaan, is het kennelijke oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte niet alleen aanmerkelijk onvoorzichtig, maar ook verwijtbaar was, toereikend gemotiveerd. 3Slotsom 3.1 Het middel faalt. Mede omdat het middel klaagt over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand. 3.2 Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen. 3.3 De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer: 23-001059-24. Dit arrest is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder: ECLI:NL:GHAMS:2025:933. HR 20 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:659, r.o. 2.5. Zie ook HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, NJ 2025/72 m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen, r.o. 2.6.1. J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 293. W.H. Vellinga, ‘Van mate van schuld: over ondergrens (en bovengrens) van de culpa in het Nederlands strafrecht (Preadvies), in: Preadviezen 2012 (Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland), p. 177.

J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 293; R. ter Haar & C.J.J. Kwint, ‘De subjectieve bestanddelen opzet en culpa: een bespreking van enkele lastige kwesties’, TPWS 2016/39, par. 3.4.1. W.H. Vellinga, ‘Van mate van schuld: over ondergrens (en bovengrens) van de culpa in het Nederlands strafrecht (Preadvies), in: Preadviezen 2012 (Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland), p. 150-151. Vgl. mijn conclusie van 11 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:292, onder 2.6.

J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 293; R. ter Haar & C.J.J. Kwint, ‘De subjectieve bestanddelen opzet en culpa: een bespreking van enkele lastige kwesties’, TPWS 2016/39, par. 3.2. C. Kelk, ‘Culpa en de veiligheidssamenleving’, in: J.W. Fokkens e.a. (red.), Ad hunc modum; liber amicorum A.J. Machielse, Deventer: Wolters Kluwer 2013, p. 174. P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘De ondergrens van culpa’, DD 2004/75, p. 1004; vgl. mijn conclusie van 11 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:292, par. 2.6.

HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5630, NJ 2010/674 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.5. Vgl. A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 323. Vgl. in dit verband ook HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:441, r.o. 2.4. Zie R. ter Haar & C.J.J. Kwint, ‘De subjectieve bestanddelen opzet en culpa: een bespreking van enkele lastige kwesties’, TPWS 2016/39, par. 3.4.1; zie ook de annotatie van P.A.M. Mevis bij HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5630, NJ 2010/674, randnummer 6. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:324.

Zie de conclusie van AG Hofstee, ECLI:NL:PHR:2024:72, randnummer 24. Uit openbare bronnen blijkt verder dat het flitspoeder dat een Cobra zes bevat “vele malen krachtiger en ontstekingsgevoeliger [is] dan buskruit”. Zie www.forensischinstituut.nl/actueel/nieuws/2021/12/08/illegaal-vuurwerk-wordt-steeds-groter-en-gevaarlijker (geraadpleegd op 12 maart 2026). Zie voorts https://nos.nl/artikel/2549056-zes-vragen-over-de-cobra-het-meest-besproken-explosief-van-nederland (geraadpleegd op 12 maart 2026). HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt.

N. Keijzer, r.o. 2.5.