Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2026:2 ECLI:NL:PHR:2026:2 AI generated

ECLI:NL:PHR:2026:2 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2026:2
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04307 P Zitting 6 januari 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, hierna: de betrokkene 1Inleiding 1.1 Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 2 november 2023 (parketnr. 23-002478-20) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 8.100,00 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 7.290,00.

Legislator headnote

AI generated

art. 36e lid 2 Sr, art. 511f Sv, artikel 36e lid 2 Sr, artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering, artikel 359 lid 3 Sv, art. 6 lid 1 EVRM; ECLI:NL:PHR:2026:2 · Parket bij de Hoge Raad: Het hof is van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de betrokkene zich in de periode voorafgaand aan deze bewezen verklaarde periode eveneens schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet en dat zij uit al deze feiten - het structureel knippen van hennep - wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel De [medebetrokkene 1] heeft als getuige verklaard dat hij de betrokkene in 2014 heeft leren kennen toen hij bij het knippen van hennep in contact kwam met een groep mensen, onder wie de betrokkene. [medebetrokkene 1] heeft vanaf 2014 om de zes à acht weken hennep geknipt en de betrokkene was er meestal bij.

Keywords

AI generated
art. 36e lid 2 Sr art. 511f Sv artikel 36e lid 2 Sr artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering artikel 359 lid 3 Sv art. 6 lid 1 EVRM

Cited Legislation

AI generated
art. 36e lid 2 Sr
art. 511f Sv
Dit zou niet zijn ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen, hetgeen ingevolge art. 511f Sv is vereist.
artikel 36e lid 2 Sr
Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen (artikel 36e lid 2 Sr).
artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering
Op grond van artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan deze schatting slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen.
artikel 359 lid 3 Sv
art. 6 lid 1 EVRM
4Het tweede middel 4.1 Het middel bevat de klacht dat de berechting van de betrokkene niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2020:1523
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 18/00794 P Datum 29 september 2020 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 februari 2018, nummer 21/000228-16, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, hierna: de betrokkene.
ECLI:NL:HR:2021:1498
dat hij op 29 juni 2000 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van MDMA, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, een hoeveelheid Piperonylmethylketon (PMK), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist en verdachtes mededaders wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden, dat die bestemd was tot het plegen van dat feit;
ECLI:NL:HR:2013:BV9087
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene.
ECLI:NL:HR:2024:1514
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/01688 P Datum 12 november 2024 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, economische kamer, van 26 april 2023, nummer 20-000451-19, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, hierna: de betrokkene. 1Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat het oordeel van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), die bestaan in de onderhandse verkoop van vogels in zijn winkel, ontoereikend is gemotiveerd. 2.2 De uitspraak van het hof houdt onder meer in: “Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel De veroordeling De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 13 april 2018 (parketnummer 01-997012-16) veroordeeld tot straf. De rechtbank heeft in voornoemd vonnis bewezenverklaard dat de betrokkene zich in of omstreeks de periode van 14 tot en met 17 april 2016 (feit 1) en op 29 januari 2016 (feit 2) schuldig heeft gemaakt aan ‘opzetheling’ en zich in de periode van 21 april 2016 tot en met 16 juni 2016 schuldig heeft gemaakt aan ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 eerste lid aanhef en onder a van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd’. (...) Overwegingen (...) Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel aanzienlijk dient te worden gematigd, gelet op de omstandigheid dat in de berekening het percentage ongeringde of verkeerd geringde vogels moet worden bijgesteld (I), dat er sprake is van dubbeltellingen (II), dat er sprake is van legaal ongeringde vogels (III), dat in de berekening vogels zijn opgenomen die niet in het bezit van de betrokkene zijn geweest (IV) en tot slot dat de marge op de Amazones en Hyacint ara te hoog is gesteld (V). (...) Ad II: dubbeltellingen Met betrekking tot de stelling van de verdediging dat er sprake is van dubbeltellingen, nu dezelfde vogels op verschillende manieren zijn aangeboden, te weten via www.marktplaats.nl, www.vogelmarkt.net en in de winkel, overweegt het hof het navolgende. Het hof is, met de verdediging, van oordeel dat het aannemelijk is dat er door de verkoop via drie kanalen sprake is van dubbeltellingen en dat in beginsel van het bruto berekende voordeel 2/3 in mindering dient te worden gebracht. Uit het dossier volgt naar het oordeel van het hof echter ook dat de betrokkene onderhands in zijn winkel vogels heeft verkocht. Mede gelet op de omstandigheid dat de betrokkene zijn administratie niet op orde had en het precieze percentage dus niet kan worden vastgesteld, maakt het hof gebruik van de bevoegdheid om de omvang van de dubbeltellingen te schatten en stelt deze naar redelijkheid vast op 50%. (...) Bronnen Het hof neemt ‑ voor zover hierna niet anders vermeld ‑ voor de schatting van bedoeld voordeel tot uitgangspunt het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 25 oktober 2016, opgemaakt door [verbalisant] . Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Gelet op het vorenoverwogene berekent het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel op de navolgende wijze: Bruto berekende voordeel: € 32.083,07 2 gele kwikstaarten € 88,97 -/- Noord-Amerikaanse blauwe bisschoppen € 232,40 -/- ------------------------ € 31.761,70 in verband met dubbeltelling ‑ 50% van € 31.761,70 = € 15.880,85 -/- ------------------------ € 15.880,85 percentage niet of onjuist geringde vogels: 68,6% van € 15.880,85 € 10.894,26 Amazones € 1.162,01 +/+ Hyacint ara € 2.000,00 +/+ ------------------------ € 14.056,27 Kosten verzorging vogels 327 (658 ‑ (2 + 2 vogels) ‑ 50%) x € 1,19 = € 389,13 -/- ------------------------ € 13.667,14 Het hof stelt het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 13.667,14.” 2.3 Artikel 36e leden 1 en 2 Sr luidt: “1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. 2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.” 2.4.1 Het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan, moet binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming zijn met de onschuldpresumptie. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Ook behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan. (Vgl. HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523.) 2.4.2 Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden waarop de vaststelling berust dat andere strafbare feiten, als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, door de betrokkene zijn begaan. Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan. (Vgl. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498.) 2.5 Het hof heeft overwogen dat “de betrokkene onderhands in zijn winkel vogels heeft verkocht”. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de betrokkene een ander strafbaar feit heeft begaan dan in de strafzaak is bewezenverklaard. Voldoende aanwijzingen dat de betrokkene dit feit heeft begaan, kunnen echter niet zonder meer worden afgeleid uit de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden. Gelet hierop is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd. 2.6 Het cassatiemiddel slaagt. 3Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof; - wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2024.
ECLI:NL:HR:2022:472
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 21/00007 P Datum 29 maart 2022 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 22 september 2020, nummer 23-003595-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, hierna: de betrokkene.
ECLI:NL:HR:2025:288
hij in de periode van 10 september 2010 tot en met 31 juli 2012 (p.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04307 P Zitting 6 januari 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, hierna: de betrokkene 1Inleiding 1.1 Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 2 november 2023 (parketnr. 23-002478-20) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 8.100,00 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 7.290,00.

Verder heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 145 dagen. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 23/04359 en 23/04299. In de zaak 23/04359 concludeer ik vandaag ook. In de zaak 23/04299 heeft de Hoge Raad op 11 maart 2025 reeds uitspraak gedaan en is het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 2Waar het in cassatie om gaat 2.1 De betrokkene in deze ontnemingsprocedure heeft structureel hennep geknipt.

In de strafzaak in eerste aanleg is de betrokkene onherroepelijk veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van het bedrijfsmatig telen van hennep in de periode van 2 december 2015 t/m 23 december 2015. Het eerste middel in deze ontnemingszaak bestaat, zo begrijp ik, uit twee deelklachten. Ten eerste wordt geklaagd over de motivering van het oordeel van het hof dat “buiten redelijke twijfel” staat dat de betrokkene zich in de periode voorafgaand aan 2 december 2015 eveneens schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet en dat de betrokkene uit al deze feiten – het structureel knippen van hennep – wederrechtelijk voordeel heeft verkregen (art. 36e lid 2 Sr).

Ten tweede wordt opgekomen tegen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit zou niet zijn ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen, hetgeen ingevolge art. 511f Sv is vereist. Het tweede middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie. 2.2 Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft geen bespreking.

3Het eerste middel

De eerste deelklacht 3.1 De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat “buiten redelijke twijfel staat” dat de betrokkene in de periode voorafgaand aan 2 december 2015 wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het structureel knippen van hennep ontoereikend is gemotiveerd. 3.2 De bestreden uitspraak houdt onder meer in (met overneming van voetnoten): “Veroordeling De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 april 2017 veroordeeld ter zake van - kort gezegd en voor zover hier van belang - het medeplegen van het bedrijfsmatig telen van hennep in de periode van 2 december 2015 tot en met 23 december 2015 (feit 2) en deelname aan een criminele organisatie, welke organisatie onder meer tot oogmerk had het bedrijfsmatig telen van hennep, in de periode van 20 juli 2015 tot en met 12 januari 2016 (feit 3).

Bij arrest van dit hof van 12 maart 2019 is de betrokkene in het door haar tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, zodat de veroordeling onherroepelijk is. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023 en 12 oktober 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. […] Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Het standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 8.100.- Hij heeft daartoe aangevoerd dat de betrokkene heeft verklaard dat zij € 15,- per uur ontving voor het knippen van de hennepplanten. Een gemiddelde oogst werd in ongeveer twee dagen geknipt, waarbij de betrokkene ongeveer tien uur per dag werkte. De kweekperiode van de hennepplantage in het pand aan de [a-straat 1] in [plaats] betreft in de visie van het Openbaar Ministerie 1 maart 2013 tot en met 25 december 2023 (het hof begrijpt: 23 december 2015), met - uitgaande van een kweekcyclus van tien weken - dertien oogsten in kweekruimte 1 en veertien oogsten in kweekruimte 2, aldus de advocaat-generaal.

Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie er niet in kan slagen een voldoende beredeneerde berekening aan te leveren van het door de betrokkene genoten voordeel, omdat niet kan worden vastgesteld waar, hoe vaak en hoeveel uren de betrokkene eerder hennep heeft geknipt en of deze eerdere werkzaamheden verband hielden met de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] in [plaats] , waarop de ontnemingsvordering geheel is gebaseerd. De betrokkene heeft immers verklaard dat zij op 23 december 2015 voor het eerst in de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] in [plaats] aanwezig was.

Het oordeel van het hof Grondslag De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen (artikel 36e lid 2 Sr). De betrokkene is veroordeeld ter zake van het medeplegen van het bedrijfsmatig telen van hennep in de periode van 2 december 2015 tot en met 23 december 2015 in/vanuit een pand aan de [b-straat 1] in [plaats] (knipperij), in/vanuit een pand aan de [c-straat 1] in [plaats] (drogerij) en in/vanuit een pand aan de [a-straat 1] in [plaats] (kwekerij).

Het hof is van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de betrokkene zich in de periode voorafgaand aan deze bewezen verklaarde periode eveneens schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet en dat zij uit al deze feiten - het structureel knippen van hennep - wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel De [medebetrokkene 1] heeft als getuige verklaard dat hij de betrokkene in 2014 heeft leren kennen toen hij bij het knippen van hennep in contact kwam met een groep mensen, onder wie de betrokkene. [medebetrokkene 1] heeft vanaf 2014 om de zes à acht weken hennep geknipt en de betrokkene was er meestal bij.

Hij kreeg € 15,- per uur en heeft met alleen het knippen iets van € 10.000,- verdiend. Hij denkt dat de betrokkene hetzelfde bedrag heeft verdiend, waarbij hij opmerkt dat toen hij startte met het knippen van hennep, de betrokkene al knipte. De betrokkene heeft tijdens haar politieverhoor op 22 januari 2016 verklaard dat zij sinds een jaar geleden of zo al een telefoon gebruikte voor het knippen van wiet. Voor het knippen kreeg ze € 15,- per uur. Op 18 december 2014 heeft een WhatsApp-gesprek plaatsgevonden tussen de betrokkene en [medebetrokkene 1] , waarin [medebetrokkene 1] aan de betrokkene heeft gestuurd:

“Ik moet zo met [medebetrokkene 2] (het hof begrijpt: [medebetrokkene 2] ) hier opruimen, dus rij niet met je mee” " waarop de betrokkene heeft geantwoord: “Ben er allang. Tot straks.” Op 6 januari 2015 heeft ook een WhatsApp-gesprek plaatsgevonden tussen de betrokkene en [medebetrokkene 1] , waarin de betrokkene aan [medebetrokkene 1] heeft gestuurd: “We moeten morgen om half 9 daar wezen. Kwart voor 8 parkeerplaats?”, waarop [medebetrokkene 1] heeft geantwoord: “Die kleine zou mij daar nog over bellen of heeft hij gezegd dat jij dat aan mij moest doorgeven?”, waarop de betrokkene heeft geantwoord:

“[medebetrokkene 3] (het hof begrijpt: de [medebetrokkene 3] ) belde me en ik moest jou bellen.” [medebetrokkene 1] heeft als getuige over deze WhatsApp-gesprekken verklaard dat hij en de betrokkene dit soort contact met elkaar hadden over de hennep. Gelet op het voorgaande staat genoegzaam vast dat de betrokkene over een langere periode meermalen hennep heeft geknipt en het hof acht aannemelijk dat zij daar in ieder geval het bedrag van € 8.100,- voor heeft ontvangen, waardoor het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 8.100,-.” 3.3 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het bestreden oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd, omdat dit oordeel enkel berust op de verklaring van [medebetrokkene 1] . 3.4 Bij de bespreking van de deelklacht dient het volgende te worden vooropgesteld:

“2.4.1. Het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan, moet binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming zijn met de onschuldpresumptie. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Ook behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan. (Vgl. HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523.) 2.4.2.

Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden waarop de vaststelling berust dat andere strafbare feiten, als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, door de betrokkene zijn begaan. Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan. (Vgl. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498.)” 3.5 De deelklacht, die ervan uitgaat dat het bestreden oordeel van het hof enkel is gebaseerd op de verklaring van [medebetrokkene 1] berust op een onjuiste lezing van het arrest, nu het oordeel ook steunt op onder meer de verklaring van de betrokkene afgelegd tijdens haar politieverhoor op 22 januari 2016.

De deelklacht mist daardoor feitelijke grondslag. 3.6 Bovendien blijkt uit de uitspraak aan welke feiten en omstandigheden het hof voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene zich in de periode voorafgaand aan deze bewezen verklaarde periode (dus voor 2 december 2015) eveneens schuldig heeft gemaakt aan overtreding van art. 3 onder B Opiumwet, te weten: - dat [medebetrokkene 1] tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023 als getuige heeft verklaard (i) dat hij de betrokkene in 2014 heeft leren kennen toen hij bij het knippen van hennep in contact kwam met een groep mensen, onder wie de betrokkene, (ii) dat de medebetrokkene vanaf 2014 om de zes à acht weken hennep heeft geknipt en de betrokkene er meestal bij was, (iii) dat hij € 15,- per uur kreeg, (iv) dat hij met alleen het knippen iets van € 10.000,- heeft verdiend, (v) dat hij denkt dat de betrokkene hetzelfde bedrag heeft verdiend, waarbij de medebetrokkene heeft opgemerkt dat toen hij startte met het knippen van hennep, de betrokkene al knipte; - dat de betrokkene tijdens het politieverhoor op 22 januari en 9 februari 2016 heeft verklaard (i) dat “zij sinds een jaar geleden of zo al een telefoon gebruikte voor het knippen van wiet” en (ii) dat zij voor het knippen € 15,- per uur kreeg; - dat uit het proces-verbaal onderzoek mobiele telefoon blijkt dat op 18 december 2014 en op 6 januari 2015 WhatsApp-gesprekken hebben plaatsgevonden tussen de betrokkene en [medebetrokkene 1] over hennep (opgenomen onder ‎3.2) en dat [medebetrokkene 1] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft verklaard dat hij en de betrokkene dit soort contact met elkaar hadden. 3.7 Uit het arrest blijkt aan welke feiten en omstandigheden, samengevat onder ‎3.6, het hof voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene in de periode voorafgaand aan 2 december 2015 wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het structureel knippen van hennep.

Het bestreden oordeel is niet ontoereikend gemotiveerd. 3.8 De deelklacht faalt. De tweede deelklacht 3.9 De tweede deelklacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen waar, hoe vaak en hoeveel uur de betrokkene hennep zou hebben geknipt en wat zij daarmee zou hebben verdiend, zodat het door het hof vastgestelde ontnemingsbedrag niet meer dan een “wilde schatting” is. 3.10 In HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498, r.o. 2.5.2 overwoog de Hoge Raad: “Als de rechter heeft geoordeeld dat voldoende aanwijzingen in de hiervoor bedoelde zin bestaan dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan, kan de omvang van het voordeel door de rechter worden geschat (artikel 36e lid 5, eerste volzin, Sr).

Op grond van artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan deze schatting slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. De uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet – gelet op artikel 511e lid 1 en 511g lid 2 Sv in verbinding met artikel 359 lid 3 Sv – de bewijsmiddelen vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover die de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevat (vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087).” 3.11 De bestreden uitspraak voldoet niet aan het hiervoor onder 3.10 genoemde vereiste.

Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 8.100,-. Het hof heeft bij de schatting in voetnoten verwezen naar de verklaring van de medebetrokkene afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, de verklaringen van de betrokkene afgelegd tijdens het politieverhoor en het proces-verbaal onderzoek mobiele telefoon. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen noch uit de betreffende overweging opgenomen onder ‎3.2 blijkt hoe vaak en hoeveel uur de betrokkene hennep zou hebben geknipt en wat zij daarmee zou hebben verdiend. 3.12 Het bestreden arrest is “gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023 en 12 oktober 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg”.

In het vonnis van 30 oktober 2020 wordt door de rechtbank verwezen naar de ontnemingsrapportage en wordt de in die rapportage gebruikte berekening weergegeven: “De ontnemingsperiode is vastgesteld op 1 maart 2013 tot 23 december 2015 (= 146 weken). De huurovereenkomst van de loods aan de [a-straat 1] ving aan op 1 januari 2013. De aangetroffen omstandigheden wijzen erop dat het pand specifiek ten behoeve van de hennepteelt werd gehuurd. Rekening houdend met een opbouw van een kwekerij van de aangetroffen omvang van twee maanden gaat men uit van een start van de kwekerij op 1 maart 2013.

De kwekerij bestond uit 2 kweekruimtes. Er wordt uitgegaan van een nagenoeg gelijktijdige ingebruikneming van beide kweekruimtes. Kweekruimte 1 is vermoedelijk 1 week later gestart (in ruimte 1 werd al geknipt, terwijl de planten in ruimte 2 max 1 week oud waren). Op basis van een kweekcyclus van 10 weken zal kweekruimte één 13 eerder gerealiseerde oogsten hebben gehad, en kweekruimte twee 14 eerder, gerealiseerde oogsten. De rechtbank volgt de concrete berekening van het openbaar ministerie. Deze is gebaseerd op de stelling dat een gemiddelde oogst in twee dagen wordt geknipt, waarbij veroordeelde ongeveer 10 uur per dag knipte.

Veroordeelde gaf zelf aan dat zij ongeveer 15 a 20 euro per uur zou verdienen voor het knippen. Per oogst genoot veroordeelde aldus een bedrag van € 300,- (20 uur maal € 15,). In totaal zijn er 27 oogsten geweest, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 8.100,-”. 3.13 De ontnemingsrapportage waarnaar door de rechtbank wordt verwezen bevat niet de voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden. Uit de ontnemingsrapportage volgt slechts hoeveel oogsten er waren vanaf 1 maart 2013 en ook hoeveel de betrokkene per uur zou hebben verdiend met het knippen.

Uit de ontnemingsrapportage blijkt niet dat de betrokkene vanaf 1 maart 2013 hennep heeft geknipt laat staan dat dit structureel het geval is geweest. Daarbij verdient opmerking dat de berekening van het totaalbedrag van € 8.100,- in de ontnemingsrapportage is gebaseerd op in totaal 27 oogsten vanaf 1 maart 2013. Uit de bewijsmiddelen waarnaar het hof voor de schatting in voetnoten heeft verwezen (de verklaring van de medebetrokkene afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, de verklaringen van de betrokkene afgelegd tijdens het politieverhoor en het proces-verbaal onderzoek mobiele telefoon) blijkt niet dat de verdachte vanaf die datum hennep heeft geknipt of dat dit knippen structureel van aard is geweest. 3.14 Zelfs al zou de ontnemingsrapportage waarnaar door de rechtbank is verwezen wel de voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden hebben bevat, dan nog zou dit niet hebben kunnen baten, aangezien dit vonnis door het hof is vernietigd.

Hoe dan ook bevat de bestreden uitspraak aldus niet de inhoud van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend. 3.15 Gelet op het voorgaande is de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend gemotiveerd. 3.16 De tweede deelklacht slaagt. 3.17 Daarmee slaagt het middel. 4Het tweede middel 4.1 Het middel bevat de klacht dat de berechting van de betrokkene niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden. 4.2 Nu het eerste middel slaagt, hetgeen naar mijn oordeel dient te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig. 5Afronding 5.1 Het eerste middel slaagt.

De bespreking van het tweede middel blijft achterwege. 5.2 Ambtshalve merk ik op dat namens de betrokkene op 7 november 2023 beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit tijdsverloop kan bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld. 5.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De verklaring van de getuige [medebetrokkene 1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023. Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] van 9 februari 2016, pagina 195 persoonsdossier B.07. Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] van 9 februari 2016, pagina 216 persoonsdossier B.07. Proces-verbaal onderzoek mobiele telefoon (met bijlagen), op 13 januari 2016 opgemaakt door [verbalisant] , pagina’s 667 en 670 beslagdossier. Proces-verbaal onderzoek mobiele telefoon (met bijlagen), op 13 januari 2016 opgemaakt door [verbalisant] , pagina’s 667 en 670-671 beslagdossier.

De verklaring van de getuige [medebetrokkene 1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2023. HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1514, r.o. 2.4.1-2.4.2. Zie van eerdere datum ook HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:472, r.o. 2.3.1-2.3.2. Zie ook in iets andere bewoordingen HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:288, NJ 2025/208 m.nt. Ten Voorde, r.o. 2.3. Vgl. HR 28 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5629, NJ 2008/96 m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 3.5. Vgl. HR 7 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1445, r.o.

3. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.5.3.