Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2026:133 ECLI:NL:PHR:2026:133 AI generated

ECLI:NL:PHR:2026:133 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2026:133
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04882 Zitting 3 februari 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 10 augustus 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001300-21) niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 3 mei 2021, waarbij hij wegens 1. “opzettelijk gebruik maken van een vals identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht” en 2.

Legislator headnote

AI generated

art. 450 lid 1 Sv, art. 432 Sv; ECLI:NL:PHR:2026:133 · Parket bij de Hoge Raad: Cassatie dient in dergelijke gevallen alsnog binnen veertien dagen na de einduitspraak te worden ingesteld indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit blijkt dat de verdachte tevoren op de hoogte was van de dag van de terechtzitting in hoger beroep (art. 432 lid 1 aanhef en onder c Sv). 2.3 Ik meen dat de mededeling van de raadsman van de verdachte in dit geval als zo’n omstandigheid kan gelden. Op grond van het dossier bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van de mededeling van deze raadsman, die namens hem aanwezig was op de zitting, te twijfelen.

Keywords

AI generated
art. 450 lid 1 Sv art. 432 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 450 lid 1 Sv
1.3 Het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, nu het hoger beroep – door een Belgische advocaat – niet overeenkomstig het bepaalde in art. 450 lid 1 Sv is ingesteld.
art. 432 Sv
Cassatie dient in dergelijke gevallen alsnog binnen veertien dagen na de einduitspraak te worden ingesteld indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit blijkt dat de verdachte tevoren op de hoogte was van de dag van de terechtzitting in hoger beroep (art. 432 lid 1 aanhef en onder c Sv).

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04882 Zitting 3 februari 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 10 augustus 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001300-21) niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 3 mei 2021, waarbij hij wegens 1. “opzettelijk gebruik maken van een vals identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht” en 2.

“opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst”, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. 1.3 Het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, nu het hoger beroep – door een Belgische advocaat – niet overeenkomstig het bepaalde in art. 450 lid 1 Sv is ingesteld. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep 2.1 Voordat ik toekom aan de bespreking van het middel stel ik de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde.

Het hof 's-Hertogenbosch heeft in de onderhavige zaak einduitspraak gedaan op 10 augustus 2022. Namens de verdachte is op 13 december 2023 – dus meer dan veertien dagen na de einduitspraak – cassatieberoep ingesteld. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep (ex art. 432 Sv) zijn de volgende omstandigheden van belang: (i) De dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 27 juli 2022 is niet in persoon aan de verdachte betekend.(ii) Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 juli 2022 is de verdachte aldaar niet verschenen.

Het proces-verbaal houdt, voor zover voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van belang, in: “De verdachte genaamd: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1991, wonende te [postcode] [plaats] , [a-straat 1] , is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter terechtzitting aanwezig. Namens de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. E. van Gerven, advocaat te Lochristi, België. Mr. Van Gerven deelt mede dat de dagvaarding de verdachte in goede orde heeft bereikt.” 2.2 Uit de stukken van het geding blijkt dat de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep niet in persoon aan de verdachte is betekend en dat de verdachte niet aanwezig was op de zitting van 27 juli 2022.

Cassatie dient in dergelijke gevallen alsnog binnen veertien dagen na de einduitspraak te worden ingesteld indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit blijkt dat de verdachte tevoren op de hoogte was van de dag van de terechtzitting in hoger beroep (art. 432 lid 1 aanhef en onder c Sv). 2.3 Ik meen dat de mededeling van de raadsman van de verdachte in dit geval als zo’n omstandigheid kan gelden. Op grond van het dossier bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van de mededeling van deze raadsman, die namens hem aanwezig was op de zitting, te twijfelen.

Aangenomen mag dus worden dat de verdachte kennis heeft genomen van de inhoud van de aan hem verzonden dagvaarding, waarin de datum en het tijdstip van de terechtzitting in hoger beroep staan vermeld, zodat sprake is van een omstandigheid waaruit blijkt dat de verdachte tevoren op de hoogte was van de dag van de terechtzitting in hoger beroep. Dat is in de cassatieschriftuur ook niet bestreden. 2.4 Overeenkomstig art. 432 lid 1 aanhef en onder c Sv had in het onderhavige geval binnen veertien dagen na de einduitspraak beroep in cassatie moeten worden ingesteld.

Deze termijn is ruim overschreden, nu het cassatieberoep een jaar en ongeveer vier maanden na de einduitspraak is ingesteld. 3Slotsom 3.1 Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Op 12 januari 2026 hebben voornoemde raadslieden aan de griffie van de Hoge Raad bericht dat zij zich hebben onttrokken als advocaten van de verdachte. Namens de verdachte heeft zich ten tijde van het schrijven van deze conclusie nog geen nieuwe raadsman of raadsvrouw gesteld.

Uit de betekeningsstukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden blijkt dat de dagvaarding voor de behandeling van de zaak in hoger beroep op 24 mei 2022 is uitgereikt aan het openbaar ministerie, en dat de brief is verzonden naar het op de akte vermelde adres van de verdachte. De verdachte had blijkens een Informatiestaat SKDB-persoon van 24 mei 2022 geen BRP-adres, maar van hem was wel een woon- of verblijfplaats in België bekend. Vgl. HR 8 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:529, waarin de Hoge Raad de bekendheid van de betrokkene met de dag van de terechtzitting eveneens afleidde uit een mededeling van de raadsman.

Zie ook de aan dit arrest voorafgaande conclusie van A-G Keulen, in het bijzonder de randnummers 12-21.