Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2025:976 ECLI:NL:PHR:2025:976 AI generated

ECLI:NL:PHR:2025:976 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2025:976
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/03599 Zitting 16 september 2025 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 12 september 2023 door het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, wegens 1 primair onder a "witwassen, meermalen gepleegd” en 1 primair onder b en 2 telkens “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Legislator headnote

AI generated

art. 6 EVRM, art. 6 lid 1 EVRM; ECLI:NL:PHR:2025:976 · Parket bij de Hoge Raad: Hij zal daarom worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.” 2.4 Voor een bewezenverklaring van het in een op art. 420bis lid 1 onder b Sr toegesneden tenlastelegging opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent ook dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling ter zake van art. 420bis Sr vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. 2.5 Niet is vereist dat het voorwerp geheel uit misdrijf afkomstig is.

Keywords

AI generated
art. 6 EVRM art. 6 lid 1 EVRM

Cited Legislation

AI generated
art. 6 EVRM
4.2 De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM, omdat de rechtbank op 21 mei 2021 vonnis heeft gewezen, zodat het hoger beroep meer dan twee jaren in beslag heeft genomen.
art. 6 lid 1 EVRM
Daarmee zal de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM worden overschreden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2023:3748
afdeling strafrecht parketnummer: 23-002072-22 datum uitspraak: 12 september 2023 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2021 in de strafzaak onder parketnummer 10-960276-18 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1953, adres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van 15 en 29 augustus 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en diens raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van feit 2 primair onder a De verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 primair onder a is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en bij appelschriftuur is door de raadsvrouw gesteld dat het hoger beroep niet is gericht tegen de deelvrijspraak van feit 2 (het hof begrijpt: feit 2 primair onder a). Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de advocaat-generaal en de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van feit 2 primair onder a niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep. Gezien de wijze van ten laste leggen – cumulatief/alternatief – binnen feit 2 primair is het hof evenwel van oordeel dat de verdachte ook ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank aangaande feit 2 primair onder a, en dat ook dit onderdeel van het tenlastegelegde in hoger beroep opnieuw aan de orde is. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. Zaaksdossier [zaak 1] primair hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 februari 2014 tot en met 10 oktober 2019 te Zwijndrecht en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, eenmaal, a. (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 168.000,- euro (stortingen privérekening), en/of - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 169.970,- euro (woning [adres 1] d.d. 11 juni 2019), en/of - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 391.730,- euro (woning [adres 2] d.d. 13 september 2019), en/of - 4 Rolex horloges ter waarde van totaal (circa) 61.500,- euro (woning [adres 2] d.d. 13 september 2019), en/of - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 72.590,40 euro (woning [adres 1] d.d. 10 oktober 2019), althans grote geldbedragen en/of één of meer Rolex horloges, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerp(en) was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt, en/of b. (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 168.000,- euro (stortingen privérekening), en/of - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 169.970,- euro (woning [adres 1] d.d. 11 juni 2019), en/of - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 391.730,- euro (woning [adres 2] d.d. 13 september 2019), en/of - 4 Rolex horloges ter waarde van totaal (circa) 61.500,- euro (woning [adres 2] d.d. 13 september 2019), en/of - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 72.590,40 euro (woning [adres 1] d.d. 10 oktober 2019), althans grote geldbedragen en/of één of meer Rolex horloges, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt; Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 februari 2014 tot en met 10 oktober 2019 te Zwijndrecht en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, eenmaal, a. (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 168.000,- euro (stortingen privérekening), en/of - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 169.970,- euro (woning [adres 1] d.d. 11 juni 2019), en/of - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 391.730,- euro (woning [adres 2] d.d. 13 september 2019), en/of - 4 Rolex horloges ter waarde van totaal (circa) 61.500,- euro (woning [adres 2] d.d. 13 september 2019), en/of - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 72.590,40 euro (woning [adres 1] d.d. 10 oktober 2019), althans grote geldbedragen en/of één of meer Rolex horloges, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en/of b. (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 168.000,- euro (stortingen privérekening), en/of - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 169.970,- euro (woning [adres 1] d.d. 11 juni 2019), en/of - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 391.730,- euro (woning [adres 2] d.d. 13 september 2019), en/of - 4 Rolex horloges ter waarde van totaal (circa) 61.500,- euro (woning [adres 2] d.d. 13 september 2019), en/of - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 72.590,40 euro (woning [adres 1] d.d. 10 oktober 2019), althans grote geldbedragen en/of één of meer Rolex horloges, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; 2. Zaaksdossier [zaak 2] primair hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 november 2018 te Zwijndrecht en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, a. (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten - contante geldbedragen tot een totaal van 276.130,32 euro (stortingen bedrijfsrekeningen), althans grote geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerp(en) was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt, en/of b. (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten - contante geldbedragen tot een totaal van 276.130,32 euro (stortingen bedrijfsrekeningen), althans grote geldbedragen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt; Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 november 2018 te Zwijndrecht en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, a. (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten - contante geldbedragen tot een totaal van 276.130,32 euro (stortingen bedrijfsrekeningen), althans grote geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerp(en) was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en/of b. (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten - contante geldbedragen tot een totaal van 276.130,32 euro (stortingen bedrijfsrekeningen), althans grote geldbedragen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Bewijsmotivering Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat - kort gezegd - het tenlastegelegde onder feit 1 primair a en b en onder feit 2 primair onder b wettig en overtuigend kan worden bewezen. Wat betreft feit 1 primair onder a en b heeft de advocaat-generaal nog aangevoerd dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het witwassen van drie van de vier Rolex-horloges. Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Kort gezegd voert zij het volgende aan. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw betoogd dat niet vastgesteld kan worden dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen en voorwerpen onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn. De verdachte heeft concrete en verifieerbare verklaringen afgelegd die het openbaar ministerie niet nader heeft onderzocht. Subsidiair moet de verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake is van opbrengsten van door de verdachte zelf gepleegde misdrijven. Over feit 2 onder b heeft de raadsvrouw primair bepleit dat de uitkomsten van het financieel onderzoek van het openbaar ministerie geen ernstig vermoeden van witwassen rechtvaardigen, omdat uit de verklaringen van de boekhoudster volgt dat alle contante stortingen uiteindelijk herleidbaar zijn tot de boekhouding. Subsidiair heeft de verdediging contante stortingen met betrekking tot de vennootschap [bedrijf 1] B.V. tot een bedrag van € 318.530,00 nader toegelicht onder verwijzing naar stukken uit de boekhouding. Uit het dossier kan worden afgeleid dat deze stukken niet eerder zijn meegenomen in het financieel onderzoek, aldus nog steeds de raadsvrouw. Daarmee is voor (meer dan) het ten laste gelegde bedrag van € 276.130,32 aan contante stortingen een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onaannemelijke verklaring gegeven. Tot slot heeft de raadsvrouw nog aangevoerd dat het door de rechtbank bewezenverklaarde bedrag van €113.001,50, evenals de geldbedragen die zijn tenlastegelegd onder feit 1 spaargeld betreft. Oordeel van het hof Feit 1; bewijs van concreet (eigen) misdrijf? De raadsvrouw heeft in hoger beroep haar subsidiaire standpunt ‘afkomstig uit eigen misdrijf’ als volgt nader onderbouwd. Het openbaar ministerie (OM) is van oordeel dat de verdachte ontegenzeggelijk zelf betrokken is geweest bij het plegen van drugsgerelateerde delicten en dat daarvan de aangetroffen geldbedragen en horloges afkomstig zouden zijn. De verdachte ontkent betrokkenheid bij drugsfeiten, maar als het hof dit standpunt van het OM volgt betekent dit dat de verdachte verweten wordt gelden verworven en voorhanden gehad te hebben die afkomstig zijn uit (zijn) eigen misdrijven. In dat geval, aldus de raadsvrouw, dient de verdachte ontslagen te worden van alle rechtsvervolging (OVAR) omdat dan een situatie aan de orde is die kwalificatie van het bewezenverklaarde als misdrijf uitsluit. De eveneens tenlastegelegde gedragingen ‘overdragen’, ‘gebruikmaken van’ of ‘omzetten' verschillen in het onderhavige geval niet wezenlijk van het geval waarin de verdachte een bepaald misdrijf heeft gepleegd en de daarvan afkomstige voorwerpen verwerft of voorhanden heeft. Daarom moet volgens de raadsvrouw ook voor die gedragingen, indien al bewezen, de kwalificatie-uitsluiting en dus OVAR volgen. De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat sprake is van het niet of onjuist doen van belastingaangiften door de verdachte, ten aanzien van de door hem in de loop der jaren verdiende en opgespaarde contanten. Deze zijn immers (groten)deels afkomstig van zijn langjarige handel in ongeregelde goederen en van andere werkzaamheden. Deze opbrengsten administreerde de verdachte niet en gaf hij niet op aan de Belastingdienst. Ook dit levert eigen misdrijven van de verdachte op zodat OVAR moet volgen. Het hof verwerpt deze verweren. Het dossier mag indicaties bevatten dat de verdachte, direct of indirect, berokken was bij drugsgerelateerde criminaliteit, deze aanwijzingen zijn de status van verdenking niet ontstegen. Van bewijsbare betrokkenheid bij een concreet (drugs)misdrijf is niet gebleken. Daarmee ontvalt aan het verweer de kern dat de aangetroffen geldbedragen en andere voorwerpen afkomstig zijn van door de verdachte zelf gepleegde misdrijven. Het verweer met betrekking tot belastingfraude houdt in dat de verdachte weliswaar ‘zwart’, maar niet door middel van illegale activiteiten, (veel) geld heeft verdiend en gespaard. Die opbrengsten zou hij niet (afdoende) fiscaal hebben verantwoord, hetgeen een misdrijf oplevert. Het hof stelt vast dat in de door de verdediging gepresenteerde situatie de (zwart) verdiende gelden niet van aan het witwassen voorafgaande misdrijven afkomstig zijn. Dat ten aanzien van die gelden wellicht, later, fiscale delicten zijn gepleegd verandert de herkomst niet. Sprake van witwassen? Naar bestendige jurisprudentie kan in een geval als het onderhavige, waarin geen direct bewijs aanwezig is voor de herkomst van de tenlastegelegde voorwerpen en geldbedragen uit bepaalde brondelicten, witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de goederen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de rechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat deze een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Indien daarvan sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de (niet criminele) herkomst van de goederen. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst. Met de resultaten van een dergelijk onderzoek zal met voldoende mate van zekerheid moeten kunnen worden uitgesloten dat de voorwerpen of het geld waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Het hof stelt vast dat op 11 juni en 10 oktober 2019 bij doorzoekingen in de woning van de verdachte aan de [adres 1] respectievelijk € 169.970,00 en € 72.590,40 aan contant geld is aangetroffen in twee kluizen en op verschillende andere plekken in de woning. Bij een doorzoeking van een woning aan de [adres 2] (hierna: de [adres 2]) op 13 september 2019 is tussen een stapel hout achter een bij die woning behorende schuur een ingetapete doos aangetroffen met daarin € 391.730,00 in contanten en vier horloges van het merk Rolex met een gezamenlijke getaxeerde executiewaarde van ruim € 61.000,00. Deze doos was op verzoek van de verdachte in die woning verborgen en de inhoud daarvan – aldus de verdachte – behoorde aan hem toe. Verder is op de bankrekening van de verdachte in de periode van 14 februari 2014 tot en met 28 augustus 2017 door middel van contante stortingen in totaal € 168.000,00 bijgeschreven. De totale (executie)waarde van het aangetroffen contante geld, de horloges en de contante stortingen is daarmee ruim € 861.000,00. Gezien de omvang van de aangetroffen en gestorte contante geldbedragen en de wijze waarop het geld en de horloges waren verpakt en in of bij de woningen werden bewaard, is het hof van oordeel dat zonder meer sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Van de verdachte mag daarom worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst daarvan. De verdachte heeft over de herkomst van het geld, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, onder meer verklaard dat hij dit geld lange tijd bij elkaar heeft gespaard, dat hij een groot deel vanaf 1990 heeft verdiend met de verkoop van goederen en dat hij in 2009 een erfenis contant heeft ontvangen. De verdachte heeft deze verklaring niet tot nauwelijks geconcretiseerd. Pas ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdediging een aantal algemene voorbeelden gegeven van dergelijke transacties. De verdachte heeft echter geen namen kunnen noemen van (ver)kopers waarmee hij handelde en heeft daarvan ook geen enkele administratie bijgehouden. Het hof merkt daarbij op dat de verdachte niet is gehouden te bewijzen dat het geld niet afkomstig is uit misdrijf, maar dat wel van de verdachte een concrete en verifieerbare verklaring mag worden verlangd. De verdediging heeft verder aangevoerd dat de verdachte in 2017 een schade-uitkering heeft ontvangen van een verzekeraar. Het hof gaat ook aan deze verklaring voorbij, omdat niet is onderbouwd dat de verdachte deze uitkering contant van zijn bankrekening heeft opgenomen, noch dat dit bedrag deel uitmaakt van de contante geldbedragen die bij de verdachte zijn aangetroffen. Met betrekking tot de vier Rolex-horloges heeft de verdachte tot aan de terechtzitting in eerste aanleg niet meer verklaard dan dat deze in Maastricht waren gekocht. Het openbaar ministerie heeft op eigen initiatief navraag gedaan bij juwelier [juwelier], omdat de verdachte daarvan een visitekaartje bij zich droeg. Deze juwelier heeft verklaard dat de betreffende horloges niet in zijn verkooparchief, dat terug ging tot november 2015, voorkwamen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdediging verwezen naar een verklaring van deze juwelier van 11 november 2020, waarin staat dat de verdachte in de periode tussen 2003 en 2010 diverse horloges bij hem heeft gekocht. In hoger beroep heeft de verdachte hier wederom naar verwezen en heeft hij ter terechtzitting verder nog nadrukkelijk verklaard dat juwelier [juwelier] de horloges nog wel zou moeten kunnen herkennen, in ieder geval één Rolex-horloge in verband met (samengevat) het bijzondere uiterlijk daarvan. Het hof gaat hieraan voorbij nu de verdachte ook deze verklaring op geen enkele wijze heeft onderbouwd, dit mede gelet op hetgeen deze juwelier eerder op vragen van het openbaar ministerie heeft geantwoord. Daarbij geldt bovendien dat de verdachte met betrekking tot de herkomst van de gelden, benodigd voor het aanschaffen van de Rolex-horloges, helemaal geen verklaring heeft gegeven. Gezien het vorengaande komt het hof, net als de rechtbank, tot de conclusie dat de ten laste gelegde voorwerpen geen legale herkomst hebben, dat deze afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte dit wist. Het hof slaat daarbij mede acht op het moment van afleggen van de verklaringen, de zeer summiere inhoud ervan en het feit dat de verklaringen niet altijd even consistent zijn. De aanvullende verklaringen in hoger beroepen maken dit niet anders, reden waarom het openbaar ministerie naar het oordeel van het hof niet was gehouden nader onderzoek te doen. De verdachte heeft het geld dat in zijn woning is aangetroffen en op zijn bankrekening is gestort voorhanden gehad en heeft van het geld en de Rolex-horloges die zijn aangetroffen in de woning aan de [adres 2] de herkomst en de vindplaats verhuld door het geld daar te verbergen. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen van de onder feit 1 primair onder a en b tenlastegelegde geldbedragen en horloges. Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen. Hij zal daarom worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen. Feit 2 Het hof is van oordeel dat, onder verwijzing naar het hiervoor overwogene, ook hier geen sprake is van een concreet misdrijf. Het dient vervolgens te bepalen of er sprake is van voorwerpen afkomstig uit enig misdrijf en overweegt daartoe als volgt. Met de rechtbank stelt het hof vast dat uit het financieel onderzoek dat de politie heeft verricht naar de vennootschappen van de verdachte blijkt dat in de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 november 2018 een bedrag van € 1.119.791,50 (contant) op rekeningen van verschillende aan de verdachte gelieerde vennootschappen is gestort. Opvallend is dat van de contante stortingen op de bankrekening van [bedrijf 1] B.V een deel direct is overgemaakt naar andere aan de verdachte gelieerde vennootschappen. Een bedrag van € 113.001,50 is vanaf de privérekening van de verdachte overgemaakt op de bankrekening van [bedrijf 1] BV. Dit bedrag is geboekt onder de grootboekpost ‘rekening courant directie’. Dergelijke bedragen aan (contante) stortingen en overboekingen rechtvaardigen zonder meer een vermoeden van witwassen. De vraag is of de verdachte voor die stortingen een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven. De verdachte heeft in essentie gewezen op de boekhouding van de vennootschappen en de toelichting van de boekhoudster daarop. Uit intensief onderzoek naar de boekhouding van de vennootschappen is gebleken dat contante geldstromen daarin veelal onvolledig en zonder onderliggende facturen zijn verwerkt. Vanuit praktisch oogpunt is er vervolgens voor gekozen om alle contante geldstromen die op enigerlei wijze uit de boekhouding bleken, ongeacht bij welke vennootschap, als verantwoording te accepteren. Bij deze - in het voordeel van de verdachte - toegepaste berekeningswijze bleef volgens de politie een bedrag van € 276.130,32 over als onverklaarbaar ontvangen contante stortingen. Het hof is - anders dan de rechtbank - van oordeel dat de schriftelijke toelichting die door de verdediging in eerste aanleg en in hoger beroep is gegeven op de contante stortingen op de bankrekening van [bedrijf 1] B.V. niet verder gaan dan een bedrag van € 399.340,00 zodat van het totaal gestorte bedrag van € 753.780,00 nog een restant van € 354.440,00 als onverklaarbaar overblijft. Dat laatste bedrag is evenwel niet opgenomen in de tenlastelegging. Van het wel tenlastegelegde geldbedrag, te weten € 276.130,32, is het hof van oordeel dat dit gehele bedrag kan worden aangemerkt als onverklaarbare stortingen. Ten aanzien van de aanvullende verklaringen over de contante stortingen op de rekening van [bedrijf 1] B.V. die zijn aangeleverd in een Excel-bestand (met bijlagen), stelt het hof vast dat in de berekening van de politie alle stortingen zijn meegenomen die maar enigszins tot de boekhouding konden worden herleid. In dat geval is het volgens het hof onmogelijk om contante stortingen, die niet op enige wijze in de boekhouding voorkomen, alsnog te verklaren. Het hof stelt mitsdien vast dat het niet anders kan zijn dan dat het aangeleverde Excel-bestand alleen contante stortingen betreft die al als verklaard zijn aangemerkt en dus buiten het in de tenlastelegging opgenomen bedrag zijn gehouden. De verdachte heeft een concrete noch verifieerbare verklaring gegeven voor een bedrag van € 276.130,32. Het hof is daarom van oordeel dat dit bedrag geen legale herkomst heeft en dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte die herkomst heeft verhuld en dat geldbedrag opzettelijk t voorhanden heeft gehad. Nu het gaat om een veelheid van contante stortingen gedurende een lange periode is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen. Omdat er geen bewijs is dat de verdachte dit met anderen heeft gedaan, zal hij worden vrijgesproken van het hem verweten medeplegen. Nu het hof de verdachte voor het onder 2 onder a heeft veroordeeld voor het verhullen en voorhanden hebben van geldbedragen die ook ten laste zijn gelegd onder 2 onder b, behoeft dit laatste deel van de tenlastelegging - te weten het voorhanden hebben van die geldbedragen - geen nadere bespreking. Voorwaardelijk verzoek De raadsvrouw heeft bij pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep - indien het hof niet tot een vrijspraak komt – verzocht het openbaar ministerie opdracht te geven de administratie nader te analyseren om te achterhalen welk deel van de administratie al dan niet is verklaard. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde geen nadere analyse behoeft, maar refereert zich aan het oordeel van het hof. Het hof acht zich, met het oog op het voorgaande, voldoende voorgelicht om een beslissing op het tenlastegelegde te kunnen nemen. Het hof zal daarom het voorwaardelijk verzoek nader onderzoek te laten instellen naar het door de verdediging overgelegde Excel-bestand, afwijzen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair onder a en b en feit 2 primair onder a tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. Zaaksdossier [zaak 1] primair hij op meerdere tijdstippen in de periode van 14 februari 2014 tot en met 10 oktober 2019 in Nederland, a. meermalen telkens voorwerpen, te weten - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 391.730,- euro (woning [adres 2] d.d. 13 september 2019), en - 4 Rolex horloges ter waarde van totaal (circa) 61.500,- euro (woning [adres 2] d.d. 13 september 2019), de herkomst en de vindplaats heeft verborgen, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en b. telkens voorwerpen, te weten - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 168.000,- euro (stortingen privérekening), en - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 169.970,- euro (woning [adres 1] d.d. 11 juni 2019), en - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 72.590,40 euro (woning [adres 1] d.d. 10 oktober 2019), voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, van het plegen van dat feit een gewoonte heeft gemaakt; 2. Zaaksdossier [zaak 2] primair hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 november 2018 in Nederland, meermalen, a. telkens van geldbedragen, te weten - contante geldbedragen (stortingen bedrijfsrekeningen), de werkelijke aard en de herkomst heeft verhuld, en heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde geldbedragen was/waren, en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, van het plegen van dat feit een gewoonte heeft gemaakt. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair onder a en b en onder 2 primair onder a bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 primair onder a bewezenverklaarde levert op: witwassen, meermalen gepleegd. Het onder 1 primair onder b bewezenverklaarde levert op: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Het onder 2 primair onder a bewezenverklaarde levert op: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair onder a en b en onder 2 primair onder a bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straffen De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden, met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 primair onder a en b en feit 2 primair onder b tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd, rekening houdend met zijn persoonlijke omstandigheden, de verbeurdverklaring en de media-aandacht die de zaak heeft gegenereerd en de invloed daarvan op (de bedrijven van) de verdachte. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen. Verspreid over zijn woning zijn na twee doorzoekingen grote contante geldbedragen aangetroffen. Op de [adres 2] is er eveneens een groot contant geldbedrag aangetroffen en ook vier Rolex-horloges, welke voorwerpen daar op verzoek van de verdachte zijn verborgen. Daarnaast heeft de verdachte in een periode van ongeveer vijf jaar door middel van contante stortingen op privé- en zakelijke bankrekeningen, ten minste (afgerond) € 280.000,00 witgewassen. Door zijn handelen heeft de verdachte de opbrengsten van criminele activiteiten aan het zicht van justitie onttrokken en die een schijnbaar legale herkomst verschaft. Het witwassen van crimineel geld faciliteert de onderliggende criminaliteit en tast het vertrouwen aan dat men moet kunnen hebben in het financieel-economisch verkeer. Daarmee wordt tevens het legale handelsverkeer ondermijnd en gecorrumpeerd. Het hof rekent dit de verdachte zeer aan. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juni 2023 is hij niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Het hof stelt daarnaast vast dat de redelijke termijn van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden in hoger beroep met ongeveer twee maanden is overschreden, maar volstaat - gelet op de geringe mate van overschrijding - met de constatering daarvan. Verbeurdverklaring De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat conform de beslissing van de rechtbank over het beslag moet worden beslist, met uitzondering van de geldbedragen van € 1.415,00 en van € 1.725,00 (het hof begrijpt: het totaalbedrag van de nummers 17 tot en met 22 en 24 op de beslaglijst van 7 april 2021) en de twee Rolex-horloges eindigend op nummer [nummer 1] en [nummer 2]. Op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen van 7 april 2021 staan een grote hoeveelheid inbeslaggenomen geld en drie Rolex-horloges. Het hof is van oordeel dat, nu het onder 1 tenlastegelegde met betrekking tot deze voorwerpen is begaan, de nummers 4 tot en met 16, 23, 25, 28 tot en met 37 verbeurd moeten worden verklaard. Het hof houdt met deze bijkomende straf rekening bij de bepaling van de strafmaat. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Overige beslissingen met betrekking tot in beslag genomen, niet teruggegeven goederen De geldbedragen met nummers 17 tot en met 22 en 24 worden teruggegeven aan de verdachte nu deze geldbedragen in zijn portemonnee respectievelijk Mercedes S320 zijn aangetroffen en niet kan worden vastgesteld dat deze geldbedragen enig verband houden met de bewezenverklaarde strafbare feiten. De rechtbank heeft in haar vonnis de opheffing van het beslag op de bankrekening met nummer [rekeningnummer] gelast. Het hof constateert dat niet uit het dossier blijkt dat op deze rekening van de verdachte (derden)beslag op de voet van artikel 94 Sv is gelegd. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, a en b, en het onder 2 primair, a, tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair, a en b, en het onder 2 primair, a, bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: nr. 4 geldbedrag ter hoogte van € 62.590,00, nr. 5 geldbedrag ter hoogte van € 2.430,00, nr. 6 geldbedrag ter hoogte van € 5.000,00, nr. 7 geldbedrag ter hoogte van € 10.750,00, nr. 8 geldbedrag ter hoogte van € 5.800,00, nr. 9 geldbedrag ter hoogte van € 4.050,00, nr. 10 geldbedrag ter hoogte van € 10.000,00, nr. 11 geldbedrag ter hoogte van € 5.000,00, nr. 12 geldbedrag ter hoogte van € 650,00, nr. 13 geldbedrag ter hoogte van € 3.400,00, nr. 14 geldbedrag ter hoogte van € 40.000,00, nr. 15 geldbedrag ter hoogte van € 1.700,00, nr. 16 geldbedrag ter hoogte van € 2.060,00, nr. 23 geldbedrag ter hoogte van € 1415,00, nr. 25 geldbedrag ter hoogte van € 16.540,00, nr. 28 geldbedrag ter hoogte van € 391.730,00, nr. 29 3.00 STK Sieraad ROLEX, nr. 30 geldbedrag ter hoogte van € 2.000,00, nr. 31 geldbedrag ter hoogte van € 4.000,00, nr. 32 geldbedrag ter hoogte van € 2.820,00, nr. 33 geldbedrag ter hoogte van € 1.140,00, nr. 34 geldbedrag ter hoogte van € 870,40, nr. 35 geldbedrag ter hoogte van € 60.040,00, nr. 36 geldbedrag ter hoogte van € 880,00, nr. 37 geldbedrag ter hoogte van € 655,00. Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: nr. 17 geldbedrag ter hoogte van € 30,00, nr. 18 geldbedrag ter hoogte van € 80,00, nr. 19 geldbedrag ter hoogte van € 285,00, nr. 20 geldbedrag ter hoogte van € 160,00, nr. 21 geldbedrag ter hoogte van € 120,00, nr. 22 geldbedrag ter hoogte van € 790,00, nr. 24 geldbedrag ter hoogte van € 260,00. Dit arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag, zitting houdend te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. M. Lolkema en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van mr. B.K.M. Pouw, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 september 2023. BIJLAGE: Bewijsmiddelen feit 1 en 2 1. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 7 mei 2021.De doos die aan de [adres 2] is gevonden, is van mij. De inhoud is ook van mij. Ik wilde niet dat de politie de doos vond dus heb ik die aan [naam] gegeven zodat hij de doos kon bewaren. Het klopt dat ik via de rekening courant directie geld in de ondernemingen heb gestopt. Dat waren stortingen uit mijn privévermogen. Dat geld had dezelfde herkomst als het geld dat in mijn woning is aangetroffen. 2. Een proces-verbaal van de politie met nummer LERCD18006-268 van 22 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 19 e.v. / zaaksdossier [zaak 1]).Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in het relaas van de verbalisant: Ik zag dat de betaalrekening [rekeningnummer] op naam was gesteld van [verdachte], geboren [geboortedag] 1953, wonende [adres 1]. Uit onderzoek van voornoemde bankrekening over de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 november 2018 was gebleken dat daarop 21 contante stortingen waren gedaan met een totale waarde van € 168.000,=. Ik zag dat bij elke storting de aan rekeninghouder [verdachte] uitgegeven bankpas was gebruikt. 3. Een proces-verbaal van de politie met nummer LERCD18006-463 van 12 juni 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpagina 44 e.v. / zaaksdossier [zaak 1]). Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in het relaas van de verbalisant: Op 11 juni 2019 is doorzoeking verricht in de woning aan de [adres 1] , zijnde het woonadres van [verdachte]. In de woning is op verschillende locaties een aanzienlijk geldbedrag aangetroffen. Totaalbedrag van alle locaties betreft €169.970, 00. 4. Een proces-verbaal van de politie met nummer LERCD18006-566 van 8 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina 72 e.v. / zaaksdossier [zaak 1]). Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in het relaas van de verbalisant: AANTREFFEN GELD OP OVERIGE PLAATSEN IN DE WONING Tijdens de doorzoeking in de woning werden, naast het aangetroffen en inbeslaggenomen geld in de kluizen, op verschillende plaatsen in de woning, in de vorm van aanzienlijke hoeveelheden bankbiljetten, geldbedragen aangetroffen. Deze bankbiljetten werden aangetroffen op de navolgende plaatsen in de woning; ➢ In een mandje in de kast in de woonkamer; ➢ In een grijze sok in de kast in de woonkamer; ➢ In een zwarte handtas, op de eettafel in de woonkamer; ➢ In de keuken in twee laadjes boven de vaatwasser; ➢ In een mandje in een bruine kast in de bijkeuken; 5. Een proces-verbaal van de politie met nummer LERCD18 006-745 van 11 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (dossierpagina 174 / zaaksdossier [zaak 1]). Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in het relaas van de verbalisant: Op 10 oktober 2019 werd door mij, verbalisant, voor de doorzoeking ter inbeslagname, in de woning aan de [adres 1] binnengetreden. Tijdens de doorzoekingen werd op verschillende plaatsen geld aangetroffen, te weten € 11.680, Daarnaast werd totaal tien doorzichtige zakken met muntgeld aangetroffen. In de tuin werd onder een carport naast het huis, in een papiercontainer een ingetapede doos aangetroffen. Hierin werden aanzienlijke stapels Euro-bankbiljetten, aangetroffen. 6. Een proces-verbaal van de politie met nummer LERCD18006-678 van 17 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (dossierpagina 140 / zaaksdossier [zaak 1]). Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in het relaas van de verbalisant: Op 13 september 2019 heeft een doorzoeking plaats gevonden in de woning en aangrenzende tuinen aan de [adres 2]. Ik zag dat er in de tuin onder een kleine overkapping een hoeveelheid brandhout lag opgestapeld. Nadat ik brandhout had verwijderd zag ik dat er in de hoek tegen de muur een zwart gekleurd voorwerp lag. Ik zag dat het genoemde zwarte voorwerp tussen het brandhout was verborgen. Ik kon namelijk het zwarte voorwerp pas zien nadat ik een groot deel van het brandhout had verwijderd Nadat ik de tape had kapotgesneden kon de doos worden geopend. Ik zag dat hierin grote hoeveelheden euro-bankbiljetten zichtbaar waren. 7. Een proces-verbaal van de politie met nummer LERCD18006-725 van 20 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (dossierpagina 154 e.v. / zaaksdossier [zaak 1]). Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in het relaas van de verbalisant: Op 13 september 2019 heeft een doorzoeking plaats gevonden in de woning en aangrenzende tuinen aan de [adres 2]. Tijdens deze doorzoeking heb ik, verbalisant, een zwarte kartonnen doos aangetroffen Op 18 september 2019 heb ik, verbalisant, de inbeslaggenomen zwarte kartonnen doos onderzocht. Ik zag dat hierin waren opgeborgen: 1, een totaal geldbedrag van 391.730 euro; 2. één ROLEX dameshorloge met serienummer [nummer 3]; 3. één ROLEX herenhorloge met serienummer [nummer 1]; 4. één ROLEX horloge met serienummer [nummer 2]; 5. één ROLEX herenhorloge met serienummer [nummer 4]. 8. Een (overzicht) proces-verbaal van de politie van zaaksdossier [zaak 1] van 2 juli 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina (rechtsonder) 5 / zaaksdossier [zaak 1]).Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in het relaas van de verbalisant: Uit onderzoek van de transactiegegevens van die bankrekening bleek dat binnen voornoemde periode, meer specifiek van 14 februari 2014 tot en met 28 augustus 2017 (1.291 dagen), in 21 transacties, telkens uitgevoerd op het adres [adres 3] en met gebruik van pas 001 of 002, € 168.000,00 contant was gestort. Van die €168.000,00 was € 57.300,00 gestort in (2.865) biljetten van € 20,00 en € 110.700,00 in (2.214) biljetten van € 50,00. 9. Een proces-verbaal van de politie met nummer LERCD18006-832 van 12 maart 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (pagina 220 / zaaksdossier [zaak 1]). Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in het relaas van de verbalisant: Op 13 september 2019 werd tra doorzoeking van het pand [adres 2] een ingetapete doos in beslag genomen, die, na nader onderzoek, onder andere, een viertal horloges van het merk Rolex bevatte. Ten aanzien van de horloges was de executiewaarde vastgesteld: 10. Een proces-verbaal van de politie met nummer LERCD18006-575 van 20 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 385 e.v. / zaaksdossier [zaak 2]). Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in het relaas van de verbalisant: Door onderzoek van de bankrekeningen was, ten aanzien van elk van de ondernemingen, reeds inzicht verkregen in de contante stortingen over de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 november 2018. Het onderzoek van de boekhouding zal derhalve altijd zijn begrensd tot een tijdvak binnen die periode. Op 21 juni 2019 onderzocht ik de boekhoudingen van [bedrijf 2], [bedrijf 3] BV, [bedrijf 4] BV en [bedrijf 5]. [bedrijf 2] €18.000 was door de directie contant gestort via de bankrekening van [bedrijf 1] BV. [bedrijf 3] Voor € 30.000 was een bron gevonden: het (privé) vermogen van de directie. [bedrijf 4] BV De input van de rekening courant (€ 5.001, 50) vond zijn herkomst in het privévermogen van [verdachte] [bedrijf 5] BV € 60.000 was afkomstig uit het vermogen van de directie. Zo bleek uit mutaties die waren voorzien van de omschrijving storting (vanuit privé) en geboekt tegen de grootboekrekening courant directie. Totaal is € 113.001,50 afkomstig uit het privévermogen van [verdachte] (rekening-courant directie). 11. Een proces-verbaal van het eerste verhoor van verdachte met nummer LERCD18006-405 van 12 juni 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 4] (dossierpagina 128 e.v. / zaaksdossier [zaak 2]). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de verklaring van de verdachte: V: Bij welke ondernemingen bent u op dit moment betrokken? A: [bedrijf 5], [bedrijf 3] en [bedrijf 6] B.V. V: En [bedrijf 1]? A: Nee, alleen geld tellen. Verder niets. V: Op welke wijze bent u bij die ondernemingen betrokken? A: Ik ben eigenaar en directeur van de [bedrijf 5]. De [bedrijf 5] is directeur van de andere BV's. V: Bij welke ondernemingen was u de afgelopen vijf jaar betrokken? A: [bedrijf 4] B.V. is weg, [bedrijf 2] B.V. is weg. [bedrijf 7] B.V. is ook weg. V: En [bedrijf 8] B.V.? A: Die ook nog. V: Op welke wijze was u bij die ondernemingen betrokken? A: Eigenaar. De [bedrijf 5] is de directeur. 12. Een (overzicht) proces-verbaal van de politie in zaaksdossier [zaak 2] van 2 juli 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (pagina’s (rechtsonder) 2 en 23 / zaaksdossier [zaak 2]). Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in het relaas van de verbalisant: Uit onderzoek bleek dat, onder andere, de volgende bedrijven onder beheer stonden van [verdachte]. Onderzoek van de bankrekeningen van die bedrijven wees uit dat in de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 november 2018 de volgende bedragen contant waren gestort: Uit het onderzoek dat volgende bleek dat sommige contante stortingen wél waren opgenomen in de boekhouding van verdachte en sommige niet. Ondanks de onvolledigheid van dit bewijs van een legale herkomst is het wegens praktische argumenten wel als zodanig geaccepteerd. Na mindering van de, als contante storting, in de boekhouding verwerkte bedragen was voor € 276.130,32 van de contante stortingen geen aannemelijk legale herkomst gevonden. Saldi bankrekening-boekhouding Wanneer de stortingen tegen het onderzoek van de boekhouding wordt gesaldeerd ontstaat het volgende beeld: ========================================================================= […]
ECLI:NL:HR:2004:AP2124
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 11 november 2002 - de verdachte ter zake van 1.
ECLI:NL:HR:2005:AT4094
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Haarlem van 24 maart 2003 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en haar voorts ter zake van "schuldwitwassen" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.
ECLI:NL:HR:2010:BN0578
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 1.2. De raadsman heeft schriftelijk gereageerd op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
NJ 2011/44
HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, NJ 2011/44 m.nt.
ECLI:NL:HR:2010:BM0787
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/03599 Zitting 16 september 2025 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 12 september 2023 door het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, wegens 1 primair onder a "witwassen, meermalen gepleegd” en 1 primair onder b en 2 telkens “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft tevens beslissingen genomen over inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. 1.2 Namens de verdachte heeft P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. 2Het eerste middel 2.1 Het eerste middel klaagt dat het onder 1 primair bewezenverklaarde bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ ten aanzien van een deel van de geldbedragen en de Rolex horloges ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe voert de steller van het middel aan dat het oordeel van het hof dat de verdachte ten aanzien van vorenbedoelde voorwerpen geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd, niet zonder meer begrijpelijk is. 2.2 Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:

“hij op meerdere tijdstippen in de periode van 14 februari 2014 tot en met 10 oktober 2019 in Nederland, a. meermalen telkens voorwerpen, te weten - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 391.730,- euro (woning [a-straat 1] te [plaats] d.d. 13 september 2019), en - 4 Rolex horloges ter waarde van totaal (circa) 61.500,- euro (woning [a-straat 1] te [plaats] d.d. 13 september 2019), de herkomst en de vindplaats heeft verborgen, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en b. telkens voorwerpen, te weten - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 168.000,- euro (stortingen privérekening), en - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 169.970,- euro (woning [b-straat 1] te [plaats] d.d. 11 juni 2019), en - contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 72.590,40 euro (woning [b-straat 1] te [plaats] d.d. 10 oktober 2019), voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, van het plegen van dat feit een gewoonte heeft gemaakt.” 2.3 Het hof heeft met betrekking tot het onder 1 primair bewezenverklaarde – voor zover hier van belang – overwogen:

“Naar bestendige jurisprudentie kan in een geval als het onderhavige, waarin geen direct bewijs aanwezig is voor de herkomst van de tenlastegelegde voorwerpen en geldbedragen uit bepaalde brondelicten, witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de goederen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de rechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat deze een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Indien daarvan sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de (niet criminele) herkomst van de goederen. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol.

De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst. Met de resultaten van een dergelijk onderzoek zal met voldoende mate van zekerheid moeten kunnen worden uitgesloten dat de voorwerpen of het geld waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof stelt vast dat op 11 juni en 10 oktober 2019 bij doorzoekingen in de woning van de verdachte aan de [b-straat 1] te [plaats] respectievelijk € 169.970,00 en € 72.590,40 aan contant geld is aangetroffen in twee kluizen en op verschillende andere plekken in de woning. Bij een doorzoeking van een woning aan de [a-straat 1] in [plaats] (hierna: de [a-straat] ) op 13 september 2019 is tussen een stapel hout achter een bij die woning behorende schuur een ingetapete doos aangetroffen met daarin € 391.730,00 in contanten en vier horloges van het merk Rolex met een gezamenlijke getaxeerde executiewaarde van ruim € 61.000,00.

Deze doos was op verzoek van de verdachte in die woning verborgen en de inhoud daarvan - aldus de verdachte - behoorde aan hem toe. Verder is op de bankrekening van de verdachte in de periode van 14 februari 2014 tot en met 28 augustus 2017 door middel van contante stortingen in totaal € 168.000,00 bijgeschreven. De totale (executie)waarde van het aangetroffen contante geld, de horloges en de contante stortingen is daarmee ruim € 861.000,00. Gezien de omvang van de aangetroffen en gestorte contante geldbedragen en de wijze waarop het geld en de horloges waren verpakt en in of bij de woningen werden bewaard, is het hof van oordeel dat zonder meer sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Van de verdachte mag daarom worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst daarvan. De verdachte heeft over de herkomst van het geld, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, onder meer verklaard dat hij dit geld lange tijd bij elkaar heeft gespaard, dat hij een groot deel vanaf 1990 heeft verdiend met de verkoop van goederen en dat hij in 2009 een erfenis contant heeft ontvangen. De verdachte heeft deze verklaring niet tot nauwelijks geconcretiseerd. Pas ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdediging een aantal algemene voorbeelden gegeven van dergelijke transacties.

De verdachte heeft echter geen namen kunnen noemen van (ver)kopers waarmee hij handelde en heeft daarvan ook geen enkele administratie bijgehouden. Het hof merkt daarbij op dat de verdachte niet is gehouden te bewijzen dat het geld niet afkomstig is uit misdrijf, maar dat wel van de verdachte een concrete en verifieerbare verklaring mag worden verlangd. De verdediging heeft verder aangevoerd dat de verdachte in 2017 een schade-uitkering heeft ontvangen van een verzekeraar. Het hof gaat ook aan deze verklaring voorbij, omdat niet is onderbouwd dat de verdachte deze uitkering contant van zijn bankrekening heeft opgenomen, noch dat dit bedrag deel uitmaakt van de contante geldbedragen die bij de verdachte zijn aangetroffen.

Met betrekking tot de vier Rolex-horloges heeft de verdachte tot aan de terechtzitting in eerste aanleg niet meer verklaard dan dat deze in Maastricht waren gekocht. Het openbaar ministerie heeft op eigen initiatief navraag gedaan bij juwelier [G] , omdat de verdachte daarvan een visitekaartje bij zich droeg. Deze juwelier heeft verklaard dat de betreffende horloges niet in zijn verkooparchief, dat terug ging tot november 2015, voorkwamen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdediging verwezen naar een verklaring van deze juwelier van 11 november 2020, waarin staat dat de verdachte in de periode tussen 2003 en 2010 diverse horloges bij hem heeft gekocht.

In hoger beroep heeft de verdachte hier wederom naar verwezen en heeft hij ter terechtzitting verder nog nadrukkelijk verklaard dat juwelier [G] de horloges nog wel zou moeten kunnen herkennen, in ieder geval één Rolex-horloge in verband met (samengevat) het bijzondere uiterlijk daarvan. Het hof gaat hieraan voorbij nu de verdachte ook deze verklaring op geen enkele wijze heeft onderbouwd, dit mede gelet op hetgeen deze juwelier eerder op vragen van het openbaar ministerie heeft geantwoord. Daarbij geldt bovendien dat de verdachte met betrekking tot de herkomst van de gelden, benodigd voor het aanschaffen van de Rolex-horloges, helemaal geen verklaring heeft gegeven.

Gezien het vorengaande komt het hof, net als de rechtbank, tot de conclusie dat de ten laste gelegde voorwerpen geen legale herkomst hebben, dat deze afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte dit wist. Het hof slaat daarbij mede acht op het moment van afleggen van de verklaringen, de zeer summiere inhoud ervan en het feit dat de verklaringen niet altijd even consistent zijn. De aanvullende verklaringen in hoger beroepen maken dit niet anders, reden waarom het openbaar ministerie naar het oordeel van het hof niet was gehouden nader onderzoek te doen.

De verdachte heeft het geld dat in zijn woning is aangetroffen en op zijn bankrekening is gestort voorhanden gehad en heeft van het geld en de Rolex-horloges die zijn aangetroffen in de woning aan de [a-straat] de herkomst en de vindplaats verhuld door het geld daar te verbergen. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen van de onder feit 1 primair onder a en b tenlastegelegde geldbedragen en horloges. Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen.

Hij zal daarom worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.” 2.4 Voor een bewezenverklaring van het in een op art. 420bis lid 1 onder b Sr toegesneden tenlastelegging opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent ook dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling ter zake van art. 420bis Sr vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. 2.5 Niet is vereist dat het voorwerp geheel uit misdrijf afkomstig is.

Indien legaal vermogen wordt vermengd met vermogen dat afkomstig is uit misdrijf, kan dat gehele vermogen als ‘gedeeltelijk’ uit misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft in dit verband overwogen dat door de wetgever geen begrenzing is gesteld aan de mate waarin vermogensbestanddelen gedeeltelijk van misdrijf afkomstig kunnen zijn. De wetgever heeft het aldus aan het openbaar ministerie en de rechter overgelaten ervoor te zorgen dat de witwasbepalingen niet worden toegepast ten aanzien van in wezen niet-strafwaardige gedragingen.

Die terughoudende toepassing is van groot belang omdat een te ruim bereik van de witwasbepalingen een normaal handelsverkeer onevenredig zou kunnen belemmeren. Dit gevaar dreigt wanneer het illegale deel van een vermogen relatief gering is. 2.6 Dat een voorwerp “uit enig misdrijf afkomstig is”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Het is aan het openbaar ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, leidt er niet zonder meer toe dat het dan aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Bij deze beoordeling kan de rechter tot het oordeel komen dat de verklaring van de verdachte niet aannemelijk is geworden en dat er daarom geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. 2.7 Het middel klaagt, zoals al aangegeven, dat het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van een deel van de geldbedragen en de Rolex-horloges niet zonder meer begrijpelijk is. 2.8 Het hof heeft overwogen dat bij de doorzoeking in de woning van de verdachte aan de [b-straat] in [plaats] contante geldbedragen zijn aangetroffen van € 169.970,00 en € 72.590,40 in twee kluizen en op andere plekken in de woning.

Tevens is bij de doorzoeking in de woning aan de [a-straat] in [plaats] tussen een stapel hout achter een bij die woning behorende schuur een ingetapete doos aangetroffen met daarin € 391.730,00 in contanten en vier horloges van het merk Rolex met een gezamenlijke getaxeerde executiewaarde van ruim € 61.000,00. Het hof heeft vastgesteld dat die doos op verzoek van de verdachte in de schuur behorende bij de woning aan de [a-straat] was verborgen en de inhoud daarvan aan de verdachte toebehoorde. Het hof heeft verder vastgesteld dat op de bankrekening van de verdachte in de periode van 14 februari 2014 tot en met 28 augustus 2017 door middel van contante stortingen in totaal € 168.000,00 is bijgeschreven en de totale (executie)waarde van het aangetroffen contante geld, de horloges en de contante stortingen ruim € 861.000,00 bedraagt.

De geldbedragen 2.9 Met betrekking tot de herkomst van de aangetroffen geldbedragen heeft het hof vastgesteld dat de verdachte heeft verklaard dat hij dit geld lange tijd bij elkaar heeft gespaard, dat hij een groot deel vanaf 1990 heeft verdiend met de verkoop van goederen en dat hij in 2009 een erfenis contant heeft ontvangen. Het hof heeft overwogen dat de verdachte deze verklaring niet tot nauwelijks heeft geconcretiseerd en dat de verdediging pas ter terechtzitting in eerste aanleg een aantal algemene voorbeelden heeft gegeven van dergelijke transacties.

Daarbij is overwogen dat de verdachte geen namen heeft kunnen noemen van (ver)kopers waarmee hij handelde en daarvan ook geen enkele administratie heeft bijgehouden. Afsluitend heeft het hof overwogen dat hoewel de verdachte niet gehouden is te bewijzen dat het geld niet afkomstig is uit misdrijf, van de verdachte wel een concrete en verifieerbare verklaring mag worden verlangd. Het hof is tevens voorbij gegaan aan de verklaring van de verdediging dat de verdachte in 2017 een schade-uitkering heeft ontvangen van een verzekeraar van € 119.401,51, nu niet is onderbouwd dat de verdachte deze uitkering contant van zijn bankrekening heeft opgenomen, noch dat dit bedrag deel uitmaakt van de contante geldbedragen die bij de verdachte zijn aangetroffen. 2.10 De steller van het middel klaagt in cassatie over het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van een deel van de aangetroffen geldbedragen (te weten € 168.000, € 169.970, € 319.730 en € 72.590,40).

Aangevoerd wordt dat de verdachte heeft verklaard dat hij twee uitkeringen van de verzekering heeft gehad (te weten € 150.000,00 in 2002 en € 119.401,51 in maart 2017) en dat dit deels de herkomst van de aangetroffen geldbedragen verklaart. Verder wordt aangevoerd dat de verdediging naar voren heeft gebracht dat de verdachte als gevolg van de verdenking tegen hem geen beschikking meer heeft over de bankrekeningen en dus geen afschriften kon overleggen, terwijl het niet aan de verdachte is om zijn onschuld te bewijzen. De enkele omstandigheid dat geen bankschriften zijn overgelegd waaruit volgt dat de uitbetalingen (deels) contant zijn opgenomen, zou ook niet afdoen aan de mogelijkheid voor het openbaar ministerie om daarnaar onderzoek te verrichten.

De bewezenverklaring dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf zou daarom, evenals de verwerping van het verweer, onvoldoende gemotiveerd zijn. 2.11 Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, is het oordeel van het hof dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf en het openbaar ministerie niet gehouden is nader onderzoek te verrichten, niet gebaseerd op ‘de enkele omstandigheid’ dat er door de verdachte geen bankafschriften zijn overgelegd. Het hof heeft dat oordeel gebaseerd op het moment van afleggen van de verklaringen, de zeer summiere inhoud ervan en het feit dat de verklaringen niet altijd even consistent zijn, zodat de klacht berust op een te beperkte lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag mist.

Daarbij merk ik op dat het hof expliciet heeft opgemerkt dat de verdachte niet is gehouden te bewijzen dat het geld niet afkomstig is uit misdrijf, maar dat van de verdachte – onder de vastgestelde omstandigheden die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen – wel een concrete en verifieerbare verklaring mag worden verlangd. De Rolex-horloges 2.12 Met betrekking tot de vier Rolex-horloges heeft het hof vastgesteld dat de verdachte tot aan de terechtzitting in eerste aanleg niet meer verklaard heeft dan dat deze in Maastricht waren gekocht. Nadat het openbaar ministerie op eigen initiatief navraag heeft gedaan bij juwelier [G] , omdat de verdachte daarvan een visitekaartje bij zich droeg, heeft deze juwelier verklaard dat de betreffende horloges niet in zijn verkooparchief, dat terug ging tot november 2015, voorkwamen.

Vastgesteld is tevens dat de verdediging ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verwezen naar een verklaring van deze juwelier van 11 november 2020, waarin staat dat de verdachte in de periode tussen 2003 en 2010 diverse horloges bij hem heeft gekocht en dat de verdachte hier in hoger beroep wederom naar heeft verwezen en heeft verklaard dat juwelier [G] de horloges nog wel zou moeten kunnen herkennen, in ieder geval één Rolex-horloge in verband met (samengevat) het bijzondere uiterlijk daarvan. Aan de verklaring van de verdachte is het hof voorbijgegaan nu (ook) deze verklaring op geen enkele wijze is onderbouwd, mede gelet op hetgeen deze juwelier eerder op vragen van het openbaar ministerie heeft geantwoord.

Daarbij heeft het hof nog overwogen dat de verdachte in het geheel niets heeft verklaard over de herkomst van de gelden, waarmee de Rolex-horloges zijn aangeschaft. 2.13 Het hof heeft ‘gezien het voorgaande’ geoordeeld dat de ten laste gelegde voorwerpen geen legale herkomst hebben, dat deze afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte dit wist. Daarbij heeft het hof mede acht geslagen op het moment van afleggen van de verklaringen, de zeer summiere inhoud ervan en het feit dat de verklaringen niet altijd even consistent zijn. De aanvullende verklaringen in hoger beroep maken dit volgens het hof niet anders, zodat het openbaar ministerie naar het oordeel van het hof niet was gehouden nader onderzoek te doen.

Het hof is tot het oordeel gekomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van de onder feit 1 primair onder a en b tenlastegelegde geldbedragen en horloges. 2.14 Met betrekking tot de Rolex-horloges is door de steller van het middel aangevoerd dat de verdachte een brief van de juwelier uit Maastricht heeft overgelegd, inhoudende dat de verdachte in de periode 2003-2010 diverse horloges bij hem heeft gekocht en het openbaar ministerie geen onderzoek heeft gedaan naar die verklaring. Het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte op geen enkele wijze is onderbouwd, ‘mede gelet op hetgeen deze juwelier op vragen van het openbaar ministerie heeft geantwoord’ zou onbegrijpelijk zijn, nu de juwelier slechts aangegeven heeft dat de administratie maar teruggaat tot 2015 en in het licht van de door de verdediging overgelegde verklaring van die juwelier.

Aan deze klacht ligt de lezing ten grondslag dat het oordeel van het hof enkel is gebaseerd op de verklaring van de juwelier. Die lezing is onjuist, nu het hof heeft overwogen dat het ‘mede’ gelet heeft op die vorenbedoelde verklaring. De klacht mist hierdoor feitelijke grondslag. Overigens merk ik op dat het oordeel van het hof mij niet onbegrijpelijk voorkomt, gelet op hetgeen het hof bij zijn oordeel heeft betrokken. 2.15 Ook de overweging van het hof dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het bedrag waarmee de Rolex-horloges zijn aangeschaft, zou onbegrijpelijk zijn omdat (i) het hof niet aan de verdachte heeft gevraagd hoe hij de horloges heeft betaald en (ii) de verdachte een goedlopend bedrijf had waarmee hij de middelen had om die horloges te kopen.

Het hof heeft met betrekking tot de Rolex-horloges vastgesteld dat deze zijn gevonden in een ingetapete doos, verborgen onder een stapel hout en dit het vermoeden rechtvaardigt dat sprake is van witwassen. Dat vermoeden maakt dat van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring mag worden verlangd, die – gelet op het moment van afleggen van de verklaringen, de zeer summiere inhoud ervan en het feit dat de verklaringen niet altijd even consistent zijn – naar het oordeel van het hof niet is gegeven. Daarom heeft het hof geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de Rolex-horloges van misdrijf afkomstig zijn.

De door de steller van het middel aangevoerde omstandigheden maken niet reeds dat de criminele herkomst van de Rolex-horloges daarmee wordt uitgesloten. Naar mijn mening doen die ook aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af. 2.16 Het middel faalt in al zijn onderdelen. 3Het tweede middel 3.1 Het tweede middel klaagt over het onder feit 2 bewezenverklaarde. Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het aangeleverde Excel-bestand met betrekking tot [F] alleen contante stortingen betreft die al als ‘verklaard’ zijn aangemerkt en dus buiten het in de tenlastelegging opgenomen bedrag zijn gehouden onjuist of onbegrijpelijk is.

Het middel bevat tevens de klacht dat de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek tot het doen van (nader) onderzoek naar dat Excel-bestand onjuist en/of onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed is. 3.2 Ten laste van de verdachte is onder feit 2 primair bewezenverklaard dat: “hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 november 2018 in Nederland, meermalen, a. telkens van geldbedragen, te weten - contante geldbedragen (stortingen bedrijfsrekeningen), de werkelijke aard en de herkomst heeft verhuld, en heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde geldbedragen was/waren, en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, van het plegen van dat feit een gewoonte heeft gemaakt.” 3.3 De bewezenverklaring is onder meer gebaseerd op een (overzicht) proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 juli 2020 van verbalisant [verbalisant 1] (bewijsmiddel 12).

Daaruit blijkt het volgende: “Uit onderzoek bleek dat, onder andere, de volgende bedrijven onder beheer stonden van [verdachte] . Onderzoek van de bankrekeningen van die bedrijven wees uit dat in de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 november 2018 de volgende bedragen contant waren gestort: Onderneming Gestort [A] € 0,00 [B] B.V. € 177.335,00 [C] B.V. € 9.720,00 [D] B.V. € 45.326,50 [E] B.V. € 133.630,00 [F] B.V. € 753.780,00 Totaal € 1.119.791,50 Uit het onderzoek dat volgende bleek dat sommige contante stortingen wel waren opgenomen in de boekhouding van verdachte en sommige niet.

Ondanks de onvolledigheid van dit bewijs van een legale herkomst is het wegens praktische argumenten wel als zodanig geaccepteerd. Na mindering van de, als contante storting, in de boekhouding verwerkte bedragen was voor € 276.130,32 van de contante stortingen geen aannemelijk legale herkomst gevonden. Saldi bankrekening-boekhouding Wanneer de stortingen tegen het onderzoek van de boekhouding wordt gesaldeerd ontstaat het volgende beeld: Onderneming Gestort Verklaard Som [A] € 0,00 € 134.540,00 € - 134.540,00 [B] B.V. € 177.335,00 € 212.431,18 € - 35.096,18 [C] B.V.

€ 9.720,00 € 29.720,00 € - 20.000,00 [D] B.V. € 45.326,50 € 67.630,00 € - 22.303,50 [E] B.V. € 133.630,00 € 133.630 [F] B.V. € 753.780,00 € 399.340,00 € 354.440,00 Totaal € 1.119.791,50 € 276.130,32 3.4 De raadsvrouw van de verdachte heeft conform de door haar overgelegde pleitnotities met betrekking tot feit 2 ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd: “13. De verdediging heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg inzicht gegeven in de boekhouding en getracht de contante stortingen met betrekking tot het bedrijf [F] nader toe te lichten.

In de ogen van de verdediging is hiermee een verklaring gegeven voor het 'gat' zoals de politie dat eerder heeft geconstateerd.

14. De rechtbank is met de verdediging meegegaan en heeft verdachte gedeeltelijk vrijgesproken. Hoewel de rechtbank heeft overwogen dat de administratie onvolledig en gebrekkig is, heeft de rechtbank - terecht - niet vast kunnen stellen dat het niet anders kan zijn dan dat die contante stortingen afkomstig zijn uit misdrijf. De verdediging wil u verzoeken om de rechtbank op dit punt te volgen en cliënt hiervan vrij te spreken. Het verweer zoals gevoerd in eerste aanleg wordt dan ook in hoger beroep herhaald. ‘[…] 17. Indien echter wel wordt uitgegaan van dat ernstige vermoeden, heeft cliënt wat de verdediging betreft ook aan de stappen 2 en 3 voldaan. Hij heeft tegenover de politie verklaard dat sommige klanten contant betaalden (en daarbij overigens ook aangegeven dat sommige buitenlandse klanten betaalden met coupures van € 500,), die contante betalingen op één van de rekeningen werd gestort en vervolgens door [betrokkene 1] werden verwerkt en uiteindelijk terecht kwamen op de juiste rekening. Volgens [betrokkene 1] dus vaak nog diezelfde dag.

18. In oktober 2019 is aan de hand van de verhoren van cliënt een nadere schriftelijke toelichting gegeven op verschillende stortingen. Tijdens het verhoor op 26 mei 2020 heeft de politie het volgende medegedeeld: "Net als de boekhouding van de onderneming, was ook de reactie op de verhoren een draak van een papierenwirwar om doorheen te komen. Daarom zijn enkel de bijlagen die middels nummering direct refereerden aan de nummers in de verhoren onderzocht. De stapel papieren tbv [F] zijn niet onderzocht. [betrokkene 1] zei daarover dat ze snapt dat een ander het niet begrijpt als je enkel de papieren zo krijgt overgedragen." 19.

Van een verdachte mag niet worden verlangd dat hij zijn stellingen steeds nader met stukken onderbouwt, omdat dan in feite wordt verwacht dat de verdachte aannemelijk maakt dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Hoewel cliënt in onze ogen dus niet verplicht is om zijn concrete, aannemelijke en verifieerbare verklaring met nadere stukken te onderbouwen, heeft de verdediging ervoor gekozen op in april 2021 de stukken met betrekking tot [F] (die dus reeds eind 2019 aan het Openbaar Ministerie ter beschikking zijn gesteld) nader toe te lichten.

20. Er is voor gekozen om enkel de stortingen ten aanzien van [F] nader toe te lichten, omdat ten aanzien van dat bedrijf het grootste bedrag aan 'onverklaarbare stortingen' in de eerder genoemde tabel (zie punt 5) vermeld staat, namelijk een bedrag van € 354.440,00,-. Dit bedrag overstijgt dus het totaalbedrag als vermeld in de tenlastelegging onder feit 2.

21. Uit het door cliënt in samenspraak met zijn accountant opgestelde excelbestand blijkt dat in de jaren 2013 tot en met 2017 contante stortingen zijn geweest tot een bedrag van € 318.530, terwijl telkens is aangegeven uit welke bedragen die stortingen bestaan, op welke facturen die stortingen zien en wie/welk bedrijf die facturen contant heeft betaald. In dit bestand is vervolgens verwezen naar (de pdf-paginanummering van de digitale versie van) de eerder overgelegde stukken uit de boekhouding, namelijk de digitale bestanden 'administratie deel 3' en 'administratie deel 4'.

22. Deze verklaring van cliënt is dan ook zeer concreet en aannemelijk en kan door politie/justitie worden geverifieerd.’” 3.5 Het hof heeft met betrekking tot het onder feit 2 bewezenverklaarde overwogen: “Het hof is van oordeel dat, onder verwijzing naar het hiervoor overwogene, ook hier geen sprake is van een concreet misdrijf. Het dient vervolgens te bepalen of er sprake is van voorwerpen afkomstig uit enig misdrijf en overweegt daartoe als volgt. Met de rechtbank stelt het hof vast dat uit het financieel onderzoek dat de politie heeft verricht naar de vennootschappen van de verdachte blijkt dat in de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 november 2018 een bedrag van € 1.119.791,50 (contant) op rekeningen van verschillende aan de verdachte gelieerde vennootschappen is gestort.

Opvallend is dat van de contante stortingen op de bankrekening van [F] B.V een deel direct is overgemaakt naar andere aan de verdachte gelieerde vennootschappen. Een bedrag van € 113.001,50 is vanaf de privérekening van de verdachte overgemaakt op de bankrekening van [F] BV. Dit bedrag is geboekt onder de grootboekpost ‘rekening courant directie’. Dergelijke bedragen aan (contante) stortingen en overboekingen rechtvaardigen zonder meer een vermoeden van witwassen. De vraag is of de verdachte voor die stortingen een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven.

De verdachte heeft in essentie gewezen op de boekhouding van de vennootschappen en de toelichting van de boekhoudster daarop. Uit intensief onderzoek naar de boekhouding van de vennootschappen is gebleken dat contante geldstromen daarin veelal onvolledig en zonder onderliggende facturen zijn verwerkt. Vanuit praktisch oogpunt is er vervolgens voor gekozen om alle contante geldstromen die op enigerlei wijze uit de boekhouding bleken, ongeacht bij welke vennootschap, als verantwoording te accepteren. Bij deze - in het voordeel van de verdachte - toegepaste berekeningswijze bleef volgens de politie een bedrag van € 276.130,32 over als onverklaarbaar ontvangen contante stortingen.

Het hof is - anders dan de rechtbank - van oordeel dat de schriftelijke toelichting die door de verdediging in eerste aanleg en in hoger beroep is gegeven op de contante stortingen op de bankrekening van [F] B.V. niet verder gaan dan een bedrag van € 399.340,00 zodat van het totaal gestorte bedrag van € 753.780,00 nog een restant van € 354.440,00 als onverklaarbaar overblijft. Dat laatste bedrag is evenwel niet opgenomen in de tenlastelegging. Van het wel tenlastegelegde geldbedrag, te weten € 276.130,32, is het hof van oordeel dat dit gehele bedrag kan worden aangemerkt als onverklaarbare stortingen.

Ten aanzien van de aanvullende verklaringen over de contante stortingen op de rekening van [F] B.V. die zijn aangeleverd in een Excel-bestand (met bijlagen), stelt het hof vast dat in de berekening van de politie alle stortingen zijn meegenomen die maar enigszins tot de boekhouding konden worden herleid. In dat geval is het volgens het hof onmogelijk om contante stortingen, die niet op enige wijze in de boekhouding voorkomen, alsnog te verklaren. Het hof stelt mitsdien vast dat het niet anders kan zijn dan dat het aangeleverde Excel-bestand alleen contante stortingen betreft die al als verklaard zijn aangemerkt en dus buiten het in de tenlastelegging opgenomen bedrag zijn gehouden.

De verdachte heeft een concrete noch verifieerbare verklaring gegeven voor een bedrag van € 276.130,32. Het hof is daarom van oordeel dat dit bedrag geen legale herkomst heeft en dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte die herkomst heeft verhuld en dat geldbedrag opzettelijk voorhanden heeft gehad. Nu het gaat om een veelheid van contante stortingen gedurende een lange periode is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen. Omdat er geen bewijs is dat de verdachte dit met anderen heeft gedaan, zal hij worden vrijgesproken van het hem verweten medeplegen.

Nu het hof de verdachte voor het onder 2 onder a heeft veroordeeld voor het verhullen en voorhanden hebben van geldbedragen die ook ten laste zijn gelegd onder 2 onder b, behoeft dit laatste deel van de tenlastelegging - te weten het voorhanden hebben van die geldbedragen - geen nadere bespreking.” 3.6 Met betrekking tot het voorwaardelijke verzoek heeft het hof als volgt overwogen en beslist: “De raadsvrouw heeft bij pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep - indien het hof niet tot een vrijspraak komt - verzocht het openbaar ministerie opdracht te geven de administratie nader te analyseren om te achterhalen welk deel van de administratie al dan niet is verklaard. […] Het hof acht zich, met het oog op het voorgaande, voldoende voorgelicht om een beslissing op het tenlastegelegde te kunnen nemen.

Het hof zal daarom het voorwaardelijk verzoek nader onderzoek te laten instellen naar het door de verdediging overgelegde Excel-bestand, afwijzen.” 3.7 Er is onderzoek gedaan naar onder meer de rekening van [F] B.V. Daaruit volgt dat in de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 november 2018 een bedrag van € 753.780 contant is gestort. Sommige contante stortingen daarvan waren volgens het proces-verbaal van de politie opgenomen en sommige niet, waardoor om praktische redenen is gekozen om aan te nemen dat bedragen die voorkwamen in de boekhouding een legale herkomst hadden.

Na mindering van de, als contante storting, in de boekhouding verwerkte bedragen was voor € 276.130,32 van de contante stortingen geen aannemelijk legale herkomst gevonden. 3.8 De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat met betrekking tot de onverklaarbare stortingen bij [F] een bedrag van € 354.440 resteert. Door de verdediging is een Excel-bestand overlegd, waaruit zou blijken dat er in de jaren 2013 tot en met 2017 contante stortingen zijn geweest van een bedrag van in totaal € 318.530. Daarbij is aangegeven uit welke bedragen die stortingen bestaan, op welke facturen die stortingen zien en wie/welk bedrijf die facturen contant heeft betaald.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat deze verklaring concreet en aannemelijk is en kan worden geverifieerd. 3.9 Het hof heeft overwogen dat de verdachte met betrekking tot het onverklaarbare vermogen van [F] in essentie heeft gewezen op de boekhouding van de vennootschappen en de toelichting van de boekhoudster daarop. Het is gebleken dat contante geldstromen daarin veelal onvolledig en zonder onderliggende facturen zijn verwerkt, zodat ervoor is gekozen om alle contante geldstromen die op enigerlei wijze uit de boekhouding bleken, ongeacht bij welke vennootschap, als verantwoording te accepteren.

Bij deze – in het voordeel van de verdachte – toegepaste berekeningswijze bleef volgens de politie een bedrag van € 276.130,32 over als onverklaarbaar ontvangen contante stortingen. Het hof heeft vervolgens overwogen dat de schriftelijke toelichting die door de verdediging in eerste aanleg en in hoger beroep is gegeven op de contante stortingen op de bankrekening van [F] B.V. (c.q. het Excel-bestand) niet verder gaan dan een bedrag van € 399.340,00 zodat van het totaal gestorte bedrag van € 753.780,00 nog een restant van € 354.440,00 als onverklaarbaar overblijft.

Door de rekenmethode van de politie komt het onverklaarbare bedrag evenwel (in het voordeel van de verdachte) neer op € 276.130,32. Het hof heeft van dat lagere bedrag geoordeeld dat dit gehele bedrag kan worden aangemerkt als onverklaarbare stortingen, waarvoor geen concrete en verifieerbare verklaring is gegeven. Het hof is daarom ten aanzien van dat bedrag van oordeel dat dit bedrag geen legale herkomst heeft en dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte die herkomst heeft verhuld en dat geldbedrag opzettelijk voorhanden heeft gehad.

Het hof overweegt met betrekking tot de aanvullende verklaringen over de contante stortingen op de rekening van [F] B.V. die zijn aangeleverd in een Excel-bestand dat in de berekening van de politie alle stortingen zijn meegenomen die maar enigszins tot de boekhouding konden worden herleid. Verder overweegt het hof dat het in dat geval onmogelijk is om contante stortingen, die niet op enige wijze in de boekhouding voorkomen, alsnog te verklaren. Daarom kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat het aangeleverde Excel-bestand alleen contante stortingen betreft die al door de politie als verklaard zijn aangemerkt en dus buiten het in de tenlastelegging opgenomen bedrag zijn gehouden. 3.10 Het gaat in de kern om het volgende.

Op de rekening van [F] zijn contante stortingen gedaan van in totaal € 753.780,00. De politie heeft onderzoek gedaan naar de boekhouding van [F] en heeft bedragen die op enigerlei wijze uit de boekhouding bleken als ‘verantwoorde’ geldbedragen geaccepteerd. Er rest dan nog een bedrag van € 276.130,32 dat niet uit de boekhouding volgt en dus niet verantwoord is. Dit bedrag is ook opgenomen in de tenlastelegging van feit 2. De verdediging heeft de boekhoudster van de verdachte eveneens onderzoek laten doen. Zij heeft middels dezelfde boekhouding een bedrag kunnen verantwoorden van niet meer dan € 399.340,00.

Die verantwoording is neergelegd in een Excel-bestand. Er resteert bij die berekening nog een bedrag van € 354.440,00 dat niet is verantwoord. Het hof gaat, mede gelet op de tenlastelegging, uit van het lagere bedrag van € 276.130,32 dat niet verantwoord is. Het hof stelt vast dat het niet anders kan zijn dan dat de politie in de berekening reeds de stortingen heeft meegenomen die de boekhoudster heeft achterhaald, omdat de politie alle stortingen heeft meegenomen die maar enigszins tot de boekhouding konden worden herleid. Mede nu de politie een hoger geldbedrag heeft weten te linken aan de boekhouding dan de boekhoudster, acht ik die vaststelling van het hof niet onbegrijpelijk. 3.11 De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog het voorwaardelijke verzoek gedaan tot (nader) onderzoek naar de administratie, teneinde te achterhalen welk deel van die administratie al dan niet is verklaard.

Het hof heeft met betrekking tot dat verzoek overwogen dat het ‘gelet op het voorgaande’ voldoende is voorgelicht. Gelet op hetgeen ik hiervoor heb weergegeven, acht ik de afwijzing van dat verzoek – anders dan de steller van het middel – niet onjuist of onbegrijpelijk. 3.12 Het middel faalt in al zijn onderdelen. 4Het derde middel 4.1 Het derde middel klaagt over het oordeel van het hof dat de redelijke termijn in hoger beroep met ongeveer twee maanden is overschreden en dat gelet op die geringe overschrijding wordt volstaan met de constatering daarvan.

Dit oordeel zou onjuist en/of onbegrijpelijk zijn. 4.2 De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM, omdat de rechtbank op 21 mei 2021 vonnis heeft gewezen, zodat het hoger beroep meer dan twee jaren in beslag heeft genomen. 4.3 Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn heeft het hof het volgende overwogen: “Het hof stelt daarnaast vast dat de redelijke termijn van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden in hoger beroep met ongeveer twee maanden is overschreden, maar volstaat - gelet op de geringe mate van overschrijding - met de constatering daarvan.” 4.4 Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval.

Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn, omdat een dergelijk oordeel sterk verwerven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Met de constatering dát de redelijke termijn is overschreden, wordt een rechtsgevolg verbonden aan het oordeel dat een inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn.

Met name in gevallen waarin de ernst van die inbreuk van betrekkelijk geringe aard is – gelet op de mate van overschrijding en/of in het licht van de duur of omvang van de opgelegde straf of maatregel – bestaat geen grond om aan dat oordeel nog enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4.5 In de voorliggende zaak is namens de verdachte op 3 juni 2021 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het arrest van het hof is gewezen op 12 september 2023. Het hoger beroep heeft daarmee in totaal ruim twee jaren en drie maanden geduurd. Het hof heeft evenwel – zonder nadere overweging – vastgesteld dat de redelijke termijn in hoger beroep met ‘ongeveer twee maanden’ is overschreden. 4.6 De steller van het middel wijst er terecht op dat de overschrijding van de redelijke termijn meer is dan “ongeveer twee maanden”.

Het hof heeft zich evident een maand vergist. Ook uitgaande van de overschrijding van ‘ongeveer drie maanden’ is het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met een constatering evenwel nog niet onbegrijpelijk. 4.7 De steller van het middel baseert de klacht over het oordeel van het hof dat het met een constatering van de overschrijding van de redelijke termijn kan volstaan, op een arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2024. Aan die klacht ligt de onjuiste rechtsopvatting ten grondslag dat voornoemd arrest aangeeft wanneer de feitenrechter met een constatering van de overschrijding mag volstaan.

Het arrest bepaalt dat het de feitenrechter vrij staat om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Daarbij kan de feitenrechter de lijn van de Hoge Raad als feitenrechter volgen, maar daaraan is hij niet gebonden. 4.8 Het middel faalt. 5Slotsom 5.1 Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 5.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 14 september 2023.

Daarmee zal de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM worden overschreden. Dat zal aanleiding kunnen geven tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen. 5.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met eventueel ambtshalve vernietiging van de opgelegde gevangenisstraf en vermindering van de duur daarvan wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer 23-002072-22. Dit arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHAMS:2023:3748.

HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124, r.o. 3.5. HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, r.o. 3.4. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, NJ 2011/44 m.nt. N. Keijzer, r.o. 3.5.1-3.6.1. Zie ook Kamerstukken II 1999/00, 27 159, nr. 3, p. 16-17. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, NJ 2011/44 m.nt. N. Keijzer, r.o. 3.6.2. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, r.o. 2.5; HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. Rozemond, r.o. 2.3.2 en HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:772, r.o. 2.3.2. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, r.o. 2.6.

HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. Rozemond, r.o. 2.3.3 en HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:772, r.o. 2.3.3. Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Aben van 22 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:462, onder 28, waarin hij verwijst naar HR 29 maart. 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2628, r.o. 3.4 en HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6933, r.o. 3.4 (HR: 81.1 RO) HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.7. vgl. EHRM 29 maart 2006, nr. 3681397 (Scordino/Italië), overweging 204. Vgl. HR 27 juni 2017. ECLI:NL:HR:2017:1159: constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn (bij een overschrijding van zeven maanden) is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering.

HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.4. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.1.2, 3.1.3 en 3.2.