Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2025:897 ECLI:NL:PHR:2025:897 AI generated

ECLI:NL:PHR:2025:897 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2025:897
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/01345 Zitting 26 augustus 2025 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 30 maart 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. en 2. "de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (feit 1) en medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit (feit 2)" en 3.

Legislator headnote

AI generated

art. 55 lid 1 Sr, art. 6 lid 1 EVRM; ECLI:NL:PHR:2025:897 · Parket bij de Hoge Raad: Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.” 2.4 Voor de bewijsvoering en de strafmotivering van het hof verwijs ik naar het arrest, dat ook is gepubliceerd. De eerste deelklacht 2.5 Art. 10a van de Opiumwet stelt opzettelijke voorbereidings- of bevorderingshandelingen strafbaar ten aanzien van de misdrijven bedoeld in art. 10 lid 4 en 5 van de Opiumwet. Die handelingen zijn hiermee zelfstandig strafbaar gesteld. Niet vereist is dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf als bedoeld in art. 10 lid 4 of 5 deze dienen.

Keywords

AI generated
art. 55 lid 1 Sr art. 6 lid 1 EVRM

Cited Legislation

AI generated
art. 55 lid 1 Sr
art. 6 lid 1 EVRM
Daarom is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHSHE:2023:1196
Parketnummer : 20-002983-21 Uitspraak : 30 maart 2023 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 december 2021, in de strafzaak met parketnummer 02-304275-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteplaats 1] ) op [geboortedag 1] 1967, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van: het in eendaadse samenloop medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod (feit 1) en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod (feit 3), medeplegen van om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit (feit 2), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.
ECLI:NL:HR:2001:AB0494
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 17 februari 1998, voorzover aan ‘s Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 3 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. “het medeplegen van: een feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden en bevorderen door een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen” en 5. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot drie jaren en zes maanden gevangenisstraf, alsmede tot een geldboete van éénhonderdduizend gulden, subsidiair driehonderdzestig dagen hechtenis.
ECLI:NL:HR:2017:1111
20 juni 2017 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2018:831
5 juni 2018 Strafkamer nr. S 16/03557 JHO/LBS Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 5 juli 2016, nummer 22/002469-14, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de beslissing tot het aannemen van meerdaadse samenloop en de strafoplegging, in welke vernietiging niet is begrepen de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
ECLI:NL:HR:2008:BD2578
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch, van 15 juni 2005 - de verdachte ter zake van "gijzeling, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/01345 Zitting 26 augustus 2025 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 30 maart 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. en 2. "de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (feit 1) en medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit (feit 2)" en 3.

“medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft tevens de teruggave aan de verdachte gelast van een geldbedrag van € 300. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel 2.1 Het eerste middel van cassatie valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht klaagt over de bewezenverklaring van feit 2 en bevat de klacht dat uit de bewijsvoering van dat feit niet kan volgen dat de verdachte zich (kort gezegd) schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van het buiten het grondgebied brengen van Nederland van een of meer hoeveelheden metamfetamine.

De tweede deelklacht klaagt over de kwalificatie en bevat de klacht dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de bepalingen van eendaadse samenloop ter zake van feit 3. 2.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “1. hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 30 november 2020 te Westdorpe, gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bewerkt hoeveelheden van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;

2. hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 30 november 2020 te Westdorpe, gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) metamfetamine, zijnde metamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, - voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die delicten, immers, hebben hij, verdachte en zijn mededaders op tijdstippen in voornoemde periode in voornoemde pleegplaats * een in werking zijnde laboratorium-opstelling/productieplaats, bestemd voor de productie/vervaardiging van metamfetamine en * grote hoeveelheden andere chemicaliën en grondstoffen/hulpstoffen bestemd voor de productie/vervaardiging van metamfetamine en * productiemiddelen/voorwerpen bestemd voor de productie/vervaardiging van metamfetamine voorhanden gehad, waarvan verdachte en zijn mededaders wisten, dat die bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3. hij op 30 november 2020 te Westdorpe, gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 278 kilogram (natte en droge kristallen) metamfetamine en circa 350 liter metamfetaminebase (olie), zijnde metamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.” 2.3 Het hof heeft het bewezenverklaarde als volgt gekwalificeerd: “Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op: de eendaadse samenloop van: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (feit 1) en medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit (feit 2).

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.” 2.4 Voor de bewijsvoering en de strafmotivering van het hof verwijs ik naar het arrest, dat ook is gepubliceerd. De eerste deelklacht 2.5 Art. 10a van de Opiumwet stelt opzettelijke voorbereidings- of bevorderingshandelingen strafbaar ten aanzien van de misdrijven bedoeld in art. 10 lid 4 en 5 van de Opiumwet. Die handelingen zijn hiermee zelfstandig strafbaar gesteld. Niet vereist is dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf als bedoeld in art. 10 lid 4 of 5 deze dienen.

Dat zou immers het zelfstandige karakter van de strafbaarstelling van deze gedragingen tenietdoen. Het opzet in het kader van art. 10a Opiumwet, waaronder voorwaardelijk opzet is begrepen, dient wel gericht te zijn op het voorbereiden of bevorderen van een feit uit art. 10 lid 4 of lid 5 en op de daaropvolgende gedragingen in lid 1 onder 1 tot en met 3. 2.6 Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de verdachte met vier medeverdachten in een loods in Westdorpe is aangetroffen, waarin zich een in werking zijn drugslab bevond waar metamfetamine werd geproduceerd.

In die loods bevonden zich tevens grote hoeveelheden chemicaliën, grondstoffen en productiemiddelen om metamfetamine te produceren. Naar de verklaringen van de verdachten waren zij daar werkzaam. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders metamfetamine heeft bewerkt. Het hof heeft tevens bewezen geacht dat de verdachte tezamen en in vereniging grondstoffen voor de productie van metamfetamine voorhanden heeft gehad, alsmede het product metamfetamine voorhanden heeft gehad. 2.7 Met de stellers van het middel meen ik dat uit die bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte opzet heeft gehad op de voorbereiding van het buiten het grondgebied brengen van metamfetamine.

Evenwel meen ik dat de verdachte geen belang heeft bij cassatie op dit punt nu ten laste van hem meerdere andere voorbereidingshandelingen bewezenverklaard zijn. Het niet bewezen verklaren van de voorbereiding van uitvoer van drugs zou geen invloed hebben op het wettelijke strafmaximum. Het hof heeft bovendien een straf opgelegd die ver beneden het hieronder te noemen strafmaximum van de zaak ligt. Dat de toepasselijke OM-richtlijn een onderscheid maakt tussen handel en invoer/uitvoer van drugs, dwingt mij gelet op het vorenstaande niet tot een ander oordeel.

Ten slotte merk ik op dat in de strafmaatoverwegingen van het hof geen afzonderlijke betekenis wordt toegekend aan de bewezenverklaring op dit punt. 2.8 De klacht slaagt, maar behoeft niet te leiden tot cassatie. De tweede deelklacht 2.9 De tweede deelklacht klaagt erover dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de bepalingen van eendaadse samenloop ter zake van feit 3, nu het heeft geoordeeld dat enkel feiten 1 en 2 in eendaadse samenloop zijn gepleegd. 2.10 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bewerken van metamfetamine (feit 1), de voorbereiding van onder andere het bewerken van amfetamine (feit 2) en het voorhanden hebben van (reeds bewerkte) amfetamine (feit 3).

Het hof is enkel met betrekking tot de feiten 1 en 2 van oordeel geweest dat die in eendaadse samenloop zijn gepleegd. Met de stellers van het middel meen ik dat het kennelijke oordeel van het hof, dat feit 3 niet in eendaadse samenloop met de feiten 1 en 2 is gepleegd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de overweging van het hof dat het bij de middelen die de verdachte voorhanden had ging om “metamfetamine die werd bewerkt of zou worden bewerkt” volgt, dat dit voorhanden hebben (feit 3) in feite één feitencomplex vormt met enerzijds het bewerken van metamfetamine (feit 1) en anderzijds voorbereidingshandelingen voor dit bewerken (feit 2), terwijl de verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt. 2.11 Het slagen van de klacht behoeft echter bij gebrek aan belang niet te leiden tot cassatie, nu het hof een straf heeft opgelegd die ver beneden het strafmaximum van de zaak ligt.Uitgaande van eendaadse samenloop van alle drie feiten zou dit strafmaximum acht jaren zijn, aangezien op grond van art. 55 lid 1 Sr bij eendaadse samenloop de bepaling dient te worden toegepast met de zwaarste hoofdstraf en dat is in dit geval art. 10 lid 4 van de Opiumwet waarin feit 1 strafbaar is gesteld. 2.12 Ook deze klacht slaagt, maar behoeft evenmin tot cassatie te leiden.

Het tweede middel 3.1 Het tweede middel van cassatie klaagt dat de redelijke termijn van berechting is geschonden, nu het hof de stukken van het geding niet tijdig naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden. 3.2 Op 6 april 2023 is namens de verdachte cassatie ingesteld. Op 12 april 2024 zijn de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat het hof de stukken van het geding niet tijdig (binnen een termijn van acht maanden na het instellen van cassatie) aan de Hoge Raad heeft gezonden en de redelijke termijn van berechting daardoor is geschonden. 3.3 Het middel slaagt en moet leiden tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf van de Hoge Raad.

Afronding 4.1 Het eerste middel behoeft niet tot cassatie te leiden en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. 4.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 6 april 2023. Daarom is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen. 4.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG ECLI:NL:GHSHE:2023:1196 (parketnummer 20-002983-21), HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0494, rov. 4.6. Vgl. Kamerstukken II 1982/83, 17 975, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 6: “Wel menen wij dat er aanleiding is om bepaalde voorbereidings- (of bevorderings-) handelingen die volgens de bestaande wet op zich zelf geen voltooid misdrijf of een strafbare poging daartoe opleveren als zelfstandig delict strafbaar te stellen. Een en ander komt dus neer op een uitbreiding van de strafbaarheid in die zin dat bepaalde voorbereidingshandelingen die verband houden met de handel in verdovende middelen (als bedoeld in lijst I bij die wet) of die deze handel beogen te bevorderen niet langer straffeloos zullen zijn”.

Kamerstukken II 1982/83, 17 975, 3, p.

12. Vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111. HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831. Voor feit 2 geldt een maximum van zes jaren gevangenisstraf (art. 10a lid 1 van de Opiumwet) en voor feit 3 eveneens zes jaren (art. 10 lid 5 van de Opiumwet). HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2.