Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2025:866 ECLI:NL:PHR:2025:866 AI generated

ECLI:NL:PHR:2025:866 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2025:866
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

vervolging van de verdachte levert een schending van het ne-bis-in-idem beginsel op, 2. er is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn, en 3. vervolging van de verdachte levert een schending van het vertrouwensbeginsel op. […] Het hof stelt de volgende voor de beoordeling van het preliminair verweer relevante feiten vast. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij zich op 12 september 2020 te [plaats] – kort gezegd – twee maal schuldig heeft gemaakt aan belediging van een ambtenaar in functie. Op 26 november 2020 heeft een zogenoemde JOM-zitting plaatsgevonden, waarbij de verdachte, die werd bijgestaan door zijn raadsman, deelname aan het Halttraject is aangeboden, hetgeen hij heeft geaccepteerd.

Legislator headnote

AI generated

art. 77e lid 5 Sr, artikel 12 Sv, artikel 68 Wetboek van Strafrecht, Artikel 77e Sr, artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering, artikel 6 EVRM; ECLI:NL:PHR:2025:866 · Parket bij de Hoge Raad: Hetgeen de raadslieden in dit verband overigens hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De andere hierboven genoemde criteria behoeven bij deze stand van zaken geen bespreking meer. Ook volgt uit het voorgaande dat de Haltafdoening evenmin wordt aangemerkt als een onherroepelijke beslissing van de strafrechter waardoor artikel 68 Sr niet op het onderhavige geval van toepassing is. […] Ad 3. Vertrouwensbeginsel Het hof is van oordeel dat de door de raadslieden genoemde omstandigheden niet aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan.

Keywords

AI generated
art. 77e lid 5 Sr artikel 12 Sv artikel 68 Wetboek van Strafrecht Artikel 77e Sr artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering artikel 6 EVRM

Cited Legislation

AI generated
art. 77e lid 5 Sr
12 Sv-procedure een bevel tot vervolging wordt gegeven (art. 77e lid 5 Sr).
artikel 12 Sv
Indien dit project naar het oordeel van de opsporingsambtenaar met goed gevolg is afgerond, stelt hij de officier van justitie en de verdachte daarvan in kennis en vervalt het recht tot strafvervolging, behalve indien in het kader van een art. 12 Sv-procedure een bevel tot vervolging wordt gegeven (art.
artikel 68 Wetboek van Strafrecht
Ad 1: Ne bis in idem en criminal charge Het ne bis in idem-beginsel of het verbod van dubbele vervolging, zoals dat onder meer is neergelegd in artikel 68 Wetboek van Strafrecht (verder:
Artikel 77e Sr
Artikel 77e Sr houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: lid 1:
artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering
Daarmee vervalt het recht van strafvordering, behalve indien een bevel wordt gegeven als bedoeld in artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering.
artikel 6 EVRM
Reeds om die reden levert toepassing van het bepaalde in artikel 77e, vijfde lid derde volzin Sr na een voltooid Halttraject (waarbij op grond van voornoemd artikel door de strafrechter rekening dient te worden gehouden met de eerdere Haltafdoening) geen schending op van artikel 6 EVRM en het IVRK.
artikel 68 Sr
Ook volgt uit het voorgaande dat de Haltafdoening evenmin wordt aangemerkt als een onherroepelijke beslissing van de strafrechter waardoor artikel 68 Sr niet op het onderhavige geval van toepassing is.
Art. 77e Sr
Het vertrouwensbeginsel wordt aldus doorbroken door een bevel tot vervolging.” Juridisch kader 2.3 Art. 77e Sr luidt als volgt: “1.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1987:AB8018
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de strafoplegging - bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 8 maart 1985, waarbij de verdachte tot straf is veroordeeld ter zake van "verkrachting, meermalen gepleegd". Het Hof heeft de verdachte deswege veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
ECLI:NL:GHAMS:2024:792
afdeling strafrecht parketnummer: 23-002254-23 datum uitspraak: 25 maart 2024 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadslieden) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 juli 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-229354-20 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] , adres: [adres] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2024 en 11 maart 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadslieden en de gemachtigde van de benadeelde partij ter terechtzitting naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 12 september 2020 te Bergen (NH) opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 1] , brigadier van politie Eenheid Noord-Holland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "Kankeragent ! Kankerlijer, laat me los!" en/of "ik pak je nog wel kankerlijer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of door te spugen naar die [benadeelde 1] ; 2.hij op of omstreeks 12 september 2020 te Bergen (NH) opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 2] , hoofdagent van de politie Eenheid Noord Holland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "Kankerpolitie, kankerwouten kom dan! Kunnen jullie wel tegen een 17jarige, kankerwouten!", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of door die [benadeelde 2] in het gezicht te spugen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging De raadslieden van de verdachte hebben het hof ter terechtzitting bij preliminair verweer verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte. De raadslieden hebben daartoe - kort samengevat - drie argumenten naar voren gebracht: 1. vervolging van de verdachte levert een schending van het ne-bis-in-idem beginsel op, 2. er is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn, en 3. vervolging van de verdachte levert een schending van het vertrouwensbeginsel op. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het preliminair verweer zal verwerpen. Het hof heeft ter terechtzitting van 11 maart 2024 als beslissing op dit verweer het navolgende uitgesproken. Het hof stelt de volgende voor de beoordeling van het preliminair verweer relevante feiten vast. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij zich op 12 september 2020 te Bergen – kort gezegd – twee maal schuldig heeft gemaakt aan belediging van een ambtenaar in functie. Op 26 november 2020 heeft een zogenoemde JOM-zitting plaatsgevonden, waarbij de verdachte, die werd bijgestaan door zijn raadsman, deelname aan het Halttraject is aangeboden, hetgeen hij heeft geaccepteerd. Het Halttraject is op 16 december 2020 met een strafvoorstel gestart, welk voorstel door de verdachte voor akkoord is ondertekend. Op 17 maart 2021 heeft Haltmedewerker [naam] in een schrijven aan de ouders/verzorgers van verdachte en aan verdachte zelf meegedeeld: “[verdachte] heeft de Haltstraf goed uitgevoerd en daarom heb ik een positief afloopbericht gestuurd naar de Ovj. Dit betekent dat de Ovj de zaak seponeert en er verder geen vervolging door de officier van justitie zal plaatsvinden.” Vervolgens heeft het gerechtshof Amsterdam op 2 maart 2022 in het kader van twee artikel 12 Sv-procedures de officier van justitie bevolen de verdachte alsnog te vervolgen ter zake van de hier aan de orde zijnde verdenkingen. Het openbaar ministerie is vervolgens op 20 juli 2023 door de rechtbank Noord Holland niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging. Tegen dit vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Anders dan de raadslieden hebben bepleit is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en het overweegt, ten aanzien van de door de verdediging naar voren gebrachte punten, daarbij als volgt. Ad 1: Ne bis in idem en criminal charge Het ne bis in idem-beginsel of het verbod van dubbele vervolging, zoals dat onder meer is neergelegd in artikel 68 Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) houdt in dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd wegens een feit waarover bij gewijsde onherroepelijk is beslist. Het beginsel is alleen van toepassing als sprake is van een 'criminal charge' als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Alleen als de eerste procedure strekt tot 'determination of a criminal charge', geldt dat een tweede vervolging van hetzelfde feit niet is toegestaan. In de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) zijn in de loop der tijd maatstaven geformuleerd voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een 'criminal charge' in de zin van artikel 6, eerste lid van het EVRM. Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van drie door het EHRM geformuleerde toetsingscriteria, de zogenaamde Engel-criteria, ontleend aan (onder meer) een uitspraak van het EHRM in de zaak Engel en anderen tegen Nederland van 8 juni 1976 (NJ 1978, 223): 1. Is de handhaving van de overtreden norm naar nationaal recht als strafrechtelijk aangemerkt? Met andere woorden: wat is de classificatie naar nationaal recht? 2. Wat is de aard van het delict? 3. Wat is de aard en zwaarte van de maatregel, die met de overtreding wordt geriskeerd? Wettelijk kader Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging is de volgende wettelijke bepaling – zoals geldend ten tijde van het ten laste gelegde – van belang. Artikel 77e Sr houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: lid 1: De opsporingsambtenaar die daartoe door de officier van justitie is aangewezen, kan na verkregen toestemming door de officier van justitie aan de verdachte voorstellen dat deze deelneemt aan een project. De deelneming strekt tot voorkoming van toezending van het opgemaakte proces-verbaal aan de officier van justitie. Bij algemene maatregel van bestuur worden de strafbare feiten aangewezen die op deze wijze kunnen worden afgedaan. lid 2: bij een voorstel als bedoeld in het eerste lid, deelt opsporingsambtenaar de verdachte mede dat hij niet verplicht is aan het project deel te nemen en licht hem in over de mogelijke gevolgen van niet – deelneming. Het voorstel, de mededeling en de inlichtingen over de mogelijke gevolgen worden daarbij de verdachte tevens schriftelijk ter hand gesteld. (…) lid 5: Indien de opsporingsambtenaar, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de verdachte naar behoren aan het project heeft deelgenomen, stelt hij de officier van justitie en de verdachte hiervan schriftelijk in kennis. Daarmee vervalt het recht van strafvordering, behalve indien een bevel wordt gegeven als bedoeld in artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering. In dat geval houdt de rechter, indien hij een straf oplegt, rekening met de voltooide deelneming. Het hof begrijpt artikel 77e Sr zo dat het bij het Halttraject om een vrijwillig, niet strafrechtelijk traject gaat. Indien de verdachte daaraan niet wenst deel te nemen zal alsnog het opgemaakte proces-verbaal aan de officier van justitie worden toegestuurd waarna de beslissing zal worden genomen om de verdachte al dan niet te vervolgen. Het staat de verdachte dus vrij deelname aan het Halttraject af te wijzen en de zaak aan de strafrechter te laten voorleggen. Zulks blijkt ook uit hetgeen op de website Straffen en maatregelen voor jongeren | Straffen en maatregelen | Rijksoverheid.nl van de rijksoverheid in dit verband staat vermeld: Jongeren tussen 12 tot 18 jaar die een strafbaar feit plegen komen mogelijk in aanmerking voor een Halt afdoening. Dat is geen echte straf. Het is een vrijwillig alternatief om een echte straf of maatregel te voorkomen. Jongeren krijgen de kans hun fout recht te zetten. Bijvoorbeeld door excuses aan te bieden aan de slachtoffers en gemaakte schade te vergoeden. Als een jongere niet meewerkt komt hij of zij toch nog in contact met justitie (…) Een Halt afdoening komt niet op het strafblad (de zogenoemde justitiële documentatie). Zoals de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft opgemerkt, vindt het sepot in een dergelijke zaak (anders dan de Haltmedewerker de verdachte heeft meegedeeld) niet plaats nadat het Halttraject is afgerond. Dit sepot vindt al plaats tijdens de JOM-zitting indien de verdachte akkoord is gegaan met zijn deelname aan het Halttraject en daarmee nog moet beginnen. Indien de verdachte niet met succes het Halttraject afrondt, kan alsnog tot vervolging worden overgegaan. Uit het voorgaande volgt dat een afdoening van een strafzaak middels het bureau Halt geen strafrechtelijke vervolging van de verdachte inhoudt en dat hier derhalve geen sprake is van een criminal charge als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Reeds om die reden levert toepassing van het bepaalde in artikel 77e, vijfde lid derde volzin Sr na een voltooid Halttraject (waarbij op grond van voornoemd artikel door de strafrechter rekening dient te worden gehouden met de eerdere Haltafdoening) geen schending op van artikel 6 EVRM en het IVRK. Hetgeen de raadslieden in dit verband overigens hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De andere hierboven genoemde criteria behoeven bij deze stand van zaken geen bespreking meer. Ook volgt uit het voorgaande dat de Haltafdoening evenmin wordt aangemerkt als een onherroepelijke beslissing van de strafrechter waardoor artikel 68 Sr niet op het onderhavige geval van toepassing is. Ad 2. Overschrijding van de redelijke termijn Het is vaste jurisprudentie dat de enkele schending van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen en ook niet in jeugdzaken (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2015:2465). Hetgeen de raadslieden hebben aangevoerd is onvoldoende om in deze zaak tot een ander oordeel te komen en kan dus niet leiden tot niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op dit punt. Ad 3. Vertrouwensbeginsel Het hof is van oordeel dat de door de raadslieden genoemde omstandigheden niet aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan. De mededeling van Bureau Halt van 17 maart 2021 is gedaan door [naam], Haltmedewerker. Bureau Halt is geen onderdeel van het openbaar ministerie en de betreffende medewerker is ook niet bij het openbaar ministerie in dienst. Niet gebleken is dat op enig moment het vertrouwen bij de verdachte is gewekt dat de betreffende mededeling door of vanwege het openbaar ministerie is gedaan. Er is derhalve ook geen sprake geweest van de situatie dat de verdachte er door genoemde mededeling op mocht vertrouwen dat hij door het openbaar ministerie niet verder vervolgd zou worden. Reeds daarom faalt het verweer van de raadslieden op dit punt. Ten overvloede overweegt het hof dat ook in het geval wel sprake zou zijn van een (herhaalde) toezegging van het openbaar ministerie om niet tot vervolging over te gaan dit geen gevolgen heeft, juist vanwege het bijzondere karakter van de beklagprocedure van artikel 12 Sv, indien het hof – zoals in onderhavige zaak het geval is – het beklag toewijst. Dit is door de Hoge Raad al uitdrukkelijk beslist in 1987 (ECLI:NL:HR:1987:AB8018) en volgt uit de bewoordingen van artikel 77e Sr. Een bevel zoals omschreven in artikel 12 Sv schept de verplichting voor het openbaar ministerie om een strafvervolging in te stellen. Wanneer op bevel van het hof de vervolging is ingesteld, kan degene die wordt vervolgd niet meer aan het openbaar ministerie tegenwerpen dat het handelt in strijd met enige rechtsregel of met een beginsel van behoorlijke procesorde, bijvoorbeeld gelet op een eerdere toezegging om niet te vervolgen. Het vertrouwensbeginsel wordt aldus doorbroken door een bevel tot vervolging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 12 september 2020 te Bergen (NH) opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 1] , brigadier van politie Eenheid Noord-Holland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling en door feitelijkheden heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "Kankeragent! Kankerlijer, laat me los!" en "ik pak je nog wel kankerlijer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en door te spugen naar die [benadeelde 1] ; 2.hij op 12 september 2020 te Bergen (NH) opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 2] , hoofdagent van de politie Eenheid Noord Holland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling en door feitelijkheden heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "Kankerpolitie, kankerwouten kom dan! Kunnen jullie wel tegen een 17-jarige, kankerwouten!", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en door die [benadeelde 2] in het gezicht te spugen. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op: telkens: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Toepassing van artikel 9a Sr De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. De raadslieden hebben ter terechtzitting eveneens bepleit dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel, waarbij de raadslieden hebben verzocht om in het arrest een overweging op te nemen aangaande de zogenoemde verklaring omtrent gedrag (V.O.G.) met als strekking dat de vermelding van een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel geen nadelige gevolgen dient te hebben voor het verstrekken van een V.O.G. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte maakte in de nacht van 12 september 2020 in Bergen onderdeel uit van een groep van ongeveer 30 jeugdige personen die zich zonder enige aanleiding, aanhoudend en massaal provocerend, respectloos en dreigend gedroeg ten opzichte van een aantal politieambtenaren, die aldaar ter plaatse waren om de openbare orde te handhaven. Op enig moment pakte de verdachte verbalisant [benadeelde 1] vast en filmde hem terwijl hij beledigende bewoordingen jegens hem gebruikte. Vervolgens is de verdachte door de verbalisant onder controle gebracht en aangehouden. Terwijl de verdachte op zijn buik op de grond lag, bleef hij de verbalisant beledigen en bedreigen en bespuugde hij hem. Tijdens het overbrengen naar een politievoertuig heeft de verdachte ook verbalisant [benadeelde 2] bespuugd en tijdens de daarop volgende rit naar het politiebureau heeft hij ook hem beledigd. Het gedrag van de verdachte jegens de twee verbalisanten, die niets anders dan hun werk deden, valt niet anders te kenschetsen dan als beledigend, grievend en onsmakelijk en toont disrespect voor het openbaar gezag. Des te kwalijker is dat het bespugen van de verbalisanten plaats vond tijdens de coronapandemie, een periode waarin angst heerste en hygiëne van het grootste belang was om besmettingen met het coronavirus te voorkomen. Het hof rekent een en ander de verdachte zwaar aan. Gelet op de ernst van deze feiten acht het hof in beginsel een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 50 uur passend en geboden. Het hof zal echter in het voordeel van de verdachte rekening houden met het feit dat de verdachte reeds een Haltstraf (bestaande uit een leerstraf bestaande uit drie gesprekken bij Halt en twee leeropdrachten, een werkstraf van 8 uur alsmede het betalen van schadevergoeding van € 150,00) naar behoren heeft uitgevoerd. Het hof heeft ook kennisgenomen van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) van 23 mei 2023 waarin de Raad zich onthoudt van een strafadvies gelet op het feit dat de verdachte zijn Halt traject positief had afgerond en een e-mailbericht van de Raad van 26 januari 2024 waarin de Raad aangeeft dit standpunt te handhaven. Ook heeft het hof kennis genomen van een op naam van de verdachte staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 februari 2024, waaruit volgt dat artikel 63 Sr van toepassing is. Tot slot heeft het hof meegewogen dat de strafbare feiten inmiddels van drie en een half jaar geleden dateren. Gelet op al de bovengenoemde feiten en omstandigheden acht het hof het met de advocaat-generaal en de raadslieden raadzaam met toepassing van artikel 9a Sr te bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Anders dan de raadslieden ziet het hof geen aanleiding om in het arrest een overweging omtrent de V.O.G. zoals voorgesteld door de raadslieden op te nemen. De beslissing over de verkrijging van een V.O.G. is voorbehouden aan het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG), namens de Minister van Veiligheid en Justitie. Verder wijst het hof erop dat de vigerende beleidsregels voor het beoordelen van aanvragen tot verkrijging van een V.O.G. (Staatscourant 2013, 5409) ruimte laten voor het meewegen van de omstandigheden van het geval. De verdachte kan zijn omstandigheden bij het COVOG kenbaar maken. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 450,00 voor immateriële schade, onderverdeeld in € 50,00 voor de mondelinge belediging en € 400,00 voor het spugen in het gezicht. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de vordering in zijn geheel wordt toegewezen met toekenning van wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. De raadslieden hebben ter terechtzitting primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat geen sprake is van een aantasting van de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), subsidiair het toe te kennen bedrag te matigen tot € 150,00, welke bedrag reeds door de verdachte aan de benadeelde partij is betaald, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft het hof verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen met toekenning van wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij overweegt het hof als volgt. Bij delicten zoals de onderhavige, die geen direct lichamelijk letsel ten gevolge hebben gehad, dient te worden bezien of sprake is van aantasting in eer en goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 onder b van het BW. Voor een aantasting van de persoon op andere wijze is enkel psychisch onbehagen of zichzelf gekwetst voelen niet voldoende. De benadeelde dient voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waarbij naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel had kunnen worden vastgesteld. Het hof is van oordeel dat hieraan in deze zaak, mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, is voldaan. Immers de verdachte heeft de benadeelde partij in een tijd waarin de coronapandemie heerste ten overstaan van velen in zijn gezicht gespuugd. De benadeelde partij heeft gesteld dat hij daardoor bang en onzeker is geweest voor een besmetting met fysieke gevolgen voor hemzelf en degenen met wie hij samenwoont. Het hof acht de verzochte schadevergoeding, mede gezien de aard en ernst van de normschending in deze periode waarin besmetting met het coronavirus wereldwijd tot ernstige gevolgen leidt, dan ook billijk en zal de vordering toewijzen. Wel zal het hof het reeds door de verdachte in het kader van het doorlopen HALT-traject aan de benadeelde partij betaalde bedrag in mindering brengen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een totaalbedrag van (€ 450,00 minus € 150,00 =) € 300,00 zal worden toegewezen en worden vermeerderd met de wettelijke rente. Gelet op bovenstaande zal de vordering voor het overige worden afgewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 9a, 36f, 63, 77gg, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Bepaalt dat ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 september 2020. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. E. Mijnsberge en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 maart 2024. De voorzitter en de oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
NJ 1988/266
HR 2 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8018, NJ 1988/266, r.o.
ECLI:NL:HR:2024:492
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/00876 Datum 26 maart 2024 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 maart 2022, nummer 21-002019-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, hierna: de verdachte.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01287 J Zitting 2 september 2025 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 25 maart 2024 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1 en 2 “telkens: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening" veroordeeld zonder dat daarvoor een straf of maatregel is opgelegd.

Het hof heeft verder beslist over de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. 1.2 Namens de verdachte heeft J.S. Nan, advocaat in ‘s-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld. 2Het middel 2.1 Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het openbaar ministerie ontvankelijk heeft geacht in de vervolging, ondanks een door de verdachte met goed gevolg afgerond Halt-traject voor dezelfde feiten. Daartoe voert de steller van het middel – in de kern genomen – aan dat:

i) het oordeel/de overweging van het hof dat niet is gebleken dat op enig moment het vertrouwen bij de verdachte is gewekt dat de mededeling door of vanwege het openbaar ministerie is gedaan, niet zonder meer begrijpelijk is en ii) het hof het bepaalde in art. 77e lid 5 Sr buiten toepassing had moeten laten, vanwege de strijdigheid daarvan met art. 40 lid 3 sub 3 IVRK. 2.2 Het hof heeft het preliminaire verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie als volgt samengevat en verworpen: “De raadslieden van de verdachte hebben het hof ter terechtzitting bij preliminair verweer verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte. De raadslieden hebben daartoe - kort samengevat - drie argumenten naar voren gebracht:

1. vervolging van de verdachte levert een schending van het ne-bis-in-idem beginsel op, 2. er is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn, en 3. vervolging van de verdachte levert een schending van het vertrouwensbeginsel op. […] Het hof stelt de volgende voor de beoordeling van het preliminair verweer relevante feiten vast. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij zich op 12 september 2020 te [plaats] – kort gezegd – twee maal schuldig heeft gemaakt aan belediging van een ambtenaar in functie. Op 26 november 2020 heeft een zogenoemde JOM-zitting plaatsgevonden, waarbij de verdachte, die werd bijgestaan door zijn raadsman, deelname aan het Halttraject is aangeboden, hetgeen hij heeft geaccepteerd.

Het Halttraject is op 16 december 2020 met een strafvoorstel gestart, welk voorstel door de verdachte voor akkoord is ondertekend. Op 17 maart 2021 heeft Haltmedewerker [betrokkene 1] in een schrijven aan de ouders/verzorgers van verdachte en aan verdachte zelf meegedeeld: " [verdachte] heeft de Haltstraf goed uitgevoerd en daarom heb ik een positief afloopbericht gestuurd naar de Ovj. Dit betekent dat de Ovj de zaak seponeert en er verder geen vervolging door de officier van justitie zal plaatsvinden.” Vervolgens heeft het gerechtshof Amsterdam op 2 maart 2022 in het kader van twee artikel 12 Sv-procedures de officier van justitie bevolen de verdachte alsnog te vervolgen ter zake van de hier aan de orde zijnde verdenkingen.

Het openbaar ministerie is vervolgens op 20 juli 2023 door de rechtbank Noord Holland niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging. Tegen dit vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Anders dan de raadslieden hebben bepleit is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en het overweegt, ten aanzien van de door de verdediging naar voren gebrachte punten, daarbij als volgt. Ad 1: Ne bis in idem en criminal charge Het ne bis in idem-beginsel of het verbod van dubbele vervolging, zoals dat onder meer is neergelegd in artikel 68 Wetboek van Strafrecht (verder:

Sr) houdt in dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd wegens een feit waarover bij gewijsde onherroepelijk is beslist. Het beginsel is alleen van toepassing als sprake is van een 'criminal charge' als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Alleen als de eerste procedure strekt tot ‘determination of a criminal charge’, geldt dat een tweede vervolging van hetzelfde feit niet is toegestaan. In de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) zijn in de loop der tijd maatstaven geformuleerd voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een 'criminal charge' in de zin van artikel 6, eerste lid van het EVRM.

Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van drie door het EHRM geformuleerde toetsingscriteria, de zogenaamde Engel-criteria, ontleend aan (onder meer) een uitspraak van het EHRM in de zaak Engel en anderen tegen Nederland van 8 juni 1976 (NJ 1978,223):

1. Is de handhaving van de overtreden norm naar nationaal recht als strafrechtelijk aangemerkt? Met andere woorden: wat is de classificatie naar nationaal recht? 2. Wat is de aard van het delict? 3. Wat is de aard en zwaarte van de maatregel, die met de overtreding wordt geriskeerd? Wettelijk kader Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging is de volgende wettelijke bepaling - zoals geldend ten tijde van het ten laste gelegde - van belang. Artikel 77e Sr houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: lid 1:

De opsporingsambtenaar die daartoe door de officier van Justitie is aangewezen, kan na verkregen toestemming door de officier van Justitie aan de verdachte voorstellen dat deze deelneemt aan een project. De deelneming strekt tot voorkoming van toezending van het opgemaakte proces-verbaal aan de officier van Justitie. Bij algemene maatregel van bestuur worden de strafbare feiten aangewezen die op deze wijze kunnen worden afgedaan. lid 2: bij een voorstel als bedoeld in het eerste lid, deelt opsporingsambtenaar de verdachte mede dat hij niet verplicht is aan het project deel te nemen en licht hem in over de mogelijke gevolgen van niet-deelneming.

Het voorstel, de mededeling en de inlichtingen over de mogelijke gevolgen worden daarbij de verdachte tevens schriftelijk ter hand gesteld. (...) lid 5: Indien de opsporingsambtenaar, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de verdachte naar behoren aan het project heeft deelgenomen, stelt hij de officier van justitie en de verdachte hiervan schriftelijk in kennis. Daarmee vervalt het recht van strafvordering, behalve indien een bevel wordt gegeven als bedoeld in artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering. In dat geval houdt de rechter, indien hij een straf oplegt, rekening met de voltooide deelneming.

Het hof begrijpt artikel 77e Sr zo dat het bij het Halttraject om een vrijwillig, niet strafrechtelijk traject gaat. Indien de verdachte daaraan niet wenst deel te nemen zal alsnog het opgemaakte proces-verbaal aan de officier van justitie worden toegestuurd waarna de beslissing zal worden genomen om de verdachte al dan niet te vervolgen. Het staat de verdachte dus vrij deelname aan het Halttraject af te wijzen en de zaak aan de strafrechter te laten voorleggen. Zulks blijkt ook uit hetgeen op de website Straffen en maatregelen voor jongeren | Straffen en maatregelen | Rijksoverheid.nl van de rijksoverheid in dit verband staat vermeld:

Jongeren tussen 12 tot 18 jaar die een strafbaar feit plegen komen mogelijk in aanmerking voor een Halt afdoening. Dat is geen echte straf. Het is een vrijwillig alternatief om een echte straf of maatregel te voorkomen. Jongeren krijgen de kans hun fout recht te zetten. Bijvoorbeeld door excuses aan te bieden aan de slachtoffers en gemaakte schade te vergoeden. Als een jongere niet meewerkt komt hij of zij toch nog in contact met justitie (...) Een Halt afdoening komt niet op het strafblad (de zogenoemde justitiële documentatie). Zoals de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft opgemerkt, vindt het sepot in een dergelijke zaak (anders dan de Haltmedewerker de verdachte heeft meegedeeld) niet plaats nadat het Halttraject is afgerond.

Dit sepot vindt al plaats tijdens de JOM-zitting indien de verdachte akkoord is gegaan met zijn deelname aan het Halttraject en daarmee nog moet beginnen. Indien de verdachte niet met succes het Halttraject afrondt, kan alsnog tot vervolging worden overgegaan. Uit het voorgaande volgt dat een afdoening van een strafzaak middels het bureau Halt geen strafrechtelijke vervolging van de verdachte inhoudt en dat hier derhalve geen sprake is van een criminal charge als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Reeds om die reden levert toepassing van het bepaalde in artikel 77e, vijfde lid derde volzin Sr na een voltooid Halttraject (waarbij op grond van voornoemd artikel door de strafrechter rekening dient te worden gehouden met de eerdere Haltafdoening) geen schending op van artikel 6 EVRM en het IVRK.

Hetgeen de raadslieden in dit verband overigens hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De andere hierboven genoemde criteria behoeven bij deze stand van zaken geen bespreking meer. Ook volgt uit het voorgaande dat de Haltafdoening evenmin wordt aangemerkt als een onherroepelijke beslissing van de strafrechter waardoor artikel 68 Sr niet op het onderhavige geval van toepassing is. […] Ad 3. Vertrouwensbeginsel Het hof is van oordeel dat de door de raadslieden genoemde omstandigheden niet aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan.

De mededeling van Bureau Halt van 17 maart 2021 is gedaan door [betrokkene 1] , Haltmedewerker. Bureau Halt is geen onderdeel van het openbaar ministerie en de betreffende medewerker is ook niet bij het openbaar ministerie in dienst. Niet gebleken is dat op enig moment het vertrouwen bij de verdachte is gewekt dat de betreffende mededeling door of vanwege het openbaar ministerie is gedaan. Er is derhalve ook geen sprake geweest van de situatie dat de verdachte er door genoemde mededeling op mocht vertrouwen dat hij door het openbaar ministerie niet verder vervolgd zou worden.

Reeds daarom faalt het verweer van de raadslieden op dit punt. Ten overvloede overweegt het hof dat ook in het geval wel sprake zou zijn van een (herhaalde) toezegging van het openbaar ministerie om niet tot vervolging over te gaan dit geen gevolgen heeft, juist vanwege het bijzondere karakter van de beklagprocedure van artikel 12 Sv, indien het hof - zoals in onderhavige zaak het geval is - het beklag toewijst. Dit is door de Hoge Raad al uitdrukkelijk beslist in 1987 (ECLI:NL:HR:1987:AB8018) en volgt uit de bewoordingen van artikel 77e Sr. Een bevel zoals omschreven in artikel 12 Sv schept de verplichting voor het openbaar ministerie om een strafvervolging in te stellen.

Wanneer op bevel van het hof de vervolging is ingesteld, kan degene die wordt vervolgd niet meer aan het openbaar ministerie tegenwerpen dat het handelt in strijd met enige rechtsregel of met een beginsel van behoorlijke procesorde, bijvoorbeeld gelet op een eerdere toezegging om niet te vervolgen. Het vertrouwensbeginsel wordt aldus doorbroken door een bevel tot vervolging.” Juridisch kader 2.3 Art. 77e Sr luidt als volgt: “1. De opsporingsambtenaar die daartoe door de officier van justitie is aangewezen, kan na verkregen toestemming door de officier van justitie aan de verdachte voorstellen dat deze deelneemt aan een project.

De deelneming strekt tot voorkoming van toezending van het opgemaakte proces-verbaal aan de officier van justitie. Bij algemene maatregel van bestuur worden de strafbare feiten aangewezen die op deze wijze kunnen worden afgedaan.

2. Bij een voorstel als bedoeld in het eerste lid, deelt de opsporingsambtenaar de verdachte mede dat hij niet verplicht is aan het project deel te nemen en licht hem in over de mogelijke gevolgen van niet-deelneming. Het voorstel, de mededeling en de inlichtingen over de mogelijke gevolgen worden daarbij de verdachte tevens schriftelijk ter hand gesteld.

3. De officier van justitie geeft algemene aanwijzingen omtrent de wijze van afdoening ingevolge het eerste lid. Deze aanwijzingen betreffen in ieder geval: a. de projecten en de categorieën van strafbare feiten die, gelet op de aard van deze projecten, in aanmerking komen voor deze wijze van afdoening; b. de duur van de deelneming, afhankelijk van de aard van het strafbare feit en het project en c. de wijze waarop de toestemming van de officier van justitie kan worden verkregen.

4. De duur van de deelneming is ten hoogste twintig uren.

5. Indien de opsporingsambtenaar, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de verdachte naar behoren aan een project heeft deelgenomen, stelt hij de officier van justitie en de verdachte hiervan schriftelijk in kennis. Daarmee vervalt het recht tot strafvordering, behalve indien een bevel wordt gegeven als bedoeld in artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering. In dat geval houdt de rechter, indien hij een straf oplegt, rekening met de voltooide deelneming.” 2.4 Art. 40 lid 3 aanhef en sub b van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna:

IVRK) van 20 november 1989 luidt in de Nederlandse vertaling: “De Staten die partij zijn, streven ernaar de totstandkoming te bevorderen van wetten, procedures, autoriteiten en instellingen die in het bijzonder bedoeld zijn voor kinderen die worden verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld terzake van het begaan van een strafbaar feit, en, in het bijzonder: […] b. de invoering, wanneer passend en wenselijk, van maatregelen voor de handelwijze ten aanzien van deze kinderen zonder dat men zijn toevlucht neemt tot gerechtelijke stappen, mits de rechten van de mens en de wettelijke garanties volledig worden geëerbiedigd.” 2.5 Art. 40 lid 3 aanhef en sub b IVRK beoogt lidstaten te laten voorzien in procedures op basis waarvan jeugdstrafzaken buitengerechtelijk kunnen worden afgedaan.

Deze verdragsbepaling schrijft een buitengerechtelijke afdoening niet dwingend voor, maar bepaalt dat staten, wanneer passend en wenselijk, dienen te streven naar de invoering van wetten, procedures, autoriteiten en instellingen die bedoeld zijn voor kinderen die verdacht worden van een strafbaar feit, zonder dat men zijn toevlucht neemt tot gerechtelijke stappen. Daarin ligt besloten dat een staat in die afweging bij de invoering van een regeling rekening mag houden met het eigen wettelijke systeem, waaronder voor Nederland het systeem van de klachtprocedure in het Nederlandse strafprocesrecht. 2.6 De invoering van de Halt-afdoening komt aan voormelde verdragsbepaling tegemoet.

Deze buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteit heeft een wettelijke grondslag gekregen in artikel 77e Sr. De regeling komt erop neer dat de opsporingsambtenaar die daartoe door de officier van justitie is aangewezen, na toestemming door de officier van justitie, de verdachte een voorstel kan doen tot deelname aan een project van ten hoogste twintig uren (art. 77e lid 1 en lid 4 Sr). Indien dit project naar het oordeel van de opsporingsambtenaar met goed gevolg is afgerond, stelt hij de officier van justitie en de verdachte daarvan in kennis en vervalt het recht tot strafvervolging, behalve indien in het kader van een art. 12 Sv-procedure een bevel tot vervolging wordt gegeven (art. 77e lid 5 Sr).

Ingeval een bevel tot vervolging als bedoeld in artikel 12i Sv is gegeven, dient de rechter – indien hij een straf oplegt – rekening te houden met de voltooide deelneming aan het project. Bespreking van het middel 2.7 Het middel klaagt dat de beslissing van het hof om het openbaar ministerie ontvankelijk te achten in de vervolging in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, omdat de minderjarige verdachte is vervolgd nadat hij van Bureau Halt een bericht had ontvangen dat “de Ovj de zaak seponeert en er verder geen vervolging door de officier van justitie zal plaatsvinden”.

Gelet op de inhoud van dit bericht is de overweging van het hof dat niet is gebleken dat op enig moment het vertrouwen bij de verdachte is gewekt dat de mededeling door of vanwege het openbaar ministerie is gedaan volgens de steller van het middel niet zonder meer begrijpelijk. Verder had het hof volgens de steller van het middel het bepaalde in art. 77e lid 5 Sr buiten toepassing moeten laten, vanwege de strijdigheid daarvan met art. 40 lid 3 aanhef en sub 3 IVRK. In deze specifieke situatie zou volgens de steller van het middel het vertrouwensbeginsel voorgaan op het bevel tot vervolging. 2.8 Het hof heeft het openbaar ministerie ontvankelijk geacht in de vervolging.

Daartoe heeft het hof geoordeeld dat de mededeling die is gedaan door een medewerker van Bureau Halt, niet een mededeling is waardoor de verdachte erop kon vertrouwen dat hij door het openbaar ministerie niet verder vervolgd zou worden. Het hof heeft daarbij betrokken dat Bureau Halt geen onderdeel is van het openbaar ministerie en de Halt-medewerker niet bij het openbaar ministerie in dienst is. Tevens heeft het hof overwogen dat niet is gebleken dat op enig moment het vertrouwen bij de verdachte is gewekt dat de betreffende mededeling door of vanwege het openbaar ministerie is gedaan.

In een overweging ten overvloede heeft het hof overwogen dat ingeval wel sprake zou zijn van een toezegging van het openbaar ministerie om niet tot vervolging over te gaan het openbaar ministerie nog altijd ontvankelijk is in de vervolging, nu het hof de vervolging heeft bevolen en het vertrouwensbeginsel daardoor wordt doorbroken. 2.9 Uit de door het hof gedane feitelijke vaststellingen volgt dat een medewerker van Bureau Halt de verdachte heeft bericht dat hij het Halt-traject goed heeft uitgevoerd en dat de medewerker daarom een positief afloopbericht naar de officier van justitie heeft gestuurd, hetgeen betekent dat de officier van justitie de zaak seponeert en er verder geen vervolging door de officier van justitie zal plaatsvinden.

Daarmee heeft Bureau Halt bij de minderjarige verdachte ten onrechte de verwachting kunnen wekken dat hij niet strafrechtelijk door het openbaar ministerie zal worden vervolgd. Ook op de internetsite Halt.nl wordt ten onrechte de verwachting gewekt dat de afronding van een Halt-traject volgens de afspraken altijd voorkomt dat de verdachte een strafblad krijgt. Beide verwachtingen zullen doorgaans uitkomen, maar – zoals deze zaak laat zien – niet altijd. Een clausulering zou daarom op zijn plaats zijn. 2.10 De vraag die in deze zaak rijst, is of dergelijke opgewekte verwachtingen maken dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in de vervolging, als die vervolging het gevolg is van een bevel tot vervolging van het hof naar aanleiding van een art. 12 Sv-procedure.

Daarover kan ik kort zijn: dat is niet het geval. Het hof heeft – op basis van een arrest van de Hoge Raad van 2 juni 1987 en de bewoordingen van art. 77e lid 5 Sr – terecht overwogen dat wanneer op bevel van het hof de vervolging is ingesteld, degene die wordt vervolgd niet meer aan het openbaar ministerie kan tegenwerpen dat het handelt in strijd met enige rechtsregel of met een beginsel van behoorlijke procesorde, bijvoorbeeld gelet op een eerdere toezegging om niet te vervolgen, omdat het vertrouwensbeginsel dan wordt doorbroken door een bevel tot vervolging.

Het openbaar ministerie is immers gehouden aan een bevel tot vervolging gevolg te geven. Daarnaast bepaalt art. 77e lid 5 Sr uitdrukkelijk dat het recht tot strafvordering niet vervalt indien een bevel tot vervolging is gegeven. Deze overwegingen – wat er ook zij van de verdere motivering hiervan – dragen de beslissing van het hof en de verwerping van het preliminaire verweer zelfstandig. Gelet op hetgeen ik hiervoor onder randnummer 2.5 heb opgemerkt, staat art. 40 lid 3 aanhef en sub b IVRK daaraan niet in de weg. 3Slotsom 3.1 Het middel faalt. 3.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan na de in dit geval geldende termijn van zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep op 3 april 2024.

Daarmee is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Nu het hof aan de verdachte geen straf of maatregel heeft opgelegd, dient dat te leiden tot constatering van de overschrijding. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen. 3.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer 23-002254-23. Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHAMS:2024:792. Zie Trb. 1990, 170. Dit verdrag is op 8 maart 1995 voor Nederland in werking getreden.

Een andere uitwerking zou de werking van dat ‘klachtenstelsel’ ondergraven. Vgl. Melai/Groenhuijsen e.a., art. 12-13a, aant.

5. HR 2 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8018, NJ 1988/266, r.o. 6.2. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.1.2, 3.1.3 en 3.2.