Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2025:819 ECLI:NL:PHR:2025:819 AI generated

ECLI:NL:PHR:2025:819 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2025:819
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04704 P Zitting 9 september 2025 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [betrokkene], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de betrokkene Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 22 november 2023 (parketnr. 21-005323-21) het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 48.740,62 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 48.740,62 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.

Legislator headnote

AI generated

art. 6 lid 1 EVRM; ECLI:NL:PHR:2025:819 · Parket bij de Hoge Raad: Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 278 dagen. Er bestaat samenhang met de zaken 23/04701 en 23/04703. In deze zaken concludeer ik vandaag ook. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel bevat de klacht dat de berechting van de betrokkene niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Het middel strekt er enkel toe te klagen dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.

Keywords

AI generated
art. 6 lid 1 EVRM

Cited Legislation

AI generated
art. 6 lid 1 EVRM
Het middel bevat de klacht dat de berechting van de betrokkene niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04704 P Zitting 9 september 2025 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [betrokkene], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de betrokkene Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 22 november 2023 (parketnr. 21-005323-21) het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 48.740,62 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 48.740,62 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 278 dagen. Er bestaat samenhang met de zaken 23/04701 en 23/04703. In deze zaken concludeer ik vandaag ook. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel bevat de klacht dat de berechting van de betrokkene niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Het middel strekt er enkel toe te klagen dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.

De verdachte heeft kennelijk geen cassatieklachten over de bestreden uitspraak en/of over de behandeling van de zaak door het hof. Daarmee is er geen sprake van een klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.

6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. Bleichrodt, r.o. 2.2.4. Zie HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1643.