Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2025:718 ECLI:NL:PHR:2025:718 AI generated

ECLI:NL:PHR:2025:718 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2025:718
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Bij arrest van 22 februari 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam (parketnummer 23-001752-21) het vonnis van 2 juni 2021 van de rechtbank Amsterdam (parketnummer 13-046371-21) bevestigd en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 7.325,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Legislator headnote

AI generated

artikel 342 lid 2 Sv, artikel 511i Sv; ECLI:NL:PHR:2025:718 · Parket bij de Hoge Raad: Dat er – naast de aangifte – géén (door artikel 342 lid 2 Sv verlangd) bijkomend bewijs is voor de diefstal van een betrekkelijk groot contant geldbedrag, behelst een klacht over een gebrek in de motivering van de bewezenverklaring in de strafzaak. Daarover kan in de ontnemingszaak echter niet met vrucht worden geklaagd. Mocht de gelijkluidende klacht in de strafzaak succes hebben, dan doet artikel 511i Sv zijn werk (zodat de betrokkene sowieso geen belang heeft bij de klacht).

Keywords

AI generated
artikel 342 lid 2 Sv artikel 511i Sv

Cited Legislation

AI generated
artikel 342 lid 2 Sv
Dat er – naast de aangifte – géén (door artikel 342 lid 2 Sv verlangd) bijkomend bewijs is voor de diefstal van een betrekkelijk groot contant geldbedrag, behelst een klacht over een gebrek in de motivering van de bewezenverklaring in de strafzaak.
artikel 511i Sv
Mocht de gelijkluidende klacht in de strafzaak succes hebben, dan doet artikel 511i Sv zijn werk (zodat de betrokkene sowieso geen belang heeft bij de klacht).

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/00882 P Zitting 24 juni 2025 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [betrokkene], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, hierna: de betrokkene.

1. Bij arrest van 22 februari 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam (parketnummer 23-001752-21) het vonnis van 2 juni 2021 van de rechtbank Amsterdam (parketnummer 13-046371-21) bevestigd en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 7.325,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 23/00885. Dit betreft de samenhangende strafzaak jegens de betrokkene. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft één middel van cassatie voorgesteld, doch wat mij betreft tevergeefs.

4. Dat er – naast de aangifte – géén (door artikel 342 lid 2 Sv verlangd) bijkomend bewijs is voor de diefstal van een betrekkelijk groot contant geldbedrag, behelst een klacht over een gebrek in de motivering van de bewezenverklaring in de strafzaak. Daarover kan in de ontnemingszaak echter niet met vrucht worden geklaagd. Mocht de gelijkluidende klacht in de strafzaak succes hebben, dan doet artikel 511i Sv zijn werk (zodat de betrokkene sowieso geen belang heeft bij de klacht).

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep en kan op de voet van artikel 81 lid 1 RO worden afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Hetzij geen middel in de zin der wet, vgl. HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:512, hetzij geen belang bij het middel, vgl. HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1255.