Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2025:678 ECLI:NL:PHR:2025:678 AI generated

ECLI:NL:PHR:2025:678 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2025:678
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00947 U Zitting 17 juni 2025 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, hierna: de opgeëiste persoon 1Inleiding 1.1 De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 4 maart 2025 (parketnummer 13-328903-24) de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Zwitserse autoriteiten “ter strafvervolging terzake van de verdenking dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het nationale Arrestatiebevel (Haftbefehl) van 23 september 2024 dat is uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie van het kanton Bern, regio ‘Berner Jura-Seeland’, onder het kopje "Toedracht"” toelaatbaar verklaard. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de opgeëiste persoon.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 EVRM, art. 3 EVRM, art. 8 EVRM, artikel 8 EVRM, art. 8 lid 1 EVRM, art. 8 lid 2 EVRM; ECLI:NL:PHR:2025:678 · Parket bij de Hoge Raad: De uitzondering hierop is, tenzij het gaat om situaties waarin een ernstige en flagrante mensenrechtenschending dreigt. Ik meen dat in deze zaak op voorhand vast staat dat de uitlevering van cliënte zal zorgen voor een ernstige en flagrante schending van de fundamentele rechten van cliënt, in het bijzonder art. 8 EVRM en art. 3 EVRM. Art. 8 EVRM 16. Art. 8 EVRM waarborgt onder meer het recht op respect voor het familie- en gezinsleven.

Keywords

AI generated
artikel 3 EVRM art. 3 EVRM art. 8 EVRM artikel 8 EVRM art. 8 lid 1 EVRM art. 8 lid 2 EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 EVRM
Deze pleitnota houdt onder meer in (met weglating van voetnoten): “Subsidiair verweer: ernstige en flagrante mensenrechtschendingen dreigt, in het bijzonder art. 8 EVRM en art. 3 EVRM.
art. 3 EVRM
Deze pleitnota houdt onder meer in (met weglating van voetnoten): “Subsidiair verweer: ernstige en flagrante mensenrechtschendingen dreigt, in het bijzonder art. 8 EVRM en art. 3 EVRM.
art. 8 EVRM
Deze pleitnota houdt onder meer in (met weglating van voetnoten): “Subsidiair verweer: ernstige en flagrante mensenrechtschendingen dreigt, in het bijzonder art. 8 EVRM en art.
artikel 8 EVRM
Subsidiair verzoek ik u de uitlevering ontoelaatbaar te achten, nu het toelaatbaar achten van de uitlevering een ernstige en flagrante schending van artikel 8 EVRM en/of art.
art. 8 lid 1 EVRM
Feit is dat de uitlevering van een opgeëiste persoon per definitie een inbreuk oplevert op de uitoefening van het recht op respect voor het privéleven en gezinsleven als bedoeld in art. 8 lid 1 EVRM.
art. 8 lid 2 EVRM
Volgens vaste rechtspraak van het EHRM dient een uitlevering zonder meer een legitiem doel als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM (“prevention of disorder or crime”).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2003:AE5288
8 juli 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U ABG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De procesgang 1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 20 mei 2003. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage vernietigd voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment, afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998, omschreven klacht ontoelaabaar is verklaard. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. 1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 is de opgeëiste persoon verschenen en is hij gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Wladimiroff, advocaat te 's-Gravenhage, die voor hem het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities. Ook heeft de opgeëiste persoon zelf het woord ter verdediging gevoerd. Zijn pleitnotities zijn eveneens aan voornoemd proces-verbaal gehecht. De Advocaat-Generaal Jörg heeft een schriftelijke samenvatting gegeven die ertoe strekt de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 toelaatbaar te verklaren. 2. Het verzoek tot uitlevering 2.1. Het hernieuwde verzoek tot uitlevering, verder aan te duiden als het verzoek, is gedaan bij nota no. 15 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 6 februari 2001, gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In dit verzoek wordt verwezen naar het hieronder onder 2.3 (i) nog te noemen, reeds eerder gedane, doch ingetrokken, verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon voor dezelfde strafbare feiten. 2.2. Het verzoek, voorzover thans nog aan de orde, strekt tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten 2 en 3, aangeduid als "prohibited foreign trade practices" en omschreven in de hieronder onder 2.3 (v) vermelde "affidavit in support of request for extradition" op p. 3 onder a t/m o. 2.3. De verzoekende staat heeft bij het verzoek de navolgende stukken overgelegd: (i) een nota no. 24 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 4 mei 2000 inhoudende een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging; (ii) een door de Assistant Authentication Officer, Department of State, gecertificeerde verklaring van Madeleine K. Albright, Secretary of State van 20 april 2000 dat het hierna onder (iii) genoemde document het zegel van het Department of Justice van de Verenigde Staten van Amerika draagt; (iii) een door de Director/Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division of the United States Department of Justice gecertificeerde verklaring van 19 april 2000 van Janet Reno, Attorney General of the United States, dat Russel Bikoff zowel ten tijde van de ondertekening van het daaraan gehechte document als ten tijde van het opmaken van de onderhavige verklaring Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division, U.S. Department of Justice, Washington DC, was; (iv) een verklaring van 19 april 2000 houdende de certificering door voornoemde Russel Bikoff van de onder (v) genoemde verklaring en onder (vi) genoemde bijlagen; (v) een door John M. Facciola, United States Magistrate Judge, beëdigd en door Philip Urofsky, employed by the United States Department of Justice as a Trial Attorney in the Criminal Division, op 31 maart 2000 afgelegde verklaring tot staving van het verzoek om uitlevering waarin is opgenomen de identiteit van de opgeëiste persoon, de nationaliteit, de vermoedelijke verblijfplaats, een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht met vermelding van plaats en tijd ervan, het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, de wettelijke omschrijving en de toepasselijke Amerikaanse strafbepalingen; (vi) de bijlagen, gevoegd bij de onder (v) genoemde verklaring: a. een gewaarmerkt afschrift van een Superseding Indictment van de United States District Court for the District of New Jersey, van 11 september 1998, houdende een nader overzicht van de feiten en het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, ondertekend door Nicholas R. Abitante, foreperson van de Grand Jury, en Faith S. Hochberg, United States Attorney; b. een gewaarmerkt afschrift van een door Anne E. Thompson, Chief, United States District Judge, te Trenton, New Jersey, gegeven Warrant for Arrest betreffende de opgeëiste persoon, inhoudende een korte aanduiding van de feiten (zonder datering); c. de tekst van de toepasselijke strafbepalingen van de desbetreffende Amerikaanse wet waarvoor uitlevering wordt verzocht en van de wetsbepalingen houdende de straf die op de feiten is gesteld; d. een foto van drie personen onder wie de opgeëiste persoon. Voorts bevinden zich bij de stukken de vertaling in het Nederlands van de hierboven onder (ii) t/m (vi) a t/m c aangeduide stukken. 3. Beoordeling van de gevoerde verweren 3.1.1. Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de bijzonderheden van de onderhavige zaak een inbreuk rechtvaardigen op het vertrouwensbeginsel dat de relatie tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden beheerst, aangezien de opgeëiste persoon het risico loopt te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op aan de opgeëiste persoon ingevolge het EVRM toekomende rechten. In het bijzonder wordt gesteld dat een plea agreement in strijd is met art. 6 EVRM. In dit verband wordt aangevoerd dat de verwachte duur van de procedure indien geen plea agreement wordt gesloten (full trial) onevenredig lang zal zijn in verhouding tot de situatie dat wel een plea agreement wordt gesloten. De opgeëiste persoon zou aldus in redelijkheid geen vrije keus hebben. Verder wordt gesteld dat gelet op de beschikbare gegevens de afdoening van de zaak, in geval van een full trial, vermoedelijk niet binnen een naar Nederlandse maatstaven redelijk te achten termijn zal plaatsvinden. Tot slot wordt betoogd dat de eventuele toepassing van de terugkeerregeling en omzettingsprocedure illusoir zal zijn, omdat de te verwachten vrijheidsstraf waarschijnlijk zodanig zal zijn dat deze reeds zal zijn ondergaan voordat terugkeer naar Nederland zal zijn geëffectueerd vanwege de procedurele complicaties en doorlooptijden. 3.1.2. Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (Trb. 1980, 111) heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika. De Hoge Raad neemt derhalve als uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren. Dat brengt mee dat evenzeer van dat vertrouwen uitgegaan moet worden bij toepassing in de Verenigde Staten van Amerika van het aldaar tot de strafprocessuele mogelijkheden behorende systeem dat een verdachte in voorkomend geval een plea agreement kan aangaan. Die mogelijkheid bestond immers ook reeds ten tijde van de bilaterale onderhandelingen die tot het onderhavige uitleveringsverdrag hebben geleid. Dit vertrouwensbeginsel kan uitzondering lijden, voor wat betreft art. 6 EVRM, indien blijkt dat de op-geëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het vermelde uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat. 3.1.3. Gelet op de door de raadsman hiervoor onder 3.1.1 gestelde omstandigheden, welke alle betrekking hebben op toekomstige gebeurtenissen waaromtrent nog niets met zekerheid is vast te stellen noch ten nadele noch ten voordele van de opgeëiste persoon, kan mede in het licht van het voorgaande niet worden gezegd, dat tussen de mogelijkheden waaruit de opgeëiste persoon zal moeten kiezen - het ondergaan van een full trial dan wel het aangaan van een plea agreement - gelet op de duur van de onderscheiden procedures en de mogelijke verschillen in uitkomst een zodanige flagrante wanverhouding bestaat, dat de opgeëiste persoon wordt gedwongen een plea agreement aan te gaan. Het verweer wordt derhalve verworpen. 3.1.4. Ten aanzien van het verweer dat, indien het tot een full trial in de Verenigde Staten van Amerika komt, er vermoedelijk geen sprake zal zijn van een berechting binnen een redelijke termijn, geldt dat dat enkele vermoeden niet dwingt tot het oordeel dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. 3.1.5. Het betoog tenslotte dat de terugkeerregeling illusoir kan blijken te zijn - gelet enerzijds op de te verwachten hoogte van de straf en anderzijds op de duur van de administratieve afhandeling van de terugkeer naar Nederland - wordt gevoerd met de kennelijke strekking dat op grond daarvan de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Dat betoog faalt, aangezien daarmee wordt miskend dat het de uitleveringsrechter niet vrijstaat bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering de vraag te betrekken of de opgeëiste persoon zal kunnen terugkeren naar Nederland teneinde aldaar de opgelegde vrijheidsstraf (verder) te ondergaan en of die terugkeer daartoe tijdig zal geschieden. 3.2.1. Verder is door de raadsman ten verwere aangevoerd dat het legaliteitsbeginsel wordt geschonden, indien de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika zou worden uitgeleverd. Nederland kan de opgeëiste persoon zelf niet vervolgen voor de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, aangezien deze feiten ten tijde van het begaan ervan niet strafbaar waren naar Nederlands recht, aldus de raadsman. 3.2.2. Met dit betoog wordt miskend dat de rechter de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft te beoordelen naar het tijdstip van de behandeling van het verzoek daartoe. In dit geval staat vast dat de feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht, inmiddels in Nederland strafbaar zijn gesteld. Derhalve faalt het betoog. 3.2.3. Voorzover het verweer tevens moet worden bezien in het verband van een te zijner tijd te nemen beslissing op een verzoek tot overdracht van de opgeëiste persoon naar Nederland teneinde hier de vrijheidsstraf (verder) te ondergaan, faalt het verweer op de door de Hoge Raad reeds in zijn te dezer zake gewezen tussenarrest van 20 mei 2003 gegeven gronden. 3.3.1. Tenslotte heeft de raadsman gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard, omdat niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 gehechte en daarvan deel uitmakende pleitnota heeft hij daartoe het volgende aangevoerd: "17. Overigens merk ik nog op dat de verdenkingen krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, aanvankelijk alleen de corrupte betaling van eigen onderdanen en van bedrijven gevestigd in de Verenigde Staten aan buitenlandse officials strafbaar stelde. Eerst sinds 1998 stelt deze wet dergelijk handelen van buitenlanders en buitenlandse bedrijven ook strafbaar. Kort en goed: hetgeen cliënt wordt verweten was ten tijde van de gedraging ook niet strafbaar in de Verenigde Staten (krachtens de FCPA)." 3.3.2. Uit de omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, blijkt dat de verdenking tegen de opgeëiste persoon bestaat ter zake van gedragingen van hem in zijn hoedanigheid van onder meer voorzitter van de raad van beheer van Saybolt North America Inc., een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde onderneming. De Foreign Corrupt Practices Act 1977 is derhalve ook op deze onderneming van toepassing. Het verweer mist dan ook feitelijke grondslag. 4. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering 4.1. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering ter strafvervolging als volgt. 4.2. De persoon die is gehoord ter zitting van 10 juni 2003 heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], de persoon op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft, en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. 4.3. De stukken voldoen aan de eisen die art. 9, tweede en derde lid, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika stellen. Ook is voldaan aan art. 18 Uitleveringswet. 4.4. De feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, zijn naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika strafbaar krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, United States Code, titel 15, art. 78DD-2 en titel 18, art. 2. Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.5. Naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar als het misdrijf van art. 177 Sr en/of het misdrijf van art. 177a Sr, in verbinding met art. 178a Sr (omkoping van buitenlandse ambtenaren). Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.6. Aan het in art. 2 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gestelde vereiste van dubbele strafbaarheid is derhalve voldaan. 5. Slotsom Aangezien de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg zouden staan, dient, gelet op het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, als volgt te worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad verklaart de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar voor de onder 2.2 bedoelde, in het verzoek onder 2 en 3 aangeduide, feiten. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 8 juli 2003. 20 mei 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/DAT Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het beroep en het middel zijn uitsluitend gericht tegen de weigering de verzochte uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de in het verzoek onder 2 en 3 genoemde feiten, te weten: - verboden buitenlandse handelspraktijken, in overtreding van titel 15, art. 78DD-2 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek; - reizen naar het buitenland en van Staat naar Staat ten behoeve van criminele ondernemingen, in overtreding van titel 18, art. 1952 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek. Namens de opgeëiste persoon is het cassatieberoep tegengesproken door mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep op grond dat de schriftuur niet is ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 2.2. Bij tussenarrest van 3 december 2002 heeft de Hoge Raad de Officier van Justitie ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Kort samengevat heeft de Hoge Raad geoordeeld: dat een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW meebrengt dat de officier van justitie in uitleveringszaken gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen, en dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak op 10 juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 2.3. De Hoge Raad gedraagt zich naar het tussenarrest. Weliswaar is nadien namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep op grond dat de uitspraak niet op 10 juni 2002, maar op 4 juni 2002 ter beschikking is gekomen, maar de juistheid van hetgeen aldus is aangevoerd kan in het midden blijven nu vaststaat dat het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank niet eerder dan eind juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen. 2.4. De Advocaat-Generaal Jörg heeft aanvullend geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en een dag zal bepalen waarop de zaak voor de Hoge Raad zal dienen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel komt met rechtsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 ontoelaatbaar dient te worden verklaard. 3.2. De Rechtbank heeft de uitlevering voor die feiten ontoelaatbaar verklaard en daartoe het volgende overwogen: "De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De Verenigde Staten van Amerika en Nederland zijn beide partij bij het op 21 maart 1983 gesloten Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. In verbinding met de exchange of letters of understanding, General Affairs Department DA2/J2-ISN-38245 No 81 van 11 juli 1991 zou dus technisch de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika ter zake van het feitencomplex sub 2 en sub 3, waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, teruglevering aan Nederland gegarandeerd kunnen worden om in Nederland tenuitvoerlegging van het gewijsde te ondergaan of verder te ondergaan. Ten tijde van de periode waarin het feitencomplex sub 2 en sub 3 volgens het uitleveringsverzoek zou zijn begaan, was dit complex als zodanig niet strafbaar naar Nederlands recht. De rechtbank zou door in casu uitlevering toe te laten, voorziend dat wegens het hierna te noemen legaliteitsbeginsel exequatur bij teruglevering in zoverre geweigerd zou moeten worden, inbreuk maken op het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht ongeclausuleerde en onvoorwaardelijk verbod tot berechting en bestraffing van iemand ter zake van feiten die ten tijde van begaan daarvan niet bij of krachtens de Nederlandse wet strafbaar waren gesteld. Immers, de opgeëiste persoon heeft, zoals overwogen, de Nederlandse nationaliteit en bij teruglevering van de opgeëiste persoon aan Nederland zou overneming en positieve erkenning van het veroordelend gewijsde een inbreuk inhouden van dit ongeclausuleerde verbod. Weliswaar kan het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 7 van het EVRM - waaraan Nederland als verdragsluitende partij gebonden is - vervatte legaliteitsbeginsel door verdragen of krachtens besluiten van volkenrechtelijke organisaties opzij worden gezet, zoals de Hoge Raad uitdrukkelijk overweegt in zijn arrest van 18 december 2001 in de zaak tegen [A] (de Hoge Raad leest: HR 18 september 2001, NJ 2002, 559), zulks op een voordracht tot cassatie in het belang der wet van een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 20 november 2000, maar in het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag is geen voorziening opgenomen waaruit deze terzijdestelling zou volgen. Derhalve staat vooralsnog vast dat aan enige veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika voor de sub 2 en 3 genoemde feiten als gekwalificeerd in het uitleveringsverzoek, bij teruglevering exequatur geweigerd zal moeten worden. De uitlevering dient mitsdien voor deze feiten op voornoemde gronden ontoelaatbaar verklaard te worden. Mochten de Verenigde Staten van Amerika slechts voornemens zijn geldboetes op te leggen, dan dient te gelden dat het te dezen toepasselijke verdrag niet voorziet in rechtshulp daartoe." 3.3. De eerste klacht van het middel, die in een aantal onderdelen uiteenvalt, is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat in geval van een veroordeling in de Verenigde Staten van Amerika ter zake van genoemde feiten het exequatur - waarmee de Rechtbank klaarblijkelijk doelt op het verlof tot tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) - geweigerd zou moeten worden. Het meest verstrekkende onderdeel van die klacht luidt dat de Rechtbank aldus ten onrechte is vooruitgelopen op de beslissing van de exequaturrechter. Dit onderdeel van de klacht treft doel. De beantwoording van de vraag of verlof dient te worden verleend tot tenuitvoerlegging van een vonnis van een buitenlandse rechter is voorbehouden aan de rechter die daaromtrent ingevolge de bepalingen van de WOTS heeft te oordelen. Het staat de uitleveringsrechter niet vrij de (te verwachten) beantwoording van die vraag bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering te betrekken. De gegrondheid van dit onderdeel van de klacht brengt mee dat de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven en de overige klachten geen bespreking behoeven. 3.4. Niettemin vindt de Hoge Raad aanleiding het middel nog te bespreken voorzover het kennelijk strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de exequaturrechter - na overdracht van de gevonniste persoon aan Nederland - het vereiste van strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht (art. 3, eerste lid onder c, WOTS) dient te beoordelen naar het moment waarop die feiten zijn gepleegd. Het middel bestrijdt dat oordeel terecht. De strekking van genoemd vereiste is immers te voorkomen dat Nederland medewerking zou moeten verlenen aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht. Voor de beantwoording van de vraag of aan dat vereiste is voldaan is daarom beslissend of de desbetreffende feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn ten tijde van de beslissing van de daartoe ingevolge de WOTS aangewezen rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging. Het verlenen door die rechter van een verlof tot tenuitvoerlegging kan niet worden aangemerkt als "berechting en bestraffing" van die feiten, zodat, anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, in geval van een dergelijk verlof ten aanzien van feiten die op het tijdstip waarop zij zijn gepleegd naar Nederlands recht nog niet strafbaar waren gesteld, van schending van het legaliteitsbeginsel geen sprake kan zijn. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998 omschreven aanklacht ontoelaatbaar is verklaard; Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 te 12:00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 mei 2003. ======================= 3 december 2002 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/SM Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De raadsvrouwe van de opgeëiste persoon, mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, heeft het cassatieberoep tegengesproken. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. In zijn verweerschrift tegen het cassatieberoep is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde beroep, aangezien de middelen niet zijn ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 3.2. Op grond van art. 31, derde lid, UW is de Officier van Justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie. 3.3. Het cassatieberoep is blijkens de daarvan opgemaakte akte ingesteld op 31 mei 2002. De schriftuur is blijkens een daarop geplaatst stempel op 9 juli 2002 bij de Hoge Raad ingekomen. De schriftuur is derhalve niet binnen de bij de wet bepaalde termijn ingediend. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter een schrijven van de Officier van Justitie van 19 juli 2002, inhoudende dat zij eerst op 10 juni 2002 kon beschikken over de uitgewerkte uitspraak. De Hoge Raad gaat uit van de juistheid van deze mededeling. Kennelijk heeft de Officier van Justitie aangenomen dat de wettelijke termijn van een maand voor het indienen van de schriftuur aanving op de datum van ontvangst van de uitgewerkte uitspraak waartegen het cassatieberoep was gericht. 3.4. In zijn beslissing van 16 april 1996, NJ 1996, 527, heeft de Hoge Raad in een strafzaak waarin het openbaar ministerie een van de kernstukken van het geding - het proces-verbaal van de terechtzitting - pas na verloop van de termijn voor het indienen van de schriftuur had ontvangen, beslist dat een redelijke toepassing van art. 433 (oud) Sv meebrengt dat die termijn pas begint te lopen na de ontvangst van het ontbrekende stuk. 3.5.1. Sedert de inwerkingtreding op 1 oktober 2000 van de wetswijziging van 28 oktober 1999, Stb. 467, is de regeling voor het indienen van de cassatieschriftuur in strafzaken neergelegd in art. 437 Sv. De termijn voor het indienen van de schriftuur van een maand vangt voor het openbaar ministerie thans aan nadat de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv aan hem is verzonden. Ook de verdachte is thans op straffe van niet-ontvankelijkheid gehouden zijn schriftuur binnen een termijn (twee maanden) nadat de aanzegging aan hem is betekend te doen indienen. 3.5.2. Voor de toepassing van art. 437 Sv heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 4 juli 2000, NJ 2000, 581, in een geval waarin de raadsman van een verdachte de kernstukken van het geding niet tijdig had ontvangen, beslist dat een dergelijk verzuim van de strafadministratie kan meebrengen dat de raadsman door de rolraadsheer (de enkelvoudige strafkamer van de Hoge Raad) desverzocht alsnog een termijn wordt gegund om een aanvullend middel in te dienen na toezending van de desbetreffende stukken voorzover kennisneming van die stukken onontbeerlijk is voor het formuleren van de middelen. Naar de stand van de huidige rechtspraak is het dan ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de officier van justitie onderscheidenlijk de verdachte een nadere termijn voor het indienen van de middelen wordt gegund en geldt niet meer de hiervoor onder 3.4 gegeven regel dat in ieder geval aanspraak kan worden gemaakt op de volle termijn vanaf de ontvangst van de kernstukken. 3.6. De te beantwoorden vraag is thans of het vorenstaande evenzeer geldt in uitleveringszaken. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. De regeling van art. 31, derde lid, UW wijkt in zoverre af van die van art. 437 Sv dat de termijn van een maand, waarbinnen de officier van justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid zijn schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad moet indienen, niet aanvangt na de verzending van een aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv, derhalve nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, maar nadat hij het beroep in cassatie heeft ingesteld. De opgeëiste persoon die beroep in cassatie instelt kan, anders dan de officier van justitie, een schriftuur indienen, en wel tot de dienende dag. 3.7. Dit verschil tussen de regeling van het Wetboek van Strafvordering en die van de Uitleveringswet heeft tot gevolg dat zaken waarin art. 437 Sv van toepassing is, reeds wel bij de Hoge Raad bekend zijn op het moment dat de termijn voor het indienen van de schriftuur begint te lopen, zodat de rolraadsheer dienaangaande in voorkomend geval kan beoordelen of er aanleiding is een nadere termijn te gunnen, terwijl de stukken van het geding in uitleveringszaken veelal nog niet bij de Hoge Raad ingekomen zijn in de fase waarin de wettelijke termijn voor het indienen van de schriftuur voor de officier van justitie loopt. De rolraadsheer zal in die gevallen dan ook niet in staat zijn een verzoek om verlenging van de termijn te beoordelen. 3.8. Gelet hierop brengt een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW mee dat de officier van justitie in uitleveringszaken, naar analogie van de hiervoor onder 3.4 weergegeven - voor strafzaken inmiddels achterhaalde - rechtspraak, gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen. 3.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 4. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat het door de Officier van Justitie ingestelde beroep in behandeling kan worden genomen. De zaak dient - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - te worden verwezen naar de rolzitting van de Hoge Raad voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel. 5. Beslissing De Hoge Raad: Verklaart de Officier van Justitie ontvankelijk in het cassatieberoep; Verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2003 voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel; Houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 december 2002.
ECLI:NL:HR:2017:463
21 maart 2017 Strafkamer nr.
NJ 2017/276
HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288 en HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt.
ECLI:NL:HR:2007:BA0875
De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten, te weten alle in de als de bijlage aan de bestreden uitspraak gehechte "Ordonnance" genoemde feiten.
ECLI:NL:HR:2011:BQ0838
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon.
ECLI:NL:HR:2012:BW2489
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze hebben mr. A.M. Seebregts en mr. O.J. Much, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 1.2. Mr. A.M. Seebregts heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00947 U Zitting 17 juni 2025 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, hierna: de opgeëiste persoon 1Inleiding 1.1 De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 4 maart 2025 (parketnummer 13-328903-24) de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Zwitserse autoriteiten “ter strafvervolging terzake van de verdenking dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het nationale Arrestatiebevel (Haftbefehl) van 23 september 2024 dat is uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie van het kanton Bern, regio ‘Berner Jura-Seeland’, onder het kopje "Toedracht"” toelaatbaar verklaard. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de opgeëiste persoon.

P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2Het middel 2.1 Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat het (summier onderbouwde) verweer van de verdediging niet tot de conclusie kan leiden dat sprake is van een reeds voltooide mensenrechtenschending in verband met de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, onbegrijpelijk is. In cassatie wordt betwist dat sprake is van een summier onderbouwd verweer, en daarnaast dat de rechtbank niet voldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd waarom het verweer niet tot die conclusie kan leiden. 3De overwegingen van de rechtbank, het verweer en de overlegde stukken 3.1 In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het verweer van de verdediging als volgt samengevat en verworpen (met weglating van voetnoten):

“2.5 Beroep op artikel 3 EVRM en 8 EVRM De raadsvrouw heeft - zakelijk weergegeven - betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, nu het toelaatbaar achten van de uitlevering een ernstige en flagrante schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) en/of art. 3 EVRM zal betekenen. Het is de raadsvrouw bekend dat de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon door de Minister moeten worden meegenomen bij de beoordeling en het nemen van de beslissing aangaande de daadwerkelijke uitlevering van de opgeëiste persoon.

Er is nu echter sprake van een ernstige en flagrante dreigende mensenrechtenschending, waarbij op voorhand vast staat dat de uitlevering van de opgeëiste persoon zal zorgen voor deze ernstige en flagrante schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon. De rechtbank zou ruimte kunnen creëren om vanwege de uitzonderlijke omstandigheden te beslissen over het verweer omtrent artikel 8 en 3 EVRM. Hiertoe is aangevoerd dat de dochter van de opgeëiste persoon een chronische darmziekte heeft. Hoewel haar dochter meerderjarig is, is er sprake van een nauwe gezinsband met name omdat de dochter van de opgeëiste persoon volledig afhankelijk is van de zorg van haar moeder, zowel fysiek als financieel.

Als de opgeëiste persoon wordt uitgeleverd is er niemand die voor de hoognodige zorg van de dochter van de opgeëiste persoon kan zorgen. De raadsvrouw heeft onder meer verwezen naar een overgelegde brief van de huisarts van de opgeëiste persoon waarin wordt meegedeeld dat de opgeëiste persoon als mantelzorger van haar chronisch zieke dochter “nu niet van huis weg of op reis [kan] gaan”. Omdat er geen hulpverleningsinstanties beschikbaar zijn om de zieke dochter op te vangen, zal het gedwongen achterlaten van haar kind leiden tot ernstig psychisch en fysiek lijden van de opgeëiste persoon en van haar dochter.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht aan de Minister van Justitie en Veiligheid te adviseren dat de uitlevering om deze redenen wordt afgewezen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie van de opgeëiste persoon en haar dochter uiteraard sneu is, maar dat van uitzonderlijke omstandigheden geen sprake is. Het briefje van de huisarts is onvoldoende om tot een dergelijke conclusie te komen. De rechtbank zou omtrent het verweer eventueel iets kunnen adviseren aan de Minister van Justitie en Veiligheid, maar daarvoor bestaat te weinig aanleiding.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover het verweer ziet op een dreigende schending van artikel 3 of 8 EVRM, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2017 waarin onder meer het volgende is bepaald: “Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebben de fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken - gelet op het systeem van de Uitleveringswet (hierna: UW), zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet - het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen." De rechtbank acht zich gelet op het bovenstaande niet bevoegd een beslissing te nemen op een verweer inzake dreigende schending van artikel 3 en 8 EVRM nu uitsluitend de Minister hiertoe bevoegd is.

Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat sprake is van een reeds voltooide mensenrechtenschending in verband met de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, oordeelt de rechtbank dat het (summier onderbouwde) verweer niet kan leiden tot die conclusie. De rechtbank zal in haar advies aan de Minister benoemen dat voornoemd verweer is gevoerd.” 3.2 Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 18 februari 2025 heeft de raadsvrouw van de opgeëiste persoon aldaar een pleitnota overgelegd, waarvan de inhoud blijkens het proces-verbaal als ingevoegd moet gelden.

Deze pleitnota houdt onder meer in (met weglating van voetnoten): “Subsidiair verweer: ernstige en flagrante mensenrechtschendingen dreigt, in het bijzonder art. 8 EVRM en art. 3 EVRM.

13. Subsidiair verzoek ik u de uitlevering ontoelaatbaar te achten, nu het toelaatbaar achten van de uitlevering een ernstige en flagrante schending van artikel 8 EVRM en/of art. 3 EVRM zal betekenen.

14. Ons is bekend dat de persoonlijke omstandigheden van een opgeëiste persoon voor uw rechtbank op zichzelf geen reden kunnen zijn om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren, maar dat deze omstandigheden door de Minister moeten worden meegenomen bij de beoordeling en het nemen van de beslissing aangaande de daadwerkelijke uitlevering van de opgeëiste persoon.

15. De uitzondering hierop is, tenzij het gaat om situaties waarin een ernstige en flagrante mensenrechtenschending dreigt. Ik meen dat in deze zaak op voorhand vast staat dat de uitlevering van cliënte zal zorgen voor een ernstige en flagrante schending van de fundamentele rechten van cliënt, in het bijzonder art. 8 EVRM en art. 3 EVRM. Art. 8 EVRM 16. Art. 8 EVRM waarborgt onder meer het recht op respect voor het familie- en gezinsleven.

17. Feit is dat de uitlevering van een opgeëiste persoon per definitie een inbreuk oplevert op de uitoefening van het recht op respect voor het privéleven en gezinsleven als bedoeld in art. 8 lid 1 EVRM.

18. Het tweede lid van art. 8 EVRM staat deze inbreuk toe als deze bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van onder meer het voorkomen van strafbare feiten.

19. Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat een uitlevering een legitiem doel dient als bedoeld in lid 2.

20. Met betrekking tot de vraag of een inbreuk op het familie- en gezinsleven wordt gerechtvaardigd door het belang dat met de uitlevering wordt gediend, heeft het EHRM overwogen dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden zo zal zijn dat het prive- of gezinsleven van een opgeëist persoon zwaarder zal wegen dan het legitieme doel dat met zijn of haar uitlering wordt nagestreefd.

21. Ik meen dat in dit geval sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Zeer uitzonderlijke omstandigheden zelf, welk zelfs zeldzaam zijn te noemen.

22. Vooropgesteld, cliënte is een Nederlander. Er is hier dus al sprake van een uitzonderingssituatie en als cliënte wordt uitgeleverd is het voor haar niet mogelijk dat zij bezoek van haar kind zou kunnen ontvangen of op andere wijze contact met haar dochter kan onderhouden.

23. Maar het belangrijkste is, dat cliënte niet voor haar zieke dochter kan zorgen. Cliënte draag in haar eentje de zorg draagt voor haar zieke Nederlandse dochter. Ik wijs u op de door mij toegestuurde stukken. Uit bijlage 1 blijkt immers dat cliënte haar dochter een chronische darm ziekte heeft. In bijlage 1 leest u ook dat het oordeel van de huisarts is dat cliënte vanwege haar rol als mantelzorger niet van huis kan of op reis kan.

24. Hoewel cliënte haar dochter dus net meerderjarig is, is er juist sprake van een nauwe gezinsband met name omdat cliënte haar dochter volledig afhankelijk is van de zorg van cliënte als moeder.

25. Cliënte haar dochter is fysiek afhankelijk en financieel afhankelijk van haar moeder. Zo blijkt ook uit de bijlagen 2, 3 en 4. Dit betreft een brief van cliënte haar dochter, waarin zij aan uw rechtbank ook schrijft dat zij niemand anders in Nederland heeft die voor haar kan zorgen en dat zij niet alleen kan zijn vanwege haar ziekte.

26. Feit is ook dat u vandaag gelijktijdig de zaak van de partner van cliënte behandeld, waaruit ook blijkt dat er niemand voor cliënte haar dochter in Nederland achterblijft.

27. Als cliënte wordt uitgeleverd is er niemand voor de feitelijke hoognodige zorg van cliënte haar dochter, maar ook niemand voor de financiële zorg. Hetgeen zal resulteren in dat cliënte haar dochter ook niet in het huis kan blijven en dakloos zal raken. Het is evident dat cliënte haar baan op Schiphol zal verliezen als zij wordt uitgeleverd.

28. In het geval van cliënte is er dus sprake van zeer uitzonderlijke en zeldzame omstandigheden die maken dat het recht op privé- of gezinsleven zwaarder weegt dan het legitieme doel van een uitlevering, nu immers haar zieke kind zonder fysieke en financiële verzorging zal achterblijven en wat zal resulteren dat haar kind ook geen huisvesting meer zal hebben.

29. Deze dreigende ernstige schending is zo duidelijk dat deze op dit punt in de uitleveringsprocedure niet kan worden genegeerd en maakt dat nu op voorhand al vast staat dat de uitlevering van cliënte zal zorgen voor een ernstige en flagrante schending van art. 8 EVRM. Art. 3 EVRM 30. Maar niet alleen van art. 8 EVRM. Het zal ook een ernstige en flagrante schending van art. 3 EVRM betekenen als cliënte wordt uitgeleverd, wat evident zal leiden tot ernstige humanitaire gevolgen voor haar zieke kind.

31. Art. 3 EVRM bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Deze dreigende schending van art. 3 EVRM is naar mijn mening in dit uitzonderlijke geval ook in te roepen jegens een derde. Ik zal u uitleggen waarom.

32. Feit is dat cliënte bij uitlevering haar zieke kind moet achter laten zonder enige fysieke en financiële zorg, waardoor er een ernstig risico ontstaat op lijden dat de drempel van ernst aanzienlijk overschrijdt.

33. Cliënte haar afwezigheid zal namelijk ernstige schade aan haar kind toebrengen. Zij is namelijk volledig afhankelijk van de zorg van haar moeder en er zijn geen andere zorgopties. Te meer nu haar zieke kind dus net meerderjarig en er geen hulpverleningsinstanties beschikbaar zijn om haar zieke kind op te vangen. Het gedwongen achterlaten van haar kind zal leiden tot ernstig psychisch en fysiek lijden. Van cliënte, maar ook van haar dochter.

34. Het feit dat cliënte dus bij uitlevering gedwongen zal worden om haar zieke kind aan haar lot over te laten zal zowel voor haarzelf en haar kind dus ernstige psychische gevolgen hebben. De dreiging van deze ernstige schade is ook concreet en voorzienbaar.

35. Met de overgelegde stukken heeft cliënte immers aangetoond dat er geen reële mogelijkheid is dat haar kind voldoende zorg ontvangt als zij wordt uitgeleverd. Dit blijkt in het bijzonder uit het stuk opgemaakt door de huisarts (bijlage 1).

36. Ik meen dat ook dat – ondanks dat er geen sprake is van een voltooide art. 3 EVRM schending - deze dreigende ernstige en flagrante schending van art. 3 EVRM ook moet worden meegenomen samen met de dreigende ernstige en flagrante schending van art. 8 EVRM. Conclusie 37. Al met al verzoek ik u subsidiair dus de uitlevering ontoelaatbaar te achten nu in deze zaak op voorhand vast staat dat de uitlevering van cliënte zal zorgen voor een ernstige en flagrante schendingen van de fundamentele mensenrechten van cliënt, in het bijzonder art. 8 EVRM en art. 3 EVRM.” 3.3 De stukken waarnaar de raadsvrouw verwijst bevinden zich bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken.

Het betreft in de eerste plaats een brief van 8 januari 2025 van kennelijk de huisarts van de opgeëiste persoon die inhoudt: “Geachte collega, Hierbij verwijs ik: [opgeëiste persoon] (…) Geboortedatum: [geboortedatum] -1981 (…) Probleem/vraagstelling: Bovengenoemde heeft een dochter met een chronische darm ziekte. Zij is mantelzorger en kan nu niet van huis weg of op reis gaan.” 3.4 Het andere stuk (gezien de drie pagina’s kennelijk bijlage 2, 3 en 4) betreft een handgeschreven brief van 23 januari 2025 van de dochter van de opgeëiste persoon. 4Het beoordelingskader 4.1 Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren.

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken - gelet op het systeem van de Uitleveringswet (hierna: UW), zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet - het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten zoals bedoeld in onder meer art. 3 EVRM voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal deze bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen.

Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, reeds sprake is van een voltooide inbreuk op zijn of haar fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. Dat betreft bijvoorbeeld zaken waarin komt vast te staan dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn of haar uitlevering is gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd. Dan moet de uitleveringsrechter de verzochte uitlevering “zonder meer” ontoelaatbaar verklaren. 4.2 Wat betreft art. 8 EVRM geldt dat de uitlevering van een opgeëiste persoon per definitie een inbreuk oplevert in de uitoefening van het recht op respect voor het privéleven en het gezinsleven als bedoeld in het eerste lid van dat artikel.

Het tweede lid van art. 8 EVRM staat die inbreuk toe als deze “bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” Volgens vaste rechtspraak van het EHRM gaat het erom of die inbreuk een legitiem doel dient (de legitimiteitseis, die inhoudt dat een van de in art. 8 lid 2 EVRM genoemde doelen daardoor wordt gediend) en of die inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving (noodzakelijkheidseis).

Volgens vaste rechtspraak van het EHRM dient een uitlevering zonder meer een legitiem doel als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM (“prevention of disorder or crime”). Ook is het vaste rechtspraak van het EHRM, dat “it will only be in exceptional circumstances that an applicant’s private or family life in a Contracting State will outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition.” 5De bespreking van het middel 5.1 De rechtbank heeft hetgeen de verdediging heeft aangevoerd onder meer als een betoog begrepen dat inhoudt dat weliswaar nog geen sprake is van een voltooide mensenrechtenschending, maar dat al wel vaststaat dat de uitlevering zal zorgen voor een ernstige en flagrante schending van art. 8 EVRM en art. 3 EVRM, hetgeen tot de conclusie zou moeten leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar is.

De rechtbank heeft geoordeeld niet bevoegd te zijn om te oordelen over dreigende mensenrechtenschendingen, nu uitsluitend de Minister hiertoe bevoegd is. Dat wordt in cassatie niet bestreden. De pijlen van de steller van het middel richten zich op wat de rechtbank daarna heeft geoordeeld: voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat sprake is van een reeds voltooide mensenrechtenschending in verband met de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, kan het (summier onderbouwde) verweer niet tot die conclusie leiden. 5.2 In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats betwist dat sprake is van een summier onderbouwd verweer, aangezien de verdediging uitgebreid heeft betoogd dat de dochter van de opgeëiste persoon vanwege haar ziekte en beperkingen volledig afhankelijk is van de zorg door haar moeder en dat – indien ook de partner van de opgeëiste persoon wordt uitgeleverd – er niemand overblijft om voor de dochter te zorgen.

In de tweede plaats wordt geklaagd dat de rechtbank niet (begrijpelijk) heeft gemotiveerd waarom het verweer niet kan leiden tot de conclusie dat sprake is van een reeds voltooide mensenrechtenschending. 5.3 Laat ik vooropstellen dat ik niets wil afdoen aan de moeilijkheden die de dochter van de opgeëiste persoon zal ondervinden vanwege een chronische darmziekte. Dat gezegd hebbende begrijp ik het oordeel van de rechtbank zo dat niet het verweer summier is, maar de onderbouwing daarvan. Dat is niet onbegrijpelijk, aangezien die onderbouwing slechts bestaat uit een heel kort en in algemene bewoordingen gesteld briefje van een huisarts over “een dochter” met een “chronische darmziekte” waarvan de opgeëiste persoon mantelzorger is en “nu” niet van huis of op reis kan gaan en een brief van – zo begrijp ik – een dochter van de opgeëiste persoon.

Ik zie op basis van deze onderbouwing, net als de rechtbank, niet in waarom onder deze omstandigheden reeds sprake zou zijn van een voltooide schending van art. 3 EVRM (dus voltooide foltering) en/of art. 8 EVRM (dus zulke uitzonderlijke omstandigheden die reeds nu maken dat sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op het recht op familie- en gezinsleven). Het oordeel van de rechtbank lijkt mij derhalve niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ten overvloede merk ik op dat uit het dossier blijkt dat de verzoekende staat al op 25 oktober 2024 heeft aangegeven de opgeëiste persoon terug te laten keren naar Nederland om daar haar straf uit te zitten, althans voor zover het gaat om een vrijheidsstraf niet zijnde een voorwaardelijke straf of een maatregel die vrijheidsbeneming met zich brengt. 6Slotsom 6.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 6.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 6.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. AG In het kader van de genoegzaamheid van de feitomschrijving vat de rechtbank de verdenking als volgt samen: “De rechtbank overweegt dat uit het nationale Arrestatiebevel (Haftbefehl) van 23 september 2024 volgt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat zij - kort gezegd - tussen 1 januari 2020 en 21 juni 2023 als lid van een bende heeft gehandeld in verdovende middelen (cocaïne) die in Zwitserland werden ingevoerd en daar werden verspreid en verkocht. De opgeëiste persoon organiseerde, samen met een medeverdachte, de omschreven invoer van cocaïne in Zwitserland, het innen van de opbrengsten en het witwassen van die opbrengsten.” Vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288 en HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt.

Rozemond. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. Rozemond. HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0875; HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0838, NJ 2011, 206; HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489. Uit laatstgenoemde uitspraak volgt dat hetzelfde geldt, indien de functionarissen van de verzoekende staat niet zelf de opgeëiste persoon hebben gefolterd, maar die foltering wel hebben uitgelokt of bewerkstelligd. EHRM 26 januari 2010, nr. 9742/07, NJ 2010, 449, m.nt. A.H. Klip (King/Verenigd Koninkrijk) en EHRM 18 april 2002, nr. 72032/01 (Aronica t.

Duitsland), onder 2. Zie ook de conclusie van A-G Snijders (ECLI:NL:PHR:2022:228) voor HR 11 maart 2022 (civiele kamer), ECLI:NL:HR:2022:1044. Zie onder meer de Beslissing van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens van 8 december 1997, nr. 27279/95 (Launder t. Verenigde Koninkrijk), onder 3, en EHRM 26 januari 2010, nr. 9742/07, NJ 2010/449 m.nt. A.H. Klip (King t. Verenigde Koninkrijk), § 29, waarin het EHRM naar deze beslissing verwijst. Vgl. V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss.), Nijmegen:

Wolf Legal Publishers 2013, p. 723-724, waar wordt verwezen naar ECRM 4 september 1995, D&R 82-B, p. 134 (Raidl/Oostenrijk); ECRM 8 december 1997, nr. 27279/95 (Launder/Verenigd Koninkrijk); EHRM 18 april 2002, nr. 72032/01 (Aronica/Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 26 januari 2010, nr. 9742/07, NJ 2010, 449, m.nt. A.H. Klip (King/Verenigd Koninkrijk); EHRM 6 juni 2010, nrs. 24027/07, 11949/08 en 36742/08 (Babar Ahmad e.a./Verenigd Koninkrijk). Glerum merkt op dat het Europees Hof in géén van deze gevallen een schending van art. 8 EVRM aannam. Zie ook de bespreking van beslissingen en uitspraken over de noodzakelijkheidseis bij uitlevering door A-G Snijders (ECLI:NL:PHR:2022:228) voor HR 11 maart 2022 (civiele kamer), ECLI:NL:HR:2022:1044, randnummer 3.18 e.v.

In de brief van de Zwitserse autoriteiten aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie staat dat de opgeëiste persoon “will be returned to the Netherlands to serve her sentence. This will be the case as soon as a custodial sentence other than a suspended sentence or a measure involving deprivation of liberty is imposed on her after het extradition.”