Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2025:536 ECLI:NL:PHR:2025:536 AI generated

ECLI:NL:PHR:2025:536 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2025:536
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer24/01248 Zitting 20 mei 2025 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 26 maart 2024 door het gerechtshof Amsterdam wegens "poging tot een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen", veroordeeld tot zestig uur taakstraf, subsidiair dertig dagen hechtenis, waarvan dertig uur voorwaardelijk, subsidiair vijftien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en S.N. de Jager, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 1.3 Voordat ik het middel bespreek, vraagt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep de aandacht.

Legislator headnote

AI generated

art. 450 lid 3 Sv, Artikel 284 Sr, art. 284 Sr, art. 6 lid 1 EVRM; ECLI:NL:PHR:2025:536 · Parket bij de Hoge Raad: Het hof heeft aldus niet bewezenverklaard dat de medewerkers van het [A] hotel de bedreigende berichten moesten dulden. Daarmee komt de feitelijke grondslag van hetgeen hierboven onder (i) is aangeduid te ontvallen. Het hof heeft evenmin bewezenverklaard dat de verdachte heeft gepoogd het [A] Hotel als rechtspersoon wederrechtelijk te dwingen hem geld te verstrekken. Daarmee komt ook de feitelijke grondslag van het hetgeen hierboven onder (ii) is aangeduid te ontvallen. 3.6 Ten overvloede merk ik nog op dat oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte wederrechtelijk is in de zin van art. 284 Sr niet onbegrijpelijk en toereikend is gemotiveerd.

Keywords

AI generated
art. 450 lid 3 Sv Artikel 284 Sr art. 284 Sr art. 6 lid 1 EVRM

Cited Legislation

AI generated
art. 450 lid 3 Sv
Artikel 284 Sr
Artikel 284 Sr vereist in de eerste plaats dat sprake is van (dreiging) met geweld of een andere feitelijkheid.
art. 284 Sr
3.6 Ten overvloede merk ik nog op dat oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte wederrechtelijk is in de zin van art. 284 Sr niet onbegrijpelijk en toereikend is gemotiveerd.
art. 6 lid 1 EVRM
4.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn in cassatie als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2024:1280
afdeling strafrecht parketnummer: 23-001315-23 datum uitspraak: 26 maart 2024 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 april 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-153728-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1977, adres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat: primair hij in of omstreeks de periode van 9 november 2021 tot en met 19 juni 2022 te Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [hotel], door: - veelvuldig berichten te sturen naar [hotel] en/of haar medewerkers via [website] met daarin onder meer de tekst: "I need my payment of december and my holidays allowance is not too much asking other way I blow your hotel up to downs really." en/of "I need my payment of december 2020 and my holiday allowance. Other wise a car will get inside. Call gouvernement to protect you. I need my money to pay belastingdienst" en/of "I need my money back. Other wise I blow your bessniss down. I fuck [hotel]", en/of - veelvuldig berichten te sturen naar [hotel] en/of haar medewerkers via e-mail, en/of - veelvuldig berichten te sturen naar [hotel] en/of haar medewerkers via Whatsapp, en/of - veelvuldig te bellen naar [hotel] en/of haar medewerkers via telefoon en/of Whatsapp en/of [website], en/of - op 19 juni 2022 naar de vestiging op/aan [adres 2] van [hotel] te gaan en/of aldaar te vertoeven, (telkens) met het oogmerk die [hotel] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen; subsidiair hij in of omstreeks de periode van 09 november 2021 tot en met 19 juni 2022 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om een ander, te weten een of meer medewerkers van [hotel], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen derden, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, te weten het aan verdachte verstrekken van geld, - aan die medewerker(s) van [hotel]: via [website] en/of e-mail en/of Whatsapp en/of telefonisch een of meer berichten heeft overgebracht, waaronder  “I need my payment of december and my holidays allowance is not too much asking other way i blow your hotel up to downs really” en/of  “I need my money back. Other wise i blow your bessniss down. I fuck [hotel]” en/of  meerdere andere berichten van gelijke (dreigende) aard en/of strekking [zoals weergegeven op doorgenummerde pagina’s 15 e.v. van het proces-verbaal van bevindingen PL1300- 2021261376-9 d.d. 20juni 2022] en/of - [ op 19 juni 2022] naar de vestiging van [hotel] op de locatie [adres 2] is gegaan en aldaar heeft verbleven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof recht doet op grond van de in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging en anders dan de politierechter tot een bewezenverklaring komt. Bespreking van verweren Geldigheid van de dagvaarding De raadsvrouw heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde partiële nietigheid van de dagvaarding bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de gedragingen van de verdachte gericht waren tegen een rechtspersoon, te weten [hotel], en niet tegen de medewerkers. Een rechtspersoon kan niet in de persoonlijke levenssfeer worden aangetast. In zoverre is de tenlastelegging onbegrijpelijk. Het hof overweegt dat, hoewel een rechtspersoon niet in de persoonlijke levenssfeer kan worden aangetast, uit de ten laste gelegde gedragingen voldoende blijkt dat de gedragingen van de verdachte waren gericht op de medewerkers van [hotel]. Het primair ten laste gelegde is in die zin toegespitst op de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de werknemers van [hotel]. Het hof is dan ook van oordeel dat de dagvaarding verbeterd kan worden gelezen en dat de dagvaarding geldig is. Ontvankelijkheid van de officier van justitie De raadsvrouw heeft verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van het primair ten laste gelegde, nu [hotel] geen klacht heeft ingediend. Het dossier bevat weliswaar een klacht van werknemer [adres 2], maar hij kan niet worden aangemerkt als een klachtgerechtigde zoals bedoeld in artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Zoals hiervoor overwogen kan naar het oordeel van het hof de tenlastelegging verbeterd worden gelezen. Het dossier bevat een klacht van een werknemer van [hotel], te weten [adres 2]. De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vervolging. Vrijspraak primair ten laste gelegde Het hof is met de raadsvrouw en de advocaat-generaal van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewijsoverweging subsidiair ten laste gelegde Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal gerekwireerd tot bewezenverklaring. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken nu er geen sprake is geweest van een ernstige aantasting van de persoonlijke vrijheid. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om in het geval van een bewezenverklaring de pleegperiode te laten aanvangen op 10 januari 2022, de datum waarop een stopbrief naar de verdachte is gestuurd. Anders dan de raadsvrouw en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de subsidiair ten laste gelegde poging tot dwang wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het hof stelt voorop dat het niet ter discussie staat dat het de verdachte was die de in de tenlastelegging opgenomen berichten heeft gestuurd en bewoordingen heeft gebruikt. Artikel 284 Sr vereist in de eerste plaats dat sprake is van (dreiging) met geweld of een andere feitelijkheid. In deze zaak staat buiten kijf dat de verdachte heeft gedreigd met gewelddadigheden middels de door hem verzonden berichten, zoals die in de tenlastelegging zijn weergegeven en zijn samengebracht op p. 15 van het daarin genoemde proces-verbaal. Verder wordt het bestanddeel ‘wederrechtelijkheid’ in het algemeen uitgelegd als ‘aanzienlijke overschrijding van de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid.’ Het hof is van oordeel dat de verdachte door het gedurende een lange periode aanhoudend sturen van meerdere (bedreigende) berichten naar (medewerkers van) het hotel de grenzen van maatschappelijke betamelijkheid heeft overschreden. Tot slot staat vast dat de verdachte de bedreigingen heeft geuit met het doel om (medewerkers van) het hotel te bewegen iets te doen, namelijk om hem het geld te betalen waarop hij recht meent te hebben, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard. Hierin ligt tevens het opzet van de verdachte besloten. Anders dan de raadsvrouw oordeelt het hof dat wel degelijk gesproken kan worden van een inbreuk op de persoonlijke vrijheid nu het blijkens de wetsgeschiedenis ook om de vrijheid ‘van doen en laten’ gaat en het handelen van de verdachte geschikt was om de medewerkers het gevoel te geven dat zij iets moesten doen om nadelige gevolgen voor hen of het hotel te voorkomen. Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld dat geen sprake kan zijn van een dergelijke inbreuk nu een rechtspersoon geen persoonlijke vrijheid toekomt, wordt dit weerlegd door het feit dat de verdachte ook naar individuele werknemers van het hotel berichten stuurde. Daar komt bij dat ook de berichten die naar algemene (digitale) accounts zijn gestuurd naar hun aard geschikt zijn om dwang op te leveren nu het evident is dat het de werknemers zijn die kennis nemen van de inhoud van die berichten. Nu (het personeel van) het hotel niet overgegaan is tot betaling is sprake van een poging tot dwang. Ten aanzien van de periode gaat het hof uit van de in de tenlastelegging genoemde startdatum. Ook zonder en dus voorafgaand aan die stopbrief waren de handelingen van de verdachte reeds opzettelijk en wederrechtelijk van karakter. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Subsidiair hij in de periode van 9 november 2021 tot en met 19 juni 2022 te Amsterdam ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om een ander, te weten een of meer medewerkers van [hotel], door bedreiging met geweld gericht tegen die ander, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, te weten het aan verdachte verstrekken van geld, - aan die medewerker(s) van [hotel]: via [website] en e-mail en/of Whatsapp berichten heeft overgebracht, waaronder  “I need my payment of december and my holidays allowance is not too much asking other way i blow your hotel up to downs really” en  “I need my money back. Other wise i blow your bessniss down. I fuck [hotel]” en  meerdere andere berichten van gelijke (dreigende) aard en/of strekking [zoals weergegeven op doorgenummerde pagina’s 15 e.v. van het proces-verbaal van bevindingen PL1300-2021261376-9 d.d. 20 juni 2022] en - op 19 juni 2022 naar de vestiging van [hotel] op de locatie [adres 2] is gegaan en aldaar heeft verbleven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezen verklaarde levert op: poging tot een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De raadsvrouw heeft in het kader van de strafmaat verzocht een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren op te leggen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft het personeel van het [hotel] gedurende een periode van maanden bestookt met dreigende berichten. Ook is hij naar het hotel getogen, dit alles om af te dwingen dat hij het geld zou krijgen waarop hij recht meent te hebben. Nog los van de vraag of er enige waarheid schuilt in die claim, is de wijze waarop de verdachte heeft geprobeerd af te dwingen dat hij zou worden betaald volstrekt onacceptabel. Het kan niet anders dan dat de gevoelens van veiligheid op de werkplek van het personeel zijn aangetast. Dit rekent het hof de verdachte aan. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte geen blijk gegeven van enig verantwoordelijkheidsgevoel voor of berouw over zijn handelen en de impact die het op het personeel van het hotel moet hebben gehad. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 februari 2024 is de verdachte niet eerder veroordeeld voor een vergelijkbaar strafbaar feit. De Justitiële Documentatie werkt derhalve niet strafverzwarend. Wel acht het hof het zorgelijk dat een op de Documentatie geregistreerde openstaande zaak volgens de verdachte ziet op een nieuw bedreigend bericht dat hij naar het [hotel] heeft gestuurd. Nu de verdachte tevens geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen in onderhavige zaak acht het hof, als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een (soortgelijk) strafbaar feit te plegen, een deels voorwaardelijk strafdeel op zijn plaats. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 284 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.J.M. Kruizinga, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 maart 2024. ========================================================================= […]
ECLI:NL:HR:2009:BJ7810
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
NJ 2017/119
ook de noot van Keulen onder het arrest van 22 november 2016, NJ 2017/119, waarin hij stelt dat “De gedachte lijkt (…) te zijn dat slechts een bijgevoegd document dat is ondertekend meebrengt dat hoger beroep is ingesteld.” en randnummer 2.6 van de hierna te noemen conclusie van toenmalig AG Harteveld.
ECLI:NL:HR:2022:909
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 21/02600 J Datum 21 juni 2022 TUSSENARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 juni 2021, nummer 21-002357-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003, hierna: de verdachte.
ECLI:NL:PHR:2022:3
ECLI:NL:PHR:2022:3, randnummers 2.5-2.14.
ECLI:NL:HR:2022:286
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 20/03757 Datum 22 februari 2022 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 november 2020, nummer 23-000272-20, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de verdachte.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer24/01248 Zitting 20 mei 2025 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 26 maart 2024 door het gerechtshof Amsterdam wegens "poging tot een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen", veroordeeld tot zestig uur taakstraf, subsidiair dertig dagen hechtenis, waarvan dertig uur voorwaardelijk, subsidiair vijftien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en S.N. de Jager, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 1.3 Voordat ik het middel bespreek, vraagt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep de aandacht.

De ontvankelijkheid van het cassatieberoep 2. 2.1 Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep is onder meer het volgende van belang: (i) Tussen de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een akte rechtsmiddel van 2 april 2024, waarin [betrokkene 1] griffier bij het gerechtshof Amsterdam , namens de verdachte cassatie instelt tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam en aangeeft daartoe gemachtigd te zijn blijkens de aan die akte gehechte op 29 maart 2024 ontvangen volmacht. (ii) De volmacht waar in de akte naar wordt verwezen is per brief, gevoegd als bijlage bij een e-mail, verzonden.

In deze brief verklaart mr. S.N. de Jager de advocaat van de verdachte te zijn en tevens door hem bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het instellen van cassatie. Op haar beurt machtigt zij vervolgens de griffier van de strafgriffie. Deze brief is niet ondertekend. De genoemde e-mail bevat niet meer dan een verwijzing naar de bijgevoegde brief. (iii) Op 6 december 2024 heeft S.N. de Jager middels het webportaal van de Hoge Raad een cassatieschriftuur ingediend. Deze schriftuur houdt onder meer in dat deze “wordt ondertekend en ingediend door mr.

S.N. de Jager, advocaat te Amsterdam, die verklaart daartoe door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd”. Ook op deze schriftuur ontbreekt onderaan een handtekening. 2.2 In deze zaak is cassatie ingesteld middels een zogeheten ‘dubbele volmacht’. Deze wijze van instellen van cassatieberoep wordt niet expliciet geregeld in de artikelen 449 en 450 Sv. De Hoge Raad heeft in een arrest van 22 december 2009 bepaald dat niet alleen de verdachte, maar ook de door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat op de wijze van art. 450 lid 3 Sv beroep in cassatie kan instellen door middel van het verlenen van een daartoe strekkende schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker.

Dit betekent dat een advocaat ook een schriftelijke volmacht kan sturen aan de griffie om namens de verdachte cassatieberoep in te stellen. Deze volmacht moet in elk geval de verklaring van de advocaat inhouden dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep. Aangenomen wordt wel dat een handtekening van de advocaat ook een onmisbaar vereiste is om van een geldige volmacht te kunnen spreken. In de onderhavige zaak wringt daar de schoen, omdat op de volmacht tot het instellen van het cassatieberoep een handtekening van de advocaat ontbreekt. 2.3 In de zaak die ten grondslag lag aan een arrest van 22 februari 2022 speelde een vergelijkbare kwestie.

Uit de aan het arrest voorafgaande conclusie van toenmalig AG Harteveld volgt dat in die zaak, net als in de onderhavige zaak, een handtekening van de advocaat ontbrak op de volmacht tot het instellen van het cassatieberoep. De advocaat heeft daarna bij de Hoge Raad een schriftuur ingediend die wel was voorzien van een handtekening. AG Harteveld komt, na een uitgebreide analyse van de jurisprudentie van de Hoge Raad over andere onvolkomenheden in de volmacht dan het ontbreken van een handtekening bij het instellen van een rechtsmiddel, tot de conclusie dat het ontbreken van een handtekening niet tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep hoeft te leiden, indien de later ingediende cassatieschriftuur aan de daaraan gestelde eisen voldoet.

Uit de omstandigheid dat de Hoge Raad vervolgens het cassatieberoep (kennelijk) ontvankelijk heeft geacht, kan worden afgeleid dat de Hoge Raad ook op die koers vaart. 2.4 Helemaal vergelijkbaar met de zaak die ten grondslag lag aan het bovengenoemde arrest is de onderhavige zaak niet. De onderhavige zaak verschilt van bovengenoemde zaak in die zin dat de door de advocaat in het webportaal geplaatste cassatieschriftuur niet is voorzien van een handtekening. Tot een andere uitkomst hoeft dat mijns inziens niet te leiden, omdat ingevolge art. 4.2.12. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden een bericht of document dat door een procesdeelnemer in het webportaal is geplaatst, geldt als ondertekend door deze procesdeelnemer. 2.5 Dat betekent dat ik meen dat de verdachte in zijn cassatieberoep moet worden ontvangen.

Het middel 3. 3.1 Het middel bevat de klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel ‘wederrechtelijk’. 3.2 Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “Subsidiair hij in de periode van 9 november 2021 tot en met 19 juni 2022 te [plaats] ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om een ander, te weten een of meer medewerkers van Hotel [A] , door bedreiging met geweld gericht tegen die ander, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, te weten het aan verdachte verstrekken van geld,. - aan die medewerker(s) van Hotel [A] : o via Facebook(-Messenger) en e-mail en/of Whatsapp berichten heeft overgebracht, waaronder ■ “I need my payment of december and my holidays allowance is not too much asking other way i blow your hotel up to downs really” en ■ “I need my money back.

Other wise i blow your bessniss down. I fuck hotel [A] ” en ■ meerdere andere berichten van gelijke (dreigende) aard en/of strekking [zoals weergegeven op doorgenummerde pagina’s 15 e.v. van het proces-verbaal van bevindingen PL 1300-2021261376-9 d.d. 20 juni 2022] en - op 19 juni 2022 naar de vestiging van Hotel [A] op de locatie [a-straat 1] is gegaan en aldaar heeft verbleven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.” 3.3 Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen: “Bewijsoverweging subsidiair ten laste gelegde Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal gerekwireerd tot bewezenverklaring.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken nu er geen sprake is geweest van een ernstige aantasting van de persoonlijke vrijheid. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om in het geval van een bewezenverklaring de pleegperiode te laten aanvangen op 10 januari 2022, de datum waarop een stopbrief naar de verdachte is gestuurd. Anders dan de raadsvrouw en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de subsidiair ten laste gelegde poging tot dwang wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het hof stelt voorop dat het niet ter discussie staat dat het de verdachte was die de in de tenlastelegging opgenomen berichten heeft gestuurd en bewoordingen heeft gebruikt. Artikel 284 Sr vereist in de eerste plaats dat sprake is van (dreiging) met geweld of een andere feitelijkheid. In deze zaak staat buiten kijf dat de verdachte heeft gedreigd met gewelddadigheden middels de door hem verzonden berichten, zoals die in de tenlastelegging zijn weergegeven en zijn samengebracht op p. 15 van het daarin genoemde proces-verbaal. Verder wordt het bestanddeel ‘wederrechtelijkheid’ in het algemeen uitgelegd als ‘aanzienlijke overschrijding van de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid.’ Het hof is van oordeel dat de verdachte door het gedurende een lange periode aanhoudend sturen van meerdere (bedreigende) berichten naar (medewerkers van) het hotel de grenzen van maatschappelijke betamelijkheid heeft overschreden.

Tot slot staat vast dat de verdachte de bedreigingen heeft geuit met het doel om (medewerkers van) het hotel te bewegen iets te doen, namelijk om hem het geld te betalen waarop hij recht meent te hebben, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard. Hierin ligt tevens het opzet van de verdachte besloten. Anders dan de raadsvrouw oordeelt het hof dat wel degelijk gesproken kan worden van een inbreuk op de persoonlijke vrijheid nu het blijkens de wetsgeschiedenis ook om de vrijheid ‘van doen en laten’ gaat en het handelen van de verdachte geschikt was om de medewerkers het gevoel te geven dat zij iets moesten doen om nadelige gevolgen voor hen of het hotel te voorkomen.

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld dat geen sprake kan zijn van een dergelijke inbreuk nu een rechtspersoon geen persoonlijke vrijheid toekomt, wordt dit weerlegd door het feit dat de verdachte ook naar individuele werknemers van het hotel berichten stuurde. Daar komt bij dat ook de berichten die naar algemene (digitale) accounts zijn gestuurd naar hun aard geschikt zijn om dwang op te leveren nu het evident is dat het de werknemers zijn die kennis nemen van de inhoud van die berichten. Nu (het personeel van) het hotel niet overgegaan is tot betaling is sprake van een poging tot dwang.

Ten aanzien van de periode gaat het hof uit van de in de tenlastelegging genoemde startdatum. Ook zonder en dus voorafgaand aan die stopbrief waren de handelingen van de verdachte reeds opzettelijk en wederrechtelijk van karakter.” 3.4 Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte het bestanddeel ‘wederrechtelijkheid’ heeft uitgelegd als "overschrijding van de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid”. In de toelichting op het middel ontbreekt echter een toelichting waarom die uitleg van het hof onjuist is. Wel wordt aangevoerd dat (i) het enkele versturen van bedreigende berichten en het vervolgens dulden daarvan, geen dwang oplevert in de zin van artikel 284 Sr en (ii) dat geen sprake is geweest van een ernstige aantasting van de persoonlijke vrijheid, omdat – zo begrijp ik - het [A] Hotel als rechtspersoon die persoonlijke vrijheid niet toekomt. 3.5 De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – een poging om medewerker(s) van Hotel [A] door bedreiging met geweld wederrechtelijk te dwingen geld aan de verdachte te verstrekken.

Het hof heeft aldus niet bewezenverklaard dat de medewerkers van het [A] hotel de bedreigende berichten moesten dulden. Daarmee komt de feitelijke grondslag van hetgeen hierboven onder (i) is aangeduid te ontvallen. Het hof heeft evenmin bewezenverklaard dat de verdachte heeft gepoogd het [A] Hotel als rechtspersoon wederrechtelijk te dwingen hem geld te verstrekken. Daarmee komt ook de feitelijke grondslag van het hetgeen hierboven onder (ii) is aangeduid te ontvallen. 3.6 Ten overvloede merk ik nog op dat oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte wederrechtelijk is in de zin van art. 284 Sr niet onbegrijpelijk en toereikend is gemotiveerd.

Daarbij neem ik in aanmerking dat de vaststellingen van het hof inhouden dat de verdachte gedurende een lange periode aanhoudend meerdere (met grof geweld dreigende) berichten naar (medewerkers van) het hotel heeft gestuurd. Daarin ligt tevens als oordeel van het hof besloten dat de bewezenverklaarde gedragingen hebben geresulteerd in een ernstige aantasting van de persoonlijk vrijheid van de medewerkers van het [A] Hotel. Afronding 4. 4.1 Het middel faalt. Het middel gaat over een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en daarom ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand. 4.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn in cassatie als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.

In het licht van de opgelegde taakstraf van zestig uur waarvan dertig uur voorwaardelijk, kan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4.3 Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.4 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG ECLI:NL:GHAMS:2024:1280 (parketnummer 23-001315-23. De politierechter heeft bij vonnis van 17 april 2023 de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.

HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810. Zie nader A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 48-49. Zie nader A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p.

49. Vgl. ook de noot van Keulen onder het arrest van 22 november 2016, NJ 2017/119, waarin hij stelt dat “De gedachte lijkt (…) te zijn dat slechts een bijgevoegd document dat is ondertekend meebrengt dat hoger beroep is ingesteld.” en randnummer 2.6 van de hierna te noemen conclusie van toenmalig AG Harteveld. Tot slot volgt dit naar mijn idee ook uit HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:909 waarin de Hoge Raad aanvaardt dat een e-mail zonder een schriftelijke volmacht als bijlage onder omstandigheden ook als een volmacht kan gelden, waarbij van belang is dat daarin een handtekening is afgebeeld.

Dat deze eis dan niet zou gelden voor een schriftelijke volmacht, zie ik niet in. ECLI:NL:PHR:2022:3, randnummers 2.5-2.14. HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:286. Het middel lijkt hier de (gewijzigde) tenlastelegging in eerste aanleg tot uitgangspunt te nemen en niet de bewezenverklaring van het hof. Zie voor een uitgebreid overzicht van het toepassingsbereik van art. 284 Sr de conclusie van A-G Hofstee ECLI:NL:PHR:2022:795 randnummers 14 – 20. Hij stelt dat “bij de (objectieve) beoordeling van de ernst van de inbreuk op de persoonlijke vrijheid (…) verschillende factoren van belang [kunnen] zijn, zoals de aard, ernst, duur en intensiteit van de dwang.

Met het toepassen van deze factoren kan voldoende rekening worden gehouden met de opvattingen die in een bepaald tijdsgewricht in de samenleving over het betreffende gedrag bestaan (de maatschappelijke betamelijkheid) en kan voorts worden gemeten in welke verhouding het middel en het dwanggevolg of -doel tot elkaar staan (de verwerpelijke vorm van (dis)proportionaliteit).” HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2.