Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2025:49 ECLI:NL:PHR:2025:49 AI generated

ECLI:NL:PHR:2025:49 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2025:49
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer23/00858 Zitting 14 januari 2025 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 23 februari 2023 door het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien weken, met aftrek van voorarrest. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.W.

Legislator headnote

AI generated

art. 27 Sv, art. 96b Sv, art. 56 Sv; ECLI:NL:PHR:2025:49 · Parket bij de Hoge Raad: Op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden concludeert het hof dat bij verbalisanten een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen in relatie tot een drugsdelict, is ontstaan. Dit vermoeden kon naar het oordeel van het hof ontstaan nadat beide verdachten vertelden geen geld bij zich te hebben, in tegenstelling tot hetgeen volgens de melding was waargenomen. Dit levert naar het oordeel van het hof voldoende ernstige bezwaren op in de zin van artikel 9, tweede lid, Opiumwet, waardoor de fouillering rechtmatig heeft plaatsgevonden.

Keywords

AI generated
art. 27 Sv art. 96b Sv art. 56 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 27 Sv
art. 96b Sv
Met het beantwoorden van die vraag is immers ook meteen het antwoord gegeven op de vraag of het hof kon oordelen dat sprake was van een verdenking voor een feit dat een doorzoeking van een auto als bedoeld in art. 96b Sv kon rechtvaardigen.
art. 56 Sv
Hierin onderscheidt deze bevoegdheid zich van de reguliere strafvorderlijke opsporingsfouillering, waarvoor die beperking niet geldt maar weer wel vereist is dat de verdachte eerst is aangehouden (art. 56 Sv).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2023:459
afdeling strafrecht parketnummer: 23-000631-22 datum uitspraak: 23 februari 2023 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman) Arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 22 oktober 2020 in de strafzaak onder parketnummer 10-252714-20 tegen [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01] 1991, adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 8 oktober 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5.799,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep/wiet, zijnde hennep/wiet een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de in de auto aangetroffen hennep van het bewijs uitgesloten moet worden, nu de doorzoeking van de auto onrechtmatig was. Tevens is de verdachte ten onrechte als verdachte aangemerkt, nu geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. De fouillering van de verdachte was daarom onrechtmatig. Voor zover het hof de doorzoeking en de fouillering wel rechtmatig acht en niet over gaat tot bewijsuitsluiting, kan niet worden bewezen dat de verdachte wist dat de in de auto aangetroffen doos hennep bevatte. Het hof overweegt als volgt. Feiten en omstandigheden Uit de inhoud van het dossier leidt het hof af dat de politie op 8 oktober 2020 een melding kreeg van een verdachte situatie ter hoogte van de [adres01] . Volgens de melding zaten aldaar twee mannen, van wie de meldster denkt dat zij te maken hebben met drugs, al anderhalf uur lang in een blauwe auto met Pools kenteken [nummer01] . De mannen waren geld aan het tellen. Verbalisanten controleerden ter plaatste de betreffende auto en troffen daarin inderdaad twee mannen aan. Zij constateerden dat beide mannen de Nederlandse, noch de Engelse taal spraken. De man die op de bestuurdersstoel zat, wees naar zijn telefoon waarmee hij in gesprek was met een man die vervolgens aangaf als tolk in de Engelse taal te kunnen fungeren. Via deze door de bestuurder als tolk aangewezen derde is aan de mannen gevraagd of zij geld bij zich hadden of in de auto hadden liggen, waarop het antwoord was dat de mannen geen geld bij zich hadden. Bij verbalisanten ontstond op dat moment het vermoeden van witwassen, waarop de mannen zijn onderworpen aan een opsporingsfouillering. Bij die fouillering troffen verbalisanten bij de ene man, zijnde de verdachte, een bedrag van € 640,- en bij de andere man, zijnde de medeverdachte [medeverdachte01] , een bedrag van € 1.400,- in briefgeld aan. Verbalisanten vroegen vervolgens via de tolk toestemming tot het doorzoeken van de auto. Daarop opende de medeverdachte het bestuurdersportier, maakte hij met zijn hand een uitnodigende beweging en knikte hij met zijn hoofd. Bij de doorzoeking van de auto werd in de kofferbak een kartonnen doos aangetroffen. In deze doos bleek 5.866,5 gram hennep te zitten. Getuige [getuige01] , bewoonster van de [adres02] , heeft verklaard dat een pakketbezorger een uur nadat de verdachten waren aangehouden bij haar een pakketje voor de buren wilde afleveren. De pakketbezorger vermeldde daarbij dat hij in de afgelopen weken vaker pakketjes had bezorgd voor de betreffende mannen bij andere mensen in de straat, maar ook op andere adressen. De verdachte heeft ter terechtzitting van de politierechter verklaard dat hij de doos die in de kofferbak is aangetroffen, in de auto had gezet en dat hij samen met de medeverdachte een aantal dagen in een Airbnb had doorgebracht. De medeverdachte heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij met zijn vriend met wie hij aangehouden is in Rotterdam verbleef en een pakket, dat vanuit Spanje naar Rotterdam was gestuurd, moest afleveren in Den Haag. Dit betrof het pakket dat in de kofferbak van de auto is aangetroffen. Bespreking verweren Het hof verwerpt de verweren van de raadsman dat de fouillering en doorzoeking van de auto onrechtmatig hebben plaatsgevonden. Op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden concludeert het hof dat bij verbalisanten een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen in relatie tot een drugsdelict, is ontstaan. Dit vermoeden kon naar het oordeel van het hof ontstaan nadat beide verdachten vertelden geen geld bij zich te hebben, in tegenstelling tot hetgeen volgens de melding was waargenomen. Dit levert naar het oordeel van het hof voldoende ernstige bezwaren op in de zin van artikel 9, tweede lid, Opiumwet, waardoor de fouillering rechtmatig heeft plaatsgevonden. Ook de doorzoeking van de auto heeft rechtmatig plaatsgevonden, nu de verbalisanten op grond van artikel 96b, eerste lid, Sv, bij een verdenking van een strafbaar feit als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv en artikel 9, eerste lid aanhef en onder a, Opiumwet, bevoegd waren tot het doorzoeken van de auto. Toestemming van de rechthebbende van de auto was daarvoor niet vereist. Overigens merkt het hof ten overvloede nog op dat er ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit afgeleid kan worden dat medeverdachte [medeverdachte01] niet in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen. Met het openen van het bestuurdersportier, het maken van een uitnodigende handbeweging en het instemmend knikken heeft medeverdachte [medeverdachte01] duidelijk blijk gegeven van de toestemming en volgt ook dat het hem duidelijk was voor welke onderzoekshandeling toestemming werd verleend. Nu door de verdediging niet is aangevoerd dat hij daaraan voorafgaand gebrekkig is geïnformeerd, ziet het hof in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om daarover anders te oordelen. Het hof verwerpt tevens het verweer van de raadsman dat de verdachte geen wetenschap had van de zich in de doos bevindende hennep. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het postpakket dat werd bezorgd op [adres02] een uur nadat de verdachten waren aangehouden, van dezelfde grootte, kleur en merk was als het in de auto aangetroffen postpakket, dat de adressering en afzender identiek waren en dat ook dit pakket bijna zes kilogram hennep bevatte, alsmede dat in de door de verdachten gehuurde woning nog zo’n zelfde doos qua grootte, kleur en soort tape leeg is aangetroffen. Het onder deze omstandigheden welbewust in ontvangst nemen van dozen uit Spanje – waarbij een dergelijke doos ook is geopend – en deze verder het land in verspreiden, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo duidelijk gericht op het verspreiden van verboden middelen, dat het hof dat redengevend acht voor de wetenschap dat deze dozen hennep bevatten. De verdachte heeft geen die redengevendheid ontzenuwende verklaring afgelegd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 8 oktober 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5.799,3 gram hennep. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 weken met aftrek van voorarrest. De raadsman heeft het hof verzocht om, indien het hof komt tot een bewezenverklaring en een strafoplegging, een straf op te leggen die gelijk is aan het aantal dagen dat de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich, samen met zijn medeverdachte, schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van ruim vijf en een halve kilo hennep. Het gebruik van hennep kan schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van de gebruikers en de illegale handel hierin is bezwarend voor de samenleving, onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande andere vormen van criminaliteit. Het hof heeft gelet op de straffen die doorgaans in soortgelijke gevallen worden opgelegd en die hun weerslag vinden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarin wordt, bij deze hoeveelheid hennep, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden genoemd. Het hof ziet geen aanleiding daarvan af te wijken en zal dan ook een hogere straf opleggen dan door de politierechter is opgelegd en door de advocaat-generaal is geëist. Overschrijding redelijke termijn Het hof stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Door de verdachte is op 27 oktober 2020 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 23 februari 2023 eindarrest. Het hof constateert daarmee dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden met ruim drie maanden. De verdediging heeft hierop geen invloed gehad. Om die reden ziet het hof aanleiding om de op te leggen gevangenisstraf met een week te verminderen. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 15 weken passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) weken . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 februari 2023. mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […] De hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, waarop het hof het bewezenverklaarde heeft gegrond, betreffen in de wettelijke vorm door bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal. Proces-verbaal van bevindingen van 8 oktober 2020, doorgenummerde p. 7-9 van het politiedossier. Proces-verbaal van bevindingen van 11 oktober 2020, doorgenummerde p. 30-31 van het politiedossier. Proces-verbaal van verhoor getuige van 8 oktober 2020, doorgenummerde p. 44-45 van het politiedossier. Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 22 oktober 2020. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte01] van 8 oktober 2020, doorgenummerde p. 56-60 van het politiedossier. Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde p. 30-31 van het politiedossier. Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde p. 40-41 van het politiedossier.
ECLI:NL:HR:1997:ZD0647
De bestreden einduitspraak Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 14 december 1993 – de verdachte ter zake van 1. ‘’handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan door op de openbare weg een schietwapen in de vorm van een pistool, met de daarbij voor dat wapen geschikte munitie voorhanden te hebben’’ en 2. ‘’handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan door op de openbare weg een schietwapen in de vorm van een revolver, met de daarbij voor dat wapen geschikte munitie voorhanden te hebben’’ veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.
ECLI:NL:HR:2021:1281
mevr. [betrokkene 2] op vrijdag 14 januari 2011, omstreeks 17.30 uur een Citroen Jumpy, kenteken [kenteken], autonummer [001] had gehuurd bij het filiaal [e-straat 1] te Amsterdam (West). Zij had betaald via de pin met het bankrekeningnummer: [002]. Op zondag 16 januari 2011, omstreeks 09.20 uur werd de bestelbus teruggebracht aan dit filiaal. [betrokkene 2] had zich gelegitimeerd met haar rijbewijs en gaf tevens haar telefoonnummer ([telefoonnummer]) door.
ECLI:NL:HR:2014:36
7 januari 2014 Strafkamer nr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer23/00858 Zitting 14 januari 2025 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 23 februari 2023 door het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien weken, met aftrek van voorarrest. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.W.

Koevoets, advocaat in Terneuzen, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 1.3 Er bestaat samenhang met de zaak tegen de [medeverdachte] (23/00859). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. De ingediende cassatiemiddelen in die zaak zijn inhoudelijk identiek. De middelen 2.1 De middelen, die ik gezamenlijk zal bespreken, hebben betrekking op de rechtmatigheid van de fouillering van de verdachte en de daaropvolgende doorzoeking van een auto. Het gaat er daarom in de kern om of hetgeen het hof heeft vastgesteld het oordeel kan dragen dat sprake was van ernstige bezwaren ter zake van een Opiumwetfeit.

Daar kom ik na het weergeven van de relevante onderdelen uit het arrest en het procesverloop op terug. Het bestreden arrest 2.2 Het arrest bevat voor zover van belang het volgende (met weglating van voetnoten): “De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de in de auto aangetroffen hennep van het bewijs uitgesloten moet worden, nu de doorzoeking van de auto onrechtmatig was. Tevens is de verdachte ten onrechte als verdachte aangemerkt, nu geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.

De fouillering van de verdachte was daarom onrechtmatig. (…) Het hof overweegt als volgt. Feiten en omstandigheden Uit de inhoud van het dossier leidt het hof af dat de politie op 8 oktober 2020 een melding kreeg van een verdachte situatie ter hoogte van de [a-straat 1] in [plaats] . Volgens de melding zaten aldaar twee mannen, van wie de meldster denkt dat zij te maken hebben met drugs, al anderhalf uur lang in een blauwe auto met Pools [kenteken] . De mannen waren geld aan het tellen. Verbalisanten controleerden ter plaatste de betreffende auto en troffen daarin inderdaad twee mannen aan.

Zij constateerden dat beide mannen de Nederlandse, noch de Engelse taal spraken. De man die op de bestuurdersstoel zat, wees naar zijn telefoon waarmee hij in gesprek was met een man die vervolgens aangaf als tolk in de Engelse taal te kunnen fungeren. Via deze door de bestuurder als tolk aangewezen derde is aan de mannen gevraagd of zij geld bij zich hadden of in de auto hadden liggen, waarop het antwoord was dat de mannen geen geld bij zich hadden. Bij verbalisanten ontstond op dat moment het vermoeden van witwassen, waarop de mannen zijn onderworpen aan een opsporingsfouillering.

Bij die fouillering troffen verbalisanten bij de ene man, zijnde de verdachte, een bedrag van € 640,- en bij de andere man, zijnde de [medeverdachte] , een bedrag van € 1.400,- in briefgeld aan. Verbalisanten vroegen vervolgens via de tolk toestemming tot het doorzoeken van de auto. Daarop opende de medeverdachte het bestuurdersportier, maakte hij met zijn hand een uitnodigende beweging en knikte hij met zijn hoofd. Bij de doorzoeking van de auto werd in de kofferbak een kartonnen doos aangetroffen. In deze doos bleek 5.866,5 gram hennep te zitten. (…) Bespreking verweren Het hof verwerpt de verweren van de raadsman dat de fouillering en doorzoeking van de auto onrechtmatig hebben plaatsgevonden.

Op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden concludeert het hof dat bij verbalisanten een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten witwassen in relatie tot een drugsdelict, is ontstaan. Dit vermoeden kon naar het oordeel van het hof ontstaan nadat beide verdachten vertelden geen geld bij zich te hebben, in tegenstelling tot hetgeen volgens de melding was waargenomen. Dit levert naar het oordeel van het hof voldoende ernstige bezwaren op in de zin van artikel 9, tweede lid, Opiumwet, waardoor de fouillering rechtmatig heeft plaatsgevonden.

Ook de doorzoeking van de auto heeft rechtmatig plaatsgevonden, nu de verbalisanten op grond van artikel 96b, eerste lid, Sv, bij een verdenking van een strafbaar feit als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv en artikel 9, eerste lid aanhef en onder a, Opiumwet, bevoegd waren tot het doorzoeken van de auto. Toestemming van de rechthebbende van de auto was daarvoor niet vereist. Overigens merkt het hof ten overvloede nog op dat er ook geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit afgeleid kan worden dat de verdachte niet in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen.

Met het openen van het bestuurdersportier, het maken van een uitnodigende handbeweging en het instemmend knikken heeft de verdachte duidelijk blijk gegeven van de toestemming en volgt ook dat het hem duidelijk was voor welke onderzoekshandeling toestemming werd verleend. Nu door de verdediging niet is aangevoerd dat hij daaraan voorafgaand gebrekkig is geïnformeerd, ziet het hof in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om daarover anders te oordelen.” Het ter zitting gevoerde verweer 2.3 Uit het proces-verbaal van de zitting van het hof maak ik op dat hier door de advocaat van de verdachte het volgende verweer is gevoerd:

“Ik bepleit dat cliënten moeten worden vrijgesproken van het hen tenlastegelegde. De zaak begint met een anonieme tip. Een vrouw verhuurde via Airbnb haar huis en deelde met haar buurvrouw dat ze geen goed gevoel had over de huurders. Ze zag de huurders geld tellen. De politie kwam snel in actie. Geld tellen in een auto is geen strafbaar feit en je mag ook dozen in je auto zetten. Cliënten worden kennelijk als verdachten aangemerkt, terwijl ik in het dossier geen objectieve feiten en omstandigheden lees om cliënten als verdachten aan te merken.

Er is niet gemeld dat er bijvoorbeeld pakken met briefjes van € 500,00,- werden geteld. Cliënten zijn ondervraagd en gaven hun telefoon af terwijl ze de taal niet begrepen. Ze zijn uit de auto gehaald, tegen de auto gezet en gefouilleerd zonder concrete aanwijzingen voor een strafbaar feit. Terwijl ze tegen de auto werden gezet zou zijn gevraagd om toestemming voor het doorzoeken van de auto en voor het openen van de pakketten. Bij zulke vergaande opsporingshandelingen moet te achterhalen zijn hoe die toestemming tot stand is gekomen. Waar bestond de vrijwillige toestemming uit in deze zaak? Cliënten ondergingen slechts de acties van de verbalisanten en zijn niet door een tolk gewezen op hun rechten.

Ik lees in het dossier geen vrijwillige toestemming. De situatie uit het arrest dat door de advocaat-generaal wordt aangehaald, is anders dan deze casus. Cliënten zijn ten onrechte als verdachten aangemerkt en gefouilleerd en de auto is ten onrechte, zonder toestemming en zonder machtiging, doorzocht. De doos is een postpakket met een adressering, waarin niet de naam van cliënten is vermeld, en daar zit dan hennep in. Ik meen dat bewijsuitsluiting de enige reactie kan zijn op het ten onrechte doorzoeken van de auto. Dit heeft tot gevolg dat we onvoldoende wettig en overtuigend bewijs hebben voor een bewezenverklaring.” De cassatieklachten 2.4 Met het eerste middel wordt geklaagd, zo begrijp ik, dat het oordeel van het hof dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in art. 27 Sv op het moment van de “staandehouding en de ondervraging”, onbegrijpelijk zou zijn.

Het tweede middel is gericht tegen de wijze waarop het hof het verweer over het ontbreken van een machtiging en toestemming zou hebben verworpen. De overweging van het hof dat “in geval van verdenking ter zake een Opiumwetdelict geen toestemming zou zijn vereist om de auto te doorzoeken” zou onbegrijpelijk zijn, omdat er geen sprake zou zijn geweest van verdenking van een Opiumwetfeit. In aanvulling daarop wordt het oordeel van het hof bestreden dat er door de verdediging niet zou zijn aangevoerd dat de verdachte voorafgaand aan het verlenen van toestemming “gebrekkig is geïnformeerd”. 2.5 Ik begrijp deze klachten aldus, dat beoogd wordt te klagen over het oordeel van het hof dat sprake was van ernstige bezwaren in de zin van art. 9 lid 2 Opiumwet.

Het hof heeft het oordeel dat de fouillering van de verdachte rechtmatig was immers in de sleutel van die bevoegdheid gezet (en daarover wordt in cassatie niet geklaagd). Ik zal mij dan ook op die vraag concentreren. Met het beantwoorden van die vraag is immers ook meteen het antwoord gegeven op de vraag of het hof kon oordelen dat sprake was van een verdenking voor een feit dat een doorzoeking van een auto als bedoeld in art. 96b Sv kon rechtvaardigen. Ik zal de klachten die in het tweede middel met betrekking tot de toestemming naar voren worden gebracht laten rusten, nu het hof de overwegingen daarover expliciet als overwegingen ten overvloede aanmerkt.

Juridisch kader 2.6 Het vereiste van ernstige bezwaren komt, als bekend, neer op meer dan een redelijk vermoeden van schuld, oftewel een hogere graad van verdenking. Over het algemeen geldt dat het een lastig te concretiseren begrip is, terwijl ook wel wordt aangenomen dat de invulling die eraan moet worden gegeven afhangt van de zwaarte van het dwangmiddel dat wordt ingezet en het tijdsverloop, waardoor bij een opsporingsfouillering eerder aan het vereiste van ernstige bezwaren wordt voldaan dan bij een (herhaalde) verlenging van de voorlopige hechtenis.

Zeker is in elk geval dat indien slechts sprake is van antecedenten op het gebied van de Opiumwet, dit onvoldoende is om ernstige bezwaren aan te nemen. Ook is het vanzelfsprekend zo dat indien de fouilleringsbevoegdheid van art. 9 lid 2 Opiumwet wordt ingezet, sprake moet zijn van een (hogere graad van) verdenking ter zake van een Opiumwetfeit. Hierin onderscheidt deze bevoegdheid zich van de reguliere strafvorderlijke opsporingsfouillering, waarvoor die beperking niet geldt maar weer wel vereist is dat de verdachte eerst is aangehouden (art. 56 Sv).

De beoordeling van de cassatiemiddelen 2.7 De middelen moeten, naar het mij voorkomt, falen. Dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan witwassen is duidelijk, nu uit de overwegingen van het hof blijkt dat volgens een getuige de verdachte en de medeverdachte ruim anderhalf uur in een auto zaten en geld aan het tellen waren, maar op het moment dat de politie arriveerde, ontkenden dat zij geld bij zich hadden. Zoals uiteengezet, ligt voor de vraag naar de aanwezigheid van ernstige bezwaren de lat hoger en bovendien ergens anders, het moet dan immers gaan om een verdenking ter zake van een Opiumwetfeit.

Dat het hof heeft geoordeeld dat ook deze lat werd gehaald, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarvoor is voor mij van belang dat (i) in de melding reeds naar voren werd gebracht dat de melder dacht dat de verdachte en de medeverdachte “te maken hebben met drugs”; (ii) dat de eigen waarnemingen van de opsporingsambtenaren steun gaven aan de inhoud van die melding, te weten dat de twee mannen kennelijk nog altijd op dezelfde plek in die auto zaten; terwijl (iii) hun gedrag goed past bij het prototype van drugshandel. Afronding 3.1 De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 3.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 3.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. AG Hof Den Haag (op rechtspraak.nl abusievelijk aangemerkt als Amsterdam) 23 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:459. Vgl. HR 17 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0647 en HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1281. Zie G.J.M. Corstens, bew. door M.J Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 607. Aldus J.M. Reijntjes, Voorarrest, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p.

58. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:36. Daarbij zij evenwel aangetekend dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat indien iemand wordt gefouilleerd zonder dat hij daarvoor is aangehouden - omdat opsporingsambtenaren hadden aangenomen dat sprake was van ernstige bezwaren ter zake van een Opiumwetfeit, terwijl later moest worden geoordeeld dat die slechts hadden bestaan ter zake van een inbraak - dit verzuim niet kan worden aangemerkt als een verzuim waardoor een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden, waardoor voor bewijsuitsluiting dan in beginsel geen plaats is (HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:36, rov. 2.7.4). Reeds hierom is mij overigens niet duidelijk wat in de onderhavige zaak het belang van de verdachte is, maar dat punt zal ik hier laten rusten.