Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2025:342 ECLI:NL:PHR:2025:342 AI generated

ECLI:NL:PHR:2025:342 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2025:342
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/04613 Zitting 18 maart 2025 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 28 november 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens "mishandeling", veroordeeld tot tachtig uur taakstraf, subsidiair veertig dagen hechtenis. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en B. Wernik, advocaat in Haarlem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste en tweede middel 2.1 Het eerste middel en tweede middel komen beide op tegen de verwerping van het beroep op noodweer.

Legislator headnote

AI generated

art. 6 lid 1 EVRM; ECLI:NL:PHR:2025:342 · Parket bij de Hoge Raad: Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof gemotiveerd uiteen heeft gezet dat en waarom het geen geloof hecht aan de verklaring van de verdachte dat de aangever met zijn vinger in de richting van zijn oog bewoog en dat de verdachte zich hiertegen moest verdedigen. Afronding 3.1 Het eerste en tweede middel falen. De middelen gaan over een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en daarom ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand. 3.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn in cassatie als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.

Keywords

AI generated
art. 6 lid 1 EVRM

Cited Legislation

AI generated
art. 6 lid 1 EVRM
3.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn in cassatie als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2022:3387
afdeling strafrecht parketnummer: 23-002800-20 datum uitspraak: 28 november 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 1 december 2020 in de strafzaak onder parketnummer 15-229399-20 tegen [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1994, adres: [adres01] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 november 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 12 september 2020 te Zandvoort [slachtoffer01] heeft mishandeld door die [slachtoffer01] - bij de nek en/of de kleding vast te pakken en/of - in/op het gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam te slaan en/of - tegen het lichaam te duwen en/of - op de grond te gooien en/of te werpen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, zoals de politierechter heeft beslist. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte de aangever niet heeft geslagen. Wel heeft de verdachte de aangever bij zijn jas gepakt en hem een ‘gooi’ dan wel ‘worp’ gegeven. Hierbij was echter sprake van noodweer. De verdachte moest zich verdedigen tegen de aangever, die dicht op hem stond en zijn vinger richting zijn oog bewoog en hem daar ook raakte. Het hof overweegt dat uit de bewijsmiddelen, die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest, blijkt dat de verdachte de aangever in het gezicht heeft geslagen. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de aangever [slachtoffer01] en de getuigen [getuige01] en [getuige02] op dit punt. Ten aanzien van het beroep op noodweer overweegt het hof als volgt. De aangever en met name de getuige [getuige01] hebben verklaard dat de aangever uit het niets, zonder reden werd geslagen. De verklaring van de verdachte dat de aangever met zijn vinger richting zijn oog bewoog en dat de verdachte zich hiertegen moest verdedigen, vindt geen steun in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting. Daarbij overweegt het hof dat de verdachte tijdens zijn politieverhoor op 12 september 2020 heeft verklaard dat de aangever – van wie hem toen een letselfoto is getoond – niet de jongen is die in zijn oog heeft geprikt. Eerst ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de aangever wél die jongen is. Het hof hecht geen geloof aan de verklaringen van de verdachte. Daarbij wijst het hof er op dat volgens de verklaring van de zoon van de eigenaar van een nabijgelegen café, afgelegd direct na het incident het juist de verdachte was die agressief was; de verdachte schreeuwde tegen de aangever en de getuigen. De aangever en de getuigen waren volgens deze verklaring niet agressief richting de verdachte. Nu niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdediging, faalt zijn beroep op noodweer bij gebrek aan feitelijke grondslag. Dat betekent dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 12 september 2020 te Zandvoort [slachtoffer01] heeft mishandeld door die [slachtoffer01] in het gezicht te slaan. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De raadsman heeft, in het geval van een bewezenverklaring, verzocht artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, dan wel een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door de aangever, een Duitse toerist in Zandvoort, in het gezicht te slaan. De aangever heeft als gevolg hiervan pijn ondervonden en letsel bekomen. Door aldus te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van de aangever aangetast. De mishandeling vond bovendien plaats tijdens het uitgaan. Er is sprake van zogenoemd uitgaansgeweld, waarbij de verdachte onder invloed van alcohol verkeerde, hetgeen bijdraagt aan gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 november 2022 is de verdachte eerder ter zake van mishandeling onherroepelijk veroordeeld. Het hof houdt hiermee rekening ten nadele van de verdachte. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, passend en geboden. Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, zal het hof niet naast deze onvoorwaardelijke straf ook een voorwaardelijk deel opleggen, nu de verdachte op 23 augustus 2022 al onherroepelijk is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke taakstraf wegens soortgelijke feiten en derhalve al in een proeftijd loopt. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis . Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. A.R.O. Mooy en mr. S. Jongeling, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 november 2022. Mr. S. Jongeling is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
ECLI:NL:HR:2023:40
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/00595 Datum 24 januari 2023 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 februari 2022, nummer 21-001149-18, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de verdachte.
ECLI:NL:HR:2008:BD2578
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch, van 15 juni 2005 - de verdachte ter zake van "gijzeling, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/04613 Zitting 18 maart 2025 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 28 november 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens "mishandeling", veroordeeld tot tachtig uur taakstraf, subsidiair veertig dagen hechtenis. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en B. Wernik, advocaat in Haarlem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste en tweede middel 2.1 Het eerste middel en tweede middel komen beide op tegen de verwerping van het beroep op noodweer.

De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 2.2 Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij op 12 september 2020 te Zandvoort [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] in het gezicht te slaan.” 2.3 Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging: “Bewijsoverweging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, zoals de politierechter heeft beslist. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte de aangever niet heeft geslagen.

Wel heeft de verdachte de aangever bij zijn jas gepakt en hem een ‘gooi’ dan wel ‘worp’ gegeven. Hierbij was echter sprake van noodweer. De verdachte moest zich verdedigen tegen de aangever, die dicht op hem stond en zijn vinger richting zijn oog bewoog en hem daar ook raakte. Het hof overweegt dat uit de bewijsmiddelen, die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest, blijkt dat de verdachte de aangever in het gezicht heeft geslagen. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de aangever [aangever] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] op dit punt.

Ten aanzien van het beroep op noodweer overweegt het hof als volgt. De aangever en met name de getuige [getuige 1] hebben verklaard dat de aangever uit het niets, zonder reden werd geslagen. De verklaring van de verdachte dat de aangever met zijn vinger richting zijn oog bewoog en dat de verdachte zich hiertegen moest verdedigen, vindt geen steun in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting. Daarbij overweegt het hof dat de verdachte tijdens zijn politieverhoor op 12 september 2020 heeft verklaard dat de aangever - van wie hem toen een letselfoto is getoond - niet de jongen is die in zijn oog heeft geprikt.

Eerst ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de aangever wél die jongen is. Het hof hecht geen geloof aan de verklaringen van de verdachte. Daarbij wijst het hof er op dat volgens de verklaring van de zoon van de eigenaar van een nabijgelegen café, afgelegd direct na het incident het juist de verdachte was die agressief was; de verdachte schreeuwde tegen de aangever en de getuigen. De aangever en de getuigen waren volgens deze verklaring niet agressief richting de verdachte. Nu niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdediging, faalt zijn beroep op noodweer bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Dat betekent dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling.” 2.4 Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het beroep op noodweer heeft verworpen aan de hand van een onjuiste maatstaf. De toelichting op het middel houdt echter geen rechtsklacht in. Wel wordt een aantal argumenten aangevoerd waarom de overweging van het hof dat het beroep op noodweer faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel voert in dat verband aan dat (i) de verklaring van getuige [getuige 3] wel degelijk steun geeft aan de verklaring van de verdachte en (ii) dat het hof aan de verklaring van de aangever meer geloof heeft gehecht dan aan de verklaring van de verdachte en de getuige [getuige 3] zonder dit nader te motiveren.

Het tweede middel houdt in dat het hof de verwerping van het noodweerverweer ontoereikend, althans onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Daartoe worden in de toelichting op het tweede middel min of meer dezelfde argumenten aangevoerd als in de toelichting op het eerste middel. 2.5 Het hof heeft op basis van de bewijsmiddelen vastgesteld dat de aangever en getuige [getuige 1] hebben verklaard dat de aangever uit het niets, zonder reden werd geslagen. Uit hun in de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen blijkt inderdaad dat de verdachte de aangever uit het niets c.q. zonder reden in zijn gezicht heeft geslagen (bewijsmiddel 1, verklaring aangever [aangever] en bewijsmiddel 2, verklaring getuige [getuige 1]).

Daarnaast blijkt uit een proces-verbaal van bevindingen dat een omstander aan een verbalisant ter plaatse heeft verklaard dat hij het incident niet heeft gezien, maar wel zag dat de verdachte aan het schreeuwen was tegen de aangever en de getuigen, dat hij agressief zou overkomen en dat de aangever en getuigen niet agressief richting de verdachte waren (bewijsmiddel 4). 2.6 Dat het hof op basis van deze uit de bewijsmiddelen volgende feiten en omstandigheden tot het oordeel is gekomen dat de verdachte de aangever in zijn gezicht heeft geslagen en dat de feitelijke toedracht van het beroep op noodweer niet aannemelijk is geworden, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof gemotiveerd uiteen heeft gezet dat en waarom het geen geloof hecht aan de verklaring van de verdachte dat de aangever met zijn vinger in de richting van zijn oog bewoog en dat de verdachte zich hiertegen moest verdedigen. Afronding 3.1 Het eerste en tweede middel falen. De middelen gaan over een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en daarom ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand. 3.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn in cassatie als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.

In het licht van de opgelegde taakstraf van tachtig uur, kan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 3.3 Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 3.4 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. AG Gerechtshof Amsterdam 28 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3387. De verdachte is bij vonnis van 1 december 2020 door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van de tenlastegelegde mishandeling.

HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2..