Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2025:302 ECLI:NL:PHR:2025:302 AI generated

ECLI:NL:PHR:2025:302 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2025:302
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Inleiding 1.1 In deze zaak heeft de rechtbank de vordering van [A] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid van North and South c.s. beoordeeld naar Pools recht. In appel is geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Pools recht van toepassing is. Wel is gegriefd tegen de gebrekkige toepassing van het Poolse recht. Volgens het hof slaagt deze grief. Op grond van de devolutieve werking van het appel heeft het hof (ambtshalve) opnieuw het toepasselijke recht op de bestuurdersaansprakelijkheid vastgesteld. Het hof heeft de vordering van [A] beoordeeld naar Nederlands recht.

Legislator headnote

AI generated

art. 10:2 BW, art. 25 Rv, art. 10:159 BW; ECLI:NL:PHR:2025:302 · Parket bij de Hoge Raad: Deze vraag gaat vooraf aan de wijze waarop het toepasselijk geoordeelde recht door de rechtbank is toegepast en behoort tot het door deze slagende grief ontsloten gebied. Uit het tussenvonnis blijkt dat van het partijdebat bij de rechtbank ook deel uitmaakte de vraag naar het toepasselijke recht. (rov. 3.4)Op grond van art. 4 lid 3 Rome II (jo. art. 10:159 BW) moet de vordering van [A] worden beoordeeld naar Nederlands recht. (rov. 3.5 t/m 3.8) 3.3 Het eerste onderdeel betoogt in de kern dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de devolutieve werking van het hoger beroep.

Keywords

AI generated
art. 10:2 BW art. 25 Rv art. 10:159 BW

Cited Legislation

AI generated
art. 10:2 BW
3.2)Op grond van art. 10:2 BW moet de rechter conflictregels en het door die regels aangewezen recht ambtshalve toepassen.
art. 25 Rv
Deze regels vallen binnen het bereik van art. 25 Rv, dat de rechter opdraagt de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen.
art. 10:159 BW
art. 10:159 BW) moet de vordering van [A] worden beoordeeld naar Nederlands recht.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHARL:2024:2132
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.327.749 zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo 275692 arrest van 26 maart 2024 in de zaak van eenmanszaak naar Pools recht [appellant] die is gevestigd in Wieloglowy, Polen die hoger beroep heeft ingesteld en die bij de rechtbank optrad als eiser hierna: [appellant] advocaat: mr. J.M. Wolfs tegen 1North and South Holding B.V. die kantoor houdt in Foudgum 2. [geïntimeerde2] die woont in [woonplaats1] die bij de rechtbank optraden als gedaagden hierna:
ECLI:NL:RBOVE:2022:4128
vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo zaaknummer / rolnummer: C/08/275692 / HA ZA 22-4 Vonnis van 10 augustus 2022 in de zaak van [eiser] , eenmanszaak naar Pools recht gevestigd te [vestigingsplaats], eiser, advocaat mr. J.M. Wolfs te Maastricht, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NORTH AND SOUTH HOLDING B.V., gevestigd te Hengelo, 2. [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagden, advocaat mr. O.A. van Oorschot te Leeuwarden. Partijen zullen hierna [eiser] en North and South Holding en [woonplaats] genoemd worden.
ECLI:NL:RBOVE:2023:5359
vonnis RECHTBANK OVERIJSSEL Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo zaaknummer / rolnummer: C/08/275692 / HA ZA 22-4 Vonnis van 15 februari 2023 in de zaak van de eenmanszaak naar Pools recht [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiser, advocaat mr. J.M. Wolfs te Maastricht, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NORTH AND SOUTH HOLDING B.V., gevestigd te Hengelo, 2. [gedaagde], wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat mr. O.A. van Oorschot te Leeuwarden. Partijen zullen hierna [eiseres] , North and South Holding en [gedaagde] genoemd worden.
ECLI:NL:HR:2023:313
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 22/00265 Datum 24 februari 2023 ARREST In de zaak van WILLEMEN INFRA N.V.
NJ 2023/96
HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:313, NJ 2023/96, rov.
ECLI:NL:HR:2023:200
Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: de vonnissen in de zaak C/13/643400 / HA ZA 18-163 van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2018 en 16 januari 2019; het arrest in de zaak 200.262.638/01 van het gerechtshof Amsterdam van 6 april 2021. Zweden heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. [het antiquariaat] heeft een verweerschrift tot verwerping tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend. Zweden heeft in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep een verweerschrift tot referte ingediend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02399 Zitting 14 maart 2025 CONCLUSIE F. Ibili In de zaak [eiser], wonende te [plaats], Polen, h.o.d.n. [A], eiser tot cassatie, hierna: [A] tegen 1. North and South Holding B.V., gevestigd te Hengelo, 2. [verweerder 2], wonende te [plaats], verweerders in cassatie, hierna: North and South respectievelijk [verweerder 2] en gezamenlijk North and South c.s.

1. Inleiding 1.1 In deze zaak heeft de rechtbank de vordering van [A] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid van North and South c.s. beoordeeld naar Pools recht. In appel is geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Pools recht van toepassing is. Wel is gegriefd tegen de gebrekkige toepassing van het Poolse recht. Volgens het hof slaagt deze grief. Op grond van de devolutieve werking van het appel heeft het hof (ambtshalve) opnieuw het toepasselijke recht op de bestuurdersaansprakelijkheid vastgesteld. Het hof heeft de vordering van [A] beoordeeld naar Nederlands recht.

In cassatie rijst de vraag of het hof, bij het ontbreken van een daartoe strekkende grief, gehouden was de vordering van [A] net als de rechtbank te beoordelen naar Pools recht. 2Feiten en procesverloop 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.2 [A] is een eenmanszaak naar Pools recht, gevestigd te [plaats], Polen. North and South is bestuurder en enig aandeelhouder van North to South B.V. (hierna: North to South). De Stichting Administratiekantoor North and South is enig aandeelhouder van North and South. [verweerder 2] is bestuurder van North and South. [verweerder 2] is de bestuurder van de Stichting Administratiekantoor North and South en houder van 100% van de uitgegeven certificaten. 2.3 Op 27 april 2020 hebben [A] en North to South een koopovereenkomst gesloten waarbij [A] 1.410.000 mondmaskers aan North to South heeft verkocht tegen een koopprijs van € 634.500,-. [A] heeft de mondmaskers geleverd.

North to South heeft slechts € 70.000,- van de koopprijs voldaan. 2.5 Bij verstekvonnis van 9 december 2020 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, North to South veroordeeld tot betaling aan [A] van de restantkoopprijs van € 564.500,- met wettelijke rente. 2.6 Bij vonnis in verzet van 7 juli 2021 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, het door North to South ingestelde verzet ongegrond verklaard en het verstekvonnis van 9 december 2020 bevestigd. 2.7 [A] is er niet in geslaagd de vonnissen van 9 december 2020 en 7 juli 2021 te executeren. 2.8 In de onderhavige procedure, ingeleid bij dagvaarding van 23 december 2021, heeft [A] gevorderd North and South c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de restantkoopprijs van € 564.500,- vermeerderd met (proces)kosten. [A] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat North and South c.s. als (middellijk) bestuurders van North to South onrechtmatig hebben gehandeld jegens [A], omdat zij de betaling van de volledige koopprijs door North to South hebben opgehouden en de verhaalsmogelijkheden van [A] hebben gefrustreerd. 2.9 North and South c.s. hebben verweer gevoerd.

Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. 2.10 Bij tussenvonnis van 10 augustus 2022 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, geoordeeld dat de vraag naar de bestuurdersaansprakelijkheid van North and South c.s. beoordeeld moet worden naar Pools recht. [A] is in de gelegenheid gesteld om de grondslag van zijn vordering te omschrijven naar Pools recht. 2.11 Bij akte van 12 oktober 2022 heeft [A], onder overlegging van een legal opinion, betoogd dat uit art. 299 van de Poolse Commercial Companies Code volgt dat North and South als bestuurder van North to South en [verweerder 2] als bestuurder van North and South aansprakelijk zijn voor de schade die voortvloeit uit het uitblijven van betaling door North to South. 2.12 Bij antwoordakte van 7 december 2022 hebben North and South c.s. hiertegen verweer gevoerd. 2.13 Bij eindvonnis van 15 februari 2023 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, geoordeeld dat op grond van Pools recht geen sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid van North and South c.s. en de vordering van [A] afgewezen. 2.14 [A] is in hoger beroep gekomen van het tussen- en eindvonnis; het appel tegen het tussenvonnis heeft [A] ingetrokken.North and South c.s. zijn in hoger beroep niet verschenen. 2.15 Bij arrest van 26 maart 2024 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, de vordering van [A] beoordeeld naar Nederlands recht, de vordering afgewezen en het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd. 2.16 [A] heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof (hierna: het bestreden arrest).

North and South c.s. zijn in cassatie niet verschenen. 3Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. In het eerste onderdeel keert het middel zich tegen de beslissing van het hof met betrekking tot het conflictenrecht, dat wil zeggen de aanwijzing van het toepasselijke recht op de vordering van [A] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid van North and South c.s. 3.2 Voor een goed begrip geef ik de relevante overwegingen van het hof weer.In zijn eerste grief tegen het eindvonnis klaagt [A] erover dat de rechtbank de vraag naar de bestuurdersaansprakelijkheid van North and South c.s. niet heeft beantwoord met correcte toepassing van het Poolse recht, zoals neergelegd in art. 299 van de Poolse Commercial Companies Code, maar met toepassing van het Nederlandse recht.

Die grief slaagt. (rov. 3.1)Weliswaar overweegt de rechtbank dat zij het Poolse recht zal toepassen, haalt zij dat recht aan zoals dat volgens een door [A] ingediende legal opinion geldt, maar daarna volgt in wezen een beoordeling van de onrechtmatigheid van het handelen van North and South c.s. naar Nederlands recht. Een concrete toets van het handelen (of nalaten) naar het volgens [A] toe te passen art. 299 van de Poolse Commercial Companies Code ontbreekt. (rov. 3.2)Op grond van art. 10:2 BW moet de rechter conflictregels en het door die regels aangewezen recht ambtshalve toepassen.

Deze regels vallen binnen het bereik van art. 25 Rv, dat de rechter opdraagt de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen. Het grievenstelsel in hoger beroep brengt mee dat de appelrechter in beginsel – behoudens in geval van rechtsregels van processuele openbare orde, wat niet geldt voor de hier toe te passen conflictregels – slechts tot ambtshalve toepassing van rechtsregels mag komen binnen het door de grieven ontsloten gebied. (rov. 3.3)[A] heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Pools recht van toepassing is. Maar doordat de grief van [A] over de wijze waarop de rechtbank het Poolse recht heeft toegepast (aan de hand van Nederlandse maatstaven) slaagt, moet het hof op grond van de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep toch (ambtshalve) beoordelen welk recht in deze zaak moet worden toegepast.

Deze vraag gaat vooraf aan de wijze waarop het toepasselijk geoordeelde recht door de rechtbank is toegepast en behoort tot het door deze slagende grief ontsloten gebied. Uit het tussenvonnis blijkt dat van het partijdebat bij de rechtbank ook deel uitmaakte de vraag naar het toepasselijke recht. (rov. 3.4)Op grond van art. 4 lid 3 Rome II (jo. art. 10:159 BW) moet de vordering van [A] worden beoordeeld naar Nederlands recht. (rov. 3.5 t/m 3.8) 3.3 Het eerste onderdeel betoogt in de kern dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de devolutieve werking van het hoger beroep.

Volgens het middel heeft het hof miskend dat het de appelrechter niet vrijstaat om, zonder een daartoe strekkende grief, ambtshalve te oordelen over het conflictenrecht. Nu in hoger beroep geen grief is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de vordering van [A] door Pools recht wordt beheerst, had het hof ook in appel moeten uitgaan van de toepasselijkheid van Pools recht. Het slagen van de eerste grief van [A] over de gebrekkige wijze waarop de rechtbank Pools recht heeft toegepast, betekent niet dat het hof op grond van de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel alsnog (ambtshalve) moet beoordelen welk recht in deze zaak moet worden toegepast. 3.4 Bij de beoordeling van de klacht stel ik het volgende voorop.

In het tussenvonnis van 10 augustus 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering van [A] op grond van art. 4 lid 1 Rome II jo. art. 10:159 BW beoordeeld moet worden naar Pools recht (rov. 5.3 e.v.). Bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering van [A] in het eindvonnis van 15 februari 2023 is de rechtbank ook uitgegaan van de toepasselijkheid van Pools recht (rov. 4.2 en 4.3). In het hoger beroep tegen het eindvonnis heeft [A] betoogd dat het conflictenrechtelijke oordeel van de rechtbank juist is en dat zijn vordering derhalve moet worden beoordeeld naar Pools recht.

In zijn eerste grief heeft [A] aangevoerd dat de rechtbank zijn vordering inhoudelijk niet heeft beoordeeld naar Pools recht, in het bijzonder art. 299 van de Poolse Commercial Companies Code, maar ten onrechte naar maatstaven die zijn ontleend aan het Nederlandse recht. In zijn tweede grief heeft [A] aangevoerd dat, voor het geval zijn vordering beoordeeld zou moeten worden naar Nederlands recht, de rechtbank de vordering ten onrechte heeft afgewezen. North and South c.s. zijn in hoger beroep niet verschenen. 3.5 Vast staat dat in hoger beroep geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [A] wordt beheerst door Pools recht.

Het hof heeft dit ook nadrukkelijk onderkend, zie rov. 3.4, eerste volzin (‘In deze zaak heeft [A] geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Pools recht van toepassing is.’). Dit is van belang, omdat het conflictenrecht in processuele zin niet van openbare orde is. Dit betekent dat het de appelrechter niet vrijstaat om ambtshalve, maar alleen in geval van een daartoe strekkende grief te oordelen over de vraag naar het toepasselijke recht. Ook het hof is hiervan uitgegaan, zie rov. 3.3, laatste volzin (‘(…) dat de appelrechter in beginsel – behoudens in geval van rechtsregels van processueel openbare orde, wat niet geldt voor de hier toe te passen conflictregels – slechts tot ambtshalve toepassing van rechtsregels mag komen binnen het door de grieven ontsloten gebied.’).

Tot zover heeft het hof geen rechtsregel geschonden met betrekking tot de toepassing van het conflictenrecht in hoger beroep. 3.6 Volgens het hof slaagt de eerste grief van [A] over de gebrekkige wijze waarop de rechtbank Pools recht heeft toegepast. Het slagen van deze grief betekent in de visie van het hof dat het op grond van de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel (ambtshalve) moet beoordelen welk recht de vordering van [A] beheerst (rov. 3.4, tweede volzin). Met het middel meen ik dat het hof hiermee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Het slagen van de eerste grief van [A] heeft tot gevolg dat het hof de vordering van [A] diende te beoordelen op basis van de stellingen van partijen uit de eerste aanleg die met het slagen van deze grief in appel weer voorliggen en niet zijn prijsgegeven. Het conflictenrecht behoort niet tot het door deze slagende grief ontsloten gebied. Wat met het slagen van de eerste grief in appel voorlag was de vraag of de vordering van [A] naar Pools recht toewijsbaar is of niet. Bij de beoordeling van die vraag had het hof, als gevolg van de slagende grief, de in eerste aanleg betrokken en in appel niet prijs gegeven stellingen van partijen hierover moeten betrekken.

Weliswaar is het conflictenrecht onderwerp van partijdebat geweest in het kader van het tussenvonnis, zoals het hof ook overweegt in rov. 3.4 (‘Uit het tussenvonnis blijkt dat van het partijdebat bij de rechtbank ook deel uitmaakte de vraag naar het toepasselijke recht.’), maar in hoger beroep lag het tussenvonnis en het conflictenrechtelijke partijdebat niet (meer) voor. In het verdere verloop van de procedure, na het tussenvonnis, is de toepasselijkheid van Pools recht tussen partijen niet in geschil geweest. De vraag volgens welk recht de vordering van [A] moet worden beoordeeld, werd derhalve in appel niet ontsloten door de slagende grief van [A]. 3.7 Bij deze stand van zaken was het hof niet vrij om de conflictenrechtelijke vraag in hoger beroep (ambtshalve) aan de orde te stellen.

Het hof was gehouden om de vordering van [A], in navolging van de rechtbank, te beoordelen naar Pools recht. Het bestreden arrest, waarin het hof de vordering van [A] heeft beoordeeld naar Nederlands recht, kan dan ook niet in stand blijven. In het geding na verwijzing zal de vordering van [A] alsnog beoordeeld moeten worden volgens het toepasselijke Poolse recht. 3.8 Het tweede onderdeel is voorgesteld onder de voorwaarde dat het eerste onderdeel geen doel treft. Het tweede onderdeel bevat klachten over ’s hofs beoordeling van de vordering van [A] naar Nederlands recht.

Nu het eerste onderdeel slaagt, heeft [A] geen belang bij het tweede onderdeel. 4Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie rov. 1-2 van het in cassatie bestreden arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 26 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2132 in verbinding met rov. 1-3 van het tussenvonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:4128 en rov. 1-3 van het eindvonnis van de rechtbank Overijssel, locatie, Almelo, van 15 februari 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:5359.

Zie nr. 1.3 van de memorie van grieven. Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, 26 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2132. Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, PbEU 2007, L 199/40. Zie memorie van grieven, nr. 3.2 (‘Bij tussenvonnis van 10 augustus 2022 heeft de rechtbank – terecht – overwogen dat op de onderhavige vorderingen van [A] Pools recht van toepassing is (…).’), nr. 3.5 (‘Centrale vraag die in hoger beroep voorligt is dan ook of geïntimeerden (naar Pools recht) veroordeeld moeten worden omdat zij ex art. 299 van de Poolse Commercial Companies Code aansprakelijk zijn.’), nr. 4.2 (‘Bij tussenvonnis van 10 augustus 2020 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de onderhavige zaak beoordeeld dient te worden naar Pools recht (…).

De vraag naar aansprakelijkheid van [verweerder 2] en North and South Holding dient echter niet naar Nederlands recht maar naar Pools recht beoordeeld te worden.’) en nr. 4.3 (‘Ter zake de vraag hoe de aansprakelijkheid van [verweerder 2] en North and South Holding naar Pools recht beoordeeld dient te worden heeft [A] (…) een aanvullende legal opinion aan een Poolse advocaat gevraagd. (…).’). HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:313, NJ 2023/96, rov. 3.1.6; HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200, NJ 2023/79, rov. 3.2.2 en 3.2.3; HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0632, NJ 2003/344, m.nt.

Th.M. de Boer, rov. 3.3.3. Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 2022/175; Asser/Vonken 10-I 2023/398; P.M.M. Mostermans, De processuele behandeling van het conflictenrecht, 1996, p. 151 e.v. Zie bijvoorbeeld HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:445, RvdW 2021/375, rov. 3.1.2; HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:838, RvdW 2015/479, rov. 3.3.2. Zie 2.14 van mijn conclusie.