Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2025:222 ECLI:NL:PHR:2025:222 AI generated

ECLI:NL:PHR:2025:222 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2025:222
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00459 Bv Zitting 18 februari 2025 AANVULLENDE CONCLUSIE P.M. Frielink In de zaak [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, hierna: de klager 1. Op 17 december 2024 heb ik een conclusie genomen in deze beklagzaak. In die conclusie adviseerde ik de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager, een verschoningsgerechtigde advocaat, te verwerpen en de zaak af te doen met een op art. 81 RO gebaseerde overweging.

Legislator headnote

AI generated

art. 552a Sv, art. 98 Sv; ECLI:NL:PHR:2025:222 · Parket bij de Hoge Raad: De wet bevat geen voorziening voor de verdere behandeling van een beklag ex art. 552a Sv na het overlijden van de klager. De Hoge Raad heeft echter uitgemaakt dat in een dergelijk geval het beklag moet worden geacht te zijn vervallen en de bestreden beschikking moet worden vernietigd. Het middel behoeft om die reden geen bespreking meer.

Keywords

AI generated
art. 552a Sv art. 98 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 552a Sv
De wet bevat geen voorziening voor de verdere behandeling van een beklag ex art. 552a Sv na het overlijden van de klager.
art. 98 Sv
552a Sv in verband met art. 98 Sv of aan een civiele procedure.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1991:ZC8700
HR 15 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8700, DD 91.268; HR 2 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD2114, DD 99.229; HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8803 en HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:899, NJ 2017/223.
ECLI:NL:HR:1999:ZD2114
HR 15 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8700, DD 91.268; HR 2 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD2114, DD 99.229; HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8803 en HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:899, NJ 2017/223.
ECLI:NL:HR:2002:AE8803
De bestreden beschikkingen 1.1.
ECLI:NL:HR:2017:899
16 mei 2017 Strafkamer nr. S 16/04578 B AKA Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 26 juli 2016, nummer RK 15/418, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door: [klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1930.
NJ 2017/223
HR 15 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8700, DD 91.268; HR 2 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD2114, DD 99.229; HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8803 en HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:899, NJ 2017/223.
ECLI:NL:HR:2023:128
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 21/01885 B Datum 31 januari 2023 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 20 april 2021, nummer RK 21/325, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de klager.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00459 Bv Zitting 18 februari 2025 AANVULLENDE CONCLUSIE P.M. Frielink In de zaak [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, hierna: de klager 1. Op 17 december 2024 heb ik een conclusie genomen in deze beklagzaak. In die conclusie adviseerde ik de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager, een verschoningsgerechtigde advocaat, te verwerpen en de zaak af te doen met een op art. 81 RO gebaseerde overweging.

2. Inmiddels is uit een door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam gewaarmerkt ‘uittreksel uit een overlijdensakte’ van 13 februari 2025 gebleken dat de klager op 24 juni 2024 in die gemeente is overleden.

3. De wet bevat geen voorziening voor de verdere behandeling van een beklag ex art. 552a Sv na het overlijden van de klager. De Hoge Raad heeft echter uitgemaakt dat in een dergelijk geval het beklag moet worden geacht te zijn vervallen en de bestreden beschikking moet worden vernietigd. Het middel behoeft om die reden geen bespreking meer.

4. Op zichzelf ligt het voor de hand deze lijn ook in de onderhavige zaak te volgen. Desalniettemin heb ik mij de vraag gesteld of deze lijn ook is aangewezen in beklagzaken waarin het verschoningsrecht van de advocaat speelt. Het verschoningsrecht is immers een groot goed, waarvoor in de wet en de jurisprudentie bijzondere voorzieningen zijn getroffen ter waarborging van dit recht. Ik zie echter niet in waarom de bijzondere aard van het verschoningsrecht ertoe zou moeten leiden, dat wanneer de klager een verschoningsgerechtigde advocaat is en deze gedurende de beklagprocedure komt te overlijden, het functionele verschoningsrecht zou dwingen tot een andere afdoening dan de vernietiging van de bestreden beschikking en het verval van het beklag. Mij zijn ook geen voorbeelden bekend van zaken waarin de Hoge Raad om bijzondere redenen van deze lijn is afgeweken en anders heeft geoordeeld.

5. Ten overvloede merk ik nog op dat de vernietiging van de bestreden beschikking en het verval van het beklag in de onderhavige zaak geen gevolgen heeft voor de in het klaagschrift verzochte en kennelijk reeds in 2016/2017 gerealiseerde teruggave van schriftelijke geheimhouderstukken en digitale gegevensdragers aan de cliënt van de klager. Voor zover op de server van de opsporingsautoriteiten nog kopieën van die teruggegeven digitale gegevensdragers staan – met daarop onder het verschoningsrecht van de advocaat vallend materiaal –, dan is het aan een eventueel opvolgend advocaat om ook hierop actie te ondernemen. Afhankelijk van de stand van zaken in de strafzaak kan worden gedacht aan een nieuw, specifiek hierop gericht beklag ex art. 552a Sv in verband met art. 98 Sv of aan een civiele procedure.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen en zal verstaan dat het beklag is vervallen. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Op dezelfde dag concludeerde ik ook in de twee samenhangende zaken 24/00461 en 24/00463. Als ik het goed zie is dat in het wetsvoorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering (kamerstukken 36327) evenmin het geval. Vgl. HR 15 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8700, DD 91.268; HR 2 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD2114, DD 99.229; HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8803 en HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:899, NJ 2017/223. Aldus expliciet overwogen in HR 2 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD2114, DD 99.229, rov. 4 en HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8803, rov.

5. Zie voor de voorwaarden HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.5.1 tot en met 2.5.4. Zie HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119, m.nt. H.B. Krans.