Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2024:968 ECLI:NL:PHR:2024:968 AI generated

ECLI:NL:PHR:2024:968 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2024:968
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01191 U Zitting 24 september 2024 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de opgeëiste persoon I. Inleiding De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 15 maart 2024 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard ter fine van “strafvervolging ter zake van de in de bijlagen bij het uitleveringsverzoek vermelde feit”. Namens de opgeëiste persoon heeft [de advocaat], twee middelen van cassatie voorgesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 13 EVRM, artikel 6 EVRM, ART. 6 EVRM; ECLI:NL:PHR:2024:968 · Parket bij de Hoge Raad: De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat personen met een Koerdische achtergrond reeds vanwege die achtergrond in Turkije te vrezen hebben voor een oneerlijk proces. Ook de stelling van de opgeëiste persoon dat zijn vervolging is ingegeven door politieke motieven, namelijk om hem monddood te maken wegens de compromitterende informatie waarover hij zou beschikken, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet onderbouwd. Door de raadsvrouw is gewezen op meerdere Turkse krantartikelen, maar daaruit kan de onderbouwing van voornoemde stelling niet volgen.

Keywords

AI generated
artikel 13 EVRM artikel 6 EVRM ART. 6 EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 13 EVRM
artikel 6 EVRM
Een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces is volgens het EHRM synoniem aan een proces dat manifest in strijd is met de bepalingen of principes verwoord in artikel 6 EVRM.
ART. 6 EVRM
Voor zover hier van belang heeft de raadsvrouw toen het volgende naar voren gebracht (met weglating van de voetnoten): “2 RISICO FLAGRANTE INBREUK ART. 6 EVRM 3.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2003:AE5288
8 juli 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U ABG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De procesgang 1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 20 mei 2003. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage vernietigd voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment, afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998, omschreven klacht ontoelaabaar is verklaard. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. 1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 is de opgeëiste persoon verschenen en is hij gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Wladimiroff, advocaat te 's-Gravenhage, die voor hem het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities. Ook heeft de opgeëiste persoon zelf het woord ter verdediging gevoerd. Zijn pleitnotities zijn eveneens aan voornoemd proces-verbaal gehecht. De Advocaat-Generaal Jörg heeft een schriftelijke samenvatting gegeven die ertoe strekt de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 toelaatbaar te verklaren. 2. Het verzoek tot uitlevering 2.1. Het hernieuwde verzoek tot uitlevering, verder aan te duiden als het verzoek, is gedaan bij nota no. 15 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 6 februari 2001, gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In dit verzoek wordt verwezen naar het hieronder onder 2.3 (i) nog te noemen, reeds eerder gedane, doch ingetrokken, verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon voor dezelfde strafbare feiten. 2.2. Het verzoek, voorzover thans nog aan de orde, strekt tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten 2 en 3, aangeduid als "prohibited foreign trade practices" en omschreven in de hieronder onder 2.3 (v) vermelde "affidavit in support of request for extradition" op p. 3 onder a t/m o. 2.3. De verzoekende staat heeft bij het verzoek de navolgende stukken overgelegd: (i) een nota no. 24 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 4 mei 2000 inhoudende een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging; (ii) een door de Assistant Authentication Officer, Department of State, gecertificeerde verklaring van Madeleine K. Albright, Secretary of State van 20 april 2000 dat het hierna onder (iii) genoemde document het zegel van het Department of Justice van de Verenigde Staten van Amerika draagt; (iii) een door de Director/Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division of the United States Department of Justice gecertificeerde verklaring van 19 april 2000 van Janet Reno, Attorney General of the United States, dat Russel Bikoff zowel ten tijde van de ondertekening van het daaraan gehechte document als ten tijde van het opmaken van de onderhavige verklaring Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division, U.S. Department of Justice, Washington DC, was; (iv) een verklaring van 19 april 2000 houdende de certificering door voornoemde Russel Bikoff van de onder (v) genoemde verklaring en onder (vi) genoemde bijlagen; (v) een door John M. Facciola, United States Magistrate Judge, beëdigd en door Philip Urofsky, employed by the United States Department of Justice as a Trial Attorney in the Criminal Division, op 31 maart 2000 afgelegde verklaring tot staving van het verzoek om uitlevering waarin is opgenomen de identiteit van de opgeëiste persoon, de nationaliteit, de vermoedelijke verblijfplaats, een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht met vermelding van plaats en tijd ervan, het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, de wettelijke omschrijving en de toepasselijke Amerikaanse strafbepalingen; (vi) de bijlagen, gevoegd bij de onder (v) genoemde verklaring: a. een gewaarmerkt afschrift van een Superseding Indictment van de United States District Court for the District of New Jersey, van 11 september 1998, houdende een nader overzicht van de feiten en het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, ondertekend door Nicholas R. Abitante, foreperson van de Grand Jury, en Faith S. Hochberg, United States Attorney; b. een gewaarmerkt afschrift van een door Anne E. Thompson, Chief, United States District Judge, te Trenton, New Jersey, gegeven Warrant for Arrest betreffende de opgeëiste persoon, inhoudende een korte aanduiding van de feiten (zonder datering); c. de tekst van de toepasselijke strafbepalingen van de desbetreffende Amerikaanse wet waarvoor uitlevering wordt verzocht en van de wetsbepalingen houdende de straf die op de feiten is gesteld; d. een foto van drie personen onder wie de opgeëiste persoon. Voorts bevinden zich bij de stukken de vertaling in het Nederlands van de hierboven onder (ii) t/m (vi) a t/m c aangeduide stukken. 3. Beoordeling van de gevoerde verweren 3.1.1. Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de bijzonderheden van de onderhavige zaak een inbreuk rechtvaardigen op het vertrouwensbeginsel dat de relatie tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden beheerst, aangezien de opgeëiste persoon het risico loopt te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op aan de opgeëiste persoon ingevolge het EVRM toekomende rechten. In het bijzonder wordt gesteld dat een plea agreement in strijd is met art. 6 EVRM. In dit verband wordt aangevoerd dat de verwachte duur van de procedure indien geen plea agreement wordt gesloten (full trial) onevenredig lang zal zijn in verhouding tot de situatie dat wel een plea agreement wordt gesloten. De opgeëiste persoon zou aldus in redelijkheid geen vrije keus hebben. Verder wordt gesteld dat gelet op de beschikbare gegevens de afdoening van de zaak, in geval van een full trial, vermoedelijk niet binnen een naar Nederlandse maatstaven redelijk te achten termijn zal plaatsvinden. Tot slot wordt betoogd dat de eventuele toepassing van de terugkeerregeling en omzettingsprocedure illusoir zal zijn, omdat de te verwachten vrijheidsstraf waarschijnlijk zodanig zal zijn dat deze reeds zal zijn ondergaan voordat terugkeer naar Nederland zal zijn geëffectueerd vanwege de procedurele complicaties en doorlooptijden. 3.1.2. Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (Trb. 1980, 111) heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika. De Hoge Raad neemt derhalve als uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren. Dat brengt mee dat evenzeer van dat vertrouwen uitgegaan moet worden bij toepassing in de Verenigde Staten van Amerika van het aldaar tot de strafprocessuele mogelijkheden behorende systeem dat een verdachte in voorkomend geval een plea agreement kan aangaan. Die mogelijkheid bestond immers ook reeds ten tijde van de bilaterale onderhandelingen die tot het onderhavige uitleveringsverdrag hebben geleid. Dit vertrouwensbeginsel kan uitzondering lijden, voor wat betreft art. 6 EVRM, indien blijkt dat de op-geëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het vermelde uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat. 3.1.3. Gelet op de door de raadsman hiervoor onder 3.1.1 gestelde omstandigheden, welke alle betrekking hebben op toekomstige gebeurtenissen waaromtrent nog niets met zekerheid is vast te stellen noch ten nadele noch ten voordele van de opgeëiste persoon, kan mede in het licht van het voorgaande niet worden gezegd, dat tussen de mogelijkheden waaruit de opgeëiste persoon zal moeten kiezen - het ondergaan van een full trial dan wel het aangaan van een plea agreement - gelet op de duur van de onderscheiden procedures en de mogelijke verschillen in uitkomst een zodanige flagrante wanverhouding bestaat, dat de opgeëiste persoon wordt gedwongen een plea agreement aan te gaan. Het verweer wordt derhalve verworpen. 3.1.4. Ten aanzien van het verweer dat, indien het tot een full trial in de Verenigde Staten van Amerika komt, er vermoedelijk geen sprake zal zijn van een berechting binnen een redelijke termijn, geldt dat dat enkele vermoeden niet dwingt tot het oordeel dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. 3.1.5. Het betoog tenslotte dat de terugkeerregeling illusoir kan blijken te zijn - gelet enerzijds op de te verwachten hoogte van de straf en anderzijds op de duur van de administratieve afhandeling van de terugkeer naar Nederland - wordt gevoerd met de kennelijke strekking dat op grond daarvan de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Dat betoog faalt, aangezien daarmee wordt miskend dat het de uitleveringsrechter niet vrijstaat bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering de vraag te betrekken of de opgeëiste persoon zal kunnen terugkeren naar Nederland teneinde aldaar de opgelegde vrijheidsstraf (verder) te ondergaan en of die terugkeer daartoe tijdig zal geschieden. 3.2.1. Verder is door de raadsman ten verwere aangevoerd dat het legaliteitsbeginsel wordt geschonden, indien de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika zou worden uitgeleverd. Nederland kan de opgeëiste persoon zelf niet vervolgen voor de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, aangezien deze feiten ten tijde van het begaan ervan niet strafbaar waren naar Nederlands recht, aldus de raadsman. 3.2.2. Met dit betoog wordt miskend dat de rechter de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft te beoordelen naar het tijdstip van de behandeling van het verzoek daartoe. In dit geval staat vast dat de feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht, inmiddels in Nederland strafbaar zijn gesteld. Derhalve faalt het betoog. 3.2.3. Voorzover het verweer tevens moet worden bezien in het verband van een te zijner tijd te nemen beslissing op een verzoek tot overdracht van de opgeëiste persoon naar Nederland teneinde hier de vrijheidsstraf (verder) te ondergaan, faalt het verweer op de door de Hoge Raad reeds in zijn te dezer zake gewezen tussenarrest van 20 mei 2003 gegeven gronden. 3.3.1. Tenslotte heeft de raadsman gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard, omdat niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 gehechte en daarvan deel uitmakende pleitnota heeft hij daartoe het volgende aangevoerd: "17. Overigens merk ik nog op dat de verdenkingen krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, aanvankelijk alleen de corrupte betaling van eigen onderdanen en van bedrijven gevestigd in de Verenigde Staten aan buitenlandse officials strafbaar stelde. Eerst sinds 1998 stelt deze wet dergelijk handelen van buitenlanders en buitenlandse bedrijven ook strafbaar. Kort en goed: hetgeen cliënt wordt verweten was ten tijde van de gedraging ook niet strafbaar in de Verenigde Staten (krachtens de FCPA)." 3.3.2. Uit de omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, blijkt dat de verdenking tegen de opgeëiste persoon bestaat ter zake van gedragingen van hem in zijn hoedanigheid van onder meer voorzitter van de raad van beheer van Saybolt North America Inc., een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde onderneming. De Foreign Corrupt Practices Act 1977 is derhalve ook op deze onderneming van toepassing. Het verweer mist dan ook feitelijke grondslag. 4. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering 4.1. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering ter strafvervolging als volgt. 4.2. De persoon die is gehoord ter zitting van 10 juni 2003 heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], de persoon op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft, en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. 4.3. De stukken voldoen aan de eisen die art. 9, tweede en derde lid, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika stellen. Ook is voldaan aan art. 18 Uitleveringswet. 4.4. De feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, zijn naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika strafbaar krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, United States Code, titel 15, art. 78DD-2 en titel 18, art. 2. Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.5. Naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar als het misdrijf van art. 177 Sr en/of het misdrijf van art. 177a Sr, in verbinding met art. 178a Sr (omkoping van buitenlandse ambtenaren). Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.6. Aan het in art. 2 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gestelde vereiste van dubbele strafbaarheid is derhalve voldaan. 5. Slotsom Aangezien de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg zouden staan, dient, gelet op het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, als volgt te worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad verklaart de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar voor de onder 2.2 bedoelde, in het verzoek onder 2 en 3 aangeduide, feiten. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 8 juli 2003. 20 mei 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/DAT Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het beroep en het middel zijn uitsluitend gericht tegen de weigering de verzochte uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de in het verzoek onder 2 en 3 genoemde feiten, te weten: - verboden buitenlandse handelspraktijken, in overtreding van titel 15, art. 78DD-2 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek; - reizen naar het buitenland en van Staat naar Staat ten behoeve van criminele ondernemingen, in overtreding van titel 18, art. 1952 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek. Namens de opgeëiste persoon is het cassatieberoep tegengesproken door mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep op grond dat de schriftuur niet is ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 2.2. Bij tussenarrest van 3 december 2002 heeft de Hoge Raad de Officier van Justitie ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Kort samengevat heeft de Hoge Raad geoordeeld: dat een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW meebrengt dat de officier van justitie in uitleveringszaken gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen, en dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak op 10 juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 2.3. De Hoge Raad gedraagt zich naar het tussenarrest. Weliswaar is nadien namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep op grond dat de uitspraak niet op 10 juni 2002, maar op 4 juni 2002 ter beschikking is gekomen, maar de juistheid van hetgeen aldus is aangevoerd kan in het midden blijven nu vaststaat dat het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank niet eerder dan eind juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen. 2.4. De Advocaat-Generaal Jörg heeft aanvullend geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en een dag zal bepalen waarop de zaak voor de Hoge Raad zal dienen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel komt met rechtsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 ontoelaatbaar dient te worden verklaard. 3.2. De Rechtbank heeft de uitlevering voor die feiten ontoelaatbaar verklaard en daartoe het volgende overwogen: "De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De Verenigde Staten van Amerika en Nederland zijn beide partij bij het op 21 maart 1983 gesloten Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. In verbinding met de exchange of letters of understanding, General Affairs Department DA2/J2-ISN-38245 No 81 van 11 juli 1991 zou dus technisch de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika ter zake van het feitencomplex sub 2 en sub 3, waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, teruglevering aan Nederland gegarandeerd kunnen worden om in Nederland tenuitvoerlegging van het gewijsde te ondergaan of verder te ondergaan. Ten tijde van de periode waarin het feitencomplex sub 2 en sub 3 volgens het uitleveringsverzoek zou zijn begaan, was dit complex als zodanig niet strafbaar naar Nederlands recht. De rechtbank zou door in casu uitlevering toe te laten, voorziend dat wegens het hierna te noemen legaliteitsbeginsel exequatur bij teruglevering in zoverre geweigerd zou moeten worden, inbreuk maken op het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht ongeclausuleerde en onvoorwaardelijk verbod tot berechting en bestraffing van iemand ter zake van feiten die ten tijde van begaan daarvan niet bij of krachtens de Nederlandse wet strafbaar waren gesteld. Immers, de opgeëiste persoon heeft, zoals overwogen, de Nederlandse nationaliteit en bij teruglevering van de opgeëiste persoon aan Nederland zou overneming en positieve erkenning van het veroordelend gewijsde een inbreuk inhouden van dit ongeclausuleerde verbod. Weliswaar kan het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 7 van het EVRM - waaraan Nederland als verdragsluitende partij gebonden is - vervatte legaliteitsbeginsel door verdragen of krachtens besluiten van volkenrechtelijke organisaties opzij worden gezet, zoals de Hoge Raad uitdrukkelijk overweegt in zijn arrest van 18 december 2001 in de zaak tegen [A] (de Hoge Raad leest: HR 18 september 2001, NJ 2002, 559), zulks op een voordracht tot cassatie in het belang der wet van een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 20 november 2000, maar in het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag is geen voorziening opgenomen waaruit deze terzijdestelling zou volgen. Derhalve staat vooralsnog vast dat aan enige veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika voor de sub 2 en 3 genoemde feiten als gekwalificeerd in het uitleveringsverzoek, bij teruglevering exequatur geweigerd zal moeten worden. De uitlevering dient mitsdien voor deze feiten op voornoemde gronden ontoelaatbaar verklaard te worden. Mochten de Verenigde Staten van Amerika slechts voornemens zijn geldboetes op te leggen, dan dient te gelden dat het te dezen toepasselijke verdrag niet voorziet in rechtshulp daartoe." 3.3. De eerste klacht van het middel, die in een aantal onderdelen uiteenvalt, is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat in geval van een veroordeling in de Verenigde Staten van Amerika ter zake van genoemde feiten het exequatur - waarmee de Rechtbank klaarblijkelijk doelt op het verlof tot tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) - geweigerd zou moeten worden. Het meest verstrekkende onderdeel van die klacht luidt dat de Rechtbank aldus ten onrechte is vooruitgelopen op de beslissing van de exequaturrechter. Dit onderdeel van de klacht treft doel. De beantwoording van de vraag of verlof dient te worden verleend tot tenuitvoerlegging van een vonnis van een buitenlandse rechter is voorbehouden aan de rechter die daaromtrent ingevolge de bepalingen van de WOTS heeft te oordelen. Het staat de uitleveringsrechter niet vrij de (te verwachten) beantwoording van die vraag bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering te betrekken. De gegrondheid van dit onderdeel van de klacht brengt mee dat de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven en de overige klachten geen bespreking behoeven. 3.4. Niettemin vindt de Hoge Raad aanleiding het middel nog te bespreken voorzover het kennelijk strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de exequaturrechter - na overdracht van de gevonniste persoon aan Nederland - het vereiste van strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht (art. 3, eerste lid onder c, WOTS) dient te beoordelen naar het moment waarop die feiten zijn gepleegd. Het middel bestrijdt dat oordeel terecht. De strekking van genoemd vereiste is immers te voorkomen dat Nederland medewerking zou moeten verlenen aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht. Voor de beantwoording van de vraag of aan dat vereiste is voldaan is daarom beslissend of de desbetreffende feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn ten tijde van de beslissing van de daartoe ingevolge de WOTS aangewezen rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging. Het verlenen door die rechter van een verlof tot tenuitvoerlegging kan niet worden aangemerkt als "berechting en bestraffing" van die feiten, zodat, anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, in geval van een dergelijk verlof ten aanzien van feiten die op het tijdstip waarop zij zijn gepleegd naar Nederlands recht nog niet strafbaar waren gesteld, van schending van het legaliteitsbeginsel geen sprake kan zijn. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998 omschreven aanklacht ontoelaatbaar is verklaard; Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 te 12:00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 mei 2003. ======================= 3 december 2002 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/SM Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De raadsvrouwe van de opgeëiste persoon, mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, heeft het cassatieberoep tegengesproken. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. In zijn verweerschrift tegen het cassatieberoep is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde beroep, aangezien de middelen niet zijn ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 3.2. Op grond van art. 31, derde lid, UW is de Officier van Justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie. 3.3. Het cassatieberoep is blijkens de daarvan opgemaakte akte ingesteld op 31 mei 2002. De schriftuur is blijkens een daarop geplaatst stempel op 9 juli 2002 bij de Hoge Raad ingekomen. De schriftuur is derhalve niet binnen de bij de wet bepaalde termijn ingediend. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter een schrijven van de Officier van Justitie van 19 juli 2002, inhoudende dat zij eerst op 10 juni 2002 kon beschikken over de uitgewerkte uitspraak. De Hoge Raad gaat uit van de juistheid van deze mededeling. Kennelijk heeft de Officier van Justitie aangenomen dat de wettelijke termijn van een maand voor het indienen van de schriftuur aanving op de datum van ontvangst van de uitgewerkte uitspraak waartegen het cassatieberoep was gericht. 3.4. In zijn beslissing van 16 april 1996, NJ 1996, 527, heeft de Hoge Raad in een strafzaak waarin het openbaar ministerie een van de kernstukken van het geding - het proces-verbaal van de terechtzitting - pas na verloop van de termijn voor het indienen van de schriftuur had ontvangen, beslist dat een redelijke toepassing van art. 433 (oud) Sv meebrengt dat die termijn pas begint te lopen na de ontvangst van het ontbrekende stuk. 3.5.1. Sedert de inwerkingtreding op 1 oktober 2000 van de wetswijziging van 28 oktober 1999, Stb. 467, is de regeling voor het indienen van de cassatieschriftuur in strafzaken neergelegd in art. 437 Sv. De termijn voor het indienen van de schriftuur van een maand vangt voor het openbaar ministerie thans aan nadat de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv aan hem is verzonden. Ook de verdachte is thans op straffe van niet-ontvankelijkheid gehouden zijn schriftuur binnen een termijn (twee maanden) nadat de aanzegging aan hem is betekend te doen indienen. 3.5.2. Voor de toepassing van art. 437 Sv heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 4 juli 2000, NJ 2000, 581, in een geval waarin de raadsman van een verdachte de kernstukken van het geding niet tijdig had ontvangen, beslist dat een dergelijk verzuim van de strafadministratie kan meebrengen dat de raadsman door de rolraadsheer (de enkelvoudige strafkamer van de Hoge Raad) desverzocht alsnog een termijn wordt gegund om een aanvullend middel in te dienen na toezending van de desbetreffende stukken voorzover kennisneming van die stukken onontbeerlijk is voor het formuleren van de middelen. Naar de stand van de huidige rechtspraak is het dan ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de officier van justitie onderscheidenlijk de verdachte een nadere termijn voor het indienen van de middelen wordt gegund en geldt niet meer de hiervoor onder 3.4 gegeven regel dat in ieder geval aanspraak kan worden gemaakt op de volle termijn vanaf de ontvangst van de kernstukken. 3.6. De te beantwoorden vraag is thans of het vorenstaande evenzeer geldt in uitleveringszaken. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. De regeling van art. 31, derde lid, UW wijkt in zoverre af van die van art. 437 Sv dat de termijn van een maand, waarbinnen de officier van justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid zijn schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad moet indienen, niet aanvangt na de verzending van een aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv, derhalve nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, maar nadat hij het beroep in cassatie heeft ingesteld. De opgeëiste persoon die beroep in cassatie instelt kan, anders dan de officier van justitie, een schriftuur indienen, en wel tot de dienende dag. 3.7. Dit verschil tussen de regeling van het Wetboek van Strafvordering en die van de Uitleveringswet heeft tot gevolg dat zaken waarin art. 437 Sv van toepassing is, reeds wel bij de Hoge Raad bekend zijn op het moment dat de termijn voor het indienen van de schriftuur begint te lopen, zodat de rolraadsheer dienaangaande in voorkomend geval kan beoordelen of er aanleiding is een nadere termijn te gunnen, terwijl de stukken van het geding in uitleveringszaken veelal nog niet bij de Hoge Raad ingekomen zijn in de fase waarin de wettelijke termijn voor het indienen van de schriftuur voor de officier van justitie loopt. De rolraadsheer zal in die gevallen dan ook niet in staat zijn een verzoek om verlenging van de termijn te beoordelen. 3.8. Gelet hierop brengt een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW mee dat de officier van justitie in uitleveringszaken, naar analogie van de hiervoor onder 3.4 weergegeven - voor strafzaken inmiddels achterhaalde - rechtspraak, gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen. 3.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 4. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat het door de Officier van Justitie ingestelde beroep in behandeling kan worden genomen. De zaak dient - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - te worden verwezen naar de rolzitting van de Hoge Raad voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel. 5. Beslissing De Hoge Raad: Verklaart de Officier van Justitie ontvankelijk in het cassatieberoep; Verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2003 voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel; Houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 december 2002.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01191 U Zitting 24 september 2024 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de opgeëiste persoon I. Inleiding De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 15 maart 2024 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard ter fine van “strafvervolging ter zake van de in de bijlagen bij het uitleveringsverzoek vermelde feit”. Namens de opgeëiste persoon heeft [de advocaat], twee middelen van cassatie voorgesteld.

Alvorens deze middelen te bespreken, geef ik hieronder het uitleveringsverzoek, de bestreden beslissing van de rechtbank en het door en namens de opgeëiste persoon gevoerde verweer weer. II. Het uitleveringsverzoek 4. De uitlevering van de opgeëiste persoon is bij schrijven van 14 december 2023 verzocht in verband met een verdenking van medeplegen van moord op [slachtoffer 1] en diens chauffeur [slachtoffer 2] op 8 februari 2022 in Cyprus. Het, in het (Engelstalige) uitleveringsverzoek beschreven, feitenrelaas houdt daarover het volgende in: “On 08/02/2022 at around 18:45, in the Turkish Republic of Northern Cyprus, the persons named [slachtoffer 1] and [slachtoffer 2] were attacked with long barreled firearms and they lost their lives.

It was determined that [slachtoffer 1] was the main target of the attack. The person named [slachtoffer 2] was the driver of [slachtoffer 1] . While they were on the road together in the same vehicle, a vehicle stopped in a parked manner in the narrowing part of the road. Upon this, [slachtoffer 2] honked the horn for this vehicle. However, the vehicle did not move out of the road. In the meantime, with the automatic rifles which have intensively quick-firing capability, shots were fired at the vehicle in which [slachtoffer 1] and [slachtoffer 2] were present.

During the performed autopsies of [slachtoffer 1] and [slachtoffer 2] , it was understood that they died as a result of firearm injury. […]” 5. Over de vermeende betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij deze moorden zegt het uitleveringsverzoek onder het hoofd “Evidence against the accused” het volgende: “It was understood that on 01.11.2021, [opgeëiste persoon] went to the Turkish Republic of Northern Cyprus from Istanbul on the same plane with the accused [betrokkene 1] , who is detained with regard to the file pertaining to the murdering of [slachtoffer 1] and [slachtoffer 2] .

On 04/11/2021, on his social media account, [betrokkene 1] shared a photograph in which there were three male persons. It was determined that there was a retrospective close relationship between [opgeëiste persoon] and the aforesaid persons appearing in the photograph. For this reason, there exists a strong suspicion on the fact that there is a relationship between the accused [opgeëiste persoon] and [betrokkene 1] who is among the persons who committed the act in the TRNC. Furthermore, it was detected that he had connections, such as joint hotel accommodation records and joint flight records, with the persons appearing in the photograph in question and the accused [betrokkene 2] who is currently detained with regard to this case file.

It was detected that there exists the base station information indicating that [opgeëiste persoon] met [betrokkene 3] [betrokkene 2] , who is also considered to be among the persons who committed the act of premeditated murder, both before and after the incident. During the research carried out by the Department of Fight Against Organized Crime of the Security Directorate of Istanbul, it was determined that the person left the country shortly after the incident. Upon this, it was detected that he was the person who previously controlled the money transfers of the victim [slachtoffer 1] who was killed at the incident.

It was detected that: [opgeëiste persoon] was in contact with [betrokkene 2] and [betrokkene 1] . His common HTS Record with the aforesaid persons is available. It was detected that: His common or close base station movements with [betrokkene 2] , [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 5] and [betrokkene 1] are available. Moreover, his contact record is available with more than one number which gave base signals in the vicinity of Çatalköy where the aforementioned act took place. It was understood that a record is available regarding his entry into our country through Kapikule Land Border Gate in Edirne at 12:31 on 31.01.2022.

Regarding the HTS records, it was understood that he had a common (0.00 meter) signal coexistence record with [betrokkene 6] , who is the other accused of the file, at the location giving signals of base information in [a-straat 1] IN [plaats] on the same day at 21:32. When the accused [opgeëiste persoon] flight records for the last two years were examined, it was understood that: There are 18 flight records from the TRNC to Türkiye. There are 15 flight records from Türkiye to the TRNC. There is a flight record to Cyprus one day after 08.02.2022 which is the date when the act of murder was committed.

One day following this, that is to say on 10.02.2022, there is a record for entry into our country from the TRNC. However, there is no record for exit from our country. In addition, as a result of the HTS Base Examination conducted over the GSM line belonging to the concerned person, it was understood that: When the person came to Türkiye, his mobile gave close base station signals both on 10/02/2022 and on 11/02/2022 with [betrokkene 3] who is the leader of the criminal organization considered to have committed the incident.” III. De bestreden beslissing 6.

Ten aanzien van de toelaatbaarheid van de uitlevering heeft de rechtbank – voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang – het volgende overwogen: “3.7 (Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten Namens de opgeëiste persoon is aangevoerd [dat] sprake is van een dreigende flagrante schending van zijn recht op een eerlijk proces, waartegen hem na zijn uitlevering niet een effectief rechtsmiddel ten dienste staat. 3.7.1 Juridisch kader Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een verdragsrelatie, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vgl. Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

Dit uitgangspunt lijdt echter uitzondering indien bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM, toekomend recht en dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat. Ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM heeft een ieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Kort gezegd gaat het hier om het recht op een eerlijk proces. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat niet snel sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM. Een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces is volgens het EHRM synoniem aan een proces dat manifest in strijd is met de bepalingen of principes verwoord in artikel 6 EVRM. Een van de belangrijkste rechten die voortvloeien uit artikel 6 EVRM is het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.

Dat is een absoluut recht waarvan geen derogatie mogelijk is. Schending van dat recht is manifest in strijd met de bepalingen en principes verwoord in artikel 6 EVRM en levert naar het oordeel van de rechtbank zodoende een flagrante schending van artikel 6 EVRM op. 3.7.2 Toepassing van het juridisch kader in deze zaak Op basis van hetgeen de opgeëiste persoon heeft aangevoerd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. Voor zover de opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat hem geen eerlijk proces te wachten staat omdat hij aanhanger is van de Gülen-beweging, stelt de rechtbank voorop dat de opgeëiste persoon niet wordt vervolgd voor deelname aan de (door de Turkse overheid als terroristisch bestempelde) Gülen-beweging, maar dat sprake is van een commune strafzaak.

Aanwijzingen dat de Turkse overheid structureel invloed of druk uitoefent op de rechterlijke macht in commune strafzaken, zijn de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht onvoldoende concreet onderbouwd dat in het geval van de opgeëiste persoon wel sprake van dergelijke politieke invloed of druk zou zijn. Hierbij overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon zich op enige wijze in het openbaar heeft gepresenteerd als (prominent) aanhanger van de Gülen-beweging. Dat hij op een Gülen-school heeft gezeten en aan een Gülen-universiteit heeft gestudeerd is in dit verband weinig onderscheidend, aangezien met hem vele miljoenen Turken onderwijs aan deze instellingen hebben genoten.

In de brief van [opgeëiste persoon] staat weliswaar dat de opgeëiste persoon hem onderdak heeft verleend in 2016 en dat daarom tegen de opgeëiste persoon een FETÖ-onderzoek is geopend, maar [opgeëiste persoon] heeft dit in het geheel niet onderbouwd en ook niet vermeld hoe hij dit weet. De opgeëiste persoon zelf heeft dit evenmin nader onderbouwd of geconcretiseerd. De rechtbank zal hier daarom aan voorbij gaan. Voor zover de opgeëiste persoon heeft betoogd dat hij zich tevens in een kwetsbare positie bevindt doordat hij van Koerdische afkomst is, geldt dat niet is gebleken dat hij ook actief is binnen pro-Koerdische oppositiepartijen dan wel dat hij op andere wijze actief betrokken is of is geweest bij de Koerdische onafhankelijkheidsstrijd en dat dit bekend is bij de Turkse autoriteiten.

De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat personen met een Koerdische achtergrond reeds vanwege die achtergrond in Turkije te vrezen hebben voor een oneerlijk proces. Ook de stelling van de opgeëiste persoon dat zijn vervolging is ingegeven door politieke motieven, namelijk om hem monddood te maken wegens de compromitterende informatie waarover hij zou beschikken, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet onderbouwd. Door de raadsvrouw is gewezen op meerdere Turkse krantartikelen, maar daaruit kan de onderbouwing van voornoemde stelling niet volgen.

Deze krantartikelen gaan immers met name over [slachtoffer 1] en diens (vermeende) banden met hooggeplaatste Turkse politici, maar niet over diens (ex-)werknemers in het algemeen en de opgeëiste persoon in het bijzonder. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat de opgeëiste persoon niet de enige is die van de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wordt verdacht. Vier personen zijn – zo blijkt uit het door het openbaar ministerie overgelegde krantartikel – hiervoor reeds veroordeeld terwijl twee personen van betrokkenheid daarbij zijn vrijgesproken.

Concluderend is daarmee onvoldoende concreet onderbouwd dat de vervolging waarop het uitleveringsverzoek is gestoeld is ingegeven door politieke motieven. Voor zover namens de opgeëiste persoon is verzocht zijn stellingen hierover nader te mogen onderbouwen door middel van berichten die zich op zijn in beslag genomen telefoon zouden bevinden, wijst de rechtbank dat verzoek af. Het enkele feit dat de Turkse autoriteiten hem, zoals hij heeft gesteld, om zijn gegevensdragers zouden hebben gevraagd en dat dit zou blijken uit die berichten, zou bovengenoemd oordeel niet anders kunnen maken.

Zo’n verzoek zou namelijk net zo goed in een ander kader gedaan kunnen zijn. Voor zover de opgeëiste persoon er in algemene zin op heeft gewezen dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak in Turkije onder druk staat, overweegt de rechtbank dat dat niet maakt dat moet worden geconcludeerd dat er voor de opgeëiste persoon geen effectief rechtsmiddel is, temeer nu Turkije het EVRM heeft geratificeerd.” IV.Het gevoerde verweer 7. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 1 maart 2024 heeft de opgeëiste persoon (onder meer) het volgende verklaard:

“Ik heb niets te maken met enige criminaliteit, ook niet de moord waar u het over heeft. Ik ben naar Nederland gekomen juist omdat ik vind dat er geen recht wordt toegepast in Turkije en omdat ik tegen de regering van Erdogan ben. Sinds ik mijn land heb verlaten, heb ik niet in de illegaliteit geleefd. Ik ben overal met mijn paspoort heen gereisd. Ik heb een voorkeur voor Nederland omdat hier rechtvaardigheid bestaat en er een rechtssysteem geldt. Ik heb een gezin, dus ik heb geen enkele reden om te vluchten. Ik ben mijn land uit gereisd omdat mijn leven daar niet veilig was.

Ik wilde dat kon worden bewezen dat ik niet heb gedaan waarvan ik word beschuldigd. Als er rechtvaardigheid en een onafhankelijk rechtssysteem in mijn land waren, dan hoefde ik niet te vluchten. […] In juli kwam in de Turkse media de melding dat ik door Interpol werd gezocht. Ik ben nooit een voorstander geweest van vluchten en ik ben ook niet gevlucht. Ik heb een normaal leven voortgezet. Ik ben hierheen gekomen omdat ik tegen Erdogan ben en in verband met wat er op 17 en 25 december 2014 is gebeurd. De officier van justitie die de zaak tegen Erdogan deed met betrekking tot wat er toen gebeurd is, dat is een vriend van mij.

Hij maakte deel uit van de Gülen-beweging. Ik heb hem een halfjaar lang onderdak geboden in mijn huis. Er wordt druk op ons uitgeoefend omdat ik deel uit maakte van de Gülen-beweging, onder andere omdat ik op Gülen-scholen heb gezeten. De gebeurtenissen rondom mijn baas [slachtoffer 1] heb ik op het nieuws gehoord. Ik ben naar Cyprus gegaan om zijn begrafenis bij te wonen. De politie heeft toen ook mijn verklaring afgenomen. Later ben ik ook weer in vrijheid gesteld, maar omdat er geen rechtssysteem bestaat, kan alles elk moment weer veranderen.

Het is de eerste keer in mijn leven dat ik vastzit. Ik was niet thuis met kerst en mijn verjaardag. Morgen is de verjaardag van mijn echtgenote. Ik houd van mijn gezin. Ik wil niet vluchten. Dat is de reden dat ik direct nadat ik hier kwam asiel heb aangevraagd. Ik heb het in juli op tv gezien en in de kranten, maar ik ben niet weggevlucht. Als de politie mij had opgeroepen, dan was ik daarheen gegaan. Alleen de schuldige mensen nemen de benen. […].” 8. Voorts blijkt uit vorengenoemd proces-verbaal dat de raadsvrouw het woord heeft gevoerd overeenkomstig haar overgelegde pleitaantekeningen (als bijlage 1 aan dat proces-verbaal gehecht).

Voor zover hier van belang heeft de raadsvrouw toen het volgende naar voren gebracht (met weglating van de voetnoten): “2 RISICO FLAGRANTE INBREUK ART. 6 EVRM 3. Uw rechtbank kan de uitlevering ontoelaatbaar verklaren wegens een dreigende schending van art. 6 EVRM. Dit kan als a) uitlevering [opgeëiste persoon] blootstelt aan een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM en b) hem na zijn uitlevering niet een effectief rechtsmiddel toekomt. Aan deze vereisten is voldaan. 2.1 Gülen-beweging 4. Allereerst loopt [opgeëiste persoon] bij uitlevering het risico op een flagrante schending van art. 6 EVRM, gelet op zijn banden met de Gülenbeweging.

5. In het arrest van 31 oktober 2017 wees het Gerechtshof Den Haag al op de ontwikkelingen in Turkije sinds de mislukte staatsgreep van 15 juli 2016. Hierdoor staat het rechtssysteem in Turkije onder (grote) druk. Volgens het Hof bevinden meer in het bijzonder bepaalde personen zich in een kwetsbare positie, zoals (vermeende aanhangers van de Gülenbeweging, personen die betrokken zijn (geweest) bij het corruptieonderzoek tegen (familie van) overheidsdienaren van de regering Erdogan en personen met een Koerdische achtergrond en (vermeende) banden met de PKK. 6. [opgeëiste persoon] voldoet aan bijna alle criteria.

Zo heeft hij een Koerdische achtergrond en heeft hij ook meer informatie over corruptie binnen de regering van Erdogan (hierover straks meer). Ook is cliënt gelinkt aan de Gülenbeweging. Op voorhand heb ik uw rechtbank een brief toegezonden met daarbij een verklaring van [opgeëiste persoon] . 7. [opgeëiste persoon] heeft 16 jaar als openbaar aanklager in Turkije gewerkt en maakt al 35 jaar deel uit van de Gülenbeweging. Hij speelde een actieve rol in de corruptiezaak tegen Erdogan. Hij is één van de 5000 rechters en openbaar aanklagers die na de couppoging in 2016 uit zijn functie is ontheven.

Na zijn ontslag heeft hij twee jaar in de gevangenis doorgebracht. Inmiddels is hij naar Duitsland gevlucht en heeft hij daar een verblijfsvergunning. 8. [opgeëiste persoon] schrijft in zijn verklaring dat [opgeëiste persoon] hem in 2016 in zijn huis verborg, toen hij politiek voortvluchtig was. Daarom werd er later een FETÖ-onderzoek tegen hem geopend op basis van de verklaringen van anonieme getuigen. [opgeëiste persoon] behoort tot de door het Gerechtshof Den Haag bedoelde kwetsbare groepen. Niet alleen heeft hij aan Gülenscholen zijn opleiding gevolgd, ook heeft hij een vooraanstaand lid van de beweging onderdak verleend.

Reeds daarom heeft de Turkse justitie hem al geruime tijd in het vizier, zal hij in Turkije geen eerlijk proces krijgen en loopt zijn leven gevaar. 2.2 Schandalen [slachtoffer 1] en AKP 9. Daarnaast werkte [opgeëiste persoon] , zoals gezegd, voor een van de bedrijven van de omgebrachte [slachtoffer 1] . Voorafgaand aan de zitting heb ik een aantal artikelen opgestuurd uit de Turkse media. Hieruit blijkt dat de banden tussen de geruchtmakende [slachtoffer 1] en Turkse prominente AK-politici, vlak voor zijn dood openbaar zijn gemaakt. Erdogan en zijn ministers zijn hierdoor in grote verlegenheid gebracht. 10. [slachtoffer 1] had zowel met de politici van UBP in de Turkse Republiek Noord-Cyprus als met politici van de AK-partij in Turkije nauwe betrekkingen.

Hierdoor kon hij zijn rijkdom vergroten. [betrokkene 7] , een leider van een rivaliserende criminele organisatie, onthulde dit vlak voor de dood van [slachtoffer 1] .

11. Uit de artikelen blijkt dat de zonen van de hoofdadviseur van Erdogan (een van hen was tevens viceminister van Buitenlandse Zaken) zakenpartners van [slachtoffer 1] waren. Ook toen al een arrestatiebevel tegen [slachtoffer 1] was uitgevaardigd. Daarnaast zou de minister van Binnenlandse Zaken via [slachtoffer 1] bij grootschalige drugshandel betrokken zijn.

12. Na de arrestatie van [slachtoffer 1] kwam naar voren dat hij over chantagemateriaal beschikte. Dit materiaal zou hij hebben ingezet toen hij naar de gevangenis moest. Vanuit de gevangenis chanteerde hij politici en ambtenaren. Vervolgens werd hij vrijgelaten en werden de aanklachten tegen hem ingetrokken. [slachtoffer 1] bezat ‘chantagetapes’ met betrekking tot zowel Turkse als Cypriotische politici. Door met deze tapes druk uit te oefenen op politici en bureaucraten, breidde [slachtoffer 1] zijn drugshandel en illegale gokactiviteiten uit. Sommige van deze tapes vielen in handen van [betrokkene 7] en werden gepubliceerd.

13. De nieuwssite Boldmedya schrijft dat alle namen van personen die [betrokkene 7] onthulde – en die banden hebben met de AKP – één voor één worden vermoord. Boldmedya schrijft dat opvalt dat de moord op [slachtoffer 1] plaatsvond op een klein eiland, op een centrale locatie vol beveiligingscamera’s. De moord op [slachtoffer 1] wordt nauwelijks genoemd in media die dichtbij de AKP-regering staan.

14. Boldmedya schrijft dat de moord op [slachtoffer 1] een van de meest duistere kanten van het systeem toont van de regering Erdogan. De moord beoogde te voorkomen dat meer informatie naar buiten kwam. De recente aanslagen en moord op [slachtoffer 1] worden geïnterpreteerd als een zuiveringsoperatie binnen de regering. Personen die gaan praten worden één voor één vermoord, aldus Boldmedya.

15. Boldmedya is een kanaal van de in Duitsland gevestigde International Journalists Assoclation eV (IJA) en is sinds enkele jaren door de Turkse regering uit de lucht gehaald. De IJA is opgericht door verbannen Turkse journalisten die Turkije moesten ontvluchten om vervolging en opsluiting te ontlopen. Boldmedya, een van de belangrijkste initiatieven van de vereniging, was een platform waar onafhankelijke journalisten hun professionele activiteiten konden uitoefenen. 2.3 Politieke inmenging rechterlijke macht 16. In Turkije is de rechterlijke macht niet onafhankelijk. De afgelopen jaren is de Turkse rechtsstaat door Erdogan steeds verder uitgehold. Kritische rechters zijn weggestuurd en vervangen door pro AKP-rechters. In 2017 heeft Turkije 107 kritische rechters en aanklagers uit hun functie ontheven. In de jaren daarvoor (na de couppoging) waren al duizenden rechters en openbaar aanklagers uit hun ambt gezet.

17. In 2018 schreef Trouw al dat individuele Turkse burgers zware straffen kunnen krijgen voor hun internetgedrag. Een voor de president beledigende tweet kan leiden tot tussen de twee en tien jaar celstraf. Tot slot constateert ook Human Rights Watch een steeds groter wordende achteruitgang van politieke vrijheden en de mensenrechtensituatie in Turkije.

18. Volgens de Turkse Vereniging voor Vrijheid van Meningsuiting (IFÖD) zijn circa 450 duizend websites in Turkije geblokkeerd. De nieuwe wet op sociale media werd eind juli 2020 door de regering ingediend. Drie weken nadat Erdogan publiekelijk zijn woede had geuit over ‘beledigende’ berichten op sociale media over zijn dochter [betrokkene 8] . Hij zei dat ‘snelle stappen zullen worden gezet’ om de platforms ‘onder controle te brengen of geheel en al te sluiten’. In 2019 werden 12.298 mensen aangeklaagd wegens ‘belediging van de president’.

19. In 2020 schreef Freedom House dat de ‘Turkish judiciary has never been free of political interference’. Het Europees Parlement uitte in de Resolutie van 8 juni 2022 over het Commissieverslag 2021 over Turkije, zijn zorgen over het gebrek aan onafhankelijkheid van de Turkse rechterlijke macht. In januari 2022 schreven Rechters voor Rechters een brandbrief aan de Europese Commissie en de Europese Raad waarin staat dat in Turkije geen onafhankelijke rechtspraak is.

20. In 2022 sloot Article 19 zich aan bij 29 organisaties die Turkije opriepen alle verdachten van het Gezi-proces vrij te spreken en vrij te laten, de nodige maatregelen te nemen om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen en onmiddellijk een einde te maken aan de systematische mishandeling, opsluiting en vervolging van maatschappelijke organisaties in Turkije.

21. Vorig jaar schreef Al-Monitor dat er steeds meer tekenen zijn dat Erdogan de Turkse rechterlijke macht gebruikt om zijn tegenstanders de mond te snoeren. In 2023 deelt ook de International Commission of Jurists een rapport met de Raad van Europa waarin staat dat in Turkije geen sprake is van een onafhankelijk rechtssysteem. Vorige maand benadrukten de Magistrats Européens pour la Démocratie et les Libertés hun grote zorgen over de ‘erosie van de rechtsstaat’ in Turkije. Zij wijzen op recente zaken die een systematisch patroon laten zien bij Turkse rechtbanken (op elk niveau) van het veronachtzamen van de beginselen van een eerlijk proces. 22. [opgeëiste persoon] heeft innige banden met de Gülenbeweging en werkte voor het bedrijf van een belangrijke maffiabaas, die Turkse politici op het hoogste niveau chanteerde en (vermoedelijk als gevolg daarvan) is vermoord.

De Turkse autoriteiten proberen [opgeëiste persoon] nu te laten opdraaien voor deze moord. De kans dat hij een eerlijk proces krijgt en daartegen een effectief rechtsmiddel kan aanwenden is nihil. De vervolging van [opgeëiste persoon] is ingegeven door politieke motieven. 2.4 Inzage telefoon 23. Tijdens de aanhouding had [opgeëiste persoon] zijn mobiele telefoon bij zich. Wij hebben om inzage in zijn telefoon gevraagd, omdat hierin informatie staat die zijn standpunt nader kan onderbouwen (bijv. gesprekken met Turkse autoriteiten etc.). Dit verzoek is toegewezen.

Ik heb een paar keer contact geprobeerd op te nemen met de politie om de telefoon te kunnen inzien, maar hierop is vooralsnog niet gereageerd.

24. Indien uw rechtbank de uitlevering niet reeds nu al ontoelaatbaar acht, verzoek ik u subsidiair de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden om de inzage van de telefoon af te wachten.” 9. Blijkens het meergenoemde proces-verbaal hebben de raadsvrouw en de opgeëiste persoon ter aanvulling daarop nog het volgende ter zitting aangevoerd: “De oudste rechter vraagt de raadsvrouw of zij over stukken beschikt waaruit de innige banden van de opgeëiste persoon met de Gülen-beweging blijken, naast de verklaring van de opgeëiste persoon en het schrijven van [opgeëiste persoon] .

De raadsvrouw beantwoordt deze vraag als volgt: Dit blijkt ook daaruit dat mijn cliënt op Gülen-instellingen heeft gezeten. Het is lastig om hierover informatie te geven, aangezien deze informatie niet toegankelijk is vanuit Nederland. Ik heb [opgeëiste persoon] ook in persoon ontmoet. Hij heeft op het hoogste niveau bij de Gülen-beweging gezeten. Meer bevestiging van de betrokkenheid van mijn cliënt bij de Gülen-beweging konden wij ons niet voorstellen. Alleen al het feit dat hij op Gülen-instellingen heeft gezeten, is al genoeg voor de Turkse overheid, maar daarnaast heeft hij ook nog onderdak geboden aan de voortvluchtige [opgeëiste persoon] .

Wellicht kan hij het zelf nog verder toelichten. Op vragen van de oudste rechter verklaart de opgeëiste persoon als volgt: Ik heb op een Gülen-lyceum gezeten en aan een Gülen-universiteit gestudeerd. Ik bevond me in een groep die actief was in het organiseren van activiteiten voor Gülen-studenten. Normaal gesproken kan je makkelijk aan documenten hierover komen, maar als je nu naar Turkije gaat om aan die documenten te komen, dan word je beschuldigd van Gulinisme en opgepakt. Van 6000 mensen die samen met mij in hetzelfde jaar studeerde werd hun diploma ongeldig verklaard.

Er is zelfs een naamswijziging doorgevoerd bij de universiteit waaraan ik gestudeerd heb. Bij mijn moeder hing een foto van mij als student. Uit vrees heeft zij die foto moeten vernietigen. Het FETO-onderzoek loopt nog steeds. Op verzoek van de oudste rechter, licht de raadsvrouw haar aanhoudingsverzoek teneinde inzage in de telefoon te verkrijgen, als volgt toe: Inzage in de telefoon van mijn cliënt is noodzakelijk om de stukken die hij heeft over de Gülen-school waar hij op heeft gezeten te achterhalen. Daarnaast blijkt hieruit ook dat de Turkse autoriteiten meermaals hebben gepoogd contact te leggen met mijn cliënt omdat zij zijn gegevensdragers nodig hebben.

Mogelijk bevat zijn telefoon ook meer informatie over de chantagetelefoon van [slachtoffer 1] . Mijn cliënt denkt dat deze gesprekken er zijn, maar dat willen we verder onderzoeken. De raadsvrouw voert andermaal het woord, inhoudende – zakelijk weergegeven –: Volgens het OM is niet voldoende hard gemaakt dat sprake is van een flagrante schending. Mij lijkt dat dit uit hetgeen ik naar voren heb gebracht juist overduidelijk blijkt. In Turkije is op elk niveau gebrek aan onafhankelijkheid. Dat tezamen met hetgeen ik specifiek ten aanzien van mijn cliënt naar voren heb gebracht, maakt dat sprake is van het risico op een flagrante schending van artikel 6 EVR.M.

Onderhavige situatie is bovendien wel degelijk vergelijkbaar met de Rwandese zaak. De opgeëiste persoon wordt in de gelegenheid gesteld om het woord te voeren. Bij deze gelegenheid verklaart hij, zakelijk weergegeven: […] In Turkije word ik berecht of mijn onschuld wordt bewezen, maar in het laatste geval krijg ik daarna zogenaamd een hartaanval in Turkije. Ik weet dat ik er vermoord zou worden. Het is al zo vaak gebeurd. Ik zal niet gaan vluchten.” V. Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan 10. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting, behelst de klacht dat de rechtbank het namens de opgeëiste persoon gevoerde verweer dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM op onjuiste of onbegrijpelijke gronden, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

11. Daarbij wordt gedoeld op de volgende, door en namens de opgeëiste persoon genoemde, omstandigheden dat: - de opgeëiste persoon aanhanger is van de Gülenbeweging, die zich in Turkije in een bijzonder kwetsbare positie bevindt; - de opgeëiste persoon [opgeëiste persoon] , een Turkse oud-aanklager die een actieve rol speelde in de corruptiezaak tegen Erdogan, in zijn huis heeft verborgen toen deze voortvluchtig was; - de Turkse autoriteiten de opgeëiste persoon via deze vervolging willen neutraliseren vanwege de gevoelige kennis waarover hij beschikt uit hoofde van zijn functie bij een bedrijf van het uiteindelijke slachtoffer [slachtoffer 1] , die de Turkse politie op het hoogste niveau chanteerde en vermoedelijk daarom is vermoord; - uit openbare bronnen blijkt dat de Turkse rechterlijke macht in politiek gevoelige zaken niet onafhankelijk is.

12. Anders dan het middel voorstaat, heeft de rechtbank de juistheid van deze omstandigheden naar ik meen niet in het midden gelaten en wel degelijk er blijk van gegeven dit verweer te hebben betrokken in haar oordeelvorming. De rechtbank heeft immers overwogen dat: - niet is gebleken dat de opgeëiste persoon zich in het openbaar op enige wijze heeft gepresenteerd als een aanhanger van de Gülen-beweging en dat de omstandigheid dat hij op een Gülen-school en Gülen-universiteit heeft gezeten onvoldoende onderscheidend is; - het door de opgeëiste persoon aangevoerde hieraan voorbijgaat, dat de verklaring van [opgeëiste persoon] in het geheel niet is onderbouwd of geconcretiseerd en [opgeëiste persoon] evenmin heeft vermeld hoe hij weet dat tegen de opgeëiste persoon een FETÖ-onderzoek is gestart wegens het feit dat hij, de opgeëiste persoon, [opgeëiste persoon] onderdak heeft verleend in 2016; - krantartikelen over [slachtoffer 1] en diens (vermeende) banden met hooggeplaatste politici niet gaan over diens (ex-)werknemers in het algemeen, noch over de opgeëiste persoon in het bijzonder; - de opgeëiste persoon niet de enige is die van de moorden wordt verdacht en reeds vier personen zijn veroordeeld en twee personen zijn vrijgesproken voor deze feiten; - er geen aanwijzingen zijn dat de Turkse overheid structureel invloed of druk uitoefent op de rechterlijke macht in commune strafzaken en niet is gebleken van een politiek gemotiveerde vervolging.

13. Het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM en dat de uitlevering toelaatbaar is, komt mij, in het licht van het vorengaande, verder niet onjuist of onbegrijpelijk voor. Het eerste middel faalt. VI. Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan 14. Het tweede middel luidt dat de rechtbank het namens de opgeëiste persoon gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek om de inzage van de telefoon van de opgeëiste persoon af te wachten ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

15. Namens de opgeëiste persoon is verzocht om aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek, in verband met een eerder toegewezen verzoek tot inzage in de telefoon van de opgeëiste persoon. Daartoe is aangevoerd dat in die telefoon informatie staat die het standpunt van de opgeëiste persoon nader kan onderbouwen, zoals gesprekken waarin de Turkse autoriteiten hem vragen om gegevensdragers over te dragen. Voorts is ter zitting gesteld dat op die telefoon stukken over de Gülen-school waarop de opgeëiste persoon heeft gezeten kunnen worden achterhaald en dat de telefoon mogelijk ook meer informatie over de chantagetelefoon van [slachtoffer 1] bevat.

16. De rechtbank heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen. Geklaagd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk en ontoereikend is gemotiveerd, omdat de rechtbank in het geheel niet is ingegaan op hetgeen door de verdediging is aangevoerd ter onderbouwing van dit verzoek. Dat zie ik anders. De rechtbank heeft immers overwogen dat het enkele feit dat de Turkse autoriteiten de opgeëiste persoon, zoals hij heeft gesteld, om zijn gegevensdragers zouden hebben gevraagd en dat dit zou blijken uit die berichten, haar oordeel dat onvoldoende concreet is onderbouwd dat de vervolging is ingegeven door politieke motieven niet anders zou kunnen maken, omdat zo een verzoek tot overdracht van gegevensdragers net zo goed in een ander kader gedaan had kunnen zijn.

Dat oordeel kan ik volgen. De rechtbank heeft weliswaar niet nadrukkelijk stilgestaan bij de stelling dat de telefoon (mogelijk) informatie over de Gülen-school en de chantagetelefoon van [slachtoffer 1] bevat, maar het kennelijke oordeel van de rechtbank dat inzage hierin evenmin tot de gevolgtrekking zou kunnen leiden dat sprake is van een politiek gemotiveerde vervolging komt mij, tegen de achtergrond van haar hiervoor onder randnummer 6 aangehaalde overwegingen, en gelet op de weinig concrete onderbouwing van deze stelling, niet onbegrijpelijk en genoegzaam gemotiveerd voor.

Het tweede middel treft evenmin doel. Slotsom 17. Beide middelen falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De raadsvrouw heeft ter zitting hierop het volgende mondeling aangevuld: “het Gezi-proces hangt nauw samen met de Gülen-beweging.”