Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2024:717 ECLI:NL:PHR:2024:717 AI generated

ECLI:NL:PHR:2024:717 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2024:717
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer23/02688 J Zitting 2 juli 2024 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 12 juli 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen", veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie. Daarnaast heeft het hof een vordering van de benadeelde partij deels toegewezen, deels afgewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard en hiermee verbonden een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2024:717 · Parket bij de Hoge Raad: Het middel 2.1 Het middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd om de duur van het aantal dagen gijzeling te bepalen dat is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. 2.2 Daargelaten of de steller van het middel een terecht punt heeft, het is vaste jurisprudentie dat indien de rechterlijke machtiging daartoe ontbreekt, gijzeling niet mogelijk zal zijn. De verdachte heeft aldus geen eigen belang bij de oplegging daarvan. Afronding 3.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 3.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 3.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2016:179
2 februari 2016 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2024:184
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 22/04131 J Datum 6 februari 2024 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 november 2022, nummer 20-001159-22, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004, hierna: de verdachte.
ECLI:NL:PHR:2023:1133
HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:179 en HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:184 (81 lid 1 RO over een in essentie zelfde cassatiemiddel als in de onderhavige zaak) en mijn opmerkingen in de conclusie voorafgaand aan dit laatste arrest (ECLI:NL:PHR:2023:1133).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer23/02688 J Zitting 2 juli 2024 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005, hierna: de verdachte. Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 12 juli 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen", veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie. Daarnaast heeft het hof een vordering van de benadeelde partij deels toegewezen, deels afgewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard en hiermee verbonden een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel 2.1 Het middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd om de duur van het aantal dagen gijzeling te bepalen dat is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. 2.2 Daargelaten of de steller van het middel een terecht punt heeft, het is vaste jurisprudentie dat indien de rechterlijke machtiging daartoe ontbreekt, gijzeling niet mogelijk zal zijn. De verdachte heeft aldus geen eigen belang bij de oplegging daarvan. Afronding 3.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 3.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 3.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. AG Vgl. HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:179 en HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:184 (81 lid 1 RO over een in essentie zelfde cassatiemiddel als in de onderhavige zaak) en mijn opmerkingen in de conclusie voorafgaand aan dit laatste arrest (ECLI:NL:PHR:2023:1133).